Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:492

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
27-03-2018
Datum publicatie
23-05-2018
Zaaknummer
16/04859
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:755
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Cassatieschriftuur tardief. Schriftuur is buiten termijn ingekomen bij HR. Verdachte n-o. Samenhang met 16/04547.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/04859

Zitting: 27 maart 2018

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Bij arrest van 25 augustus 2016 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, de verdachte wegens 1 subsidiair “medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht”, 2 meer subsidiair “medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht”, 3 “medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II” en 4 “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.

  2. Deze zaak hangt samen met de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte] (16/04547), waarin ik vandaag eveneens concludeer.

  3. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. M.D. Rijnsburger, advocaat te Amsterdam, heeft vijf middelen van cassatie voorgesteld.

  4. Ambtshalve vraag ik aandacht voor het volgende. Zoals blijkt uit de akte van uitreiking is de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv op 16 maart 2017 op de voet van art. 588, eerste lid, onder b, onder 3°, Sv betekend aan de (waarnemend) griffier van de rechtbank ’s-Gravenhage, omdat van de geadresseerde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is. Uit de ID-staat SKDB betreffende de verdachte blijkt dat hij op 16 maart 2017 niet was gedetineerd en dat van hem sinds 13 januari 2017 geen BRP-adres bekend is. Per brief van 16 maart 2017 is aan de raadsman van de verdachte mededeling gedaan van de betekening van de aanzegging. In deze brief is opgenomen dat de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv op 16 maart 2017 is betekend en dat een op straffe van niet-ontvankelijkheid van het beroep vereiste schriftuur, houdende middelen van cassatie, binnen zestig dagen na deze datum bij de Hoge Raad kan worden ingediend.

  5. De schriftuur had op grond van art. 437, tweede lid, Sv uiterlijk op maandag 15 mei 2017 moeten worden ingediend.1 Dat is niet gebeurd. De schriftuur is eerst op 16 mei 2017 per fax en op 17 mei 2017 per brief bij de Hoge Raad binnengekomen.2 Nu bij de Hoge Raad niet tijdig een schriftuur houdende middelen van cassatie is ingediend, kan de verdachte niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.

6. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in zijn beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Ten overvloede wijs ik erop dat 15 mei 2017 geen algemeen erkende feestdag was.

2 Zie in dit verband ook A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Kluwer 2015, p. 96-100 en art. VII van het Procesreglement van de strafkamer van de Hoge Raad.