Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:511

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
29-05-2018
Datum publicatie
30-05-2018
Zaaknummer
16/06114
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:1168
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie A-G over de vraag of het 's nachts te midden van publiek dat na sluitingstijd een uitgaansgelegenheid verlaat, roepen van scheldwoorden in de omstandigheden van het onderhavige geval een verstoring van de openbare orde oplevert in de zin van art. 2.2 lid 1 APV 2008 Amsterdam. De A-G stelt zich op het standpunt dat de Hoge Raad het cassatieberoep dient te verwerpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/06114

Zitting: 29 mei 2018 (bij vervroeging)

Mr. G. Knigge

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. De verdachte is bij arrest van 21 november 2016 door het gerechtshof Amsterdam kennelijk1 wegens “overtreding van artikel 2.2 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 Amsterdam”, veroordeeld tot een geldboete van € 110,00, subsidiair twee dagen hechtenis.

2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte.

3. Mr. M.E. van der Werf, advocaat te Amsterdam, heeft namens de verdachte één middel van cassatie voorgesteld.

4 Bewezenverklaring en bewijsvoering

4.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 29 december 2014 te Amsterdam op de weg, het Koningsplein, de orde heeft verstoord, immers heeft hij, verdachte, toen aldaar geschreeuwd: “Jullie zijn flikkers. Jullie zijn echt flikkers”.

4.2.

Het hof heeft de bewezenverklaring als volgt gemotiveerd:

“De raadsman heeft – onder verwijzing naar ECLI:NL:PHR:2007:AZ2104 – betoogd dat het gedrag van de verdachte geen ordeverstoring oplevert, nu dat begrip duidt op een van de normale gang van zaken afwijkende, abnormale situatie. Toen de verbalisanten tegen de verdachte optraden, had hij, net als vele andere bezoekers, club Odeon net verlaten en bij sluitingstijd van een club is er nu eenmaal geluid/lawaai op straat, zodat het schreeuwen van de verdachte niet als ordeverstoring kan worden aangemerkt, aldus de raadsman.

Het hof overweegt als volgt. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij na sluitingstijd van club Odeon in Amsterdam om ongeveer 04:00 uur met zijn vrienden richting de auto wilde lopen, dat de vrienden van de verdachte met elkaar aan het stoeien waren en dat hij heeft geroepen. Uit het proces-verbaal van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van 5 januari 2015 blijkt dat op 29 december 2014 op het Koningsplein te Amsterdam drie jongens, onder wie de later aangehouden verdachte, aan het schreeuwen en aan het schijnvechten waren. Verbalisant [verbalisant 1] heeft hierop de drie jongens aangesproken en gezegd dat zij zich moesten gedragen en naar huis moesten gaan. De jongens liepen eerst weg, maar kwamen even later weer teruglopen. De verbalisanten zagen dat de verdachte druk gebaarde en hoorde dat hij schreeuwde: “Jullie zijn flikkers. Jullie zijn echt flikkers”. Vervolgens zagen zij dat er een oploop ontstond van mensen die vermoedelijk op het geluid van de verdachte afkwamen.

Het hof leidt hieruit af dat het gedrag van de verdachte kan worden aangemerkt als een verstoring van de orde, in het bijzonder nu zijn geschreeuw kennelijk leidde tot een oploop van het publiek. De enkele omstandigheid dat ook anderen op straat luidruchtig zouden zijn geweest, brengt niet mee dat aan het geschreeuw van de verdachte het ordeverstorende karakter komt te ontvallen.

Het hof verwerpt derhalve het verweer.”

5 Bespreking van het middel

5.1.

Het middel komt op tegen de bewezenverklaring en klaagt er primair over dat het hof een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het in de tenlastelegging gebezigde, aan art. 2.2 lid 1 van de APV 2008 Amsterdam ontleende “op enigerlei wijze de orde verstoren” en klaagt er subsidiair over dat het hof zijn oordeel dat de verdachte de orde heeft verstoord ontoereikend dan wel onbegrijpelijk heeft gemotiveerd.

5.2.

Art. 2.2 lid 1 van de APV 2008 Amsterdam, geplaatst in Hoofdstuk II (Orde en veiligheid), paragraaf 2 (Openbare orde, overlast en veiligheid), luidt als volgt:2

“Artikel 2.2 Samenscholing, ongeregeldheden, ordeverstoring en samenkomsten

1. Het is verboden op of aan de weg of in een voor publiek toegankelijk gebouw of vaartuig deel te nemen aan een samenscholing of in groepsverband dan wel afzonderlijk onnodig op te dringen, anderen lastig te vallen, te vechten, of op andere wijze de orde te verstoren.”

5.3.

Gelet op de plaatsing in Hoofdstuk II (Orde en veiligheid), paragraaf 2 (Openbare orde, overlast en veiligheid) is de “orde” waarvan in dit artikellid wordt gesproken, de openbare orde. De Hoge Raad heeft op 30 januari 2007 ten aanzien van het begrip “verstoring van de (openbare) orde” als bedoeld in art. 76 lid 1 van de APV ’s Gravenhage 1982 geoordeeld dat de vraag of daarvan sprake is, moet worden beantwoord aan de hand van het normale spraakgebruik, met inachtneming van de specifieke omstandigheden van het geval. Wil van een dergelijke verstoring kunnen worden gesproken, zal het moeten gaan om een verstoring van enige betekenis van de normale gang van zaken in of aan de desbetreffende openbare ruimte, aldus de Hoge Raad.3 Gelet op de grote gelijkenis die beide artikelen uit de verschillende plaatselijke verordeningen vertonen, dient er mijns inziens vanuit te worden gegaan dat deze jurisprudentie van overeenkomstige toepassing is op het begrip “verstoring van de (openbare) orde” als bedoeld in art. 2.2 lid 1 van de APV 2008 Amsterdam.

5.4.

In mijn conclusie die voorafging aan voormeld arrest schreef ik – in navolging van AG s’Jacob –4 dat de openbare orde een plaatsgebonden fenomeen is: het gaat om de gang van het maatschappelijk leven zoals die op een bepaalde plaats, onder omstandigheden van het moment, als normaal heeft te gelden. Dat impliceert dat het moet gaan om een ter plaatse heersende ordening van het maatschappelijk leven die objectief (voor het publiek) kenbaar is. In de onderhavige APV-bepaling gaat het, voor zover hier van belang, om de orde die heerst “op of aan de weg”. Onder “weg” valt in elk geval de openbare weg. Voor een verstoring van de orde op of aan die weg is niet nodig dat publiek aanwezig is, laat staan dat die verstoring tot commotie onder het publiek leidt.5

5.5.

Ik begrijp de weergegeven overwegingen van het hof in de onderhavige zaak aldus, dat het voor de vraag of de verdachte de orde op enigerlei wijze heeft verstoord, van belang heeft geacht dat de verdachte kort voordat hij de bewezenverklaarde woorden schreeuwde, door de verbalisanten – die kennelijk handelde vanuit een hen gebleken noodzaak de orde ter plaatse te regelen – juist was gesommeerd zich te gedragen en naar huis te gaan. Daarnaast heeft het hof betekenis toegekend aan het feit dat de uitlatingen van de verdachte kennelijk leidde tot een oploop van publiek. In het oordeel van het hof ligt besloten dat de verdachte met de bewuste uitlatingen het bevel van de verbalisanten om zich te gedragen en zich te verwijderen, negeerde. Die uitlatingen druisten aldus in tegen de door verbalisanten geschapen (openbare) orde ter plaatse.

5.6.

Aan het voorgaande doet niet af dat – zoals in de toelichting op het middel wordt aangevoerd – het van algemene bekendheid is dat (i) het (jonge) uitgaanspubliek dat bij sluitingstijd (04.00 uur) een club als Odeon verlaat in zijn algemeenheid niet bedaard en rustig is, maar eerder jolig, uitgelaten en rumoerig, waarbij het gebruik van alcohol een rol speelt en dat (ii) zich in de buurt van Odeon ook nog andere uitgaansgelegenheden bevinden (waaruit eveneens rumoerig publiek stroomt). Ik zou zeggen integendeel. Het een en ander maakt juist dat het noodzakelijk is dat de politie ter plaatse regelend optreedt teneinde te voorkomen dat de boel uit de hand loopt. Onder die omstandigheden levert het negeren van de aanwijzingen van regelend optredende verbalisanten een verstoring van de openbare orde op die “van enige betekenis” kan worden genoemd. De oploop van het publiek die als gevolg van de uitlatingen van de verdachte ontstond, onderstreept dat.

5.7.

Ik meen kortom dat het oordeel van het hof onjuist noch onbegrijpelijk is en toereikend is gemotiveerd.

5.8.

Het middel faalt en kan met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden afgedaan.

6. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Het hof heeft verzuimd het bewezenverklaarde te kwalificeren. Uit de toepasselijke wettelijke voorschriften leid ik af dat het hof het bewezenverklaarde heeft aangemerkt als een ‘overtreding van artikel 2.2 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 Amsterdam’. Die kwalificatie stemt overeen met hetgeen is vermeld in de “Aanvulling/verbetering oproeping” die zich bij de gedingstukken bevindt.

2 http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xhtmloutput/Historie/Amsterdam/72510/72510_9.html

3 Zie ECLI:NL:HR:2007:AZ2104, r.o.v. 3.4.1.

4 In zijn conclusie die voorafging aan HR 29 november 1966, NJ 1967, 58 m.nt. v.E.

5 Vgl. ECLI:NL:PHR:2007:AZ2104.