Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:507

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-04-2018
Datum publicatie
30-05-2018
Zaaknummer
17/01650
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:793
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Gewoontewitwassen, art. 420ter jo. 420bis Sr. In woning waar verdachte en zijn partner in Curaçao verbleven en bij verdachtes aanhouding inbeslaggenomen horloges, die met geleend geld zouden zijn gekocht, afkomstig uit enig misdrijf? Hof heeft t.a.v. de vraag of m.b.t. drie horloges sprake is van witwassen, geoordeeld dat niet relevant is of die horloges zijn gekocht met geleend geld reeds omdat de terugbetaling van die gestelde lening "alleen maar (kan) plaatsvinden uit crimineel vermogen of inkomen", zodat deze horloges "dan feitelijk (worden) betaald met geld van misdrijf afkomstig, waarmee aan het vereiste van witwassen is voldaan". Aldus heeft Hof kennelijk geoordeeld dat, ook indien horloges zijn gekocht met geleend geld dat niet afkomstig is uit enig misdrijf, deze horloges t.t.v. de verwerving niettemin (middellijk) afkomstig zijn uit misdrijf a.b.i. art. 420bis Sr. Dat oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. De enkele omstandigheid dat een lening t.z.t. zal worden afgelost met geld dat uit misdrijf afkomstig is, brengt immers niet met zich dat het voorwerp dat is verworven met dat geleende geld, kan worden aangemerkt als een voorwerp dat "uit enig misdrijf afkomstig" is a.b.i. art. 420bis Sr (vgl. ECLI:NL:HR:2014:3046). HR spreekt om redenen van doelmatigheid verdachte alsnog vrij van de in de tll. vermelde horloges. Voor terugwijzing of verwijzing van de zaak voor een nieuwe behandeling bestaat onvoldoende grond, aangezien door deze vrijspraak de aard en de ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd niet worden aangetast. CAG: anders. Samenhang met 17/03415 en 17/03416.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/01650

Zitting: 3 april 2018

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. De verdachte is bij arrest van 20 maart 2017 door het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren. Deze veroordeling betreft de volgende door het hof bewezenverklaarde en gekwalificeerde feiten:

onder 1 primair in de zaak met parketnummer 02-984820-06

- ‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod’;

onder 2 in de zaak met parketnummer 02-984820-06

- ‘medeplegen van: om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om dat feit mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn en om daartoe middelen te verschaffen en zich en een ander middelen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en gelden voorhanden te hebben waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd’;

onder 4 in de zaak met parketnummer 02-984820-06

- ‘deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven’;

onder 1 primair in de zaak met parketnummer 02-984816-10

- ‘van het plegen van witwassen een gewoonte maken’;

- ‘medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd’; en

onder 2 in de zaak met parketnummer 02-984816-10

- ‘om een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich gelegenheid en middelen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen en stoffen voorhanden hebben waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd’.

2. Deze betrekkelijk grootschalige drugs- en witwaszaak hangt samen met de zaken die onder nrs. 17/03415 en 17/03416 tegen respectievelijk medeverdachte [medeverdachte 2] en medeverdachte [medeverdachte 1] bij de Hoge Raad aanhangig zijn. In de laatstgenoemde zaken zal ik vandaag eveneens concluderen.

3. Namens de verdachte heeft mr. J.J.J. van Rijsbergen, advocaat te Breda, negen middelen van cassatie voorgesteld.

4. In het eerste middel wordt betoogd dat het bestreden arrest in aanmerking komt voor vernietiging, nu uit dit arrest niet kan worden opgemaakt dat de beraadslaging in hoger beroep op de voet van art. 422, tweede lid, Sv mede is geschied naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en de verdachte door de gestelde niet-naleving van art. 422, tweede lid, Sv in zijn belangen is geschaad.

4.1. Het bestreden arrest houdt – voor zover hier van belang – in:

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.”

4.2. Art. 422, tweede lid, Sv luidt:

“Indien de uitreiking van de dagvaarding of oproeping in hoger beroep geldig is en het hoger beroep overeenkomstig de eisen van dit wetboek is ingesteld, geschiedt de beraadslaging in hoger beroep, bedoeld in de artikelen 348 en 350, naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep. De beraadslaging geschiedt voorts naar aanleiding van het onderzoek in eerste aanleg, zoals dit volgens het proces-verbaal van die terechtzitting heeft plaatsgehad, tenzij artikel 378a of artikel 395a in eerste aanleg is toegepast.”

4.3. De eerste vraag die het middel opwerpt is of uit de door het hof gebruikte woorden ‘dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting’ inderdaad, zoals de steller van het middel meent, moet worden afgeleid dat het hof heeft nagelaten bij zijn beraadslaging mede acht te slaan op het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Afgaand op de volgende overwegingen uit een – weliswaar zeer oude – uitspraak van de Hoge Raad van 18 februari 1935 (NJ 1935, p. 534 e.v.) dient deze vraag ontkennend te worden beantwoord:

“Ten aanzien van het cassatiemiddel:

O. dat dit, blijkens de toelichting, twee grieven bevat; dat de eerste grief, hierin bestaat, dat niet uit het vonnis zoude blijken, dat de Rechtbank heeft beraadslaagd — hetgeen art. 422 Sv. voorschrijft — zoowel naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hooger beroep als van het onderzoek op de terechtzitting in eersten aanleg, zooals dit volgens het proces-verbaal dier terechtzitting heeft plaats gehad;

O. dat deze grief niet tot cassatie kan leiden; dat, al zegt de Rechtbank in haar vonnis dan niet met zoovele woorden, dat zij ook naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eersten aanleg heeft beraadslaagd, uit niets blijkt, dat zij dit niet zoude hebben gedaan en veeleer uit de omstandigheid, dat de Rechtbank in het vonnis verklaart de stukken van het rechtsgeding te hebben gezien, het tegendeel zou zijn af te leiden; dat overigens de wet nergens den rechter verplicht in zijn vonnis met zoovele woorden kenbaar te maken, dat hij overeenkomstig het voorschrift van art. 422, om zoowel naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hooger beroep als van het onderzoek op de terechtzitting in eersten aanleg te beraadslagen, heeft gehandeld.”1

Nu de stukken van het geding geen nadere aanwijzingen voor schending van art. 422, tweede lid, Sv bevatten en dergelijke aanwijzingen ook in de toelichting op het middel niet naar voren worden gebracht, kan het middel reeds hierom niet slagen.

4.4. Ook als de genoemde aanwijzingen er wel zouden zijn, zou het middel mijns inziens niet tot cassatie hoeven te leiden. Uit bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad komt immers naar voren dat, in zaken waarin wel moet worden uitgegaan van een verzuim om art. 422, tweede lid, Sv toe te passen, het betreffende verzuim enkel tot nietigheid kan leiden indien de verdachte door dit verzuim in enig belang is geschaad.2 Dat de verdachte in casu door een veronderstelde schending van art. 422, tweede lid, Sv in zijn belangen zou zijn geschaad, kan ik nergens uit opmaken. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat de verdachte zich ter terechtzitting in eerste aanleg weliswaar grotendeels op zijn zwijgrecht heeft beroepen, maar dat hij “een enkele inhoudelijke vraag alsmede de vragen met betrekking tot zijn persoonlijke omstandigheden wel [heeft] willen beantwoorden”. Het geschonden belang van de verdachte zou er dan in zijn gelegen dat hetgeen de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg wel heeft verklaard bij de beraadslaging door het hof niet zou zijn meegenomen. In de toelichting op het middel wordt echter in het geheel niet duidelijk gemaakt op welk punt de in eerste aanleg afgelegde verklaringen van de verdachte in relevante zin afwijken van de verklaringen van de verdachte in hoger beroep. Ik merk daarbij nog op dat de verdediging in hoger beroep blijkens de tekst van de ter terechtzitting van 20 februari 2017 overgelegde pleitnota in ieder geval alle in eerste aanleg gevoerde verweren heeft herhaald. Tot slot geldt dat ook voor het overige noch in de toelichting op het middel noch in de stukken van het geding zelf duidelijke aanknopingspunten voor een schending van de belangen van de verdachte zijn te vinden.3

4.5. Het eerste middel treft geen doel.

5. Het tweede middel bevat een klacht over de afwijzing door het hof van een verzoek van de verdediging tot toevoeging aan het dossier van stukken met betrekking tot een tweetal rechtshulpverzoeken.

5.1. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 oktober 2014 vermeldt hierover het volgende:

“De voorzitter stelt de raadsman in de gelegenheid de appelschriftuur d.d. 30 december 2013 nader toe te lichten (…).

De raadsman deelt hierop het volgende mede.

(…)

(…) Met betrekking tot de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] , die beiden nog niet zijn gehoord, wenst de verdediging voorts dat alle correspondentie met betrekking tot de rechtshulpverzoeken aan Engeland en Maleisië aan het dossier worden toegevoegd.

U, voorzitter vraagt mij of ik het dossier al heb ingezien. Ik heb een deel gekregen en een deel is geweigerd door de rechtbank. U, voorzitter, houdt mij voor dat de verdediging het dossier altijd mag inzien. De rechter-commissaris heeft niet alle stukken verstrekt aan de rechtbank, maar heeft volstaan met een proces-verbaal van bevindingen. Dit proces-verbaal is echter zeer algemeen en geeft geen inzicht in wat er allemaal is gedaan in het kader van met name het rechtshulpverzoek aan Malesië ( [getuige 1] ). Dat is de reden waarom de verdediging verzoekt om die stukken.

(…)

De advocaat-generaal deelt het volgende mede.

Met betrekking tot de onderzoekswensen van de verdediging wil ik het volgende opmerken.(…)

(…)

Ten aanzien van de met betrekking tot de onder 6. en 7. genoemde getuigen verzochte correspondentie met betrekking tot de rechtshulpverzoeken aan Maleisië ben ik van mening dat de verdediging eerst het dossier dient in te zien bij het hof en naar bevinden dient terug te koppelen. U, voorzitter, vraagt mij of er een grond is om de stukken niet aan de verdediging te verstrekken. Een dergelijke grond is er niet.

(…)

De voorzitter deelt als beslissingen van het hof het volgende mede.

(…)

Ten aanzien van de met betrekking tot de onder 6. en 7. genoemde getuigen verzochte correspondentie met betrekking tot de rechtshulpverzoeken aan Maleisië zal het hof eerst laten nagaan of deze correspondentie zich in het (bij het hof aanwezige) dossier bevindt. Indien het hof niet beschikt over deze correspondentie, zal door tussenkomst van de raadsheer-commissaris de rechter-commissaris worden verzocht deze correspondentie alsnog in het dossier te doen voegen. De raadsheer-commissaris zal vervolgens beoordelen of de raadsman een afschrift van deze correspondentie kan krijgen.”

5.2. Hieruit blijkt dat het hof het ter terechtzitting van 27 oktober 2014 gedane verzoek tot toevoeging van stukken – anders dan het middel stelt – niet heeft afgewezen, maar juist heeft toegewezen. Volgens de hierboven aangehaalde passage van het proces-verbaal van de terechtzitting van 27 oktober 2014, heeft het hof naar aanleiding van het verzoek immers overwogen dat het hof zou nagaan of de stukken waarop het verzoek zag zich in het dossier bevonden en dat het hof, indien dit niet het geval zou zijn, de betreffende stukken alsnog aan het dossier zou laten toevoegen. Dat het hof daarbij heeft opgemerkt dat de raadsheer-commissaris vervolgens zou beoordelen of de raadsman van de verdachte ook een afschrift van de toegevoegde stukken zou kunnen krijgen, maakt niet dat het hof het verzoek van de verdediging de facto toch heeft afgewezen, aangezien het hof op de terechtzitting van 27 oktober 2014 tevens heeft opgemerkt dat de verdediging het dossier altijd zou mogen inzien. Nu in de toelichting op het middel niet duidelijk wordt gemaakt waarom de verdediging door de beslissing van het hof op het verzoek om toevoeging van stukken in haar belangen zou zijn getroffen en evenmin blijkt dat de verdediging op een later moment in de procedure (alsnog) een verzoek tot het daadwerkelijk verkrijgen van een afschrift van de toegevoegde stukken heeft gedaan, is het middel mijns inziens kansloos.

5.3. Het tweede middel faalt.

6. Het derde middel betreft een klacht over de afwijzing van een verzoek van de verdediging met betrekking tot (de stukken) uit het dossier van het Belgische onderzoek ‘Stamps’.

6.1. De namens de verdachte ingediende appelschriftuur van 30 december 2013 houdt met betrekking tot het in het middel bedoelde verzoek het volgende in:

“2. Verkrijging afschrift dossier STAMPS

Toelichting:

De verdediging verzoekt in de eerste plaats om een afschrift van het strafdossier Stamps. Een deel van de tenlastelegging ( [B] S.A., een of meerdere auto’s, alsmede contante geldbedragen) heeft betrekking op dit dossier. Hieruit zijn enkel de verklaringen van [getuige 3] verstrekt, zodat de juistheid en volledigheid van de door hem afgelegde verklaring slechts deels toetsbaar is. Hij is zelf ook verdachte in onderzoek Stamps. Voor een juiste beoordeling van dit deel van de tenlastelegging is het kunnen beschikken over een volledig dossier onontbeerlijk.”

6.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 27 oktober 2014 vermeldt ten aanzien van het genoemde verzoek daarnaast het volgende:

“De voorzitter stelt de raadsman in de gelegenheid de appelschriftuur d.d. 30 december 2013 nader toe te lichten (…).

De raadsman deelt hierop het volgende mede.

(…)

Met betrekking tot punt 11. vraag ik primair om inzage in het dossier Stamps en subsidiair verzoek ik om voeging van het dossier Stamps.

(…)

De advocaat-generaal deelt het volgende mede.

Met betrekking tot de onderzoekswensen van de verdediging wil ik het volgende opmerken.(…)

(…)

11. Ik ken de stand van het onderzoek niet. Ik heb navraag gedaan bij de nationale recherche en het wachten zou zijn op een uitspraak van het Belgische hof van cassatie in het onderzoek Brevis. Vooralsnog acht ik voeging van het dossier Stamps niet noodzakelijk, nu de getuige [getuige 3] in het onderhavige onderzoek uitgebreid heeft verklaard over zijn eigen betrokkenheid en de betrokkenheid van de medeverdachten [verdachte] , [betrokkene 2] en [medeverdachte 1] . U, voorzitter vraagt mij of het openbaar ministerie over meer stukken uit het dossier Stamps beschikt dan zich thans in het dossier Boontjes bevinden. Dat weet ik niet.

(…)

De raadsman deelt desgevraagd mede.

Ik ken een deel van het dossier Stamps. Dat onderzoek ziet ook op feiten die niet in Nederland spelen. Het gaat de verdediging om stukken met betrekking tot [B] S.A.. Cliënt heeft een Belgische raadsman en ik zou via hem kunnen proberen stukken op te vragen en die zelf kunnen inbrengen in de onderhavige zaak. Het hof moet dan wel aannemen dat de door mij over te leggen stukken daadwerkelijk uit het dossier Stamps afkomstig zijn. Om die reden wil ik het toch eerst via het openbaar ministerie proberen.

(…)

De voorzitter deelt als beslissingen van het hof het volgende mede:

(…)

Het hof wijst het verzoek onder punt 11. af. Verdachte heeft de beschikking over al deze stukken, nu hij zelf verdachte is in het onderzoek Stamps. Verdachte kan al deze stukken via zijn raadsman inbrengen in de onderhavige procedure.”

6.3. Blijkens de hierboven aangehaalde tekstpassages, heeft de verdediging het in het middel bedoelde verzoek in haar appelschriftuur omschreven als verzoek tot het verkrijgen van een afschrift van het dossier van het Belgische onderzoek Stamps. Het betreffende verzoek is vervolgens op de terechtzitting van 27 oktober 2014 in zoverre omgevormd, dat de raadsman van de verdachte daar “primair om inzage in het dossier Stamps” en “subsidiair (…) om voeging van het dossier Stamps” heeft verzocht. Van belang is voorts dat de raadsman op de terechtzitting van 27 oktober 2014 in reactie op een vraag van de voorzitter bovendien nog heeft aangegeven, dat hij kon proberen om stukken uit het dossier Stamps via de Belgische raadsman van de verdachte op te vragen en daarna zelf in de onderhavige zaak in te brengen, maar dat hij er – met het oog op de objectieve betrouwbaarheid van de betreffende stukken – de voorkeur aan gaf om de stukken door het openbaar ministerie aan het dossier te laten toevoegen.

6.4. Het in het middel bedoelde verzoek is een verzoek als bedoeld in art. 328 Sv in verbinding met art. 331 Sv en art. 415 Sv om toepassing te geven aan de in art. 315, eerste lid, Sv neergelegde bevoegdheid van de rechter tot het bevelen van de overlegging van (nadere) bescheiden of stukken van overtuiging. Maatstaf voor de beoordeling van een dergelijk verzoek is of de noodzakelijkheid van de overlegging van (nadere) bescheiden of stukken van overtuiging blijkt. Ter terechtzitting van 27 oktober 2014 heeft het hof het verzoek van de raadsman afgewezen met de (kennelijke) motivering dat de tussenkomst van het openbaar ministerie hier niet noodzakelijk was, omdat de verdediging de relevant geachte stukken zelf in het dossier kon inbrengen. Dat het hof de bal bij de verdediging heeft neergelegd, vind ik hier – gelet op de eigen woorden van de raadsman over de mogelijkheid om stukken uit het dossier Stamps bij de Belgische raadsman van de verdachte op te vragen – niet onbegrijpelijk. Dit wordt niet anders in het licht van de in de schriftuur gemaakte (algemene) opmerking dat het Belgische strafrecht aan verdachten niet voor iedere fase van de vervolging een recht op inzage in of verstrekking van dossiers toekent (alleen al niet omdat het ontbreken van een dergelijk recht op zichzelf nog niet meebrengt dat een verdachte ook feitelijk niet over bepaalde stukken beschikt). Het hof heeft het blijkbaar opportuun geacht om de verdediging in ieder geval in eerste instantie zelf de gelegenheid te bieden de relevant geachte stukken in de zaak in te brengen, waarbij de mogelijkheid om – indien nodig – op een later moment alsnog een bevel aan het openbaar ministerie te geven uiteraard ook nog openstond.

6.5. Ook het derde middel slaagt niet.

7. In het vierde middel wordt erover geklaagd dat de aanvulling bewijsmiddelen als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv in strijd met het bepaalde in art. 365b, eerste lid, Sv niet is ondertekend door een van de rechters die het verkorte vonnis hebben gewezen dan wel door de voorzitter van het hof.

7.1. Het middel gaat er ten onrechte van uit dat de bij het bestreden arrest gevoegde bijlage met bewijsmiddelen een aanvulling bewijsmiddelen als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv betreft. Het hof heeft in casu voor zijn bewijsmotivering gekozen voor een opzet waarbij in de hoofdtekst van het arrest een uitgebreide bewijsmotivering is opgenomen en in een bijgaand document de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen zelf is weergegeven. Voor zover ik kan nagaan, heeft het hof de bijlage met bewijsmiddelen direct bij het arrest zelf gevoegd. De bijlage bewijsmiddelen moet dus als onderdeel van het arrest worden beschouwd en hoefde daarom niet afzonderlijk ondertekend te worden.

7.2. Het vierde middel ontbeert een feitelijke grondslag.

8. Het vijfde middel bevat de klacht dat – wat betreft het in de zaak met parketnummer 02-984829-06 onder 1 primair bewezenverklaarde medeplegen van het opzettelijk verkopen, afleveren en vervoeren van honderddertien kilogram amfetamine – uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de door het NFI geteste monsters afkomstig zijn geweest uit de op 18 maart 2008 in beslag genomen en aan de verdachte gekoppelde substanties.

8.1. In de zaak met parketnummer 02-984829-06 is onder 1 primair ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 6 maart 2008 tot en met 18 maart 2008 te Bergen op Zoom en Breda en Vianen en Ede, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en vervoerd, ongeveer 113 kilogram amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.”

8.2. Deze bewezenverklaring berust onder meer op de inhoud van de volgende bewijsmiddelen:

“9. Een proces-verbaal van bevindingen, bijlage 9, pagina’s 96 t/m 104, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

(pg. 97)

Op dinsdag 18 maart 2008 werd naar aanleiding van de melding dat er mogelijk verdovende middelen met behulp van een personenauto naar Ede werden gebracht, een onderzoek opgestart. Uit het tactisch onderzoek bleek de personenauto een grijze personenauto te zijn van het merk Volkswagen Golf voorzien van het kenteken [GG-00-HH] . Voornoemde personenauto stond geparkeerd op een parkeerplaats in de nabijheid van een woning aan de [f-straat 1] in Ede.

Kort na het aantreffen van voornoemd voertuig werd de mogelijke bestuurder in een woning aan de [f-straat 1] te Ede aangehouden. Voornoemde Volkswagen Golf werd onder begeleiding overgebracht naar het takelbedrijf “Logicx” te Ede.

Op dinsdag 18 maart 2008 omstreeks 19.00 uur onderzochten wij voornoemde personenauto.

In de kofferbak troffen wij 6 plastic zakken aan. In de 6 plastic zakken troffen wij meerdere transparante verpakkingen aan gevuld met een witte poederachtige tot pastavormige substantie gelijkend op verdovende middelen.

De inhoud van deze zakken werden opnieuw verpakt en gewaarmerkt met A-1 tot en met F-1. Op de achterbank werden door ons twee kartonnen dozen aangetroffen inhoudende lege transparante plastic zakken. Deze dozen zijn voor dactyloscopisch onderzoek veiliggesteld en gewaarmerkt met 19XBD10 en 19XBD11.

10. Een proces-verbaal van bevindingen, bijlage 10, pagina 105, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op dinsdag 18 maart 2008, omstreeks 20.15 uur, heb ik een onderzoek ingesteld in verband met een hoeveelheid in beslag genomen op drugs gelijkende stof, welke in de kofferbak van een grijze Volkswagen, type Golf voorzien van het kenteken [GG-00-HH] waren aangetroffen.

In de kofferbak van genoemde auto werden een vijftal blauwkleurige vuilniszakken met totaal 100 transparante zakjes met wit poeder en één grijskleurige vuilniszak met 4 transparante zakjes met wit poeder en een pakketje gewikkeld in bruine tape aangetroffen.

Uit de gehele partij zullen monsters genomen worden en gezonden worden naar het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag.

11. Een proces-verbaal van bevindingen en verrichtingen, bijlage 11, pagina 106, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op woensdag 19 maart 2008 heb ik een aantal plastic zakken met in beslag genomen verdovende middelen gewogen.

In een ruimte van team Forensische Opsporing trof ik 6 blauwe plastic zakken aan die gemerkt waren als A, B, C, D, E en F. In deze zakken bevonden zich pakketten bestaande uit gesealde plastic zakken met daarin een witte substantie.

Het totale gewicht van de zakken bedroeg 113.080 gram.

12. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 4 Wetboek van Strafvordering, te weten een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie, zaaknr. 2008.04.08.22, kenmerk PL26X63009 Onderzoek Heem, contactpersoon [verbalisant 1] , d.d. 22 mei 2008 opgemaakt door [verbalisant 2] (bijlage 12, pagina’s 107-110), voor zover inhoudende:

Vraagstelling

1. Verzocht werd om een onderzoek in te stellen naar de aanwezigheid van middelen, welke vallen onder de bepalingen van de Opiumwet.

Resultaten en conclusie

Tabel 1 Onderzoeksmateriaal en conclusie

KenmerkOmschrijvingConclusie

SVO A 01 monster crèmekleurige substantie bevat amfetamine

SVO A 02 monster crèmekleurige substantie bevat amfetamine

SVO A 03 monster crèmekleurige substantie bevat amfetamine

SVO A 04 monster crèmekleurige substantie bevat amfetamine

SVO A 05 monster crèmekleurige substantie bevat amfetamine

SVO B 01 monster crèmekleurige substantie bevat amfetamine

SVO B 02 monster crèmekleurige substantie bevat amfetamine

SVO B 03 monster crèmekleurige substantie bevat amfetamine

SVO B 04 monster crèmekleurige substantie bevat amfetamine

SVO B 05 monster crèmekleurige substantie bevat amfetamine

SVO C 01 monster crèmekleurige substantie bevat amfetamine

SVO C 02 monster crèmekleurige substantie bevat amfetamine

SVO D 01 monster crèmekleurige substantie bevat amfetamine

SVO D 02 monster crèmekleurige substantie bevat amfetamine

SVO D 03 monster crèmekleurige substantie bevat amfetamine

SVO D 04 monster crèmekleurige substantie bevat amfetamine

SVO D 05 monster crèmekleurige substantie bevat amfetamine

SVO E 01 monster crèmekleurige substantie bevat amfetamine

SVO E 02 monster crèmekleurige substantie bevat amfetamine

SVO E 03 monster crèmekleurige substantie bevat amfetamine

SVO E 04 monster crèmekleurige substantie bevat amfetamine

SVO E 05 monster crèmekleurige substantie bevat amfetamine

SVO F 01 monster crèmekleurige substantie bevat amfetamine

SVO F 02 monster crèmekleurige substantie bevat amfetamine

SVO F 03 monster crèmekleurige substantie bevat amfetamine

SVO F 04 monster crèmekleurige substantie bevat amfetamine

SVO F 05 bruto 1031,1 gram crèmekleurige bevat amfetamine

substantie in een sealzak

Wettelijke aspecten

Amfetamine is vermeld op lijst I, behorende bij de Opiumwet.”

8.3.

Het als bewijsmiddel 9 gebruikte proces-verbaal van bevindingen houdt in (i) dat op 18 maart 2008 zes plastic zakken met meerdere transparante verpakkingen gevuld met een witte poederachtige tot pastavormige substantie in beslag zijn genomen en (ii) dat de inhoud van de genoemde plastic zakken na de inbeslagneming opnieuw is verpakt en van de markeringscodes A-1 tot en met F-1 is voorzien. Daarnaast houdt het als bewijsmiddel 12 gebruikte deskundigenrapport in dat door het NFI verschillende monsters met markeringscodes SVO A 01 tot en met SVO F 05 zijn onderzocht op de aanwezigheid van verboden stoffen. In de toelichting op het middel wordt nu gewezen op de omstandigheid dat de in bewijsmiddel 9 en bewijsmiddel 12 genoemde markeringscodes niet met elkaar overeenstemmen en wordt betoogd dat uit de bewijsvoering van het hof als geheel daarom niet kan volgen dat de door het NFI geteste monsters daadwerkelijk afkomstig zijn uit de op 18 maart 2008 in beslag genomen plastic zakken.

8.4.

Het hof heeft echter kennelijk geoordeeld dat de letters A, B, C, D, E en F in de markeringscodes SVO A 01 tot en met SVO F 05 uit bewijsmiddel 12 rechtstreeks verwijzen naar de letters A, B, C, D, E en F in de markeringscodes A-1 tot en met F-1 uit bewijsmiddel 9. Bij gebreke van enige aanwijzing voor het tegendeel, is dit – anders dan de steller van het middel meent – niet onbegrijpelijk.

8.5.

Het vijfde middel faalt.

9. Ook het zesde middel betreft een bewijsklacht ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 02-984829-06 onder 1 primair bewezenverklaarde medeplegen van het opzettelijk verkopen, afleveren en vervoeren van honderddertien kilogram amfetamine. De steller van het middel wijst erop dat het hof in zijn motivering van dit deel van de bewezenverklaring onder meer heeft verwezen naar de inhoud van een gesprek van medeverdachte [medeverdachte 2] van 20 mei 2008. Aangezien het betreffende gesprek door het hof niet is opgenomen bij de bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1 primair van de zaak met parketnummer 02-984829-06, is de bewezenverklaring van dit feit volgens de steller niet toereikend gemotiveerd.

9.1.

Het hof heeft met betrekking tot de hierboven onder 8.1 reeds aangehaalde bewezenverklaring van feit 1 primair van de zaak met parketnummer 02-984829-06, heeft het volgende overwogen:

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

III.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep, op gronden als in de pleitnota verwoord, betoogd dat de verdachte van het bij parketnummer 02-984820-06 onder 1. ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Daartoe heeft hij -zakelijk weergegeven- aangevoerd dat de constateringen van 18 maart 2008 en het aantreffen van de ten laste gelegde 113 kg amfetamine niet met elkaar in verband staan, laat staan dat zij een uitvloeisel zijn van de gemaakte afspraken op 7 maart 2008. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de verdachte medepleger is van verkopen, verstrekken vervoeren, aanwezig hebben van de onderhavige amfetamine.

Het hof overweegt als volgt.

Op grond van de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, in samenhang bezien, is het hof van oordeel dat het gesprek tussen de verdachten [verdachte] , [betrokkene 1] , [betrokkene 3] en een NN-man dat plaatsvond op 7 maart 2008, mede gelet het versluierd taalgebruik en de context waarin de uitlatingen worden gedaan, gaat over een partij drugs, in het bijzonder over een transport c.q. de levering daarvan. Gelet op de door [betrokkene 3] gebezigde woorden "zonder tegenbericht", wordt daarbij de mogelijkheid open gelaten dat het betreffende transport op een andere datum dan de afgesproken datum 11 maart 2008 zal plaatsvinden. Op 10 maart 2008 wordt de afspraak door [verdachte] telefonisch bij [betrokkene 1] afgezegd en verplaatst. Op 17 maart 2008 ontmoeten [verdachte] en [medeverdachte 2] (en een aantal anderen) elkaar op het vliegveld Seppe te Bosschenhoofd. Bij het telefoongesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte 2] op 18 maart 2008, zegt [verdachte] tegen [medeverdachte 2] dat ‘die man’ ‘om 12 u daar is’, waarop [medeverdachte 2] zegt dat hij met de ‘Vito’ komt. Blijkens dit telefoongesprek heeft [medeverdachte 2] weinig informatie nodig om te weten wat van hem wordt verlangd. Even later belt [verdachte] met [betrokkene 1] , uit welk gesprek blijkt dat [verdachte] zelf niet ter plaatse zal gaan in verband met de omstandigheid dat zijn moeder op sterven ligt.

Op 18 maart 2008 vindt een ontmoeting plaats waarbij kennelijk buiten zicht van het observatieteam de onderhavige partij amfetamine in de Volkswagen Golf is geplaatst. De gesprekken die na 18 maart 2008 worden gevoerd zijn naar het oordeel van het hof zodanig van inhoud dat daaruit niet anders geconcludeerd kan worden dan dat de betrokkenen ervan op de hoogte waren wat er op 18 maart 2008 heeft plaatsgevonden en welk risico zij daarbij hebben gelopen. Met name het gesprek van 20 mei 2008, waarin [medeverdachte 2] met zoveel woorden zegt dat hij bij een lab is geweest, duidt erop dat tijdens de rit die [medeverdachte 2] met de auto heeft gemaakt, de partij amfetamine bij een laboratorium is opgehaald. Gelet op de bevindingen van het NFI was er sprake van hoogwaardige amfetamine.

Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat uit bovengenoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien en bezien in samenhang met hetgeen overigens uit de bewijsmiddelen naar voren komt, volgt dat de op 18 maart 2008 waargenomen gang van zaken een uitvloeisel is van het gesprek van 7 maart 2008. Verdachte was blijkens de wijze waarop door hem werd gereageerd in telefoongesprekken, volledig op de hoogte van de onderhavige levering. Het hof is dan ook van oordeel dat hij wist dat er amfetamine zou worden vervoerd en overgedragen, mede nu een dergelijke vervoer past in hetgeen het hof overigens in dit arrest ten aanzien van verdachte bewezen heeft verklaard.”

9.2.

Inderdaad bevatten de ten aanzien van het bewezen verklaarde verkopen, afleveren en vervoeren van amfetamine gebezigde bewijsmiddelen geen bewijsmiddel met een weergave van de inhoud van het door het hof in zijn nadere bewijsmiddelen genoemde gesprek van medeverdachte [medeverdachte 2] van 20 mei 2008. In de bijlage bewijsmiddelen heeft het hof kennelijk voor de ordening van de grote hoeveelheid bewijsmiddelen gebruikgemaakt van tussenkopjes, waarbij de bewijsmiddelen met betrekking tot feit 1 primair in de zaak met parketnummer 02-984820-06 onder nrs. 1 tot en met 13 op p. 1 tot en met 31 van de bijlage zijn opgenomen.

9.3.

Het kost echter niet veel moeite om te achterhalen op welk wettig bewijsmiddel het hof met zijn overweging over het gesprek van medeverdachte [medeverdachte 2] van 20 mei 2008 het oog heeft gehad. Bij de bewijsmiddelen met betrekking tot feit 2 en feit 4 van de zaak met parketnummer 02-984820-06 bevindt zich onder nr. 72 immers een proces-verbaal opname vertrouwelijke communicatie van een OVC gesprek van 20 mei 2008 dat onder meer een weergave van de inhoud van een gesprek tussen medeverdachte [medeverdachte 2] , medeverdachte [betrokkene 1] en de verdachte zelf bevat. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat in het genoemde gesprek tussen medeverdachte [medeverdachte 2] , medeverdachte [betrokkene 1] en de verdachte in versluierde taal over de productie van amfetamine en de contacten van medeverdachte [medeverdachte 2] met een drugslaboratorium wordt gesproken. Dit oordeel is op zichzelf niet onbegrijpelijk en wordt overigens ook door geen van de in cassatie voorgestelde middelen bestreden.

9.4.

Als eerste kan hierover worden opgemerkt dat het hof op p. 24 van het bestreden arrest onder IX in zijn algemeenheid heeft opgenomen dat elk bewijsmiddel - ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt wordt tot het bewijs van het bewezenverklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft. Het hof had het door het middel aangeroerde punt natuurlijk kunnen voorkomen door in de bijlage bewijsmiddelen in het geheel geen tussenkopjes te gebruiken. De verschillende bewezenverklaarde feiten in de zaak met parketnummer 02-984820-06 vertonen immers een zodanige samenhang, dat een dergelijke werkwijze zeker verdedigbaar was geweest. Het hof heeft echter een andere keuze gemaakt, waarbij de grote omvang van het totale bewijs de reden zal hebben gevormd om toch een bepaalde (nadere) ordening aan te brengen. Nu het door het hof gehanteerde onderscheid tussen de bewijsmiddelen met betrekking tot feit 1 van de zaak met parketnummer 02-984820-06 en de bewijsmiddelen met betrekking tot feit 2 en feit 4 van de zaak met parketnummer 02-984820-06 een zekere kunstmatigheid heeft en het als bewijsmiddel 72 gebezigde proces-verbaal opname vertrouwelijke communicatie wel deel uitmaakt van de bewijsvoering van het hof als geheel, kan de omissie van het hof om bewijsmiddel 72 tevens bij de bewijsmiddelen met betrekking tot feit 1 van de zaak met parketnummer 02-984820-06 op te nemen hier als een (herstelbare) kennelijke misslag worden opgevat.

9.5.

Het middel vormt geen aanleiding voor cassatie.

10. Over de laatste drie middelen kan ik betrekkelijk kort zijn. Het zevende middel klaagt erover dat het hof voor zijn bewijsoordeel ten aanzien van het medeplegen van het verkopen, afleveren en vervoeren van amfetamine (feit 1 primair in de zaak met parketnummer 02-984820-06) mede is afgegaan op de als bewijsmiddel 2 gebezigde inhoud van een gesprek van 7 maart 2008, waarin wordt gesproken over een te vervoeren lading van honderd kilo. Nu de uiteindelijk in beslag genomen en bewezen verklaarde hoeveelheid amfetamine geen honderd maar honderddertien kilo bedraagt, zou het onbegrijpelijk zijn dat de laatstgenoemde hoeveelheid van honderddertien kilo met de in het gesprek van 7 maart 2008 genoemd hoeveelheid van honderd kilo in verband heeft gebracht. Van onbegrijpelijkheid is hier echter in het geheel geen sprake, alleen al niet omdat in het gesprek van 7 maart 2008 in weinig nauwkeurige bewoordingen over de te vervoeren lading amfetamine wordt gesproken en dit gesprek bovendien alleen de voorbereiding van het vervoer van de amfetamine betreft zodat niet valt uit te sluiten dat op enig later moment nog een bepaalde hoeveelheid aan de te vervoeren hoeveelheid amfetamine is toegevoegd.

10.1.

Het middel faalt.

11. Het achtste middel bevat een klacht over een bewijsoordeel van het hof met betrekking tot het in de zaak met parketnummer 02-984816-10 onder 1 primair bewezen verklaarde gewoontewitwassen en meermaals medeplegen van witwassen. Het betreffende oordeel houdt in dat een drietal onder de verdachte c.q. de partner van de verdachte in beslag genomen horloges van het merk Guess is gefinancierd met van misdrijf afkomstig geld. Volgens de steller van het middel is dit oordeel onbegrijpelijk, met name omdat het hof tevens (op onbegrijpelijke wijze) heeft geoordeeld dat niet relevant is of de genoemde horloges door de verdachte en zijn partner – zoals door de verdediging is gesteld – zijn betaald met van medeverdachte [medeverdachte 1] geleend geld.

12. Het hof heeft in zijn nadere bewijsoverwegingen met betrekking tot het witwassen van de drie horloges van het merk Guess onder meer het volgende overwogen (zie p. 20 van het arrest):

“Het verweer dat de horloges zouden zijn betaald uit door [medeverdachte 1] aan verdachte en zijn partner geleend geld, wordt als niet relevant verworpen. In het dossier bevinden zich stukken waaruit kan worden opgemaakt dat er is geleend. Als er van uit moet worden gegaan dat [medeverdachte 1] eigen geld heeft geleend, dan dient dat bedrag op enig moment door verdachte en zijn partner te worden terugbetaald. Gelet op hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen omtrent de inkomsten van verdachte en zijn partner, kan een dergelijke terugbetaling alleen maar plaatsvinden uit crimineel vermogen of inkomen. Op die wijze worden de horloges dan feitelijk betaald met geld van misdrijf afkomstig, waarmee aan het vereiste voor witwassen is voldaan.”

Het hof heeft op p. 15-16 van zijn arrest uitvoerig uiteengezet dat niet gebleken is dat de verdachte of zijn partner in de tenlastegelegde periode enig legaal inkomen heeft gehad en voor zover daarvan al sprake zou zijn geweest, niet gebleken is dat dit apart is gehouden zodat het zich heeft vermengd met grote sommen crimineel geld die de verdachte ter beschikking stonden. Op grond hiervan is het oordeel van het hof gezien de algehele context van criminele activiteiten waarbinnen zowel de verdachte en zijn partner als [medeverdachte 1] opereerden, welk oordeel erop neerkomt dat linksom of rechtsom de horloges feitelijk alleen maar konden worden betaald uit van misdrijf verkregen geld niet onbegrijpelijk.

12.1.

Het achtste middel faalt eveneens.

13. In het negende middel wordt gesteld dat het hof het bewijs voor het in de zaak met parketnummer 02-984816-10 onder 1 primair bewezen verklaarde witwassen van meerdere waterscooters in strijd met het bepaalde in art. 342, tweede lid, Sv enkel heeft doen steunen op de verklaring van één enkele getuige. Zowel uit de gebezigde bewijsmiddelen zelf als uit de nadere bewijsoverwegingen van het hof op p. 20 van het arrest blijkt echter, dat het hof voor het bewijs van het witwassen van de waterscooters onder meer nog gebruikgemaakt heeft van twee processen-verbaal van bevindingen met betrekking tot de doorzoeking van het bedrijf van medeverdachte [medeverdachte 1] (bewijsmiddelen 173 en 174) en van een – volgens het hof aan de verdachte gericht – briefje over de waterscooters van medeverdachte [medeverdachte 1] en [betrokkene 4] . Reeds hierom kan niet worden gezegd dat het hof bij zijn bewezenverklaring van het witwassen van de waterscooters heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in art. 342, tweede lid, Sv, dat immers betrekking heeft op bewezenverklaringen in hun geheel en niet op afzonderlijke onderdelen daarvan.

13.1.

Ook het negende middel faalt.

14. Alle voorgestelde middelen falen en kunnen naar mijn mening met de aan art. 81 RO ontleende motivering worden afgedaan. Ambtshalve heb ik geen gronden voor vernietiging van het bestreden arrest aangetroffen.

15. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie tevens HR 1 maart 1937, NJ 1937/752 en HR 28 maart 1944, NJ 1944/381.

2 Zie HR 5 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY9214, HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:709 (81 RO) en HR 3 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2547 (81 RO).

3 Vgl. de conclusie van A-G Machielse vóór HR 3 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2547 (ECLI:NL:PHR:2017:1013).