Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:476

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
22-05-2018
Datum publicatie
23-05-2018
Zaaknummer
16/05156
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:1068
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG over toepassing samenloopregeling en toetsingsruimte in cassatie, naar aanleiding van overzichtsarrest Hoge Raad over samenloop (HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1111). De AG geeft de Hoge Raad in overweging om het cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren met toepassing van art. 80a RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/05156

Zitting: 22 mei 2018

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 14 oktober 2016 door het gerechtshof Den Haag wegens "de meerdaadse samenloop van poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, en medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen en/of beschadigen", veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel klaagt dat het hof ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan art. 55 lid 1 Sr dan wel art. 56 Sr.

3.1. Uit de kwalificatiebeslissing en de aangehaalde wetsartikelen blijkt dat het hof ten aanzien van de bewezenverklaarde poging diefstal in vereniging met braak en medeplegen van vernieling meerdaadse samenloop heeft aangenomen.

3.2. Het middel kan niet slagen omdat het belang van de verdachte bij het middel niet evident is. Het hof heeft immers een aanzienlijk lagere straf opgelegd dan het strafmaximum dat zou gelden in geval het hof wel zou zijn uitgegaan van eendaadse samenloop of van een voortgezette handeling.1

3.3. In de cassatieschriftuur wordt aangestuurd op kort gezegd een meer algemeen belang bij cassatie, gelegen in het correct toepassen van de samenloopregeling als zodanig. Ook indien, zoals in het onderhavige geval aan de orde is, de opgelegde straf lager is dan het toepasselijke strafmaximum dat volgt uit art. 55 lid 1 Sr dan wel 56 Sr. Hierbij verwijst het middel onder meer naar een drietal conclusies van mijn ambtgenoot Bleichrodt waarin hij met een zaaksoverstijgende beschouwing heeft aangestuurd op een (deels) andere lijn met betrekking tot de samenloopregeling dan tot daarvoor door de Hoge Raad werd aangehouden.

3.4. In de overzichtsarresten2 die hierop volgden (en die de steller van het middel nog niet bekend konden zijn) wijdt de Hoge Raad enkele algemene opmerkingen aan de toepassing van eendaadse samenloop en de voortgezette handeling vanwege het belang hiervan in feitelijke aanleg. Deze opmerkingen strekken ertoe "de eendaadse samenloop en de voortgezette handeling te belichten in hun huidige betekenis met de daarbij voor de feitenrechter bestaande ruimte tot toepassing van die leerstukken. (…) De zeer beperkte toetsing in cassatie zal door dit arrest niet veranderen", aldus de Hoge Raad.3 Voorts wordt in rechtsoverweging 2.2 nog eens benadrukt welke invloed de jurisprudentie met betrekking tot art. 80a RO heeft op dit leerstuk:

"2.2. Art. 55, eerste lid, en art. 56 Sr komen in recente rechtspraak van de Hoge Raad zelden aan de orde. Daarbij speelt een belangrijke rol dat hierop betrekking hebbende klachten doorgaans van onvoldoende belang zijn om cassatie te rechtvaardigen omdat - kort gezegd - de opgelegde straf ver onder het strafmaximum ligt dat zou gelden als met de steller van het middel van eendaadse samenloop of voortgezette handeling zou worden uitgegaan."4

3.5. Uit deze arresten volgt mijns inziens niet een gewijzigde blik op de toetsingsruimte van de cassatierechter met betrekking tot eendaadse samenloop en voortgezette handeling, ook niet als het gaat om de toepassing van art. 80a RO.
Uit het door de steller van het middel aangevoerde, als onder 3.3 weergegeven, meer algemene belang bij correcte toepassing van de samenloopregeling, kan ik niet een rechtens te respecteren belang van de verdachte bij cassatie in onderhavige zaak afleiden. De feitenrechter daarentegen zal zich de overwegingen van de Hoge Raad in het standaardarrest over de samenloop uiteraard wel moeten aantrekken. De verdediging kan daarop ook inspelen. Zodoende kan in feitelijke aanleg wél een zinvol debat over de toepassing van de samenloopregeling in verhouding tot de strafoplegging worden gevoerd. In cassatie is het echter – dat verandert mijns inziens dus niet – daarvoor doorgaans te laat.

3.6. Gezien het voorgaande heeft de verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang bij het cassatieberoep.

4. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep in cassatie op grond van art. 80a RO.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005, NJ 2016/430, rov. 2.4.3.

2 HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1111, ECLI:NL:HR:2017:1112, ECLI:NL:HR:2017:1113, ECLI:NL:HR:2017:1114, ECLI:NL:HR:2017:1115.

3 HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1111, rov. 2.3.

4 HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1111, rov. 2.2.