Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:473

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
22-05-2018
Datum publicatie
23-05-2018
Zaaknummer
16/04860
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:1054
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG over bewezenverklaring van (poging) tot oplichting (art. 326 Sr) van uitkeringsinstanties door het verhullen van de dood van verdachtes moeder en het begraven van het lichaam van de moeder in Tsjechië. De A-G stelt zich op het standpunt dat de Hoge Raad het beroep dient te verwerpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/04860

Zitting: 22 mei 2018

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 28 september 2016 door het gerechtshof Den Haag wegens 2. “Een lijk wegvoeren en verbergen en begraven met het oogmerk om het feit van het overlijden te verhelen”, 3. “Oplichting”, 4. “Poging tot oplichting”, 5. “Opzetheling” en 6. “Diefstal”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 367 dagen, waarvan 300 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. Hieraan heeft het hof enkele bijzondere voorwaarden gekoppeld, een en ander als nader in het arrest omschreven. Tevens heeft het hof de onttrekking aan het verkeer bevolen van een voorwerp, te weten een paspoort.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel klaagt dat de bewezenverklaring van de feiten 3 (oplichting) en 4 (poging tot oplichting) niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

3.1. Ten laste van de verdachte is onder 3 en 4 bewezenverklaard dat:

“3.

zij in de periode van 13 mei 2014 tot en met 31 juli 2014 te Rijnsaterwoude, gemeente Kaag en Braassem en andere plaatsen in Nederland met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, de Sociale Verzekeringsbank heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen, te weten 1477 euro en 838,59 euro, immers heeft verdachte met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – listiglijk en bedrieglijk in strijd met de waarheid na het overlijden van haar moeder, [betrokkene 1] ,

- het lichaam van haar moeder meegenomen uit de woning van haar moeder waardoor zij het overlijden van haar moeder heeft verhuld en

- voor de (huis)arts van haar moeder en voor de thuiszorg en voor de gemeentelijk lijkschouwer het overlijden van haar moeder verzwegen en

- het overlijden van haar moeder niet gemeld bij een arts en de gemeente en de Sociale Verzekeringsbank en

- de schijn opgewekt dat haar moeder na 12 mei 2014 nog in leven was door tegen personen (niet zijnde medewerkers van de Sociale Verzekeringsbank) schriftelijk een uitlating te doen met als strekking

*dat haar moeder nog leefde en

*dat zij met haar nog in leven zijnde moeder onderweg was en

*dat haar niet bekend was dat haar moeder was overleden

waardoor de Sociale Verzekeringsbank werd bewogen tot afgifte van (bovenomschreven) geldbedragen.”

4.

Zij in de periode van 13 mei 2014 tot en met 31 juli 2014 te Rijnsaterwoude, gemeente Kaag en Braassem en andere plaatsen in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, Stichting Pensioenfonds Vliegend Personeel KLM te bewegen tot de afgifte van geldbedragen, te weten maandelijkse geldbedragen van ongeveer (netto) 2191 euro, met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid na het overlijden van haar moeder, [betrokkene 1] ,

- het lichaam van haar moeder heeft meegenomen uit de woning van haar moeder waardoor zij het overlijden van haar moeder heeft verhuld en

- voor de (huis)arts van haar moeder en voor de thuiszorg en voor de gemeentelijk lijkschouwer het overlijden van haar moeder heeft verzwegen en

- het overlijden van haar moeder niet heeft gemeld bij een arts en de gemeente en Stichting Pensioenfonds Vliegend Personeel KLM en

- de schijn heeft opgewekt dat haar moeder na 12 mei 2014 nog in leven was door tegen personen (niet zijde medewerkers van Stichting Pensioenfonds Vliegend Personeel KLM) schriftelijk uitlating te doen met als strekking

*dat haar moeder nog leefde en

*dat zij met haar nog in leven zijnde moeder onderweg was en

*dat haar niet bekend was dat haar moeder was overleden

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”

3.2. De hierboven weergegeven bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. De ter terechtzitting in hoger beroep van 31 augustus 2016 afgelegde verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven -:

In de nacht van 12 op 13 mei 2014 overleed mijn moeder, [betrokkene 1] op 80-jarige leeftijd in haar woning aan de [a-straat 1] te Rijnsaterwoude. Mijn moeder was al langer dement en kon niet meer communiceren. Zij woog 35 kilo en had een longontsteking gehad. Mijn moeder werd in leven gehouden door middel van sondevoeding, medicatie en een ademapparaat.

Toen ik in die nacht rond 4:00 uur wakker werd, merkte ik dat de ademhaling van mijn moeder stopte. Ik probeerde mijn moeder mond-op-mondbeademing te geven.

Toen heb ik mijn moeder, die in een foetushouding lag, vastgepakt om haar mee te nemen. Ik legde mijn moeder in de auto. Ik nam haar eten, medicijnen en beademingsapparatuur mee. Ik denk dat er ongeveer een kwartier zat tussen de constatering dat mijn moeder niet meer leefde en het wegrijden. Ik liet een briefje achter dat ik voor de school van [betrokkene 2] had geschreven.

Ik reed naar Duitsland. Vervolgens reed ik door naar Tsjechië. Op 15 mei 2014 heb ik mijn moeder begraven nabij de plaats Harrachov.

Ik heb mijn moeder in plastic ingepakt toen ik in het bos was bij Harrachov.

2. De ter terechtzitting in eerste aanleg van 15 juni 2015 afgelegde verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

Ik wist dat mijn moeder dood was omdat haar hart niet meer klopte. Ik heb haar opgepakt en naar de Volvo gebracht. De auto heb ik met van alles volgepropt. Die standaard, die voeding, het zuurstofapparaat, de medicijnen.

Het klopt dat het huis niet naar de buurman mocht gaan.

Het huis moest naar [betrokkene 2] toe. Het is het huis van [betrokkene 1] (het hof: moeder) waar wij toen woonden. Ik was bang dat de buurman gelijk beslag zou laten leggen op het huis als hij zou weten dat ze dood was.

Bij een rots heb ik een gat gemaakt met mijn handen. Daar heb ik mijn moeder begraven in een zwarte zak onder takken en mos.

De volgende dag zag ik een junk bij de garage rondscharrelen. Nadat ik naar kentekenplaten had gewezen, was hij tien minuten later terug met de Poolse kentekenplaten. Daar heb ik hem 25 euro voor gegeven. Ik wist wel dat ze van diefstal afkomstig waren.

De Duitse kentekenplaten heb ik zelf gestolen.

3. Het proces-verbaal van bevindingen van de districtsrecherche, met proces-verbaalnummer 2014-062128 betreffende onderzoek 164-WEG, d.d. 1 augustus 2014. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

als de op 31 juli 2014 tegenover opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van de verdachte (pag. 321-337):

Ik ben doorgereden naar Tsjechië. Toen kwam ik in Harrachov.

Ik heb plastic zakken en zeil gekocht. Ik ben een bosweggetje opgegaan. Toen heb ik mijn moeder daar begraven. Ik heb met mijn handen gegraven. Ik heb haar toegedekt met zeil en mos. Het was zwart plastic.

Daarna wilde ik terug naar Duitsland. Ik wilde niet gezien worden met die Volvo met Hollandse platen. Ik ben naar Polen gereden. Ik moest toch andere platen hebben.

Ik wilde alleen maar weg omdat ik stapelgek werd van die buurman [betrokkene 3] . Die zat te wachten tot mijn moeder dood zou gaan. Hij lag gewoon te loeren. Ik ben in gevecht met hem over een vordering op mij. Daarom wilde ik weg. Anders zou ik de deurwaarder aan de deur krijgen, moest ik het huis uit en wilden zij het geld hebben.

Ik heb mijn moeder ook meegenomen om het huis veilig te stellen.

[betrokkene 3] zat te dreigen dat hij 23.000 euro wilde hebben. Dat heb ik niet. Dus ik wil de schijn ophouden dat mijn moeder nog leeft. Die had ik willen ophouden tot het huis verkocht is. Ik heb gezegd dat, zolang mijn moeder niet dood bij mij in de woonkamer ligt, dat er dan geen arts is die de dood kan verklaren. Ik zou gezegd kunnen hebben dat het dan een jaar zou kunnen doorlopen.

Opmerking verbalisanten: om het huis te betalen heb je het pensioen nodig. Alles bij elkaar ben je voor pensioen, uitkering en huis weggegaan.

Antwoord verdachte: Het heeft allemaal met elkaar te maken ja. Gewoon dat het huis niet verkocht werd. Daar ging het om.

Ik heb de Duitse kentekenplaten, die in mijn auto zijn gevonden, gepikt.

4. Het proces-verbaal van verhoor getuige van de politie Hollands Midden, eenheid Den Haag, met proces-verbaalnummer 2014062128 betreffende onderzoek 164WEG, d.d. 23 juni 2014. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven -:

Als de op 23 juni 2014 tegenover opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [betrokkene 2] (pag. 525-532):

Mijn moeder heeft een paar keer tegen mij gezegd dat, als het heel slecht zou gaan met oma, dat ze dan misschien wel weg zou gaan met oma. De eerste keer dat zij dat zei, was een paar weken voordat zij wegging.

Ik heb gevraagd waarom zij met oma weg zou gaan en toen zei ze dat het pensioen van oma automatisch doorbetaald zou worden. Zij heeft het hier vier of vijf keer over gehad.

Ik heb een telefoon gekregen van [betrokkene 4] . Voor de verdwijning waren [betrokkene 5] en [betrokkene 4] bij ons in huis. Het ging over de koop van onze woning door [betrokkene 5] of [betrokkene 4] . Ze heeft toen gezegd dat als het niet snel geregeld zou worden met dat huis, dat ze dan weg zou gaan. Mijn moeder vroeg aan [betrokkene 4] en [betrokkene 5] of deze, wanneer zij weg was, voor mij konden zorgen op financieel gebied.

[betrokkene 4] had de telefoon speciaal voor mij gekocht zodat ik met mijn moeder kon bellen.

Het motief van mijn moeder om met oma weg te gaan is financieel. Ik weet dat mijn moeder nog een schuld heeft van € 200.000,--.

5. Het proces-verbaal van verhoor getuige van de districtsrecherche, met proces-verbaalnummer 2014-062128 betreffende, onderzoek 164-WEG, d.d. 17 juli 2014. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

als de op 17 juli 2014 tegenover opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [betrokkene 2] (pag. 535-545):

Mijn moeder heeft veel schulden: € 200.000,-- van dat huis en nog meer schulden. Als oma zou overlijden zou ze het kwijtraken, maar dat wilde zij niet. Zij wilde dus verkopen, toen oma nog in leven was.

[betrokkene 5] en [betrokkene 4] waren er op zaterdag. Zij wisten allemaal dat mijn moeder weg zou gaan omdat de uitkering en het pensioen doorbetaald zouden worden, zodat het huis betaald zou blijven. Dat overboeken ging automatisch. Het geld van het pensioen gaat automatisch van de rekening voor het huis. Dan zou het door blijven lopen. Mijn moeder zei dat het een jaar doorbetaald zou worden. Dat was het idee. Mijn moeder heeft gezegd dat als er geen lichaam is en een arts kan niet dood verklaren dan zou het een jaar doorlopen.

Mijn moeder heeft gezegd dat als oma overleden was, ze alleen weg zou gaan. Als oma zou leven, zouden ze samen weggaan. Daar was ook weer een constructie mee, financieel dan. Ze wilde dan dat het huis naar mij zou gaan.

Later kwam het plan om oma niet dood te verklaren, want dan zou er tijd zijn om de inkomsten door te laten lopen. Het had allemaal te maken met dat het huis bij ons zou blijven.

In de nacht van 12 op 13 mei 2014 stonden wij bij oma en toen ging het slecht. Ze stikte bijna. Mijn oma was aan het doodgaan. Mijn moeder heeft oma opgepakt en droeg haar in babyhouding naar de auto, die Volvo. In de voorbereiding zei ze wel dat als ze weg zou gaan, ze het aggregaat wel mee zou nemen. Ook die sondevoeding heeft mijn moeder meegenomen. Alles eigenlijk: luiers, medicijnen. Voor mijn gevoel leefde mijn oma niet meer toen mijn moeder haar naar buiten meenam. Ik denk dat ze alles heeft meegenomen om te laten lijken dat mijn oma nog leefde.

Het scenario was dat ze met oma weg zou gaan. Dan zou ze opschrijven dat ze mij zou afmelden voor school. Mijn moeder heeft het briefje geschreven en neergelegd. Volgens mij schreef ze het terwijl ik binnenkwam. Iets over een belofte aan oma. Ze heeft nooit iets beloofd.

6. Het proces-verbaal van bevindingen van de politie Hollands Midden, district Rijn- en Veenstreek, team opsporing D3, met proces-verbaalnummer PL1600-2014062128-10, d.d. 22 mei 2014. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven -:

als relaas van opsporingsambtenaren (pag. 124-125):

Op 21 mei 2014 waren wij op zoek naar [betrokkene 2] om nadere informatie in te winnen over haar verdwenen moeder en haar oma. Wij belden aan op haar verblijfsadres, het adres van haar oma, aan de [a-straat 1] te Rijnsaterwoude.

In de woning werd een map van Activite (thuiszorg) aangetroffen met medische gegevens van [betrokkene 1] . Hierin stond opgetekend: “Mw. Is halfzijdig verlamd links, heeft zuurstof 3 ltr katheter, longontsteking, mw. is dementerend, sterk vermagerd, ongeveer 35 kg, start sondevoeding 2-5-14, bedlegerig”.

Het briefje dat [verdachte] heeft achtergelaten in deze woning voor haar dochter [betrokkene 2] is gefotografeerd en als bijlage gevoegd.

7. Een geschrift, zijnde een briefje aan [betrokkene 2] , als bijlage gevoegd bij voormeld proces-verbaal van bevinden. Dit geschrift houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (pag. 126):

Als tekst: “Lieve [betrokkene 2] , ik heb oma iets beloofd en dat moet ik nu doen, maak je geen zorgen, alles komt goed lieverd. Kusjes mama xx P.S. Ik heb school voor je afgebeld. Sorry sorry dat het zo moet maar oma wil dat”.

8. Het proces-verbaal van bevindingen van de districtsrecherche, met onderzoeksnummer 164WEG/16DR314003, d.d. 6 juni 2014. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven -:

als relaas van een opsporingsambtenaar (pag. 127):

Op 6 juni 2014 had ik telefonisch contact met [betrokkene 6] , werkzaam als verpleegkundige bij Activite. Zij verklaarde over de zorg van [betrokkene 1] het volgende:

Ongeveer 14 dagen voor de verdwijning is hun dagelijkse zorg voor [betrokkene 1] gestart. De dochter van [betrokkene 1] , [verdachte] , vroeg om hulp omdat haar moeder bijna een week lang niet had gegeten.

De gezondheidstoestand van [betrokkene 1] was zeer slecht te noemen. De huisarts schreef sondevoeding voor.

Op 13 mei 2014 kwam een medewerkster om [betrokkene 1] te verzorgen en trof een leeg bed aan. Dit was zeer bevreemdend. De gezondheidstoestand was in deze 14 dagen niet verbeterd.

9. Het proces-verbaal van bevindingen van de districtsrecherche, met proces-verbaalnummer 2014062128, onderzoek 164WEG, d.d. 10 juni 2014. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven -:

als relaas van een opsporingsambtenaar (pag. 4-19):

Op 14 mei 2014 meldde huisarts [betrokkene 7] een vermissing. De huisarts heeft als patienten: [betrokkene 1] , [verdachte] (dochter van [betrokkene 1] ) en [betrokkene 2] (dochter van [verdachte] ).

[verdachte] verzorgt haar moeder [betrokkene 1] en zij verblijft veelvuldig op het adres van [betrokkene 1] .

Op 13 mei 2014 kwam de thuiszorg bij de woning van [betrokkene 1] om haar te verzorgen. [betrokkene 1] is zwaar dementerend en is volgens de huisarts bezig met haar laatste dagen.

De thuiszorg treft een opgeruimd slaapverblijf van [betrokkene 1] aan. Alle medicatie en hulpstukken voor de verzorging van [betrokkene 1] waren niet meer aanwezig.

De huisarts gaf aan dat [betrokkene 1] terminaal is. De afgelopen twee weken zijn er op verzoek van [verdachte] levensverlengende middelen aangevraagd als zuurstof en sondevoeding. Dit heeft zij ook gekregen.

Op de tafel lag een briefje gericht aan [betrokkene 2] .

10. Het proces-verbaal van bevindingen van de districtsrecherche, met proces-verbaalnummer 2014-026128, onderzoek 164WEG, d.d. 6 juni 2014. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven -:

als relaas van opsporingsambtenaren (pag. 112-115):

Op 6 juni 2014 werd bekend dat er een melding was gedaan van het feit dat [verdachte] op 5 juni 2014 bij een vriend op bezoek was geweest, genaamd [betrokkene 8] . Wij zijn naar zijn woning gegaan. Desgevraagd verklaarde [betrokkene 8] als volgt:

“ [verdachte] bracht vorig jaar ter sprake dat ik het huis van haar moeder moest kopen. Ongeveer een maand geleden werd ik door [verdachte] gebeld. Zij zei dat ik het huis van haar moeder nú moest kopen, in ieder geval de woning op mijn naam moest laten zetten. Het ging erg slecht met haar moeder, zei [verdachte] . [verdachte] drong aan dat ik de woning op mijn naam moest zetten. [verdachte] zit in de schulden en was bang dat de woning van haar moeder door de bank zou worden opgenomen. Dat wilde zij voorkomen door de woning op mijn naam te zetten. [verdachte] wilde dat [betrokkene 2] het huis zou krijgen.

Gisteren stond zij ineens bij mij voor de deur. Ik vroeg hoe het met haar moeder was en [verdachte] zei dat het goed ging. [verdachte] zei dat het wel goed zou komen en dit nog een paar maanden vol zou houden.

Na haar vertrek zag ik [verdachte] naast haar auto, een Volvo, staan. Het was een Pools kenteken: [AA-00-BB] ”.

11. Het proces-verbaal van bevindingen van de districtsrecherche, met proces-verbaalnummer 2014-026128, onderzoek 164-WEG, d.d. 9 juni 2014. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven -:

als relaas van opsporingsambtenaren (pag. 45-50):

Op 8 juni 2014 werd middels observatiemiddelen zicht verkregen op de locatie van de Volvo 940, antracietgrijs van kleur en voorzien van het kenteken [AA-00-BB] . Deze Volvo bleek geparkeerd te staan op de [b-straat 1] te Velsen Noord.

Onderweg werd bekend dat [verdachte] in bijzijn van een vrouw in een voortuig was vertrokken uit perceel [b-straat 1] . De collega’s werden gedirigeerd naar dat voortuig met daarin [verdachte] , waarna [verdachte] werd aangehouden. Wij waren inmiddels ter plaatste voor de woning van de [b-straat 1] te Velsen Noord. Wij zagen dat de Volvo voorzien van het kenteken [AA-00-BB] ter hoogte van perceel [1] geparkeerd stond.

De hoofdbewoonster, tevens aanwezige bij de aanhouding, liet ons weten dat de Volvo die voor haar deur stond van [verdachte] is.

12. Het proces-verbaal van aanhouding gesignaleerde van de politie eenheid Noord-Holland, Ken district Rijnmond, Ken basisteam Velsen, met proces-verbaalnummer PL1100-2014076866-2, d.d. 8 juni 2014. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven -:

als relaas van opsporingsambtenaren (pag. 22-23):

In opdracht van het onderzoeksteam dat zich bezighoudt met onderzoek 164WEG hebben wij op 8 juni als verdachte van artikel 282 van het Wetboek van Strafrecht aangehouden: [verdachte] . Deze verdachte zat als bijrijder in een personenauto.

13. Het proces-verbaal van bevindingen van de districtsrecherche, met proces-verbaalnummer 201406101348, onderzoek 164WEG/16DR314003, d.d. 10 juni 2014. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven -:

als relaas van opsporingsambtenaren (pag. 201):

Op 10 juni 2014 hebben wij de spullen van [verdachte] bekeken. Wij zagen in een sporttas twee Duitse kentekenplaten met het kenteken [CC-00-DD] .

14. Het vertaalde afschrift van een geschrift, inhoudende een proces-verbaal van bevindingen van politiebureau Oldenburg-Stadt/Ammerland, gespecialiseerde recherchedienst 2.2, met dossiernummer 201400641683 51340122 (001), d.d. 23 mei 2014. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven -:

als relaas van een opsporingsambtenaar (pag. 1380-1386):

Op 23 mei 2014 verscheen voor mij [betrokkene 9] , zoon van de gedupeerde [betrokkene 10] , die verklaarde:

“Mijn moeder is eigenaresse van de personenwagen met het kenteken [CC-00-DD] . Gisteravond [het hof begrijp 22 mei 2014] heb ik de personenwagen geparkeerd voor het huis te Oldenburg. Vanochtend heb ik geconstateerd dat beide kentekens waren verwijderd”.

15. Het proces-verbaal van bevindingen van de districtsrecherche, met proces-verbaalnummer 2014-062128, onderzoek 164-WEG, d.d. 14 augustus 2014. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven -:

als relaas van een opsporingsambtenaar (pag. 1074-1076):

Op 31 juli en 1 augustus 2014 werd verdachte [verdachte] gehoord. Zij verklaarde wat zij met het lichaam van haar moeder had gedaan. Zij omschreef daarbij zo nauwkeurig mogelijk een locatie in het Tsjechische Harrachov als locatie waar zij haar overleden moeder in een bosperceel had achtergelaten.
Ik ben naar deze locatie toegegaan.

Op 6 augustus 2014 sloegen speurhonden aan op één locatie in het betreffende bosperceel. Nader onderzoek op deze locatie leverde een zwart stuk plastic zeil op, waarin overblijfselen van een menselijk lichaam werden aangetroffen.

Tijdens de gerechtelijke sectie werd een heupimplantaat aangetroffen. Dat [betrokkene 1] een heupimplantaat had, was bekend.

16. Het proces-sverbaal van forensisch onderzoek van de politie eenheid Den Haag, Dienst Regionale Recherche, Forensische Opsporing, met proces-verbaalnummer 2014062128, onderzoek 164-WEG, betreffende forensisch technisch sporenonderzoek, d.d. 20 augustus 2014. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven -:

als relaas van een opsporingsambtenaar (pag. 1079-1129):

Op 14 mei 2014 werd bij de politie melding gedaan van een vermissing van [betrokkene 1] en [verdachte] . Uit afgelegde verklaringen van [verdachte] werd bekend dat zij haar overleden moeder had achtergelaten in een bosperceel nabij de plaats Harrachov te Tsjechië.

Ik ben afgereisd naar het plaatsje Harrachov.

Op 7 augustus 2014 werd sectie verricht op de stoffelijke resten en menselijke botten die waren aangetroffen in het bosperceel. In het rechterdijbeen bevond zich een metalen dijbeenprothese.

17. Het proces-verbaal van bevindingen van de districtsrecherche, met proces-verbaalnummer 2014-062128, onderzoek 164-WEG, betreffende vaststellen identiteit van het aangetroffen stoffelijk overschot, d.d. 14 augustus 2014. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven -:

als relaas van een opsporingsambtenaar (pag. 1131-1132):

Op 7 augustus 2014 werd een gerechtelijke sectie uitgevoerd op de overblijfselen die op 6 augustus 2014 werden aangetroffen in een bosperceel in Tsjechië. Op basis van medische gegevens van [betrokkene 1] was bekend dat zij een heupimplantaat in haar rechterheup had, welk implantaat was voorzien van een uniek serienummer. Het aangetroffen heupimplantaat had exact dit unieke nummer op het implantaat staan. Door deze bevinding werd de identiteit van [betrokkene 1] voor 100% vastgesteld.

18. Het proces-verbaal van aangifte van de districtsrecherche, betreffende onderzoek 164WEG/16DR214003, d.d. 14 augustus 2014. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven -:

als de op 14 augustus 2014 tegenover een opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [betrokkene 11] (pag. 1351-1353):

Op 18 juni 2014 is bericht ontvangen dat de politie informeerde naar de vermissing van [betrokkene 1] . Op dat moment wist de Sociale Verzekerings Bank (SVB) niet van de vermissing. Uit de media bleek mij dat moeder [betrokkene 1] en dochter [verdachte] uit Rijnsaterwoude werden vermist. Ook werd ermee rekening gehouden dat [betrokkene 1] inmiddels was overleden.

Ik ben bevoegd om namens de SVB aangifte te doen van (poging) tot oplichting.

Indien de SVB op 18 juni 2014 niet door de politie in kennis was gesteld van de vermissing, was de uitkering van het pensioen niet stopgezet. Door de familie was de SVB niet gewaarschuwd. Theoretisch was de uitkering van het AOW-pensioen voor [betrokkene 1] nog jaren voortgezet. Indien de SVB niet zou zijn geïnformeerd zou in 2014 maandelijks € 838,59 netto worden uitgekeerd.

Aan [betrokkene 1] werd een AOW-pensioen uitgekeerd. Het maandelijkse AOW-bedrag werd overgemaakt op het door [betrokkene 1] opgegeven bankrekeningnummer. Het pensioen was bij de laatste betaling € 838,59 netto. In 2014 ontving zij maandelijks € 838,-- (afgerond) in februari-juni 2014.

19. Het proces-verbaal van aangifte van de districtsrecherche, betreffende onderzoek 164WEG/16DR314003, d.d. 11 augustus 2014. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven -:

als de tussen 13 juli 2014 en 10 augustus 2014 tegenover een opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [betrokkene 12] (pag. 1354-1356):

Op 18 juni 2014 is bericht ontvangen dat de politie informeerde naar de vermissing van [betrokkene 1] . Op dat moment wist de Stichting Pensioenfonds Vliegend Personeel KLM niet van de vermissing. Uit de media bleek mij dat moeder [betrokkene 1] en dochter [verdachte] uit Rijnsaterwoude werden vermist. Ook werd er door de politie mee rekening gehouden dat [betrokkene 1] inmiddels was overleden.

Ik ben bevoegd om namens Stichting Pensioenfonds Vliegend Personeel KLM aangifte te doen van (poging) tot oplichting.

Indien de Stichting Pensioenfonds Vliegend Personeel KLM op 18 juni 2014 niet door de politie in kennis was gesteld van de vermissing, was de uitkering van het pensioen niet stopgezet. Door de familie was het Pensioenfonds niet gewaarschuwd. Theoretisch was de uitkering van het weduwepensioen voor [betrokkene 1] nog jaren voortgezet. Indien het Pensioenfonds niet zou zijn geïnformeerd zou het fonds maandelijks pensioen uitkeren.

Aan [betrokkene 1] werd een weduwepensioen uitgekeerd. Het maandelijks pensioenbedrag werd overgemaakt op het door [betrokkene 1] opgegeven bankrekeningnummer. Het pensioen was bij de laatste betaling € 2.191,40 netto. In 2014 ontving zij maandelijks € 2.191,-- (afgerond).

20. Het proces-verbaal van bevindingen van de districtsrecherche, met proces-verbaalnummer 2014-062128, onderzoek 164-WEG, betreffende stortingen AOW en pensioen na 13 mei 2014, d.d. 14 november 2014. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven -:

als relaas van een opsporingsambtenaar (pag. 1336):

Door mij werd onderzoek gedaan naar de stortingen van de AOW en het pensioen van KLM van overledene [betrokkene 1] na 13 mei 2014. Hieruit bleek mij het navolgende:

Op 22 mei 2014 werd door de SVB Leiden AOW een bedrag van € 1.477,-- gestort.

Op 23 juni 2014 werd door de SVB Leiden AOW een bedrag van € 838,59 gestort.

De bewijsmiddelen zijn – ook in hun onderdelen – slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud in het bijzonder betrekking hebben.”

3.3.

Het hof heeft, voor zover voor de beoordeling van het eerste middel van belang, in zijn bewijsoverwegingen nog het volgende overwogen:

“Bewijsoverwegingen

(..)

Overwegingen ten aanzien van het oogmerk zoals onder 3 en 4 ten laste gelegd: oogmerk op wederrechtelijke bevoordeling

Degene die zich aan oplichting als bedoeld in artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht schuldig maakt, handelt met het oogmerk om zichzelf of een ander wederrechtelijk te bevoordelen. Uit het hierboven overwogene ten aanzien. van het oogmerk op het verhelen van het overlijden van [betrokkene 1] , blijkt dat de verdachte handelde met het hier bedoelde oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling.

Het hof overweegt nog dat hetgeen de raadsman in zijn pleitnota onder punt 43 heeft gesteld ten aanzien van de financiële situatie van de verdachte ten tijde van de verweten gedragingen - wat daar ook van zij - niet raakt aan de bewezenverklaring, omdat immers niet bewezen hoeft te worden dat de verdachte handelde uit concrete financiële nood. Voldoende is dat vast is komen te staan dat de verdachte uit was op vermogensrechtelijke bevoordeling. Het oogmerk zoals onder 3 en 4 ten laste gelegd, zal dan ook bewezen worden verklaard.

Overwegingen ten aanzien van oplichtingsmiddelen zoals onder 3 en 4 ten laste gelegd

Oplichting als bedoeld in artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht is het door aanwending van (een) oplichtingsmiddel(en) als genoemd in dit artikel een ander bewegen tot bepaalde gedragingen, zoals de afgifte, van 'een goed' (bijvoorbeeld geld).

Hierboven is vastgesteld dat de verdachte met het verhelen van het overlijden van [betrokkene 1] heeft willen verhinderen dat dit feit ter kennis kwam van (onder meer: uitkerende) autoriteiten. Zij heeft het lichaam van haar moeder immers meegenomen, en daardoor het overlijden verhuld, zij heeft dat overlijden verzwegen voor de huisarts, de thuiszorg en voor de gemeentelijke lijkschouwer en zij heeft voorts dat overlijden van haar moeder ook niet gemeld bij andere relevante derden en in het bijzonder niet aan de Sociale Verzekeringsbank of aan het pensioenfonds. Zij heeft juist de schijn willen wekken dan haar moeder nog leefde. Met de rechtbank overweegt het hof dat het briefje, dat blijkens de aanhef aan [betrokkene 2] leek te zijn gericht, in feite bedoeld was voor derden die in huis zouden komen en zouden ontdekken dat [betrokkene 1] weg was. Het briefje suggereert immers dat de verdachte met haar nog in leven zijnde moeder op reis was gegaan en aan die suggestie draagt ook bij de omstandigheid dat de verdachte medische apparatuur, sondevoeding en medicatie van [betrokkene 1] had meegenomen. Voor [betrokkene 2] zelf, die getuige was van het overlijden van haar oma en die wist dat haar moeder met het stoffelijk overschot in de auto was weggereden, kan het briefje in elk geval niet bedoeld zijn geweest. Het hof acht, gelet op deze omstandigheden en gelet op hetgeen de verdachte zelf heeft gezegd over het oogmerk - zoals hierboven weergegeven -, haar verklaring dat zij het briefje 'voor haar eigen gevoel' en/of 'voor de school van [betrokkene 2] ' had geschreven, niet aannemelijk.

Het hof acht derhalve bewezen dat de verdachte aldus, zich bedienend van listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels, listiglijk, bedrieglijk en in strijd met de waarheid heeft gehandeld.

Overwegingen ten aanzien van het bewegen tot afgifte zoals ten laste gelegd onder 3 en 4

Het hof stelt voorop, dat tussen het aanwenden van (één van) de genoemde oplichtingsmiddelen en één van de genoemde gedragingen waartoe de bedrogene wordt bewogen een causaal verband dient te bestaan, waarbij in redelijkheid gesteld moet kunnen worden dat de benadeelde door dat middel is bewogen. Dat is het geval als zonder aanwending van het middel de afgifte van het goed niet zou zijn gevolgd.

Met de rechtbank overweegt het hof als volgt.

Door het verhullen van het overlijden van [betrokkene 1] kon er van dat overlijden geen melding worden gedaan door een (huis)arts of begrafenisondernemer bij de gemeente, als gevolg waarvan ook niet in de Basisregistratie Personen kon worden opgenomen dat [betrokkene 1] op 13 mei 2014 was overleden, hetgeen ertoe zou hebben geleid dat de Sociale Verzekeringsbank en het pensioenfonds zouden stoppen met het verstrekken van de uitkeringen.

De verdachte heeft met genoemde handelwijze vanaf 13 mei 2014 actief en bewust de situatie gecreëerd, waarin de Sociale Verzekeringsbank en het pensioenfonds in de onjuiste veronderstelling verkeerden dat [betrokkene 1] nog in leven was.

Dientengevolge heeft de Sociale Verzekeringsbank tussen 13 mei 2014 en 30 juni 2014 ten onrechte de AOW-uitkering uitgekeerd. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte, gezien het voorgaande, door haar handelen de Sociale Verzekeringsbank bewogen tot afgifte van geldbedragen.

Daarnaast overweegt het hof dat, blijkens de namens het pensioenfonds gedane aangifte, het recht op pensioen bij dit pensioenfonds doorloopt tot het einde van de maand waarin iemand is overleden. In casu zou dat recht derhalve op 1 juni 2014 zijn geëindigd. Niet door enig handelen van de verdachte, maar door tussenkomst van het openbaar ministerie, is het pensioenfonds na deze datum niet meer tot uitkering overgegaan.

Gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, is naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder feit 3 ten laste gelegde oplichting en de onder feit 4 ten laste gelegde poging tot oplichting heeft begaan.”

3.4.

Het middel klaagt dat (i) geen sprake is van een samenweefsel van verdichtsels nu het vervoeren van het lijk van verdachtes moeder en de overige bewezenverklaarde omstandigheden geen gesproken en/of geschreven uitingen opleveren, (ii) er geen sprake is van listige kunstgrepen, aangezien het vervoeren van het lijk en daardoor het verhullen van het overlijden van verdachtes moeder onvoldoende is voor het aannemen van een situatie die meer behelst dan een enkele misleidende handeling en (iii) dat er ten onrechte met betrekking tot het bewegen als bedoeld in art. 326 Sr causaal verband is aangenomen.

3.5.

Als belangrijk gemeenschappelijk kenmerk van de verschillende in de delictsomschrijving van art. 326 Sr opgenomen oplichtingsmiddelen kan worden genoemd dat de verdachte door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen bij een ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wil roepen teneinde daarvan misbruik te kunnen maken.1 Er kunnen zich gevallen voordoen waarin hetzelfde gedrag van de verdachte meebrengt dat er meerdere oplichtingsmiddelen zijn gebruikt. In een dergelijk geval kan dat gedrag als het bezigen van meer dan een oplichtingsmiddel worden tenlastegelegd en bewezenverklaard. De rechter hoeft dan niet te kiezen uit die oplichtingsmiddelen, omdat die keuze voor de strafrechtelijke betekenis van het bewezenverklaarde niet van belang is.2 Het is niet nodig dat de oplichtingsmiddelen worden aangewend jegens hem van wie de afgifte van het goed wordt verwacht. De oplichtingsmiddelen kunnen ook gebruikt worden tegen een derde, mits de bedoeling om afgifte te verkrijgen vaststaat nu het bedrieglijke middel zijn uitwerking dan niet heeft gemist en degene die afgifte doet ook daartoe is bewogen.3

3.6.

De eerste vraag die het middel opwerpt is of uit de door de verdachte verrichte gedragingen kan worden afgeleid dat de aangever door een samenweefsel van verdichtsels is bewogen tot de afgifte van de in de bewezenverklaring genoemde geldbedragen. Bij het gebruik van het oplichtingsmiddel een samenweefsel van verdichtsels, gaat het in de kern om gesproken en/of geschreven uitingen die bij die ander een op meer dan enkele leugenachtige mededeling gebaseerde onjuiste voorstelling van zaken in het leven kunnen roepen.4 Er moet derhalve meer zijn dan één enkele leugen.5 Meerdere duidelijk van elkaar te scheiden leugens, maar ook een leugenachtige mededeling van voldoende gewicht in combinatie met andere aan de verdachte toe te rekenen omstandigheden die tot misleiding van het beoogde slachtoffer kunnen leiden volstaan voor het aannemen van een samenweefsel van verdichtsels.6 Uit de rechtspraak valt af te leiden dat ook zwijgen (bijvoorbeeld indien ter voorkoming van misleiding spreken juist een plicht is) kan bijdragen aan het aannemen van een samenweefsel aan verdichtsels.7

3.7.

In de onderhavige zaak is bewezenverklaard dat de verdachte het lichaam van haar overleden moeder uit de woning heeft meegenomen, in Tsjechië heeft begraven en daarmee het overlijden van haar moeder heeft verhuld. Tevens heeft zij voor de huisarts, de thuiszorg, de gemeentelijk lijkschouwer, de gemeente en de uitkeringsinstanties het overlijden van haar moeder verzwegen en derhalve geen melding gemaakt van het overlijden. Tot slot heeft het hof vastgesteld dat de verdachte door een schriftelijke uitlating tegenover personen (niet zijnde medewerkers van de uitkeringsinstanties) de schijn heeft opgewekt dat haar moeder nog leefde, dat zij met haar moeder onderweg was en dat zij niet bekend was met het overlijden van haar moeder. De vraag is of de bewijsmiddelen voldoende inhouden om te kunnen spreken van een samenweefsel van verdichtsels. Het hof heeft niet onbegrijpelijk uit het gevonden briefje8 afgeleid dat de verdachte daarmee de schijn heeft willen wekken dat haar moeder nog leefde. Er is derhalve sprake van een geschreven uiting die bij een ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven heeft kunnen roepen. Hoewel er geen sprake is van een andere gesproken of geschreven leugenachtige uiting, kan het oplichtingsmiddel “samenweefsel van verdichtsels” mijns inziens wel uit de bewijsmiddelen volgen. Daarbij neem ik in het bijzonder in aanmerking dat verdachte heeft gezwegen over de dood van haar moeder (en het lichaam van haar moeder heeft verborgen), terwijl spreken ter voorkoming van misleiding juist een plicht was.9 Ook noem ik in dit kader het meenemen van de medische apparatuur van verdachtes moeder, teneinde de situatie te laten overkomen alsof haar moeder nog in leven was. Het hof heeft het “samenweefsel van verdichtsels” zoals opgenomen in de tenlastelegging derhalve uit de gebezigde bewijsmiddelen af kunnen leiden. In zoverre faalt het middel.

3.8.

In de tweede deelklacht wordt de vraag aan de orde gesteld of er sprake is van listige kunstgrepen in de zin van art. 326 Sr. Bij listige kunstgrepen gaat het in vergelijkbare zin (als bij een samenweefsel van verdichtsels) in de kern om meer dan een enkele misleidende feitelijke handeling die een onjuiste voorstelling van zaken in het leven kan roepen.10 In de literatuur wordt aangenomen dat een enkele kunstgreep kan volstaan, mits deze van voldoende gewicht is en daarnaast sprake is van andere aan de verdachte toe te rekenen omstandigheden die tot de misleiding van het beoogde slachtoffer kunnen leiden.11

3.9.

In de onderhavige zaak is het verhullen van het overlijden van verdachtes overleden moeder, door onder meer haar lichaam te begraven in Tsjechië, de zwaarstwegende bedrieglijke feitelijke handeling van de verdachte. Uit de aard van deze handeling, waaraan immers normaliter een niet geringe emotionele weerstand in de weg zal staan, blijkt het aanmerkelijke gewicht van deze kunstgreep. De vraag is of er daarnaast andere aan de verdachte toe te rekenen omstandigheden zijn die tot de misleiding van het beoogde slachtoffer hebben kunnen leiden. Mijns inziens blijken deze andere omstandigheden uit de bewijsmiddelen. Daarbij noem ik in het bijzonder ook hier het door de verdachte achtergelaten briefje waarin de verdachte de indruk wekt dat haar moeder nog leefde12 en het feit dat de verdachte de medische apparatuur, de sondevoeding en de medicatie van haar moeder heeft meegenomen, waarmee zij eveneens de indruk heeft gewekt dat haar moeder nog in leven was.13 Door deze handelingen te verrichten heeft de verdachte met name bij de thuiszorginstantie de indruk gewekt dat haar moeder nog in leven was. Op deze wijze heeft zij er voor gezorgd dat ook de betrokken zorginstanties geen melding zouden doen van het overlijden van verdachtes moeder, waardoor werd voorkomen dat de uitkeringsinstanties zouden stoppen met het uitkeren van AOW en het pensioen.14 Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt derhalve dat er sprake is van meer dan een enkele misleidende feitelijke handeling die een onjuiste voorstelling van zaken in het leven kan roepen. Het hof heeft aldus kunnen vaststellen dat er sprake is van listige kunstgrepen. Het middel faalt dus in zoverre ook.

3.10.

De vraag die tot slot beantwoord dient te worden is of er sprake is van een causaal verband (tot uitdrukking gebracht in het bestanddeel ‘beweegt’). Hiervan is sprake als voldoende aannemelijk is dat het slachtoffer mede onder invloed van de door het desbetreffende oplichtingsmiddel in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken is overgegaan tot de afgifte van enig goed, tot het verlenen van een dienst, tot het ter beschikking stellen van gegevens, tot het aangaan van een schuld of tot het teniet doen van een inschuld als bedoeld in art. 326, eerste lid, Sr.15

3.11.

Het oordeel van het hof dat met (onder andere) het verhullen van het overlijden van verdachtes moeder de Sociale Verzekeringsbank is bewogen tot afgifte van de geldbedragen en is gepoogd het KLM-Pensioenfonds te bewegen tot afgifte van een geldbedrag is mijns inziens juist en blijkt voldoende uit de bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen van het hof. Door het handelen van de verdachte – met name het verhullen van het overlijden van haar moeder en het niet voldoen aan de plicht dit te melden – verkeerde zowel de Sociale Verzekeringsbank als het KLM-Pensioenfonds in een onjuiste voorstelling van zaken. Deze onjuiste voorstelling van zaken heeft er voor gezorgd dat de Sociale Verzekeringsbank is overgegaan tot afgifte (uitkering) van de geldbedragen. Er is aldus sprake van een causaal verband tussen het aanwenden van het oplichtingsmiddel en de gedraging van de bedrogene (hier de Sociale Verzekeringsbank).16 Het feit dat er uit de bewijsmiddelen niet blijkt van een inhoudelijke connectie tussen personen niet zijnde medewerkers van de Sociale Verzekeringsbank of het KLM-Pensioenfonds en deze beide instanties doet daar niet aan af, nu het de plicht van verdachte was om melding te maken van het overlijden van haar moeder. Door die melding niet te doen heeft de verdachte voor de betrokken instanties een onjuiste voorstelling van zaken in het leven geroepen. Dat het KLM-Pensioenfonds uiteindelijk niet heeft uitgekeerd is irrelevant, nu in dit kader slechts een poging tot oplichting bewezen is verklaard. In zoverre faalt het middel.

3.12.

Het eerste middel faalt in alle onderdelen.

4. Het tweede middel klaagt dat hetgeen onder 4 (poging tot oplichting) bewezen is verklaard, niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, nu daaruit met name niet kan volgen dat de verdachte gedragingen heeft verricht die naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden beschouwd als te zijn gericht op voltooiing van het voorgenomen misdrijf van oplichting van het KLM-Pensioenfonds.

4.1.

Het hof heeft, voor zover voor de beoordeling van het tweede middel van belang, het volgende overwogen:

Bewijsoverwegingen

(…)

Daarnaast overweegt het hof dat, blijkens de namens het pensioenfonds gedane aangifte, het recht op pensioen bij dit pensioenfonds doorloopt tot het einde van de maand waarin iemand is overleden. In casu zou het recht derhalve op 1 juni 2014 zijn geëindigd. Niet door enig handelen van de verdachte, maar door tussenkomst van het openbaar ministerie, is het pensioenfonds na deze datum niet meer tot uitkering overgegaan.

Gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, is naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder feit 3 ten laste gelegde oplichting en de onder feit 4 ten laste gelegde poging tot oplichting heeft begaan.”

4.2.

Voor een poging tot oplichting is beslissend of de tenlastegelegde gedragingen van de verdachte kunnen worden beschouwd als gedragingen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm zijn gericht op voltooiing van het in de tenlastelegging genoemde misdrijf.17 Hierbij kunnen ook objectieve omstandigheden een rol spelen.18

4.3.

Het tweede middel roept de vraag op of onder de omstandigheden in deze zaak gesproken kan worden van een begin van uitvoering van de oplichting. Het oordeel van het hof dat er sprake is van een poging tot oplichting vind ik niet onbegrijpelijk, ook omdat in de onderhavige zaak een duidelijk begin was gemaakt met de vervulling van bestanddelen van het delict, te weten oplichtingsmiddelen als opgenomen in art. 326 Sr.19 De gedragingen van de verdachte – waaronder met name het vervoeren en verhullen van het lijk, het niet melden van het overlijden van verdachtes moeder en de mededeling van verdachte aan haar dochter dat ze met haar moeder weg zou gaan en dat het pensioen van haar moeder doorbetaald zou worden – zijn naar uiterlijke verschijningsvorm (wanneer een objectieve derde bij wijzen van spreken mee had kunnen kijken en luisteren20) gericht op de voltooiing van de oplichting van het KLM-Pensioenfonds. Dat er sprake is van een poging tot oplichting volgt mijns inziens daarmee rechtstreeks uit de gebezigde bewijsmiddelen.

4.4.

De steller van het middel merkt tot slot nog op dat de bewezenverklaring van feit 4 een partieel absoluut ondeugdelijke poging inhoudt, nu het KLM-Pensioenfonds al op 18 juni 2014 door de politie in kennis is gesteld over de vermissing. Deze klacht miskent (nog daargelaten de vraag of er daadwerkelijk sprake is van een absoluut ondeugdelijke poging, welke vraag ik ontkennend zou beantwoorden) dat een bewezenverklaring als de onderhavige – een periode van 13 mei 2014 tot en met 31 juli 2014 – niet betekent dat de verdachte gedurende de gehele periode de haar verweten handeling heeft verricht.21 Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat het hof kennelijk heeft geoordeeld dat de aan de verdachte verweten poging tot oplichting heeft plaatsgevonden in het tijdvak van 13 mei 2014 tot 18 juni 2014.

4.5.

Het tweede middel faalt.

5. Beide middelen falen. Het tweede middel kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

6. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2892, NJ 2017, 158, m.nt. N. Keijzer (rov. 2.3.1).

2 HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2892, NJ 2017, 158, m.nt. N. Keijzer (rov. 2.3.5).

3 HR 16 oktober 1922, NJ 1923, p. 20; zie ook Van der Velden in Tekst & Commentaar, art. 326 Sr onder 9.

4 HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2892, NJ 2017, 158, m.nt. N. Keijzer (rov. 2.3.2).

5 Zie ook Van der Velden in Tekst & Commentaar, art. 326 Sr onder 9d (p. 1782); zie ook Noyon, Langemeijer en Remmelink, art. 326 Sr onder 11 (Samenweefsel van verdichtsels).

6 HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2892, NJ 2017, 158, m.nt. N. Keijzer (rov. 2.3.2).

7 HR 3 juni 1986, ECLI:NL:HR:1986:AB8452, NJ 1987, 84; zie ook HR 6 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF6599, NJ 2003, 509.

8 Zie bewijsmiddel 7. Anders dan de steller van het middel ben ik van mening dat dit briefje wel degelijk als oplichtingsmiddel in de zin van art. 326 Sr ten laste is gelegd en ook bewezen is verklaard.

9 HR 3 juni 1986, ECLI:NL:HR:1986:AB8452, NJ 1987, 84; zie ook HR 6 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF6599, NJ 2003, 509.

10 HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2892, NJ 2017, 158, m.nt. N. Keijzer (rov. 2.3.3).

11 Zie S.S. Buisman, ‘Oplichting: een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen’, DD 2017, 75; Zie ook A-G Hofstee in zijn conclusie bij ECLI:NL:HR:2017:1221, waarin hij – ook na het overzichtsarrest van de Hoge Raad – opmerkt dat één enkele kunstgreep voldoende kan zijn.

12 Zie bewijsmiddel 7.

13 Zie p. 10 van het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 28 september 2016.

14 Hierboven (onder 3.5) is reeds genoemd dat het oplichtingsmiddel niet direct aangewend hoeft te zijn jegens hem van wie de afgifte van het goed wordt verdacht (hier de uitkeringsinstanties). Zij kan ook gebruikt worden tegen een derde (hier onder andere de thuiszorginstanties), mits de bedoeling om afgifte te verkrijgen vaststaat nu het bedrieglijke middel zijn uitwerking dan niet heeft gemist en degene die afgifte doet ook daartoe is bewogen (HR 16 oktober 1922, NJ 1923, p. 20).

15 HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2892, NJ 2017, 158, m.nt. N. Keijzer (rov. 2.4).

16 Van der Velden in Tekst & Commentaar, art. 326 Sr onder 8 (p. 1790).

17 HR 26 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6180, NJ 2007, 366, rov. 5.2; zie ook HR 8 december 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC8475, NJ 1993, 321, rov. 6.2.

18 Zie J. de Hullu, Materieel strafrecht, Kluwer: Deventer 2015, p. 393 waarin De Hullu verwijst naar een uitspraak van de Hoge Raad over afpersing door dreigbrieven, waarin de Hoge Raad bij zijn bevestiging dat er sprake was van een strafbare poging in aanmerking nam de inhoud van de brieven (HR 8 december 1987, ECLI:NL:HR1987:AC0645, NJ 1988, 896).

19 Vgl. HR 27 maart 1939, NJ 1939/980. Het vervuld zijn van (kwalificerende) bestanddelen van het delict is dunkt mij een nog steeds nuttig hulpmiddel om te bepalen of er een begin van uitvoering is, ook al schrijft De Hullu dat dit criterium – dat al een lange geschiedenis heeft – terecht opgegaan is in het overkoepelende criterium van de uiterlijke verschijningsvorm. Zie J. de Hullu, Materieel strafrecht, Kluwer: Deventer 2015, p. 393.

20 Zie voor een soortgelijke redenering J. de Hullu, Materieel strafrecht, Kluwer: Deventer 2015, p. 391.

21 HR 2 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3728, NJ 2002, 536, rov. 3.4.