Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:500

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
17-04-2018
Datum publicatie
12-06-2018
Zaaknummer
16/05082
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:899
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Opiumwetdelicten en gekwalificeerde diefstal. Art. 3.b Opiumwet en art. 310 en 311 Sr. Middel over het bewezenverklaarde plegen van het opzettelijk telen van hennep. HR: art. 80a RO.

Samenhang met 16/05084 P.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/05082

Zitting: 17 april 2018

Mr. D.J.C. Aben

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 16 september 2016 de verdachte in de zaak met parketnummer 16-652258-14 wegens: 1 primair “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod” en 2 primair “diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking” en in de zaak met parketnummer 16-659901-14 eveneens wegens 1 primair “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod” en 2 primair “diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking” veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren alsmede tot een taakstraf voor de duur van 200 uur, subsidiair 100 dagen hechtenis.

2. Er bestaat samenhang met de zaak 16/05084. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.

3. Namens de verdachte is tijdig beroep in cassatie ingesteld. Mr. R.P. van der Graaf, advocaat te Utrecht, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel klaagt over het (in beide zaken) onder 1 bewezenverklaarde plegen van het opzettelijk telen van hennep. Volgens de steller van het middel kan de verdachte hooguit als medeplichtige worden aangemerkt. In het bijzonder klaagt het middel over de begrijpelijkheid van ‘s hofs oordeel dat “de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] niet, althans onvoldoende, de gewijzigde verklaring van verdachte dat er andere personen bij de hennepkwekerijen betrokken waren, ondersteunen”.

5. In het bestreden arrest heeft het hof, voor zover hier relevant, het volgende overwogen:

“De raadsman heeft gesteld dat verdachte hooguit als medeplichtige bij de hennepkwekerijen kan worden aangemerkt, omdat verdachte alleen een deel van zijn toenmalige woning beschikbaar heeft gesteld aan derden voor het opzetten van de hennepkwekerijen. Verder heeft verdachte geen betrokkenheid bij de hennepkwekerijen gehad. De kwekerijen zijn door meerdere personen ingericht en de planten werden wekelijks door een andere persoon verzorgd. Deze lezing wordt volgens de raadsman ondersteund door de verklaringen van getuigen [getuige 1], de partner van verdachte, en [getuige 2].

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde voor zover dit betreft het plegen wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.

Verdachte heeft tot twee keer toe bij de politie verklaard dat hij verantwoordelijk was voor de in zijn woning aangetroffen hennepkwekerijen. Daarbij heeft hij geen (namen van) andere personen genoemd die bij de hennepkwekerijen betrokken zouden zijn. Naar het oordeel van het hof ondersteunen de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] niet, althans onvoldoende, de gewijzigde verklaring van verdachte dat er andere personen bij de hennepkwekerijen betrokken waren. Ook overigens is niet gebleken van betrokkenheid van één of meer andere personen bij de hennepkwekerijen. Dat betekent dat het hof telkens niet bewezen acht het onderdeel ‘tezamen en in vereniging met een ander of anderen’ onder primair in de feiten 1 en 2 onder de twee parketnummers, het telkens primair tenlastegelegde voor het overige bewezen acht en niet toekomt aan de onder de twee parketnummers onder 1 en 2 subsidiair tenlastegelegde feiten.

6. Ik meen dat het hof het bewijsverweer hiermee geenszins onbegrijpelijk heeft verworpen.

7. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep op de voet van artikel 80a RO.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG