Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:508

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-04-2018
Datum publicatie
30-05-2018
Zaaknummer
17/03415
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:794
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Medeplegen van opzettelijke overtreding art. 2.B Opiumwet; deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven; medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd en overtreding van art. 10a.1.ahf.1 Opiumwet. Bewijsklachten. HR: art. 80a RO. Samenhang met 17/01650 en 17/03416.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/03415

Zitting: 3 april 2018

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 20 maart 2017 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld in de zaak met parketnummer 02-984816-08 wegens 1. “Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod” en 2. “Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven” en in de zaak met parketnummer 02-984817-10 wegens 1. “Medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd” en 2. “Medeplegen van: om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, anderen trachten te bewegen om dat feit mede te plegen en een voorwerp of een vervoermiddel voorhanden hebben waarvan hij weet dat het bestemd is tot het plegen van dat feit” tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van voorarrest.

  2. Er bestaat samenhang met de zaken met nrs. 17/01650 en 17/03416. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Namens de verdachte heeft mr. B.C. Swier, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

  4. De twee middelen richten zich tegen de bewijsvoering van het hof ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 02-984816-08 onder 1 en 2 bewezenverklaarde. Daarnaast klaagt het tweede middel dat een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt door het hof niet dan wel onvoldoende gemotiveerd is weerlegd. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

4.1. Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 02-984816-08 door het hof bewezenverklaard dat:

“1. primair:

hij in de periode van 6 maart 2008 tot en met 18 maart 2008 te Bergen op Zoom en Breda en Vianen en Ede, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft afgeleverd en vervoerd, ongeveer 113 kilogram amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij in de periode van 01 juni 2007 tot en met 22 oktober 2008 te Vianen

heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een organisatie bestaande uit hem, verdachte, en [medeverdachte 3] en [betrokkene 1], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk:

- het buiten en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of het bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of vervaardigen en/of vervoeren en/of leveren en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken van amfetamine en MDMA, middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, strafbaar gesteld in artikel 2 sub a en/of 2 sub b en/of 2 sub c van de Opiumwet en

- het plegen van strafbare voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet”.

4.2. Het hof heeft in de bijlage bij het arrest de bewijsmiddelen opgenomen die het redengevend heeft geacht voor de bewezenverklaring.1 Meer in het bijzonder heeft het hof op pagina’s 2 tot en met 116 van de bijlage dertig bewijsmiddelen opgenomen met betrekking tot het in de zaak met parketnummer 02-984816-08 onder 1 en 2 bewezenverklaarde.

4.3. De middelen klagen allereerst dat de bewezenverklaring van het in de zaak met parketnummer 02-984816-08 onder 1 en 2 tenlastegelegde niet wordt ondersteund door de gebezigde bewijsmiddelen. Enige concrete nadere toelichting op deze klacht ontbreekt echter. Daarom is van een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen geen sprake, zodat deze klacht geen bespreking behoeft.2

4.4. In het verlengde van de vorige klacht bevatten de middelen de klacht dat onvoldoende duidelijk is welke feiten en omstandigheden het hof redengevend heeft geacht voor de bewezenverklaring, omdat het hof 114 pagina’s bewijsmiddelen heeft gebezigd voor twee bewezenverklaarde feiten en hierin nergens expliciet heeft weergegeven welke feiten en omstandigheden exact redengevend zijn geweest voor welke bewezenverklaring.

4.4.1. In het tweede middel wordt in dit kader met een beroep op HR 23 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5858, NJ 2008/70, m.nt. Borgers, aangevoerd dat het hof nauwkeurig had moeten aanduiden welke delen van de gebezigde bewijsmiddelen redengevend zijn voor de bewezenverklaring. In dat arrest gaat het echter om het aanhalen van redengevende feiten of omstandigheden die niet voorkomen in de gebezigde bewijsmiddelen. In dat geval dient de rechter die feiten of omstandigheden aan te duiden en het wettige bewijsmiddel aan te geven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend. Het tweede middel stelt dus in zoverre een eis die het recht niet kent.

4.4.2. Verder is naar mijn mening evident dat het hof de op pagina’s 2 tot en met 116 van de bijlage bij het arrest weergegeven inhoud van de dertig bewijsmiddelen redengevend heeft geacht voor de bewezenverklaring van het in de zaak met parketnummer 02-984816-08 onder 1 en 2 tenlastegelegde. Daarbij heeft het hof de bewijsmiddelen niet gesplitst per bewezenverklaard feit, maar volstaan met de overweging dat elk bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen, slechts wordt gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit of die bewezenverklaarde feiten waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.3 Daar is niets mis mee.

4.4.3. Van enige onduidelijkheid omtrent de feiten en omstandigheden die het hof redengevend heeft geacht voor de bewezenverklaring is gelet op het vorenstaande naar mijn mening geen sprake.

4.5. Het eerste middel klaagt verder dat het hof in zijn bewijsoverwegingen heeft verwezen naar een omstandigheid, te weten dat de verdachte in het gesprek van 20 mei 2008 met zoveel woorden heeft gezegd zegt dat hij bij een lab is geweest, zonder aan te geven aan welk wettig bewijsmiddel die omstandigheid is ontleend, terwijl deze omstandigheid niet voorkomt in de door het hof gebezigde bewijsmiddelen.

4.5.1. Het hof heeft, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

“Op 18 maart 2008 ziet het observatieteam dat er een zwarte BMW stationcar geparkeerd staat op de parkeerplaats van de IKEA Breda. In die auto bevinden zich [betrokkene 3] en [betrokkene 1]. Men ziet daarna dat er een Mercedes Vito bestelbus met [verdachte] als bestuurder arriveert, waarna [verdachte] en [betrokkene 1] wegrijden in de Mercedes Vito. De BMW met daarin [betrokkene 3] als bijrijder en een onbekende als bestuurder volgen de Mercedes Vito. Ter hoogte van Bergen op Zoom komt een derde auto in beeld, te weten: een Volkswagen Golf die vlak achter de BMW gaat rijden. De drie auto’s stoppen in Bergen op Zoom. [verdachte] legt vervolgens contact met de bestuurder van de BMW, waarna de auto’s verder rijden.

De Volkswagen Golf rijdt dan naar de Halsterweg te Bergen op Zoom. [verdachte] heeft ter zitting in eerste aanleg verklaard dat hij de bestuurder is geweest van de Volkswagen Golf. De BMW en de Mercedes staan stil in de Karmel te Bergen op Zoom. [betrokkene 1] is op dat moment de bijrijder in de Mercedes en heeft contact met een kalende man, [betrokkene 5]. De Volkswagen Golf met daarin [verdachte] rijdt terug naar de Karmel vanuit de Halsterseweg en stopt naast de Mercedes en de BMW. [betrokkene 3] pakt dan een doos uit de BMW en legt die in de Volkswagen Golf. De Mercedes met daarin [verdachte], de BMW met daarin onder andere [betrokkene 1], en de Volkswagen Golf met daarin [betrokkene 5] vertrekken daarna om 12:33 uur vanaf de Karmel te Bergen op Zoom. De Volkswagen Golf wordt door [betrokkene 5] naar Ede gereden, naar de Jagermeester, waar [betrokkene 5] binnen gaat in perceel [f-straat 1]. Later wordt in de Volkswagen Golf de onderhavige partij amfetamine aangetroffen.

Het hof concludeert dat bij voormelde ontmoeting d.d. 18 maart 2008 kennelijk buiten zicht van het observatieteam de onderhavige partij amfetamine in de Volkswagen Golf is geplaatst. De gesprekken die na 18 maart 2008 worden gevoerd zijn naar het oordeel van het hof zodanig van inhoud dat daaruit niet anders geconcludeerd kan worden dan dat de onderhavige transactie succesvol is afgerond en voorts dat de betrokkenen ervan op de hoogte waren wat er op 18 maart 2008 dag heeft plaatsgevonden en welk risico zij daarbij hebben gelopen. Met name het gesprek van 20 mei 2008, waarin [verdachte] met zoveel woorden zegt dat hij bij een lab is geweest, duidt erop dat tijdens de tussentijdse rit die [verdachte] met de Volkswagen heeft gemaakt, hij de partij amfetamine bij een laboratorium heeft opgehaald. Gelet op de bevindingen van het NFI was er sprake van hoogwaardige amfetamine.”

4.5.2. De omstandigheid dat de verdachte in het gesprek van 20 mei 2008 met zoveel woorden heeft gezegd dat hij bij een lab is geweest, welke omstandigheid door het hof redengevend is geacht voor de bewezenverklaring. blijkt niet uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen. Het hof heeft evenmin het wettig bewijsmiddel aangegeven waaraan het deze omstandigheid heeft ontleend. Daarover klaagt het middel terecht.4

4.5.3. Tot cassatie hoeft dit mijns inziens echter niet te leiden. Zoals in de toelichting op het eerste middel wordt opgemerkt, is de betreffende overweging door het hof kennelijk overgenomen van de rechtbank. De rechtbank overwoog in haar vonnis, voor zover hier van belang, het volgende:

“Na 18 maart 2008 vinden er tussen [medeverdachte 3], [betrokkene 1] en [verdachte] diverse gesprekken plaats, te weten één op 11 april 2008(…) en een volgende op 20 mei 2008(16). (…)

In het gesprek van 20 mei 2008 zegt [verdachte]: “nou volgens mij hadden ze daar allang naar binnen geklapt. Als ze willen kunnen ze echt een lab oprollen. Echt, ik ben daar met die auto geweest.”

(…)

Met name het gesprek van 20 mei 2008, waarin [verdachte] met zoveel woorden zegt dat hij bij een lab is geweest, levert het bewijs dat tijdens de rit die [verdachte] met de auto heeft gemaakt, de amfetamine bij een lab is opgehaald. (…)

Voetnoot

(16) Een geschrift, te weten een OVC-gesprek, bijlage 18, pagina’s 153 tot en met 175 behorende bij ZD 14”.5

4.5.4. Gelet op het vorenstaande kan er naar mijn mening geen twijfel over bestaan dat het hof – in navolging van de rechtbank – met zijn overweging dat de verdachte in het gesprek van 20 mei 2008 met zoveel woorden zegt dat hij bij een lab is geweest het oog heeft gehad op de opmerking van de verdachte “nou volgens mij hadden ze daar allang naar binnen geklapt. Als ze willen kunnen ze echt een lab oprollen. Echt, ik ben daar met die auto geweest”, waarvan de vindplaats in het vonnis is vermeld.

4.5.5. Verdachte mist daarom belang bij deze klacht nu, gelet op het voorgaande, een nieuwe behandeling van de zaak niet tot een andere uitkomst ten aanzien van de bewezenverklaring zal leiden, terwijl overigens ook in de schriftuur geen melding wordt gemaakt van een rechtens te respecteren belang van verdachte bij zijn klacht.6

4.6. Ten slotte bevat het tweede middel de klacht dat in strijd met art. 359 lid 2 Sv het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat er geen sprake was van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband, maar slechts van een incidenteel samenwerkingsverband, door het hof niet dan wel onvoldoende gemotiveerd is weerlegd, aangezien het hof in zijn bewijsmotivering heeft verwezen naar feiten en omstandigheden die niet of onvoldoende duidelijk uit de gebezigde bewijsmiddelen blijken.

4.6.1. Aan deze klacht is ten grondslag gelegd dat het hof heeft overwogen dat de verdachte, [medeverdachte 3] en [betrokkene 1] onderling telefonisch overleg voerden over gezamenlijke criminele zaken en dat zij telkens bij elkaar kwamen in verschillende horecagelegenheden, terwijl uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen enkel blijkt van twee telefonische contacten tussen de verdachte en [medeverdachte 3] en twee ontmoetingen tussen de verdachte, [medeverdachte 3] en [betrokkene 1] en daaruit niet blijkt van telefonische contacten tussen de verdachte en [betrokkene 1].

4.6.2. Mijns inziens berust deze klacht op een verkeerde lezing van het bestreden arrest. Het hof heeft immers overwogen:

“Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt voorts dat de verdachte, [betrokkene 1] en/of [medeverdachte 3] en/of anderen in de ten laste gelegde periode telkens bij elkaar kwamen in verschillende horecagelegenheden en ook onderling telefonisch overleg voerden over de criminele zaken waarmee zij zich gezamenlijk bezighielden, om hun handelen op elkaar af te stemmen en met elkaar afspraken te maken over de criminele zaken waarmee zij zich gezamenlijk bezig hielden.”

4.6.3. Het hof heeft dus, anders dan aan het middel ten grondslag is gelegd, overwogen dat in de tenlastegelegde periode de verdachte, [medeverdachte 3], [betrokkene 1] en anderen in wisselende samenstellingen bij elkaar kwamen en telefonisch overleg voerden. Deze vaststelling heeft het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk ontleend aan de tot het bewijs gebezigde processen-verbaal OVC-gesprek (bewijsmiddelen 1, 2, 14 tot en met 25) en het proces-verbaal van bevindingen (bewijsmiddel 3).

4.7. De middelen kunnen klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden, zodat zij met toepassing van art. 80a RO kunnen worden afgedaan.

5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

6. Deze conclusie strekt tot de niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Pagina 7 van het bestreden arrest.

2 Vgl. HR 21 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR4898, rov. 3.

3 Pagina 21 van het bestreden arrest.

4 Vgl. HR 23 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5858, NJ 2008/70, m.nt. Borgers, rov. 3.3.

5 Pagina 4 van het vonnis.

6 Vgl. HR 2 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5960, HR 11 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA2547, NJ 2013/577, m.nt. Van Kempen, rov. 3.3, en HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:202.