Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:503

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
06-03-2018
Datum publicatie
29-05-2018
Zaaknummer
17/02592
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:786
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Antilliaanse zaak. Poging tot uitlokking van moord en moord op verdachtes echtgenote in Curaçao. Vormverzuim door onderzoek hotmailaccount van verdachte o.g.v. verkeerde machtiging? Bewijsuitsluiting van door politie onrechtmatig verkregen gegevens? Art. 177r.1, 177s.1 en 413 SvC. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2013:BY5321 m.b.t. gevallen waarin bewijsuitsluiting aan de orde kan komen i.h.k.v. het met art. 413.5 en 413.7 SvC overeenkomende art. 359a Sv Nederland. Art. 177r SvC heeft betrekking op het opnemen van (toekomstige) communicatie die plaatsvindt met gebruikmaking van diensten van communicatiedienst. Deze bepaling ziet niet op het verstrekken door communicatiedienst van reeds opgeslagen of vastgelegde gegevens. Voor het vorderen van dergelijke gegevens is art. 177s SvC geschreven. Hof heeft geoordeeld dat het met het in het strafvorderlijk onderzoek bekend geworden wachtwoord inloggen op e-mailaccount van verdachte door politie teneinde kennis te nemen van aan verdachte gerichte e-mail geen vormverzuim i.d.z.v. art. 413 SvC oplevert, o.m. op de grond dat het doen van een vordering door OvJ a.b.i. art. 177s Sv, ertoe strekkend dat de beheerder van het account gegevens verstrekt, geen redelijk doel meer diende, aangezien RC o.g.v. art. 177r SvC een machtiging had verleend voor "het opnemen van communicatie van (onder meer) historische gegevens" en daarmee toestemming had verleend tot het inzien van dat e-mailaccount. Gelet op voorgaande is ’s Hofs motivering in zoverre niet begrijpelijk. Middel is terecht voorgesteld, maar leidt niet tot cassatie omdat verdachte daarbij geen rechtens te respecteren belang heeft. Hof heeft tevens geoordeeld dat, zo al sprake zou zijn van een vormverzuim, dit niet tot bewijsuitsluiting hoeft te leiden. Hof heeft daarbij vooropgesteld dat een schending van het in art. 8 EVRM gegarandeerde recht op eerbiediging van persoonlijke levenssfeer niet z.m. een inbreuk oplevert op de in art. 6 EVRM vervatte waarborg van een eerlijk proces. Hof heeft voorts geoordeeld dat dit recht niet is tekortgedaan nu de verdediging haar verdedigingsrechten zowel in e.a. als in h.b. in volle omvang heeft kunnen uitoefenen, zij de betrouwbaarheid van het verkregen bewijsmateriaal niet heeft betwist en dit bewijsmateriaal niet het enige bewijs is dat door Hof gebezigd is. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is, in aanmerking genomen hetgeen namens verdachte in dit verband in h.b. is aangevoerd, niet onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/02592 A

Zitting: 6 maart 2018

Mr. D.J.C. Aben

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba heeft de verdachte bij vonnis van 24 november 2016 ter zake van “poging om een ander door giften en door het verschaffen van inlichtingen te bewegen om een moord te begaan, strafbaar gesteld bij artikel 1:121 jo 2:262 van het Wetboek van Strafrecht” en “moord, strafbaar gesteld bij artikel 2:262 van het Wetboek van Strafrecht” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig jaar. Voorts heeft het Hof een schadevergoeding en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd als in het arrest omschreven.

2. Namens de verdachte is cassatie ingesteld. Mr. G.G.J. Knoops, advocaat te Amsterdam, heeft vijf middelen van cassatie voorgesteld.

3. Ik geef voor de begrijpelijkheid eerst de bewezenverklaring en de bewijsvoering weer. Ten laste van de verdachte is onder 1 en 2 bewezen verklaard dat:

feit 1.

dat hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 15 maart 2015, in Curaçao, heeft gepoogd om [betrokkene 1] , door in artikel 1:123, eerste lid onderdeel b van het Wetboek van Strafrecht vermelde middelen, te weten door giften en door het verschaffen van inlichtingen, te bewegen om [slachtoffer] te vermoorden, hebbende hij, verdachte,

- aan [betrokkene 1] een dienstrooster van [slachtoffer] en een foto van [slachtoffer] en een kaart met de rijroute die [slachtoffer] (gewoonlijk) volgde van haar werk naar haar woning en een foto van de woning van [slachtoffer] en de nummerplaat van de auto van [slachtoffer] , en

- aan [betrokkene 1] een of meer betalingen gedaan (van in totaal een bedrag van ongeveer Nafl. 5000,-)

feit 2.

dat hij op 15 maart 2015 in Curaçao, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, [slachtoffer] (na thuiskomst) (in de achtertuin) met een mes, 35 (vijfendertig), steek- en/of snijwonden toegebracht, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;”

4. De bewezenverklaring van het feit onder 1 steunt op de volgende bewijsmiddelen:

1. De verklaring van de verdachte, op 16 december 2015 afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting, voor zover inhoudende:

Ik heb [betrokkene 1] bij de benzinepomp van Buena Vista een bedrag van Naf 2.000,— gegeven.

U houdt mij voor dat de politie in mijn telefoon een Whats-App-gesprek heeft aangetroffen dat op 25 februari 2015 is gevoerd met ene “ [A] ”. Het klopt dat ik dit Whats-App-gesprek heb gevoerd met [A] .

Het klopt dat ik het Whats-App-bericht van [betrokkene 1] waarin hij zegt dat hij niemand dood gaat maken voor NAf 5.000,— heb ontvangen.

De Acer-laptop die in mijn woning in beslag is genomen, gebruikte ik.

2 (pagina 175-180)

Het proces-verbaal van verhoor van het Korps Politie Curaçao, nummer 2015008972.201503 16.1738, op 16 maart 2015 opgemaakt, gesloten en getekend door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , voor zover inhoudende als verklaring van de getuige [betrokkene 1] :

Op 16 maart 2015 omstreeks 17:15 uur verklaarde [betrokkene 1] dat hij informatie had van het gepleegde voorval bij het adres [a-straat 1] . Hierna verklaarde hij als volgt. In januari 2015 vertelde een mij bekende vrouw dat zij een Nederlandse man kende die zijn vrouw wilde laten vermoorden. Ik heb tegen de vrouw gezegd dat ik persoonlijk met die Nederlandse man wilde spreken. Ik heb die Nederlandse man toen ontmoet bij een benzinestation. We begonnen met elkaar te praten. Ik noem de man [verdachte] . [verdachte] zei tegen mij dat hij wilde dat ik zijn vrouw voor hem zou vermoorden. In principe wilde hij mij NAf 5.000,- daarvoor betalen, maar ik zei dat dat te weinig was en hierna zei hij dat hij maximaal NAf 7.000,— daarvoor kon betalen. Hij zei tegen mij dat hij zelf een plan zou gaan beramen en wanneer hij daarmee klaar was, dat hij contact op zou nemen.

Na twee of drie dagen kwam ik weer in contact met deze [verdachte] . We hebben elkaar toen weer ontmoet bij een benzinestation. Op die dag gaf [verdachte] me een grote witte envelop met daarin een foto van zijn vrouw, een plattegrond van hun woning, een foto van hun woning, het rooster van de vrouw en de nummerplaat van de vrouw. Ik heb al die dingen nog thuis liggen. Hij zei tegen me om zo snel mogelijk die dingen door te nemen en mij goed voor te bereiden. Verder zei hij dat hij weer contact zou opnemen om mij de helft van het geld te betalen. Kort na die dag werd ik weer door [verdachte] gebeld met het verzoek om hem weer bij dezelfde plek te ontmoeten omdat hij een deel van het geld voor me had. Ik heb hem toen opnieuw ontmoet. Ik heb hem ontmoet bij het benzinestation in Buena Vista en toen gaf hij me een envelop met daarin NAf 2.000,—. De volgende dag heb ik NAf 1.500,— van [verdachte] gekregen. Op diezelfde dag heeft [verdachte] tegen mij gezegd dat hij ervoor zorg zal dragen dat de honden opgesloten zijn voordat zijn vrouw uit haar werk arriveert om het makkelijker voor mij te maken.

[verdachte] heeft mij tijdens de keren dat we elkaar hebben ontmoet, uitgelegd dat in de nachtelijke uren het beste moment was om het te gaan doen op het moment dat zijn vrouw uit haar werk arriveerde zodat het op een beroving kon lijken. Tevens heeft hij mij uitgelegd dat zijn vrouw drie avonddiensten achter elkaar werkt en dat gedurende die drie dagen dat zij avonddienst had, het beste moment was als zij thuis arriveerde. Ik heb nog een keer een envelop met daarin NAf 1.500,— van [verdachte] gekregen. Ik heb in totaal NAf 5.000,- van [verdachte] gekregen. [verdachte] heeft op enig moment gemerkt dat ik niet van plan was om zijn plan uit te voeren.

3 (pagina 389-393)

Het proces-verbaal van verhoor van het Korps Politie Curaçao, nummer 2015008972.201503 21.1100, op 21 maart 2015 opgemaakt, gesloten en getekend door [verbalisant 3] en [verbalisant 1] , voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte [betrokkene 1] :

Ik blijf bij de verklaring die ik op 16 maart 2015 heb afgelegd.

4 (pagina 395-403)

Het proces-verbaal van verhoor van het Korps Politie Curaçao, nummer 2015008972.201503 19.1754, op 19 maart 2015 opgemaakt, gesloten en getekend door [verbalisant 1] en [verbalisant 3] , voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte [betrokkene 2] :

Op 19 maart 2015 verklaarde [betrokkene 2] dat zij informatie had van het gepleegde voorval van 15 maart 2015 bij het adres [a-straat 1] . Zij verklaarde als volgt. Ik ken de echtgenoot van de overleden vrouw goed. Zijn naam is [verdachte] . In januari 2015 vertelde [verdachte] mij dat hij zijn vrouw zat was. Rond eind januari 2015 of begin februari 2015 had [verdachte] tegen mij gezegd dat hij over iets met mij wou praten. Hij zei tegen mij dat hij zijn vrouw dood wilde hebben. Hij bleef herhaaldelijk accent op dat woord “dood” zetten, Aldus dat hij zijn vrouw dood, maar dood dood dood wou hebben en dat hij van plan was om twee mannen uit Jamaica te halen en hen NAf 5.000,— te betalen om zijn vrouw te vermoorden. Hierna reed ik op dezelfde dag naar de man genaamd [betrokkene 1] . Ik heb [betrokkene 1] verteld over het gesprek van zonet tussen mij en [verdachte] . Ik vertelde hem hoe [verdachte] tegen mij zei dat hij zijn vrouw dood wilde maken en van plan was om twee mannen van Jamaica te halen om dat voor hem te doen tegen betaling van NAf 5.000,—. [betrokkene 1] vroeg mij om het nummer van [verdachte] . Ik zei dat ik dat eerst met [verdachte] moest checken. Ik gaf het nummer van [betrokkene 1] aan [verdachte] door en hij zei dat hij zelf telefonisch contact met [betrokkene 1] [op] zou nemen. In de maand februari 2015 begon ik berichten van [verdachte] te krijgen waarin hij mij vroeg om tegen [betrokkene 1] te zeggen dat hij op zijn berichten kon reageren. Dat heb ik gedaan.

Na enkele dagen kreeg ik een bericht van [verdachte] dat als volgt luidde: “hey man, ik ga niemand dood maken voor NAf 5.000,— en als je denkt dat je gaat iemand voor mij sturen zorg dat ze zijn werk goed doen en als er iets met gebeurd, gaan we over naar plan B”. Toen ik dat bericht kreeg, vroeg ik aan [verdachte] wat hij met dat bericht bedoelde en [verdachte] zei aan mij dat hij dat bericht van mijn contactpersoon kreeg en dat hij niet had gedacht dat mijn “gangster” bang was om zijn werk te gaan doen.

5 (pagina 193-195)

Het proces-verbaal van fotoconfrontatie van het Korps Politie Curaçao, nummer 2015008972.20150326.1200, op 26 maart 2015 opgemaakt, gesloten en getekend door [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , voor zover inhoudende:

Op 26 maart 2015 toonden wij verbalisanten aan de verdachte [betrokkene 1] een fotokaart. Op bedoelde fotokaart staan 10 foto’s van verdachten afgebeeld.

De foto’s zijn genummerd met de cijfers 1 tot en met 10. Nadat de verdachte de fotokaart goed had bekeken, verklaarde hij als volgt:

“Ik herken de man die staat afgebeeld op foto nummer 2 als de man waar ik eerder over verklaard heb. Dit is de man waar ik geld van heb gekregen en die mij gezegd heeft zijn vrouw te vermoorden en dat ik daarvoor NAf 5.000,— zou krijgen. Dit is de man waar ik een plattegrond van een huis, een foto van zijn vrouw, een dienstrooster van zijn vrouw en een foto van het huis waar zij wonen, heb gekregen”.

Op de fotokaart is met nummer 2 de afbeelding opgenomen van de verdachte [verdachte] .

6 (pagina 196-198)

Het proces-verbaal van fotoconfrontatie van het Korps Politie Curaçao, nummer 2015008972.20150326.1030, op 26 maart 2015 opgemaakt, gesloten en getekend door [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , voor zover inhoudende:

Op 26 maart 2015 toonden wij verbalisanten aan de verdachte [betrokkene 2] een fotokaart. Op bedoelde fotokaart staan 10 foto’s van verdachten afgebeeld. De foto’s zijn genummerd met de cijfers 1 tot en met 10. Nadat de verdachte de fotokaart goed had bekeken, verklaarde zij als volgt:

“Ik herken de persoon die is afgebeeld op foto nummer 8 als de [verdachte] waar ik eerder op 19 maart 2015 over heb verklaard. Dit is de man die mij verteld heeft dat hij zijn vrouw dood wilde”.

Op de fotokaart is met nummer 8 de afbeelding opgenomen van de verdachte [verdachte] .

7 (pagina 182-183)

Het proces-verbaal van inbeslagname van het Korps Politie Curaçao, nummer 2015008972.20150316.2153, op 16 maart 2015 opgemaakt, gesloten en getekend door [verbalisant 1] , voor zover inhoudende:

Tijdens het opnemen van de verklaring van de getuige [betrokkene 1] verklaarde hij dat hij enkele belangrijke documenten die hij van de man [verdachte] had gekregen om het voorval te gaan plegen nog steeds thuis had liggen en dat hij bereid was om bedoelde documenten aan het onderzoeksteam te overhandigen.

Nadat ik, verbalisant, de getuige [betrokkene 1] thuis had afgezet, overhandigde hij aan mij de volgende documenten:

- Een kopie van googlemaps met een rijroute erop;

- Een foto van wijlen [slachtoffer] ;

- Een foto van het perceel [a-straat 1] ;

- Twee foto’s van een rooster waarop op eentje het kentekennummer [AA-00-BB] staat vermeld.

Ik heb deze documenten in beslag genomen. Kopieën zijn als bijlage bij dit proces-verbaal gevoegd.

8 (pagina 184-188)

De vijf geschriften genummerd A tot en met E, gevoegd als bijlagen bij het hiervoor onder 7. proces-verbaal van 16 maart 2015 met nummer 2015008972.20150316.2153.

9. Het proces-verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris, door deze in de wettelijke vorm opgemaakt op 7 september 2015, inhoudende als verklaring van de getuige [betrokkene 1] :

Ik heb [betrokkene 2] , de moeder van mijn kind, over de Nederlandse man horen praten. Het onderwerp van het gesprek was dat die man iemand zocht om zijn vrouw te doden. Ik heb gezegd laat mij kennis maken met die meneer. Ik had geld nodig.

Ik heb die meneer toen voor het eerst ontmoet bij een benzinestation. De man zei dat ik zijn vrouw moest doden. De man heeft mij geld gegeven. Later heb ik tegen hem gezegd dat ik het niet meer zou doen. De ochtend na de moord heb ik alles bij de politie ingeleverd. Ik noemde de man [verdachte] . Na de eerste ontmoeting heb ik nog een keer contact gehad met de man. Hij gaf me toen het adres, het rooster en de foto van zijn vrouw. We hebben elkaar een paar keer ontmoet. Ik ben gestopt toen ik totaal NAf 5.000,- had ontvangen van de man.

10. Het proces-verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris, door deze in de wettelijke vorm opgemaakt op 7 september 2015 , inhoudende als verklaring van de getuige [betrokkene 2] :

Ik heb een kind met [betrokkene 1] . [verdachte] vertelde mij dat hij zijn vrouw dood wilde hebben. Hij zei: “ik wil die vrouw dood, dood, dood”. Dat laatste vertelde ik aan [betrokkene 1] . [betrokkene 1] zei tegen mij: “zeg tegen die man om zijn nummer aan mij te geven”. [betrokkene 1] zei dat hij met [verdachte] wilde praten. Ik heb [verdachte] later het telefoonnummer van [betrokkene 1] gegeven. Op het laatst was er iets tussen [verdachte] en [betrokkene 1] en werd [verdachte] een beetje agressief tegen mij. Hij zei tegen mij: “ik wist niet dat je gangster bang was om de job te doen”. [betrokkene 1] had hem een bericht gestuurd: “hey man, ik ga je iets zeggen, ik ga niemand dood maken voor NAf 5.000,— en als je iemand voor mij wilt sturen zorg dan dat ze hun werk goed doen, want anders ga je zien wat is plan B”. [verdachte] had dat bericht naar mij gestuurd.

11 (pagina 199-200)

Het proces-verbaal van bevindingen van het Korps Politie Curaçao, met nummer 201504020910.AMB op 2 april 2015 opgemaakt, gesloten en getekend door [verbalisant 6] , voor zover inhoudende:

Op 16 maart 2015 is de telefoon Samsung Galaxy S4 met aansluitnummer [001] , die toebehoort aan de verdachte [verdachte] in beslag genomen. De telefoon is uitgelezen. Op deze telefoon is onder andere een whats-app-gesprek aangetroffen dat de verdachte [verdachte] heeft gevoerd met een contact genaamd “ [A] nieuw”. Hierin stond onder andere het volgende (A= [verdachte] en P= [A] ):

A: [A] , ik moetje toch iets vragen

A: Is dringend

A: Ik heb een probleempje

P: Welk

A: Als mij iets gebeurd, dan moetje in mijn email gaan

A: En op vandaag zoeken naar een mail voor [A]

A: [emailadres] @hotmail.com

P: Okee

P: Maar wat is er aan de hand met u

A: veel geld gegeven voor job aan verkeerde persoon

A: in die mail staat welke job en aan wie en foto

Bij het Whats-App-gesprek staat de datum en tijd van verzenden van de tekst in UTC. De werkelijke tijd op Curaçao is UTC-4. Bij dit proces-verbaal is als bijlage gevoegd een kopie van het Whats-App-gesprek tussen [verdachte] en [A] nieuw.

12 (pagina 201-202)

Het geschrift, te weten de als bijlage bij het hiervoor onder bedoelde proces-verbaal van 2 april 2015 met nummer 201504020910.AMB gevoegde kopie van het Whats-App-gesprek tussen [verdachte] en “ [A] nieuw”.

13. Het proces-verbaal van bevindingen van het Korps Politie Curaçao, Unit Expertise, Team Financieel opsporen, met nummer 201509051126.AMB, 1412-BVA-01, op 11 september 2015 opgemaakt, gesloten en getekend door [verbalisant 7] , voor zover inhoudende:

Na het invoeren van het wachtwoord van het e-mailadres [emailadres] @hotmail.com ging de e-mailbox open. In de verzonden map werden drie e-mails geconstateerd die door het e-mailadres [emailadres] @hotmail.com naar [emailadres] @hotmail.com waren verzonden. Twee van deze mails hadden als onderwerp “Voor [A] ” en “RE: Voor [A] ”.

De e-mail met het onderwerp “Voor [A] ” werd op 25 februari 2015 om 5:33 PM via een mobiele telefoon van het merk Samsung verzonden. Aan deze email is een bijlage gehecht. Bij het openen van deze bijlage bleek het een “whatsapp Chat with + [002] -notepad” te zijn. Hier volgt het “whatsapp Chat with + [002] ”:

4:10PM, Feb 25 - + [002] : Hei man ik zeg je iets waar ik ga niemant dood maken voor 5000 gulden en als je denk datje stuur iemand op me zorg goed dat hy zyn werk goed doen

4:10PM, Feb 25 - + [002] : En als iets ook met me gebeurt zal je zien wat is plan b

5:24PM, Feb 25 - [verdachte] : Ik hoefje niks te zeggen. Je weet zelf.

5:25PM, Feb 25 - + [002] : Jy ook in zal zekker je treffen plan a of b

5:26PM, Feb 25 - + [002] : Herinen het goed a of b

5:27PM, Feb 25 - + [002] : Een zal je zeeker treffen plan A of b

5:28PM, Feb 25 - + [002] : Trek naar vooren

5:28PM, Feb 25 - + [002] : Je kyk

De e-mail met het onderwerp “RE: Voor [A] ” was op 26 februari 2015 om 13:32:15 uur met in de tekstbalk het navolgende geschreven: “deel 2 Wak facebook: [betrokkene 3] ”. Bedoeld reply was ook voorzien van een bijlage. Bij het openen van deze bijlage bleek het een foto te zijn.

Op de foto is een man van donkere huidskleur te zien met op schoot twee minderjarige meisjes. De man op de foto bleek de man genaamd [betrokkene 1] te zijn. [betrokkene 3] is de dochter van de man [betrokkene 1] en de vrouw [betrokkene 2] .

14 (pagina 219-220)

Het proces-verbaal van bevindingen van het Korps Politie Curaçao, met nummer 201503300813.AMB op 30 maart 2015 opgemaakt, gesloten en getekend door [verbalisant 6] , voor zover inhoudende:

Op 16 maart 2015 meldde zich een getuige genaamd [betrokkene 1] bij het onderzoeksteam. Hij verklaarde onder andere dat hem geld was geboden om de vrouw [slachtoffer] te vermoorden. Hij had tevens een aantal documenten, waaronder een foto van [slachtoffer] en haar woning, gekregen van de man van wijlen [slachtoffer] , genaamd [verdachte] . Kopieën van deze twee foto’s worden als bijlage bij dit proces-verbaal gevoegd. Op 19 maart 2015 heeft een huiszoeking plaatsgevonden in de woning aan de [a-straat 1] .

Onder de aangetroffen goederen bevond zich een Acer-laptop. Die laptop is voor nader onderzoek in beslag genomen. Op 20 maart 2015 is deze laptop aangeboden aan de digitale recherche van het RST te Curaçao. Zij hebben de gegevens op de laptop veilig gesteld en digitaal opgeslagen in het systeem Xiraf. Op 26 maart 2015 ben ik verbalisant in dit systeem Xiraf gaan zoeken naar gegevens. Ik zag in de map afbeeldingen van de Acer-laptop twee voor mij bekende foto’s. Eén van wijlen [slachtoffer] en één van de woning van de verdachte en het slachtoffer. Ik wist dat deze foto’s ook in het bezit waren van de getuige [betrokkene 1] . Ik heb de twee rapporten van Xiraf afgedrukt en als bijlage bij dit proces-verbaal gevoegd.

15 (pagina 221-229)

De als bijlagen bij het hiervoor onder 14. bedoelde proces-verbaal van 30 maart 2015 met nummer 201503300813.AMB gevoegde geschriften, te weten kopieën van twee foto’s gekregen van de getuige [betrokkene 1] en twee rapporten betreffende gevonden foto’s uit de laptop.

16. Het proces-verbaal van bevindingen van het Recherchesamenwerkingsteam, Unit Informatie & Expertise Curaçao, met nummer 20150921.l.A op 21 september 2015 opgemaakt, gesloten en getekend door [verbalisant 8] , voor zover inhoudende:

Op 18 september 2015 heb ik op verzoek van [verbalisant 6] , buitengewoon agent van politie, nader onderzoek ingesteld op de eerder veiliggestelde en door middel van Xiraf inzichtelijk gemaakte data in het onderzoek “ [a-straat 1] ”. Het verzoek was te onderzoeken wat de herkomst was van twee door collega [verbalisant 6] voornoemd aangetroffen afbeeldingen die zich bevonden in de data afkomstig van de forensische kopie van een laptop van het merk Acer. De laptop was voorzien van het besturingssysteem Windows. Binnen dit besturingssysteem is standaard een virtuele prullenbak aanwezig. Daarin zijn verwijderde bestanden terug te vinden. De onderzochte data bevat een prullenbak die is verdeeld in drie afzonderlijke prullenbakken die zijn voorzien van een zogenaamd SID-nummer. Het SID-nummer van één van die prullenbakken is gekoppeld aan een account met de benaming “ [verdachte] ”. Deze prullenbak bevat de volgende twee afbeeldingen.

(afbeelding 1) (afbeelding 2)”

5. De bewezenverklaring van het feit onder 2 steunt op de volgende bewijsmiddelen (onderstreept in het origineel):

17. De verklaring van de verdachte, op 16 december 2015 afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting, voor zover inhoudende:

Op 15 maart 2015 had mijn vrouw late dienst van haar werk. Ik was in de avond van 15 maart 2015 alleen thuis met de kinderen. De kinderen gingen alle drie naar bed toen [slachtoffer] nog niet thuis was. Op de avond van 15 maart 2015 zaten er 6 boxers en een Amerikaanse pitbull in het hondenhok.

18 (pagina 102-104)

Het proces-verbaal van verhoor van het Korps Politie Curaçao, nummer 2015008972.201503 16.1738, op 16 maart 2015 opgemaakt, gesloten en getekend door [verbalisant 9] , voor zover inhoudende als verklaring van de getuige [getuige 1] :

Ik ben een collega van wijlen [slachtoffer] . Op 15 maart 2015 moest ik om 22:00 uur gaan werken. [slachtoffer] ging die avond weg van het werk tussen 22:30 uur en 22:35 uur.

19 (pagina 144-145)

Het proces-verbaal van bevindingen van het Korps Politie Curaçao, met nummer 2015008972.201506080742 op 8 juni 2015 opgemaakt, gesloten en getekend door [verbalisant 6] en [verbalisant 5] , voor zover inhoudende:

Op 7 juni 2015 omstreeks 22:00 uur hebben wij verbalisanten de route gereden welke het slachtoffer [slachtoffer] vermoedelijk heeft gereden op de avond van het voorval van 15 maart 2015. Wij zijn begonnen met rijden vanaf de kruising J.H.J. Hamelbergweg (aan deze weg bevindt zich de ingang van het ziekenhuis) met de Pater Eeuwensweg. Wij verbalisanten zijn vertrokken om 22:20 uur en hebben niet harder gereden dan de maximaal toegestane snelheid. Wij kwamen precies 15 minuten later aan, om 22:35 uur bij de woning aan de [a-straat 1] . Op 15 maart 2015 is het slachtoffer vermoedelijk omstreeks 22:35 uur vertrokken vanaf haar werk. Zij is naar haar auto gelopen en is vervolgens naar de uitgang gereden. Wij schatten dit op ongeveer 5 minuten. Het slachtoffer zou dan om 22:40 uur zijn weg gereden vanaf de J.H.J. Hamelbergweg. Dan zou het slachtoffer ongeveer 15 minuten later zijn aangekomen bij haar woning aan de [a-straat 1] .

Hier heeft zij het hek moeten openen, de auto naar binnen moeten rijden, het hek weer moeten sluiten en de auto naar boven moeten rijden naar de achterzijde van de woning. Bij het onderzoeksteam bestaat het ernstige vermoeden dat het slachtoffer of op rond 23:00 uur bij haar woning is aangekomen op 15 maart 2015.

20 (pagina 32-34)

Het proces-verbaal van bevindingen van het Korps Politie Curaçao, met nummer 2015008972 op 16 maart 2015 opgemaakt, gesloten en getekend door [verbalisant 5] , [verbalisant 10] en [verbalisant 4] , voor zover inhoudende:

Op 15 maart 2015 omstreeks 23:55 uur werden wij verbalisanten door de centrale meldkamer gestuurd naar het adres [a-straat 1] in Curaçao. Daar aangekomen constateerden wij dat het slachtoffer gedeeltelijk op haar rechterzijkant in een westelijke hoek van de gevel aan de buitenkant van de woning lag. Ze was gekleed in haar werktenue van de eerste hulp van ziekenhuis Sint Elisabeth Hospitaal. Het slachtoffer bleek de vrouw [slachtoffer] Elisabeth [slachtoffer] te zijn. Een auto met het kenteken [AA-00-BB] was blijkbaar tegen de muur van de westelijke gevel van de woning gebotst. Deze auto bleek van het slachtoffer [slachtoffer] te zijn. Gezien kon worden dat de vrouw verschillende steekwonden had. De vrouw gaf geen teken van leven. Door de politiearts dr. A.H.E. Maduro werd op 16 maart 2015 omstreeks 2:04 uur de dood van het slachtoffer geconstateerd. Door de officier van justitie werd het lijk van het slachtoffer in beslag genomen in het belang van het onderzoek.

21 (pagina 127-128)

Het proces-verbaal van bevindingen van het Korps Politie Curaçao, met nummer 2015008972 op 29 april 2015 opgemaakt, gesloten en getekend door [verbalisant 5] en [verbalisant 11] , voor zover inhoudende:

Op 14 april 2015 begaven wij ons naar de centrale administratie van de ambulancedienst. Wij verkregen een print van een mutatierapport van 15 maart 2015 van een melding naar de [a-straat 1] . Volgens dit mutatierapport was het tijdstip van aankomst van de ambulance bij de patiënt om 23:53:48.

22. Het aanvullend proces-verbaal van het Korps Politie Curaçao, Team Forensische Opsporing, met nummer 107/2015 op 14 september 2015 opgemaakt, gesloten en getekend door [verbalisant 12] en voor gezien getekend door [verbalisant 13] , voor zover inhoudende:

De late doodsconstatering door de politiearts was te wijten aan de aangetroffen situatie ter plaatse. Na het doen van de ECG op het slachtoffer [slachtoffer] constateerde het personeel van de ambulancedienst dat het slachtoffer geen teken van leven meer gaf. Direct hierna werd het forensisch onderzoek gestart. Het was noodzakelijk om de plaats delict hermetisch af te sluiten.

23 (pagina 265-274)

Een geschrift, te weten een sectieverslag (no. S-15-10) van 10 april 2015, opgemaakt en ondertekend door dr. R.O. Gogorza, patholoog, voor zover inhoudende:

The deceased is an adult female named [slachtoffer] . She died because of external and internal bleeding. The body shows multiple stab wounds thirty five (35) in total. Most of the wounds are gaping wounds, some are incised wounds. One of the angles shows a sharp clear cut, but the opposite side is blunt, indicating that the weapon is a single edged knife. Depth: large measured size was 11,5 cm (wound A2).

The wounds responsible for the victim demise are located basically in the left lateral neck area (stab wound F) and in the left hemi thorax (stab wounds G, H, K, L, B2 and F2).

24. Het proces-verbaal van forensisch onderzoek van het Korps Politie Curaçao, Team Forensische Opsporing, met nummer 098/2015, op 1 augustus 2015 opgemaakt, gesloten en getekend door [verbalisant 12] , [verbalisant 13] , [verbalisant 14] en [verbalisant 15] en voor gezien getekend door [verbalisant 16] , voor zover inhoudende:

Op 15 maart 2015 omstreeks 23 (correctie Hof):45 uur werden wij verbalisanten naar het adres [a-straat 1] gedirigeerd. De ingang van het perceel is afgesloten door middel van twee hekken. Eenmaal op het erf is de voorgevel van het perceel aan de zuidelijke zijde. Aan de westelijke kant van het perceel is er een carport. Ten zuidwesten van de carport is er een hondenhok. De opening of het front van het hondenhok is gericht aan de oostelijke zijde of in de richting van de carport. Naast of links van de carport is de westelijke muur van het perceel. Wij zagen dat een personenauto voorzien van het kenteken [AA-00-BB] met de rechterhoek van de achterbumper tegen de zuidelijke muur van het perceel was. Ongeveer drie meter voor de personenauto met kenteken [AA-00-BB] lag het levenloze lichaam van de vrouw genaamd [slachtoffer] . Onder de carport zagen wij een tas, die binnenste buiten was gekeerd. Naast deze tas bevonden zich papieren, portemonnee en een flesje lotion. Deze spullen waren met een op bloed gelijkende substantie bevuild. Deze substanties werden door ons bemonsterd voor het doen van DNA-onderzoek. De bemonstering van de zwarte leren handtas werd voorzien van het identificatienummer AABZ5571NL .

De bemonstering van de portemonnee werd voorzien van het identificatienummer AABZ5540NL . De bemonstering van de groene plastic fles met het opschrift “Garnier Body” werd voorzien van het identificatienummer AABZ539NL .

Voorlopig kan worden geconcludeerd:

- Gezien de plaats van aantreffen van de met bloed besmeurde groene lotionfles “Garnier Body” en de bruine portemonnee is het onmogelijk dat deze voorwerpen door het slachtoffer zijn verplaatst. Zij was dusdanig gewond dat zij niet uit eigener beweging zich kon verplaatsen onder de carport.

- Gezien de aangetroffen positie van de personenauto met het kenteken [AA-00-BB] zijn wij verbalisanten van mening dat het voertuig in die stand is geduwd. De manier van aantreffen van de auto klopt niet met de stand van het stuur.

25. Een geschrift, te weten een plattegrond van het perceel [a-straat 1] , gevoegd achter het hiervoor onder 24. bedoelde proces-verbaal van forensisch onderzoek van 1 augustus 2015 met nummer 098/2015.

26. Het proces-verbaal van het Korps Politie Curaçao, Team Forensische Opsporing, met nummer 047/2015, op 16 april 2015 opgemaakt, gesloten en getekend door [verbalisant 12] en voor gezien getekend door [verbalisant 16] , voor zover inhoudende:

Op 16 april 2015 werd op bevel van de rechter-commissaris wangslijmvlies van de verdachte [verdachte] afgenomen. De afname geschiedde door de politiearts A.H.E. Maduro. Hierna heb ik het afgenomen celmateriaal in beslag genomen. De verpakking van het afgenomen celmateriaal heb ik voorzien van een identiteitszegel. Dit proces-verbaal heb ik voorzien van identiteitszegel RABC9676NL. Dit zegel is gelijk aan het identiteitszegel van de verpakking waarin het van betrokkene afgenomen celmateriaal is gebracht. Ik verbalisant heb het verpakte celmateriaal op de voorgeschreven wijze in een verpakking gedaan en voorzien van twee sluitzegels met de opdruk “NFI”. Ik zorg ervoor dat het celmateriaal zo snel mogelijk bij het NFI wordt bezorgd.

27. Een deskundigenverslag van het Nederlands Forensisch Instituut van 13 augustus 2015, nummer 2015.06.17.017, opgemaakt door dr. S. van Soest, voor zover inhoudende:

Onderstaand onderzoeksmateriaal is onderworpen aan een DNA-onderzoek:

- AABZ539NL een bemonstering met bloed (op een groene plastic fles met opschrift “Garnier Body”.

- AABZ5540NL een bemonstering met bloed (van portemonnee op PD 1)

- AABZ5546NL een bemonstering met bloed (op de motorkap Suzuki Swift [AA-00-BB] op de PD)

- AABZ5571NL een bemonstering met bloed (zwart leren handtas). RABC9676NL een referentiemonster wangslijmvlies van de verdachte [verdachte] .

Resultaten, interpretatie en conclusie

- AABZ539NL DNA-profiel van een man; celmateriaal kan afkomstig zijn van verdachte [verdachte]

- AABZ5540NL DNA-profiel van een man; celmateriaal kan afkomstig zijn van verdachte [verdachte]

- AABZ5546 DNA-profiel van een man; celmateriaal kan afkomstig zijn van verdachte [verdachte]

- AABZ5571NL DNA-profiel van een man; celmateriaal kan afkomstig zijn van verdachte [verdachte]

28 (pagina 81-82)

Het proces-verbaal van verhoor van het Korps Politie Curaçao, nummer 201503161507.G01, op 16 maart 2015 opgemaakt, gesloten en getekend door [verbalisant 17] , voor zover inhoudende als verklaring van de getuige [getuige 2] :

Ik woon aan de [a-straat 1] . Op 15 maart 2015 was ik in de avond thuis met onder andere mijn moeder [betrokkene 4] . Laat op de avond hoorde ik geschreeuw van een vrouw. Het geschreeuw kwam van de achtertuin van de buren wonende op huisnummer [1]. De vrouw schreeuwde één keer heel kort. Het geschreeuw was van hard naar zacht.

29 (pagina 83-84)

Het proces-verbaal van verhoor van het Korps Politie Curaçao, nummer 201503161545.G02, op 16 maart 2015 opgemaakt, gesloten en getekend door [verbalisant 17] en [verbalisant 6] , voor zover inhoudende als verklaring van de getuige [betrokkene 4] :

Ik woon aan de [a-straat 2] . Op 15 maart 2015 was ik in de avond thuis. Laat op de avond hoorde ik een vrouw schreeuwen. Het geschreeuw kwam uit de achtertuin van de buren, die wonen op huisnummer [1] . Het geschreeuw duurde een paar seconden en was van hard naar zacht. Het leek alsof zij geen adem meer kreeg. Na het geschreeuw heb ik niets meer gehoord vanuit de buren. Ik hoorde geen auto wegrijden of een deur van een auto dichtklappen.

30. Aanvullende deskundigenrapportage van Independent Forensic Services (IFS), opdrachtgever Knoops advocaten, gedateerd 6 oktober 2016, opgesteld door R. Eikelenboom, Forensisch wetenschappelijk onderzoeker IFS, Kenmerk IFS 160902 ( [verdachte] ).

Bij het portier van de bestuurdersstoel van de Suzuki Swift bevond zich een bloedveeg, zie de foto hierboven. 1 Waarschijnlijk is deze veeg bemonsterd onder de code AABZ5552NL. Het extract AABZ5552MJ01 is door het NFI niet aan een DNA- onderzoek onderworpen, door IFS is een partieel DNA-profiel verkregen. (...) Het bloed in de bemonstering kan van de verdachte zijn, dit betekent dat hij gewond contact heeft gemaakt met dit onderdeel van de auto.

Het bewijs van feit 2 is behalve op deze bewijsmiddelen ook gegrond op de hiervoor genoemde bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1, in onderlinge samenhang en verband bezien.”

6. Het eerste middel klaagt dat het Hof een (rechtens) onjuiste maatstaf heeft aangelegd bij de afwijzing van het beroep op een vormverzuim.

7. Het in het middel bedoelde verweer luidt als volgt (dikgedrukt en onderstreept in het origineel):

6.3.1. Onrechtmatige doorzoeking e-mailaccount

158. Door het onderzoeksteam van het Bureau Roofovervallen Bestrijding zijn een aantal telefoons in beslag genomen van [verdachte] . Op de telefoon van [verdachte] is er een WhatsApp-gesprek tussen hem en " [A] " gevonden.

159. In dit gesprek verzoekt [verdachte] aan [A] om zijn mail te bekijken, mocht hem iets overkomen. Hij geeft [A] in dit WhatsApp-gesprek ook het wachtwoord van zijn hotmailaccount.

160. Door de officier van Justitie is op grond van artikel 177r Sv (Curaçao) van de rechter-commissaris gevorderd een machtiging te verlenen om toegang te krijgen tot de mailaccount van [verdachte] . De machtiging werd door de rechter-commissaris verleend.

161. De machtiging hield het volgende in: 'Machtiging tot bevel van opnemen middels vaste tapinstallatie zoals in gebruik van de RST (177r Sv) van, niet voor het publiek bestemde, communicatie, die plaatsvindt door middel van de volgende aansluitingen: ' [emailadres] @hotmail.com'.

162. Artikel 177r Sv is het equivalent van artikel 126l Sv van het Nederlandse Wetboek van Strafvordering. Gelet op de tekst van artikel 177r Sv betreft het een machtiging tot opnemen van communicatie middels een technisch hulpmiddel. Volgens artikel 126l Sv van het Nederlandse Wetboek van Strafvordering betekent dit het onderscheppen en registreren van de communicatie. Het gaat dus om communicatie van A naar B, die tijdens het communicatieproces (door middel van technisch hulpmiddel) wordt onderschept en geregistreerd.

163. Het invoeren van gegevens voor eigen gebruik in de laptop kan niet worden gekwalificeerd als communicatie en deze gegevens kunnen tevens niet worden opgenomen. Het middel dat gebruikt wordt door de politie, voldoet niet aan de vereisten van artikel 177r Sv (Curaçao) .

164. Het binnendringen van een mailbox om aldaar door [verdachte] opgeslagen gegevens op te slaan, valt niet onder het bereik van artikel 177r Sv. Ten eerste is er geen sprake van communicatie. Er vond namelijk geen uitwisseling/interactie plaats tussen twee personen; immers [verdachte] mailt iets naar zichzelf. Dit zou je zelfs kunnen kwalificeren als 'het invoeren van gegevens voor eigen gebruik', ten aanzien waarvan opnemen niet toegestaan is. Ten tweede zijn er geen gegevens opgenomen, in de zin van onderschept of geregistreerd, nu enkel stilstaande gegevens zijn opgeslagen. Dit is iets wezenlijks anders dan gegevens die van A naar B gaan, te onderscheppen. Ten derde is er door de politie geen technisch hulpmiddel ingezet: de politie heeft door het op slinkse wijze ontdekte wachtwoord van [verdachte] , zich toegang tot zijn mailbox verschaft.

165. Het Gerecht heeft erkend dat er in onderliggende zaak sprake was van een vormverzuim bij het voorbereidend onderzoek. Er was in onderliggende zaak namelijk geen wettelijke basis om de emailaccount van [verdachte] te openen en te bekijken.

166. Volgens de verdediging heeft het Gerecht ten onrechte geoordeeld dat aan dit vormverzuim geen consequentie hoeft te worden verbonden. De verdediging stelt dat de aangetroffen e-mails in de hotmailaccount door het vormverzuim dienen te worden uitgesloten van het bewijs.

167. Gelet op het feit dat artikel 413 SV overeen komt met artikel 359a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht, zal worden ingegaan op het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2013, waarin de vereisten voor bewijsuitsluiting worden bevestigd.

168. Bewijsuitsluiting kan uitsluitend worden toegepast indien het bewijsmateriaal door het verzuim is verkregen, en komt slechts in aanmerking indien door de onrechtmatige bewijsgaring een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden. Het toepassen van bewijsuitsluiting kan noodzakelijk zijn indien het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM is geschonden of als een ander belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden, waarbij bewijsuitsluiting noodzakelijk wordt geacht als middel om toekomstige soortgelijke vormverzuimen te voorkomen.

169. In onderliggende zaak concludeert de verdediging dat het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM van [verdachte] is geschonden door op onrechtmatige wijze de emailaccount van hem te openen en te doorzoeken, en vervolgens de e-mails als bewijs te gebruiken.

170. Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) heeft gesteld dat het gebruik van bewijs dat op een onrechtmatige wijze is bemachtigd, in strijd is met artikel 6 EVRM (Schenk t. Zwitserland, §§ 45-46). Volgens het EHRM moet worden vastgesteld of het gehele proces oneerlijk was, met de wijze waarop het bewijs is vervaardigd als belangrijk element (Khan t. Verenigd Koninkrijk, § 34). Om te beoordelen of er een schending is van artikel 6 EVRM dient tevens te worden onderzocht in hoeverre de verdediging in staat was om het bewijs te betwisten (Jalloh t. Duitsland).

171. Bovendien, dient te worden onderzocht of het bewijs op een wijze is verkregen waardoor artikel 8 EVRM is geschonden:

"As to the examination of the nature of the Convention violation found, the question whether the use as evidence of information obtained in violation of Article 8 rendered a trial as a whole unfair contrary to Article 6 has to be determined with regard to all the circumstances of the case, and in particular to the question of respect for the applicant's defence rights and the quality and importance of the evidence in question" (Gäfgen t. Duitsland, § 165).

172. In de onderliggende zaak dient te worden geconcludeerd dat het recht op privéleven in de zin van artikel 8 EVRM is geschonden. Het Gerecht heeft dit zelf ook vastgesteld door te stellen dat door "het kennisnemen van de inhoud van verzonden en ontvangen e-mailberichten een ernstige inbreuk gemaakt kan worden op de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker van de betreffende e-mailaccount."

173. Door de schending van het artikel 8 EVRM, in samenhang met de schending van artikel 6 EVRM door het bewijs op onrechtmatige wijze te verkrijgen, dient te worden vastgesteld dat [verdachte] "as a whole" geen eerlijk proces heeft gekregen.

174. Derhalve dienen de aangetroffen e-mails - geconcipieerd door [verdachte] voor eigen gebruik - te worden uitgesloten van het bewijs nu de e-mails zijn verkregen door middel van een vormverzuim, die in strijd is met artikel 6 EVRM.

175. Het feit dat het Gerecht geen gevolg heeft willen verbinden aan het feit dat er een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek heeft plaatsgevonden, en het wel heeft gebruikt als bewijsmiddel, is onbegrijpelijk. Het vormverzuim heeft namelijk het recht van [verdachte] op een eerlijk proces geschonden, en is tevens in strijd met artikel 8 EVRM.1

8. Het Hof heeft dit verweer als volgt verworpen:

Verweer met betrekking tot onrechtmatig verkregen bewijs

De verdediging heeft in hoger beroep aangevoerd dat het de politie niet vrij stond om op grond van de door de rechter-commissaris verstrekte machtiging ex artikel 177r Sv rechtstreeks in te loggen op de hotmailaccount van de verdachte om op die manier toegang te krijgen tot diens mailberichten. Dit vormverzuim moet er volgens de verdediging toe leiden dat de resultaten die zijn verkregen uit het onrechtmatig onderzoek van de betreffende account van het bewijs worden uitgesloten.

De waarnemend procureur-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de inkijk in de hotmailaccount rechtmatig was.

Het Hof stelt het volgende vast. In het kader van het strafrechtelijk onderzoek naar de verdachte is zijn telefoon in beslag genomen. Deze telefoon is door de politie onderzocht en daarbij is een whatsapp-gesprek aangetroffen tussen verdachte en een contact genaamd “ [A] nieuw”. In dit gesprek zegt de verdachte, samengevat, dat hij een probleempje heeft, dat hij veel geld voor een job heeft gegeven aan de verkeerde persoon, dat [A] in de email van verdachte moet gaan als hem iets overkomt, dat [A] op vandaag moet zoeken naar een mail voor [A] , dat zijn e-mailadres [emailadres] @hotmail.com is en het wachtwoord het adres van het appartement achter zijn huis. Deze gegevens zijn aanleiding geweest om bij de rechter-commissaris een vordering in te dienen tot afgifte van een machtiging op de voet van artikel 177r Sv. Die machtiging is afgegeven voor het opnemen van communicatie van (onder meer) historische gegevens door middel van het vermelde emailadres van de verdachte.

Vervolgens hebben opsporingsambtenaren verschillende varianten van het adres van het appartement van verdachte ingevoerd als zijn wachtwoord, waarvan een de juiste was. Na de aldus verkregen toegang is de hotmailaccount onderzocht, waarbij de hiervoor bedoelde e-mail met het onderwerp “Voor [A] ” is aangetroffen.

Gesteld noch gebleken is dat het onderzoek in de telefoon van verdachte niet rechtmatig is geweest. Het verweer dat het zonder machtiging als bedoeld in artikel 177s Sv inloggen op de e-mailaccount van verdachte onrechtmatig was slaagt niet. De afgifte van een machtiging als bedoeld in artikel 177s Sv strekt ertoe dat (in dit geval) de beheerder van de hotmailaccount de gegevens verstrekt. Nu de politie het e-mailadres kende en het wachtwoord had achterhaald, terwijl de rechter-commissaris toestemming had verleend tot het inzien van die e-mailaccount, diende het benaderen van de beheerder geen redelijk doel meer. Van een vormverzuim is dus geen sprake.

Ten overvloede overweegt het Hof dat ook al zou er sprake zijn van een vormverzuim zoals door de verdediging bepleit dit niet kan leiden tot het door de verdediging beoogd rechtsgevolg van bewijsuitsluiting. Immers een schending van het recht op privacy als bedoeld in artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) leidt slechts in uitzonderlijke gevallen tot een inbreuk op het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM (HR NJ 2012/24). Door de verdediging wordt slechts gesteld dat: “Door de schending van het artikel 8 EVRM, in samenhang met de schending van artikel 6 EVRM door het bewijs op onrechtmatige wijze te verkrijgen, dient te worden vastgesteld dat [verdachte] “as a whole” geen eerlijk proces heeft gekregen.” Het proces als geheel is naar het oordeel van het Hof eerlijk geweest nu de verdediging haar verdedigingsrechten zowel in eerste aanleg als in hoger beroep in volle omvang heeft kunnen uitoefenen, de verdediging de betrouwbaarheid van het verkregen bewijsmateriaal niet heeft betwist en dit bewijsmateriaal niet het enig bewijs is dat door het Hof gebezigd is.2

9. Kortom, het Hof oordeelt dat van een vormverzuim geen sprake is, aangezien (1) het onderzoek aan de telefoon niet-onrechtmatig was, en (2) met de uit die telefoon verkregen gegevens de mailbox van de verdachte (rechtmatig) was geopend op grond van een machtiging van de rechter-commissaris ex art. 177r van het Wetboek van Strafvordering van Curaçao (SvC). Een machtiging ex artikel 177s SvC (vordering gegevens) diende volgens het Hof “geen doel meer” meer: de toegangsgegevens van de e-mailbox van de verdachte waren de opsporingsambtenaren immers reeds (rechtmatig) bekend geworden.

10. Het middel klaagt dat het hof een onjuiste maatstaf heeft aangelegd door te oordelen dat het benaderen van de accountbeheerder met een vordering tot het verstrekken van gegevens “geen redelijk doel meer diende”. De juiste vraag, te weten: ‘heeft de politie door zonder een daartoe strekkende machtiging in te loggen op het mailaccount van de verdachte een vormverzuim begaan?’ heeft het Hof niet beantwoord, terwijl de politie geen wettelijke basis had om de e-mailaccount te openen zonder machtiging en zonder contact met de beheerder. Dit onherstelbare vormverzuim heeft de verdachte benadeeld en had dientengevolge tot bewijsuitsluiting moeten leiden, aldus het middel.

11. In de motivering van de verwerping van het – tot bewijsuitsluiting strekkende – verweer maakt het Hof onderscheid tussen:

(1) de inbeslagneming van de smartphone van de verdachte én het daaropvolgende onderzoek in het geheugen daarvan, zulks met als onderzoeksresultaat: de kennisneming van de daarin opgeslagen inhoud van een WhatsApp-gesprek tussen de verdachte en ene [A] , waarin de verdachte deze [A] onder meer bekendmaakte met de naam van zijn, verdachte’s, e-mailaccount3 en het bijbehorende wachtwoord, met het verzoek eventueel in te loggen op die e-mailaccount (bewijsmiddelen 11 en 12), en

(2) het met de aldus verkregen informatie inloggen op de e-mailaccount van de verdachte, met als onderzoeksresultaat: de kennisneming van een – op de servers van de aanbieder van deze communicatiedienst opgeslagen – e-mail die de verdachte met behulp van de genoemde account aan zichzelf had verstuurd en waarvan de inhoud was bestemd voor diezelfde [A] (bewijsmiddel 13).

12. Ten overstaan van het Hof was geen verweer gevoerd over de rechtmatigheid van de inbeslagneming van, of het onderzoek in (het geheugen van) de smartphone van de verdachte, noch wordt thans over ‘s Hofs oordeel in cassatie geklaagd. ’s Hofs oordeel dat de onder (1) bedoelde opsporingsmethode niet-onrechtmatig was, kan dus tot vertrekpunt dienen. Terzijde merk ik op dat de juridische problematiek die hierop betrekking heeft onderwerp was van het zogeheten ‘smartphone-arrest’.4

13. De toepassing van de onder (2) genoemde opsporingsmethode vergt een separate wettelijke grondslag. Ter illustratie: ook een opsporingsambtenaar die op rechtmatige wijze, bijvoorbeeld op de voet van art. 95 Sv, de sleutel van de woning van een verdachte in handen krijgt, mag daarmee niet zonder aanvullende wettelijke basis die woning binnentreden om bewijs te verzamelen.

14. Het Hof zocht die separate grondslag in art. 177r SvC. Het stelde vast dat er “een machtiging op de voet van artikel 177r Sv” was afgegeven en dat “de rechter-commissaris toestemming had verleend tot het inzien van die e-mailaccount”.

15. Over de wettelijke grondslagen het volgende. Met de Landsverordening van 18 oktober 2012, kortweg betiteld: Bijzondere opsporingsbevoegdheden en andere spoedeisende veranderingen (P.B. 2012, no. 67) zijn met ingang van 19 oktober 2012 wijzigingen aangebracht in het Wetboek van Strafvordering van Curaçao. Deze landsverordening strekt ertoe bijzondere opsporingsbevoegdheden binnen de Curaçaose jurisdictie van de vereiste wettelijke grondslag te voorzien.5 Tot die datum ontbrak op Curaçao een toereikende wettelijke regeling hieromtrent.6 De landsverordening is gemodelleerd naar de Nederlandse Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden (Stb. 1999, 245), zoals aangevuld met de Wet bevoegdheden vorderen gegevens (Stb. 2005, 390), de Wet computercriminaliteit II (Stb. 2006, 300) en de Wet verruiming mogelijkheden opsporing en vervolging terroristische misdrijven (Stb. 2006, 371).7 Overigens koos de Curaçaose wetgever voor een aanzienlijk toegankelijker stelsel van voorschriften dat de vergaring van (elektronische) gegevens normeert (artt. 177s en 177t SvC), dan het complexe en volgens Knigge “atypische8 stelsel dat gestalte kreeg in de (Nederlandse) Wet bevoegdheden vorderen gegevens.

16. Het Nederlandse equivalent van artikel 177r SvC betreft art. 126m Sv.9 Daarin is het opnemen van communicatie door middel van een technisch hulpmiddel geregeld, met inbegrip van (maar niet beperkt tot) het tappen van telecommunicatie, zoals telefoonverkeer. Na verkrijging van een door de rechter-commissaris afgegeven machtiging ex art. 126m Sv, vaardigt de officier van justitie een bevel opnemen communicatie uit, waarna mag worden aangevangen met het opnemen van niet voor het publiek bestemde communicatie die plaatsvindt met gebruikmaking van een communicatiedienst. Aangezien het bevel ziet op de onderschepping van toekomstig (getransporteerd) gegevensverkeer, kan op grond van een dergelijk bevel geen kennis worden genomen van een reeds opgeslagen e-mailbericht, terwijl nog een puntje van aandacht is of in casu het ‘e-mailbericht’ afkomstig van én gericht aan de verdachte überhaupt als een vorm van communicatie kan worden aangemerkt.10

17. Indien in het kader van een strafrechtelijk opsporingsonderzoek de (elektronische) gegevens van reeds bestaande e-mailberichten moeten worden verkregen, zal naar Nederlands recht toepassing moeten worden gegeven aan de bevoegdheid als omschreven in art. 126ng Sv (en art. 126ug Sv). De hier bedoelde e-mailberichten betreffen immers ‘historische’, opgeslagen gegevens die betrekking hebben op de inhoud van communicatie.11 Overigens rept art. 126ng Sv geheel niet van ‘communicatie’, doch slechts van (het vorderen van) gegevens die zijn opgeslagen in het geautomatiseerde werk van de aanbieder (van een communicatiedienst), zulks “voor zover zij klaarblijkelijk van de verdachte afkomstig zijn, voor hem bestemd zijn, op hem betrekking hebben of tot het begaan van het strafbare feit hebben gediend, of klaarblijkelijk met betrekking tot die gegevens het strafbare feit is gepleegd”.

18. De BOB-wetgeving van Curaçao bevat een met art. 126ng Sv enigszins vergelijkbare (doch meeromvattende) bepaling, te weten artikel 177s SvC. De memorie van toelichting op dit artikel wijst uit dat het artikel mede de bevoegdheid tot het vorderen van bestaande, niet-‘gevoelige’ (elektronische) gegevens codificeert.12

19. Terug naar het onderhavige geval. Uit het (niet-onrechtmatige) onderzoek aan de telefoon van de verdachte is gebleken dat de e-mailbox van de verdachte een reeds verzonden e-mail bevatte die in het kader van het strafrechtelijk onderzoek relevant zou (kunnen) zijn. Voorzien van een machtiging op de voet van art. 177r SvC is onderzoek gedaan in de e-mailbox van de verdachte, en is de e-mail die in het WhatsApp-bericht werd bedoeld, aangetroffen en ingezien. Een machtiging ex artikel 177r SvC biedt echter geen grondslag voor de verkrijging van een dergelijk opgeslagen e-mailbericht. Een machtiging ex artikel 177r SvC ziet immers op de interceptie van toekomstige communicatie. Op reeds opgeslagen (elektronische) gegevens, zoals een e-mailbericht dat is bewaard op de servers van de aanbieder van deze communicatiedienst, is dit artikel niet van toepassing.13

20. Evenals het gerecht in eerste aanleg14 meen ik derhalve dat toepassing is gegeven aan een onjuist voorschrift, hetgeen het Hof heeft miskend. De toepassing van art. 177s SvC diende dus wel degelijk een doel, namelijk het bieden van de vereiste wettelijke grondslag voor de inzage in het e-mailbericht.15 In dit specifieke geval was voor de uitoefening van die bevoegdheid van de officier van justitie (tot het vorderen van gegevens) nota bene géén machtiging van de rechter-commissaris vereist. Die was er thans wél. In zoverre is in casu aan de belangen van de verdachte in effect niet tekortgedaan.

21. Wat van dit alles ook zij, ’s Hofs oordeel dat géén vormverzuim is begaan, getuigt m.i. van een onjuiste rechtsopvatting, althans is zonder nadere motivering niet begrijpelijk. Het middel heeft in zoverre een punt.

22. De vraag is of de gegrondheid van de klacht tot cassatie moet leiden. Het Hof overweegt immers, zij het in eigen woorden “ten overvloede”, dat zelfs indien er sprake zou zijn van een vormverzuim dit niet tot bewijsuitsluiting hoeft te leiden, nu de verdediging haar verdedigingsrechten zowel in eerste aanleg als in hoger beroep in volle omvang heeft kunnen uitoefenen, zij de betrouwbaarheid van het verkregen bewijsmateriaal niet heeft betwist en het betreffende bewijsmateriaal niet het enige bewijs is dat door het Hof is gebezigd.

23. Ook tegen dit oordeel komt het middel op, zij het weinig ‘indringend’ en wat mij betreft tevergeefs. Het Hof heeft op geenszins onbegrijpelijke wijze de verwerping van een verweer dat strekt tot bewijsuitsluiting voorzien van een motivering die geen blijk geeft van de toepassing van een onjuist beoordelingskader. Bewijsuitsluiting komt immers slechts in aanmerking indien door de onrechtmatige bewijsgaring een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden. Het gaat hierbij niet om een plicht maar om een bevoegdheid van de rechter, waarvan de uitoefening in de eerste plaats moet worden beoordeeld in het licht van de wettelijke beoordelingsfactoren van art. 413, vijfde lid, SvC en van de omstandigheden van het geval.16 Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat een schending van art. 8 EVRM als gevolg waarvan een verdachte is benadeeld in zijn door deze bepaling beschermde belangen, niet zonder meer meebrengt dat die verdachte door het gebruik van de onderzoeksresultaten ernstig in zijn verdediging is geschaad.17

24. Het middel is gedeeltelijk gegrond, maar dat hoeft niet tot cassatie te leiden.

25. Het tweede middel klaagt dat het Hof is afgeweken van het door de verdediging naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunt met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2], zonder daarvoor een toereikende motivering te geven.

26. De verdediging heeft ter terechtzitting bij het Hof bepleit dat de verklaringen van zowel de getuige [betrokkene 1] als de getuige [betrokkene 2] als onbetrouwbaar moeten worden aangemerkt en derhalve niet tot het bewijs mogen worden gebezigd. De verdediging voerde hiertoe aan – kort samengevat – dat beide getuigen (als medeverdachten) belang hadden bij de veroordeling van de verdachte. De omstandigheid dat de getuigen zich “vrijwillig gemeld” hebben en “zichzelf belasten” doet volgens de verdediging niet af aan de inconsistenties en (onderlinge) tegenstrijdigheden in hun verklaringen. De verdediging verwees hiertoe naar een bij de pleitnota gevoegde analyse over die (onderlinge) tegenstrijdigheden en de daarin door prof. Van Koppen geformuleerde conclusie dat “het waarschijnlijker is dat de beide verklaringen onjuist zijn dan dat zij juist zijn.”18 Voorts zijn [betrokkene 1] en [betrokkene 2] geen “onafhankelijk van elkaar bestaande getuigen”, ze hebben samen een kind en zijn derhalve aan elkaar gelieerd.19

27. Het Hof heeft, voor zover relevant voor de bespreking van het middel, het volgende overwogen:

“Betrouwbaarheid getuigenverklaringen

De verdediging heeft ook in hoger beroep betoogd dat de verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] onbetrouwbaar zijn en om die reden niet mogen worden gebruikt voor het bewijs. Aangevoerd is dat er behoorlijke discrepanties zijn tussen de verklaringen van deze twee personen die duidelijk maken dat zij niet de waarheid vertellen. In hoger beroep heeft de verdediging dit verweer nog nader uitgewerkt.

Dit verweer wordt verworpen. Het Hof acht, evenals het Gerecht in eerste aanleg, de verklaringen van beide personen betrouwbaar op grond van de volgende overwegingen. [betrokkene 1] heeft zich een dag na het overlijden van het slachtoffer uit eigen beweging gewend tot de politie en is toen spontaan gaan verklaren over de poging tot uitlokking van moord. In dat eerste verhoor heeft hij een gedetailleerde verklaring afgelegd waarin hij naast de verdachte ook zichzelf flink heeft belast. Dat komt zijn geloofwaardigheid ten goede. Daarnaast valt niet in te zien met welk motief [betrokkene 1] de verdachte op dat moment vals zou beschuldigen. De verdediging heeft hiervoor evenmin een reden aangedragen. In zijn latere verklaringen heeft [betrokkene 1] consistent verklaard dat de verdachte rechtstreeks invloed op hem heeft uitgeoefend om hem tot de beoogde moord te brengen. Zijn verklaringen worden ondersteund door die van [betrokkene 2]. Zij is consistent in haar verklaring dat de verdachte haar zelf heeft verteld dat hij zijn echtgenote dood wilde hebben. En later, nadat [betrokkene 1] zich had teruggetrokken, dat de verdachte tegen haar heeft gezegd dat hij niet wist dat haar gangster ( [betrokkene 1] ) “bang was om de job te doen”. De verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] vinden bovendien steun in andere bewijsmiddelen, zoals verkregen geschriften in de vorm van foto’s en documenten, communicatie via Whatsapp, de hiervoor bedoelde inhoud van de e-mailberichten uit de hotmailaccount van de verdachte en de erkenning van de verdachte dat hij [betrokkene 1] en [betrokkene 2] kende en dat er verschillende ontmoetingen met hen hebben plaatsgevonden. Dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in de verschillende verhoren over een periode van ongeveer een half jaar op enkele punten, die minder wezenlijke feiten betreffen, wisselend hebben verklaard, doet aan de betrouwbaarheid van hun verklaringen niet af.

Geschriften

[betrokkene 1] heeft na afloop van zijn eerste verhoor vrijwillig een aantal foto’s en documenten overhandigd aan de politie. Het betreft een fotokopie van googlemaps met daarop een rijroute van het ziekenhuis waar het slachtoffer werkte naar haar woning, een kleurenfoto van het slachtoffer, een kleurenfoto van de woning van het slachtoffer en twee afbeeldingen van een rooster met vermelding van het kenteken van de auto van het slachtoffer op één van die twee afbeeldingen. Volgens [betrokkene 1] heeft hij dit materiaal van de verdachte gekregen ten behoeve van de voorbereiding van de beoogde moord. De verdediging heeft betwist dat het de verdachte is die dit materiaal aan [betrokkene 1] heeft verstrekt. Het werkrooster zou door de verdachte aan [betrokkene 2] zijn gegeven in het kader van hun buitenechtelijke relatie en door [betrokkene 2] aan [betrokkene 1] zijn doorgespeeld. De overige documenten zouden volgens de verdachte in het bezit van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] zijn gekomen omdat [betrokkene 2] toegang had tot de laptop van de verdachte. Het Hof acht, evenals het Gerecht in eerste aanleg, het door de verdediging gepresenteerde scenario dat [betrokkene 2] het desbetreffende materiaal zelf heeft opgezocht en verstrekt aan [betrokkene 1] , niet aannemelijk geworden. [betrokkene 2] ontkent dit en de verdediging heeft geen nadere onderbouwing van deze stelling verschaft. Voorts valt niet in te zien met welk motief [betrokkene 2] juist deze documenten zou hebben verzameld en aan [betrokkene 1] zou hebben gegeven. In het scenario dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] de verdachte wilden afpersen, zoals de verdediging stelt, past dit immers niet. In samenhang bezien met het overige steunbewijs voor de verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in de vorm van de aangetroffen communicatie via Whatsapp en e-mail, passen deze documenten echter wel in het scenario van de poging uitlokking tot moord.

Communicatie

[betrokkene 1] heeft verklaard dat de verdachte hem in totaal NAf 5.000,- in de vorm van drie contante bedragen heeft betaald voor de beoogde moord op diens echtgenote. Volgens [betrokkene 1] betrof de eerste deelbetaling een bedrag van NAf 2.000,-. Nadat hij het totaalbedrag van NAf 5.000,- had ontvangen, heeft [betrokkene 1] naar eigen zeggen de verdachte laten weten dat hij de moord niet zou plegen. Deze verklaring vindt ondersteuning in de volgende bevindingen, in onderlinge samenhang bezien:

a) het Whatsapp-gesprek van 25 februari 2015 tussen [betrokkene 1] en de verdachte waarin [betrokkene 1] tegen de verdachte zegt dat hij niemand dood gaat maken voor vijfduizend gulden;

b) het kort daarna gevoerde Whatsapp-gesprek tussen de verdachte en de getuige [getuige 3] met de bijnaam [A] , waarin de verdachte zegt dat hij veel geld heeft gegeven voor een job aan de verkeerde persoon en dat in een mailbericht in zijn hotmailaccount gericht aan de getuige [getuige 3] staat welke job en aan wie en foto;

c) de twee e-mailberichten in de mailbox van het hotmailaccount van de verdachte met als onderwerp respectievelijk “Voor [A] ” en “RE: voor [A] ”, met als bijlage respectievelijk de tekst van het hiervoor onder a bedoelde Whatsapp-gesprek met [betrokkene 1] en een foto van [betrokkene 1] ;

d) de verklaring van de verdachte ter zitting dat hij begin februari 2015 een contant geldbedrag van NAf 2.000,- heeft betaald aan [betrokkene 1] .

Het Hof volgt, evenals het Gerecht in eerste aanleg, deze interpretatie niet. De hiervoor onder a tot en met d genoemde informatie past naadloos in het beeld van de gebeurtenissen dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] van het begin af aan hebben geschetst en voor welk beeld ook nog ander steunbewijs voorhanden is. De meest voor de hand liggende lezing van het Whats-app bericht is dat het afkomstig is van iemand die niet (langer) van plan is om een moord te plegen. Ook het e-mail bericht van de verdachte aan [A] , waarin wordt gerefereerd aan een betaling voor een niet uitgevoerde “job”, past in de lezing van [betrokkene 1] . Dit woord komt in de spreektaal immers eerder overeen met een “klus”, dan met een transactie zoals de aankoop van een auto. In de verklaring van de verdachte heeft hij [betrokkene 1] ook helemaal geen ‘job’ gegeven, maar persten [betrokkene 1] en [betrokkene 2] hem af om een auto te kopen. Het waarschuwen van [A] “voor het geval dat er iets met mij gebeurt” past ook niet zondermeer in de lezing dat de verdachte en [betrokkene 1] onenigheid hadden over enkel de aankoop van een auto.

Bovendien neemt het Hof in aanmerking dat de verdachte pas in een bijzonder laat stadium van het onderzoek, eerst nadat hij kon beschikken over het einddossier, met een verklaring van het gebeuren is gekomen waarin hij uitdrukkelijk stelt onschuldig te zijn en een, voor hem gunstige, andere interpretatie van de contacten tussen hem en [betrokkene 1] geeft. Dit doet naar het oordeel van het Hof afbreuk aan de geloofwaardigheid van zijn verhaal. De reden die de verdachte hiervoor heeft gegeven, te weten dat hij door politie en justitie onder druk gezet zou zijn en zich al veroordeeld voelde voordat hij voor de rechter kwam, overtuigt niet, temeer daar het dossier geen klachten van de verdachte dan wel diens raadslieden hieromtrent bevat. Voorts had de verdachte in een eerder stadium van het strafproces een verzoek kunnen doen om in aanwezigheid van zijn advocaat gehoord te worden door de rechter-commissaris teneinde zijn visie op de door de politie gerelateerde feiten en omstandigheden te geven. Verdachtes lezing vindt daarnaast, in tegenstelling tot de lezing van [betrokkene 1] , geen enkele steun in andere onderzoeksresultaten.20

28. De verdediging heeft ter terechtzitting bij het Hof het standpunt ingenomen dat de verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] innerlijk én onderling tegenstrijdig zijn en derhalve van het bewijs moeten worden uitgesloten. Het Hof heeft, in afwijking van dit standpunt, de verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] voor het bewijs gebezigd, en daaromtrent klaagt het middel dat de motivering niet toereikend is. Deze klacht berust kennelijk – mede door uitdrukkelijk te verwijzen naar art. 359, tweede lid, Sv – op de veronderstelling dat het Hof verplicht was om te responderen op dit door de verdediging ingenomen (uitdrukkelijk onderbouwde) standpunt, op de grond dat het Hof dit standpunt niet heeft aanvaard.

29. Die veronderstelling is echter onjuist. Het Wetboek van Strafvordering van Curaçao (zie met name art. 402 SvC) bevat géén met art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv vergelijkbare bepaling.21Het Hof was dus in beginsel niet gehouden in het bijzonder de redenen op te geven waarom van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging werd afgeweken. Dat neemt overigens niet weg dat in bijzondere gevallen een nadere bewijsmotivering is vereist, zulks vanwege wettelijke motiveringsverplichtingen, zoals in art. 403 SvC en art. 360 Sv, of in respons op een zeer specifiek bewijsverweer, zulks overeenkomstig de stand van de jurisprudentie van de Hoge Raad voorafgaande aan de inwerkingtreding van art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv in Nederland.22 In het middel wordt niet onderbouwd dat zich zo’n bijzonder geval thans voordoet.

30. Intussen heeft het Hof wel degelijk omstandig uiteengezet dat hetgeen namens de verdachte is aangevoerd over de discrepanties tussen de verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (die duidelijk zouden maken dat zij niet de waarheid spreken) onder meer wordt weersproken door het feit dat [betrokkene 1] zich uit eigen beweging bij de politie heeft gemeld, spontaan over de poging tot uitlokking moord is gaan verklaren (en die verklaringen daarna consistent heeft herhaald), alsook zichzelf daarbij heeft belast. Die verklaringen worden ondersteund door die van [betrokkene 2], die heeft verklaard dat de verdachte haar zelf heeft verteld dat hij zijn echtgenote dood wilde hebben. Tot slot vinden de verklaringen van beide getuigen steun in andere bewijsmiddelen, zoals de geschriften in de vorm van foto’s en documenten, de communicatie via WhatsApp, en de e-mail “voor [A]”, waarvan de inhoud naar ’s Hofs oordeel telkens (aanzienlijk) beter wordt verklaard door de lezing van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] dan door het alternatieve scenario dat – niet eerder dan in hoger beroep – namens de (voornamelijk zwijgende) verdachte ten tonele is gevoerd. Ofschoon daartoe niet verplicht, heeft het Hof het gebruik van de verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in de bewijsvoering geenszins onbegrijpelijk met redenen omkleed.

31. Het tweede middel faalt hoe dan ook.

32. Het derde middel klaagt dat het Hof is afgeweken van het door de verdediging naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat op grond van de door IFS uitgevoerde contra-expertise aanwijzingen naar voren zijn gekomen dat het sporenbeeld niet ondersteunend is voor het scenario dat de verdachte de dader is, terwijl het Hof hieromtrent een verzwaarde motiveringsplicht had.

33. De verdediging had ter terechtzitting van het Hof – kort samengevat – aangevoerd dat voor de betrokkenheid van de verdachte bij de ten laste gelegde moord geen direct forensisch bewijs is aangetroffen en dat uit het onderzoek van het IFS contra-indicaties blijken voor zijn betrokkenheid.23

34. Het Hof heeft, voor zover relevant voor de bespreking van het middel, het volgende overwogen:

“De verdediging heeft betoogd dat de politie onvoldoende onderzoek heeft verricht naar het alternatieve scenario dat door de verdachte is aangedragen en dat enkel is gezocht naar belastend bewijs tegen de verdachte. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat ook [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in deze zaak zijn aangemerkt en verhoord als verdachten. Er is, onder meer door het horen van getuigen en het opvragen van zendmastgegevens, onderzoek gedaan naar hun bewegingen in de nacht van 15 maart 2015. Het is dus niet zo dat uitsluitend de verdachte van meet af aan is aangemerkt als de verantwoordelijke voor het overlijden van het slachtoffer. Ook overigens heeft het Hof, evenmin als het Gerecht in eerste aanleg, aanleiding gevonden om te veronderstellen dat alternatieve scenario’s door politie en justitie onvoldoende zijn onderzocht.

De verdediging heeft voorts aandacht gevraagd voor zaken die naar haar mening ten onrechte geen onderdeel van het politieonderzoek hebben uitgemaakt, zoals het zoeken naar forensische sporen van anderen dan de verdachte, het achterhalen van de identiteit van een man in een rode auto en het controleren van verklaringen van getuigen omtrent de tijdlijn zonder daar overigens een rechtsgevolg aan te verbinden. Het Hof overweegt dienaangaande dat er in ieder strafrechtelijk onderzoek bepaalde onderzoeksrichtingen zijn die onvoldoende aanleiding bieden om deze nader uit te diepen of die niet nader uitgediept behoeven te worden omdat onderzoek in een andere richting reeds uitsluitsel heeft gegeven met betrekking tot dezelfde onderzoeksvraag. Dat doet echter naar het oordeel van het Hof niets af aan de betrouwbaarheid van het onderzoek dat wel is verricht door de politie.

Tevens is gesteld dat bij het forensisch onderzoek fouten zijn gemaakt, zoals het schoonspoelen van de plaats delict, die mogelijk tot contaminatie van sporen hebben geleid. De verdediging verzuimt echter aan te geven welke forensische sporen in haar visie gecontamineerd zouden zijn. Uit geen van de aan het dossier toegevoegde rapporten, ook niet uit de rapporten van onderzoeken die in opdracht van de verdediging zijn uitgevoerd, is gebleken dat de als bewijsmiddel gebruikte forensische sporen op enigerlei wijze zijn gecontamineerd.24

35. Het derde middel valt uiteen in twee deelklachten. De eerste deelklacht luidt dat het Hof onvoldoende heeft gerespondeerd op een door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, te weten dat (mede) op grond van een deskundigenrapportage van het IFS blijkt dat het uitgevoerde forensisch onderzoek onbetrouwbaar was en de aangetroffen sporen waren gecontamineerd, althans dat op het Hof een verzwaarde motiveringsplicht rustte nu hij genoemd standpunt niet heeft aanvaard. Op grond van diezelfde rapportage van het IFS klaagt het middel voorts over ’s Hofs onbegrijpelijke verwerping van het door de verdediging aangedragen alternatieve scenario, dat in onderhavig geval sprake zou zijn van een beroving (en het om het leven brengen) van het slachtoffer door anderen, nu uit die rapportage contra-indicaties blijken voor de betrokkenheid van de verdachte bij de moord.

36. Voor de beoordeling van deze klachten verwijs ik allereerst naar mijn preliminaire opmerkingen over het tweede middel. Het Wetboek van Strafvordering van Curaçao bevat géén met art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv vergelijkbare bepaling, waardoor het Hof als regel niet was gehouden in het bijzonder de redenen op te geven waarom van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging werd afgeweken. In het middel wordt niet uiteengezet op welke wettelijke of jurisprudentiële gronden moet worden aangenomen dat zich thans een uitzondering op die regel voordoet. Reeds daarom faalt het middel.

37. Intussen heeft het Hof wel degelijk gemotiveerd op welke gronden het voorbij is gegaan aan het bewijsverweer over de contaminatie van sporen (waarover de eerste deelklacht handelt). Ten aanzien van het onderhavige standpunt overweegt het Hof onder andere dat de verdediging heeft verzuimd aan te geven welke tot het bewijs gebezigde forensische sporen gecontamineerd zouden zijn, noch zou dit uit de door de verdediging aangedragen deskundigenrapporten blijken.

38. Hetgeen door de verdediging is aangevoerd, zoals is vermeld in de pleitnota, noopte het Hof niet tot een verdergaande motivering, terwijl ik die motivering op zichzelf niet onbegrijpelijk acht. Dat andere personen dan technische rechercheurs in de nabijheid van de plaats delict aanwezig zijn geweest, en dat sporen met water kunnen zijn weggespoeld, hoeft op zichzelf geen significante afbreuk te doen aan de betekenis van sporen die wél zijn aangetroffen en waarvan de bron niet wordt betwist. Ook in zoverre faalt het middel.

39. Ten aanzien van de tweede deelklacht merk ik (ten overvloede) op dat in tegenstelling tot hetgeen het middel te berde brengt het Hof onder verwijzing naar bewijsmiddelen voldoende heeft gemotiveerd waarom hij een ‘roofoverval’ niet aannemelijk acht.25

40. Het derde middel faalt (om meer redenen) in beide onderdelen.

41. Het vierde middel klaagt over ’s Hofs motivering van de onder 2 bewezen verklaarde voorbedachte raad.

42. Voor de bewezenverklaring en de bewijsmiddelen waarop deze steunt verwijs ik naar de paragrafen 3 en 5 van deze conclusie.

43. Het Hof heeft ten aanzien van de voorbedachte raad voorts het volgende overwogen:

Voorbedachte rade

De bewezenverklaarde gang van zaken rond de poging tot uitlokking moord bevat tevens belangrijke aanwijzingen voor de conclusie dat de verdachte op 15 maart 2015 heeft gehandeld met de voor moord vereiste voorbedachte raad. De verdachte is immers geruime tijd voor die datum reeds bezig geweest met het plannen van de dood van zijn vrouw, zij het dat hij dit in eerste instantie door een ander wilde laten uitvoeren. Toen de beoogde dader had afgehaakt, heeft de verdachte zijn plan aangepast en een paar weken later zelf zijn echtgenote om het leven gebracht. Het tijdstip waarop en de omstandigheden waaronder dit is gebeurd komen vrijwel exact overeen met het eerder door de verdachte opgestelde plan voor de beoogde moord op het slachtoffer door [betrokkene 1] . De verdachte heeft het slachtoffer bij thuiskomst opgewacht en gedood. Het dossier bevat geen enkele aanwijzing dat er eerder die avond een gebeurtenis heeft plaatsgevonden waardoor de verdachte in een opwelling het slachtoffer van het leven heeft beroofd. Het handelen van de verdachte na de moord, te weten het creëren van tijd en gelegenheid tot het verrichten van handelingen die de indruk moesten wekken van een roofoverval door een onbekende, stemmen eveneens overeen met zijn oorspronkelijke plan. Het feit dat het slachtoffer in totaal vijfendertig keer is gestoken, zou kunnen duiden op hevige emoties en om die reden mogelijk een contra-indicatie kunnen opleveren. Het feit dat een dader onderhevig is aan sterke emoties tijdens het om het leven brengen van een (bekende) persoon, is echter niet onverenigbaar met het oordeel dat van een geplande daad sprake is. Afgezet tegen de feiten en omstandigheden die hiervoor zijn genoemd, in onderlinge samenhang bezien, is deze omstandigheid dan ook van onvoldoende gewicht om tot de conclusie te komen dat de verdachte op 15 maart 2015 heeft gehandeld vanuit een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Uit het voorgaande volgt dat het Hof ervan uitgaat dat de verdachte voldoende tijd heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Het bestanddeel “voorbedachte raad” in de tenlastelegging is hiermee bewezen verklaard.”

44. Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijk gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven.

De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat ingeval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven (vgl. het overleg en nadenken dat in de wetsgeschiedenis is geplaatst tegenover de ogenblikkelijke gemoedsopwelling). Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs, zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen inzicht geven in hetgeen voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit. Daarbij verdient opmerking dat de enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, niet toereikend is om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachte raad.26

45. Het middel klaagt allereerst over ’s Hofs onbegrijpelijke oordeel inzake ‘voorbedachte raad’, vanwege de vaststelling dat de verdachte eerst heeft getracht een ander in te huren voor de moord op het slachtoffer, terwijl de moord pas een maand later is gepleegd. Die vaststelling kan niet redengevend worden geacht voor de door het Hof bewezen verklaarde voorbedachte rade, aldus het middel.

46. Ik deel dit standpunt niet. Immers, het Hof overweegt daartoe onder meer dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte een plan had opgesteld voor de moord op zijn vrouw en dat, nadat [betrokkene 1] had geweigerd de moord te plegen, hij “vrijwel exact” dat plan op de avond van de moord zelf heeft uitgevoerd. Dat het Hof zijn oordeel dat geen sprake is geweest van een ‘ogenblikkelijke gemoedsopwelling’ mede hierop baseert, acht ik niet onbegrijpelijk. Uit ’s Hofs overwegingen volgt immers dat de verdachte zeer geruime tijd de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van vrijwel precies de daad die hij volgens het Hof heeft uitgevoerd. Het middel faalt in zoverre.

47. In de tweede plaats klaagt het middel over de onbegrijpelijkheid van ’s Hofs oordeel dat het toebrengen van 35 messteken “niet onverenigbaar is met het oordeel dat van een geplande daad sprake is”.

48. Ik meen dat deze klacht is gebaseerd op een te beperkte lezing van het vonnis. Het Hof overweegt immers dat het slachtoffer weliswaar met 35 messteken om het leven is gebracht, hetgeen op hevige emoties zou kunnen duiden en een contra-indicatie voor voorbedachte raad zou kunnen opleveren, doch dat sterke emoties tijdens het om het leven brengen van een bekend persoon niet onverenigbaar zijn met de uitvoering van een vooraf geplande daad. Ik acht dit oordeel niet onbegrijpelijk.

49. Het vierde middel faalt in beide onderdelen.

50. Het vijfde middel klaagt dat het Hof de strafoplegging onvoldoende, dan wel onbegrijpelijk, heeft gemotiveerd.

51. Onder de kop ‘oplegging van straf’ overweegt het Hof het volgende:

“Bij de bepaling van de straf heeft het Hof rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, met de omstandigheden waaronder de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt en met de persoon van de verdachte, zoals van één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Meer in het bijzonder heeft het Hof daarbij het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zonder scrupules een derde benaderd om tegen betaling de moord op zijn echtgenote te plegen. Toen de beoogde huurmoordenaar onverhoopt afhaakte, heeft de verdachte zijn plannen aangepast en heeft hij zijn echtgenote een paar weken later zelf vermoord. Door dit te doen, heeft de verdachte zijn echtgenote het meest fundamentele recht wat haar toekwam, namelijk het recht op leven, ontnomen. De wijze waarop de verdachte haar heeft vermoord, is bovendien gruwelijk. De verdachte heeft dat gedaan door haar een groot aantal keer met een mes te steken. De nabestaanden zullen met die wetenschap verder moeten leven. Ook hen is onherstelbaar leed aangedaan. Dat geldt in het bijzonder voor de vier nog jonge kinderen die hierbij betrokken zijn. Zij moeten nu hun (biologische dan wel feitelijke) moeder missen in de wetenschap dat hun eigen vader daarvoor verantwoordelijk is. Het is bijna niet te bevatten hoe dat voor die kinderen moet zijn. In één klap hebben deze kinderen feitelijk beide ouders/verzorgers verloren. Het Hof rekent het de verdachte bovendien bijzonder zwaar aan dat hij zijn minderjarige zoon [betrokkene 5] wakker heeft gemaakt, in de wetenschap dat [betrokkene 5] buiten met een afschuwelijke situatie zou worden geconfronteerd. Aangenomen moet worden dat alle nabestaanden en familieleden van het slachtoffer hiervan nog lang psychische schade zullen ondervinden. Voorts houdt het Hof rekening met het feit dat de verdachte geen inzicht heeft gegeven in zijn beweegredenen, zodat de nabestaanden in het duister tasten over de reden waarom zij een dierbare persoon moeten missen, wat - naar mag worden aangenomen - nadelig is voor de verwerking van hun leed.

Ook in bredere kring heeft de moord op het slachtoffer een schok teweeg gebracht. De rechtsorde is door dit misdrijf op ernstige wijze geschokt. Als docent in het voortgezet en hoger onderwijs vervulde de verdachte een maatschappelijke voorbeeldfunctie. Hij heeft het vertrouwen dat de samenleving moet kunnen stellen in personen die fungeren als rolmodel voor leerlingen, diep geschaad.

Met dit alles wordt in het nadeel van de verdachte rekening gehouden bij de strafoplegging.

In het kader van de straftoemeting is voorts rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte nooit eerder is veroordeeld voor strafbare feiten en met de bevindingen van de gedragsdeskundigen, psychologen W.T. Linkels en S. van de Water, psychiater F. Heijtel en psychiater in opleiding A.B. Koopmans. Zij hebben de verdachte onderzocht. In hun rapporten concluderen zij allen dat de verdachte niet lijdt aan een psychische stoornis en dat de gepleegde delicten bij bewezenverklaring volledig aan de verdachte kunnen worden toegerekend. Het Hof heeft ook acht geslagen op het door de verdediging ingebrachte rapport van psycholoog L.I.A. Ricardo.

Gelet op de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd, kan naar het oordeel van het Hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van zeer lange duur met zich brengt.

Alles overwegende is het Hof van oordeel dat na te noemen gevangenisstraf een passende en geboden reactie vormt op het handelen van de verdachte.”

52. Het middel klaagt dat het Hof onvoldoende begrijpelijk inzicht heeft gegeven in de hoogte van de gevangenisstraf, aangezien voor een enkele moord doorgaans geen gevangenisstraf voor de duur van 24 jaar wordt opgelegd. Het hof maakt voorts niet inzichtelijk waarom de moord op het slachtoffer in ‘bredere kring’ een schok teweegbracht, noch waarom het Hof heeft meegewogen dat de verdachte geen inzicht heeft gegeven in zijn beweegredenen. De verdachte heeft immers gemotiveerd zijn onschuld bepleit, daartoe een verklaring voorgedragen en enkele vragen beantwoord van de rechters, aldus het middel.

53. Ingevolge art. 402, vijfde lid, SvC is de rechter verplicht in het bijzonder de redenen te geven voor de keuze voor een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf. Ten aanzien van de strafoplegging wordt in cassatie slechts getoetst of de feiten en omstandigheden die de rechter in zijn strafmotivering in ogenschouw heeft genomen, de opgelegde straf en/of maatregel kunnen verklaren. Het is vaste rechtspraak dat de Hoge Raad zich daarbij terughoudend opstelt.

54. Ten aanzien van de opgelegde straf overweegt het Hof onder andere dat het slachtoffer op gruwelijke wijze (door middel van 35 messteken) door de verdachte om het leven is gebracht, dat de vier kinderen van de verdachte en het slachtoffer de rest van hun leven met die wetenschap zullen moeten leven (en in één klap praktisch hun beide ouders hebben verloren) en dat de verdachte zijn minderjarige zoon [betrokkene 5] na de moord heeft wakker gemaakt terwijl de verdachte wist dat [betrokkene 5] zodoende met een afschuwelijke situatie zou worden geconfronteerd. Dat een dergelijke moord een “schok in brede kring” heeft veroorzaakt behoefde m.i. dan ook geen nader betoog. Het Hof is voorts, gelet op zijn bewijsvoering, gemotiveerd voorbijgegaan aan de verklaring van de verdachte onschuldig te zijn, daarna overwegend dat het de verdachte moet worden aangerekend geen inzicht te hebben gegeven in zijn beweegredenen voor de moord op het slachtoffer. Is eenmaal vastgesteld dat de verdachte schuldig is, dan is die laatste overweging allerminst onbegrijpelijk. Gelet hierop en de nadere overwegingen die het Hof aan de strafoplegging ten grondslag heeft gelegd, acht ik zijn oordeel hieromtrent niet onbegrijpelijk en overigens voldoende gemotiveerd.

55. Het vijfde middel faalt.

56. De middelen falen, en op het eerste middel na kunnen zij worden afgedaan op de voet van art. 81 RO.

57. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

58. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

n.d.

AG

1 Zie: pleitnotities d.d. 27 oktober 2016 (onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep), p. 46-49.

2 Zie: strafvonnis Gemeenschappelijk Hof d.d. 24 november 2016, p. 18-19.

3 Het betreft in casu een e-mailaccount waarvan het adres de extensie ‘hotmail’ bevat. Hotmail als communicatiedienst bestond in 2015 als zodanig niet meer, was enkele jaren daarvoor reeds overgenomen door Microsoft en is inmiddels opgegaan in de communicatiedienst ‘Outlook.com’, zulks met behoud van de extensie ‘hotmail’ in de mailadressen die oorspronkelijk door de communicatiedienst ‘hotmail.com’ waren uitgegeven. Deze communicatiedienst is web-gebaseerd (‘webmail’), hetgeen wil zeggen dat vanaf iedere computer ter wereld, ongeacht de internetprovider, via een website kan worden ingelogd op de servers van de aanbieder van deze communicatiedienst (Microsoft). Zie o.a. het lemma ‘Outlook.com’ op de Nederlandstalige Wikipedia.

4 Het betreft in werkelijkheid niet één, maar drie (wat betreft dragende overwegingen gelijkluidende) arresten van gelijke datum, te weten HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:588; HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:584, NJ 2017/229, en HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:592, NJ 2017/230 m.nt. T. Kooijmans. Zie ook de drie daaraan voorafgaande lezenswaardige conclusies d.d. 25 oktober 2016 van mijn ambtgenoot Bleichrodt, die in de dragende beschouwingen overeenkomen.

5 Zie de memorie van toelichting bij deze landsverordening, vindplaats: H. de Doelder, J.H.J Verbaan & R.J. Verbeek (red.), BOB-wetgeving Curaçao, Sint Maarten en Aruba. De landsverordening bijzondere opsporingsbevoegdheden en andere spoedeisende veranderingen inclusief Memorie van toelichting, Nijmegen: Wolf Legal Publishers (WLP) 2012, p. 49 e.v., alwaar de memorie van toelichting integraal is weergegeven. Ik verwijs gemakshalve naar paginanummers uit dit werk. Zie voorts het inspectieonderzoek van de Raad voor de rechtshandhaving naar het opsporingsproces van veel voorkomende misdrijven op Curaçao, het rapport genaamd Het opsporingsproces op Curaçao van december 2012, p. 42 e.v.

6 Zie de memorie van toelichting in: De Doelder, Verbaan & Verbeek, a.w., p. 66. Grotendeels overeenkomstige regelingen traden op Sint Maarten en Aruba in werking op resp. 31 augustus 2012 en 16 maart 2012.

7 Zie de memorie van toelichting in: De Doelder, Verbaan & Verbeek, a.w., p. 49, p. 63-65 en p. 68.

8 Zie de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge d.d. 4 oktober 2011 voor: HR 31 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT7126, NJ 2012/690 m.nt. Borgers.

9 De verdediging heeft in hoger beroep aangevoerd dat art. 126l Sv het equivalent van art. 177r Sv (Curaçao) is. Ik meen dat dit niet geval is. Art. 126l Sv ziet op het opnemen van vertrouwelijke communicatie met een technische hulpmiddel. Op Curaçao is dat in art. 177q Sv geregeld, niet in art. 177r Sv.

10 Ik ben zelf overigens geneigd die vraag positief te beantwoorden. Ter vorming van de gedachten (voor het geval Uw Raad in overweging neemt het Hof te volgen) werp ik de volgende twee punten op. (1). Een (papieren) brief die de verdachte aan zichzelf adresseert en vervolgens op de post doet, betreft een poststuk dat van hem afkomstig is én voor hem bestemd is. Ook die brief valt m.i. onder de bescherming van het briefgeheim, doch kan op de voet van art. 100-102 Sv, en art. 114 Sv wel degelijk in beslag worden genomen, geopend en gelezen. (2). In de tweede plaats was in casu de door verdachte aan zichzelf gerichte e-mail uiteindelijk bedoeld “voor [A]”. De verdachte gebruikte zijn e-mailaccount slechts als (betrekkelijk veilige) bewaarplaats. Ik laat deze discussie verder voor wat zij is.

11 Zie ook: Aanwijzing opsporingsbevoegdheden, Stcrt. 2014, 24442, §2.4 Opnemen van (tele)communicatie. Zie ook art. 126ng, tweede lid, Sv (voor zover relevant): “(…), kan de officier van justitie, indien het belang van het onderzoek dit dringend vordert, van de aanbieder van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij toegang heeft tot gegevens als bedoeld in de laatste volzin van het eerste lid (gegevens die zijn opgeslagen in het geautomatiseerde werk van de aanbieder en niet voor deze bestemd of van deze afkomstig zijn), deze gegevens vorderen, voor zover zij klaarblijkelijk van de verdachte afkomstig zijn, voor hem bestemd zijn, op hem betrekking hebben of tot het begaan van het strafbare feit hebben gediend of klaarblijkelijk met betrekking tot die gegevens het strafbare feit is gepleegd.”

12 Zie de memorie van toelichting in: De Doelder, Verbaan & Verbeek, a.w., p. 110.

13 De onderzoeksmethode die in deze zaak de facto is toegepast vertoont nog het meest de trekken van het verrichten van onderzoek naar, en de vastlegging van gegevens die zijn opgeslagen in een elders aanwezig geautomatiseerd werk (een zogeheten ‘netwerkzoeking’). Op de voet van art. 125j Sv staat de uitoefening van die bevoegdheid open in geval van een doorzoeking van een plaats (ter vastlegging van gegevens), zoals bedoeld in o.a. art. 125i Sv en art. 110 Sv. Buiten het geval van een doorzoeking is zo’n netwerkzoeking in Nederland (thans nog) niet gecodificeerd. Op Curaçao is deze onderzoeksmethode sowieso niet van een wettelijke legitimatie voorzien.

14 Zie het verkort strafvonnis d.d. 8 januari 2016 van het gerecht in eerste aanleg Curaçao, p. 2-3: “Het Gerecht merkt om te beginnen op dat met het kennisnemen van de inhoud van verzonden en ontvangen e-mailberichten een ernstige inbreuk gemaakt kan worden op de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker van het betreffende e-mailaccount. Het staat een opsporingsambtenaar daarom niet vrij om zonder toestemming van de gebruiker in te loggen op een hotmailaccount om kennis te nemen van de inhoud van de e-mailberichten. Wanneer de officier van justitie bij gebreke van toestemming kennis wil nemen van de inhoud van de aanwezige e-mailberichten van een hotmailaccount, kan hij in de daarvoor in aanmerking komende gevallen, na verkregen machtiging van de rechtercommissaris, een vordering doen als bedoeld in artikel 177t, eerste lid Sv [D.A.: Ik ben overigens van mening dat dit art. 177s Sv (Curaçao) betreft, het gaat immers niet om gevoelige gegevens]. Een dergelijke vordering wordt in dat geval gericht aan Microsoft Corporation. Aangezien Microsoft Corporation in de Verenigde Staten van Amerika is gevestigd, zal daarbij tevens een rechtshulpverzoek gedaan moeten worden aan de justitiële autoriteiten van dat land. In deze zaak is dat niet gebeurd. Dat betekent dat er geen wettelijke basis was voor de inkijk in het hotmailaccount dat bij de verdachte in gebruik was. Hieruit volgt dat sprake is geweest van een vormverzuim bij het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 413 Sv. Er wordt echter onvoldoende aanleiding gezien om de resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen, uit te sluiten van het bewijs. Aangenomen mag worden dat de gegevens waarover de officier van justitie de beschikking heeft gekregen door in te loggen op het e-mailaccount ook ter zijner kennis zouden zijn gekomen als hij de procedure van artikel 177t Sv in gang had gezet en de resultaten daarvan zou hebben afgewacht. Het Gerecht zal daarom volstaan met de constatering van het vormverzuim en hieraan geen consequentie verbinden.”

15 Probleem was evenwel dat de rechtspersoon tot wie die vordering van de officier van justitie zich zou dienen te richten, d.w.z. de aanbieder van de communicatiedienst, bij mijn weten niet is gevestigd op het grondgebied van Curaçao. Ofschoon het e-mailbericht praktisch gezien voor het oprapen lag, was in dat geval een omslachtig internationaal-rechtshulpverzoek nodig, waarvan het succes niet was verzekerd.

16 Ingevolge het concordantiebeginsel wordt art. 413, vijfde lid, SvC door de Hoge Raad op gelijke wijze uitgelegd als art. 359a Sv. Zie: HR 10 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT2679, NJ 2012/438 m.nt. J.M. Reijntjes, en HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321, NJ 2013/308 m.nt. B.F. Keulen, r.o. 2.4.1. e.v.

17 EHRM 12 juli 1988, 10862/84, LJN:AC2589, NJ 1988/851 m.nt. Alkema (Schenk/Zwitserland), §§ 45-46: “(…). While Art. 6 Convention guarantees the right to a fair trial, it does not lay down any rules on the admissibility of evidence as such, which is therefore primarily a matter for regulation under national law. The Court therefore cannot exclude as a matter of principle and in the abstract that unlawfully obtained evidence of the present kind may be admissible. It has only to ascertain whether Mr. Schenk's trial as a whole was fair.” Zie ook: EHRM 12 mei 2000, 35394/97, LJN:AE1368, NJ 2002/180 (Khan/Verenigd Koninkrijk), §§ 34-38.

18 Althans zo verwoordde de verdediging ter terechtzitting de conclusie van prof. Van Koppen. Ik vermoed dat Van Koppen het zelf aldus niet heeft geformuleerd, maar dat terzijde.

19 Zie: pleitnotities d.d. 27 oktober 2016 (onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep), hoofdstuk IV ‘Verklaringen [betrokkene 1] en [betrokkene 2]’, p. 18-29.

20 Zie: strafvonnis Gemeenschappelijk Hof d.d. 24 november 2016, p. 19-22.

21 HR 5 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2160, NJ 2007/400 m.nt. J.M. Reijntjes; HR 2 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ7266, NJ 2010/261 m.nt. J.M. Reijntjes, r.o. 3.4.

22 Zie voor jurisprudentie inzake bewijsverweren waarvan de verwerping onvoldoende is gemotiveerd: HR 14 maart 1989, ECLI:NL:HR:1989:AC3482, NJ 1989/747 m.nt. ’t Hart: “5.1. Het eerste middel miskent dat het is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen hetwelk hem uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Deze beslissing behoeft in de regel geen motivering en kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden. 5.2. Naar aanleiding van het tweede middel zij opgemerkt, dat er bijzondere gevallen zijn waarin de onder 5.1 bedoelde regel dat de keuze van het bewijsmateriaal geen motivering behoeft uitzondering lijdt. Een zodanig geval doet zich bijv. voor indien verklaringen van anonieme getuigen waarvan de betrouwbaarheid is betwist tot het bewijs worden gebruikt. De enkele omstandigheid dat tot het bewijs gebezigde getuigenverklaringen niet overeenstemmen met de resultaten van een technisch onderzoek welke zijn vervat in een niet tot het bewijs gebezigd p.-v., brengt echter niet mede dat reeds dan sprake is van een uitzonderingsgeval als evenbedoeld. HR 28 februari 1989, ECLI:NL:HR:1989:AC3483, NJ 1989/748 (verklaringen van jonge kinderen verkregen door gebruik van anatomisch correcte poppen. De verwerping van het verweer dat het door een deskundige verrichte onderzoek niet betrouwbaar is, moet worden gemotiveerd); HR 13 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:AC3074, NJ 1998/318 m.nt. Schalken. Is een bepaalde ‘computergame’ een kansspel of een behendigheidsspel? HR: “Gelet op de aard van de onderhavige materie, had het Hof het met genoemd deskundigenrapport [van prof. Wagenaar, D.A.] onderbouwde verweer, dat onmiskenbaar strekte tot betwisting van de betrouwbaarheid van de onder 4.2 weergegeven verklaringen van de verbalisanten en van […], niet mogen verwerpen zonder ervan blijk te geven dat rapport in zijn oordeel te hebben betrokken”; HR 27 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0917, NJ 1998/404 m.nt. J.M. Reijntjes (ontoereikende verwerping verweer dat orthopedische schoenmaker onvoldoende deskundig is om als getuige-deskundige verklaringen af te leggen inzake aangetroffen schoensporen); HR 30 maart 1999, ECLI:NL:PHR:1999:ZD1360, NJ 1999/451 m.nt. ’t Hart (betrouwbaarheid van verklaring minderjarig slachtoffer is door het hof gegrond op een psychologisch rapport. Gelet op verweer dat volgens deskundigen de door de psycholoog gebruikte methode niet betrouwbaar is, had het hof nader moeten motiveren waarom het zijn beslissing baseerde op dat rapport); HR 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA1759, NJ 2008/179 m.nt. Buruma (afwijkende afbeelding van de verdachte in meervoudige fotoconfrontatie); HR 4 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA1620, NJ 2007/471 (beïnvloeding getuige bij meervoudige fotoconfrontatie). Zie in dit verband de instructieve conclusies van mijn voormalige ambtgenoot Wortel voorafgaande aan HR 15 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1545, en met name HR 27 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1915, NJ 2000/580. Zie voorts de conclusie van de voormalige P-G Fokkens voor HR 21 september 1999, NJ 2000/380 m.nt. Knigge, en de conclusie van mijn voormalige ambtgenoot Keijzer voor HR 14 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AJ1420, NJ 2005/182 m.nt. Knigge.

23 Zie: pleitnotities d.d. 27 oktober 2016 (onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep), hoofdstuk V, ‘Het ontbreken van forensisch-technisch bewijs’, p. 30-41.

24 Zie: strafvonnis Gemeenschappelijk Hof d.d. 24 november 2016, p. 17-18.

25 Ik verwijs hiertoe (onder andere) naar het strafvonnis Gemeenschappelijk Hof d.d. 24 november 2016, p. 22-23, o.a.: “Wel van essentieel belang is dat uit het dossier volgt dat de vermelde bloedsporen uitsluitend kunnen zijn aangebracht ten tijde van of kort na het delict. Deze wijze van aantreffen zou zowel kunnen passen in het scenario dat iemand op zoek was naar interessante waar om te stelen als in het scenario dat iemand de situatie op een beroving wilde laten lijken. Er zijn echter geen tassen, portemonnees of andere spullen weggenomen en er is geld op de plaats delict achtergebleven, zodat van een roofoverval geen sprake lijkt te zijn geweest. Daar staat tegenover dat de aanwezigheid van bloedvegen van verdachte op de grijze tas, de fles bodymilk en de portemonnee sterke aanwijzingen vormen dat de verdachte deze objecten vast heeft gehouden rondom het tijdstip van het delict. Dit past goed in het scenario dat de verdachte heeft getracht een roofmoord in scene te zetten. Hetzelfde geldt voor het bloedspoor op de motorkap en op de binnenkant van de deurstijl van de auto van het slachtoffer, nu uit het politieonderzoek volgt dat de auto in die stand is geduwd.”

26 Zie (onder andere): HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1411, NJ 2016/462 m.nt. H.D. Wolswijk, r.o. 2.3. Zie ook HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963.