Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:457

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
20-03-2018
Datum publicatie
15-05-2018
Zaaknummer
16/04845
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:710
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Roofoverval op bejaarde vrouw in woning. Poging (tot gekwalificeerde) doodslag, art. 287 Sr. Voorwaardelijk opzet op dood door 88-jarige vrouw meermalen met kracht tegen haar hoofd te stompen? Hof heeft uit de door hem vastgestelde feiten en omstandigheden (verdachte heeft welbewust en doelgericht de vrouw enkele malen hard met zijn vuist op een kwetsbaar lichaamsdeel, haar hoofd, geslagen ten gevolge waarvan zij ten val kwam, terwijl hij wist dat de vrouw op leeftijd was en dus een fragieler gestel had dan de gemiddelde persoon en dat zij net was opgestaan na een eerdere val t.g.v. een duw van verdachte) afgeleid dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op de dood van de vrouw, zoals is bewezenverklaard. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/04845

Zitting: 20 maart 2018

Mr. D.J.C. Aben

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof Amsterdam heeft de verdachte bij arrest van 6 september 2016 vrijgesproken van het onder 1. primair en 2. primair ten laste gelegde, en de verdachte wegens: 1. subsidiair: “poging tot doodslag, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken”, 2. subsidiair en 6: “poging tot diefstal gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak”, 3 en 10: “diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak”, 4: “poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak”, 5, 8 en 9: “diefstal gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren met aftrek als bedoeld in art. 27 en art. 27a Sr, tot verbeurdverklaring van voorwerpen als in het arrest vermeld, met (gedeeltelijke) toewijzing van de vorderingen van een tweetal benadeelde partijen, waaraan is gekoppeld de maatregel van schadevergoeding, en met een last tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.

2. Namens de verdachte is tijdig beroep in cassatie ingesteld tegen de veroordeling voor het onder 1. subsidiair bewezen verklaarde. Mrs. R.J. Baumgardt en P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, hebben namens de verdachte een schriftuur ingediend houdende twee middelen van cassatie.

3. Het eerste middel komt op tegen de bewezenverklaring van de onder 1. subsidiair ten laste gelegde poging tot gekwalificeerde doodslag, met een motiveringsklacht over ’s hofs oordeel dat de verdachte heeft gehandeld met voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer.

4. Onder 1. subsidiair heeft het hof ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat

hij 5 maart 2014 te Alkmaar ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 1925) van het leven te beroven,

die [slachtoffer] meermalen met kracht tegen het hoofd heeft gestompt,

welke voren omschreven poging tot doodslag werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van enig strafbaar feit, te weten diefstal in een woning, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, van een goudkleurig sieraad, toebehorende aan voornoemde [slachtoffer] ,

waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming,

en welke poging tot doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken;”

5. In de aanvulling op het bestreden arrest heeft het hof ter zake van dit delict de volgende bewijsmiddelen opgenomen:

1. Een proces-verbaal met nummer 4 van 6 maart 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] , doorgenummerde pagina’s 202-206.

Dit proces-verbaal houdt, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, in als de op 5 maart 2014 afgelegde verklaring van [betrokkene 1] :

V = vraag verbalisant

A = antwoord getuige

V: Ik heb begrepen dat u de dochter bent van [slachtoffer] en dat u uw moeder vanochtend gewond in haar woning, zijnde de [a-straat 1] , in Alkmaar heeft aangetroffen. Kunt u vertellen hoe het precies is gegaan?

A: Ik kwam vanochtend om ongeveer 10:45 uur bij de woning van mijn moeder aan. Gisteren heb ik haar nog gesproken. Ik heb haar vanochtend gebeld om ongeveer 9:45 uur maar ze nam niet op. Ik zag vanaf de [a-straat] dat de gordijnen van de keuken dicht waren en de gordijnen van de kamer half dicht. Dat vond ik eigenlijk verontrustend omdat mijn moeder overdag altijd de gordijnen geopend heeft en bijna nooit de kamergordijnen dicht heeft. Toen fietste ik het pad af en zag ik dat de zijdeur geforceerd was. Ik heb mijn fiets achter neergezet en ben toen naar de zijdeur gelopen en heb geprobeerd deze te openen. Dat lukte niet omdat de boel geforceerd was. Toen ben ik voorom gegaan. Meestal staat daar een poortje voor het tegelpad maar dat poortje was nu weggezet. Ik ben vervolgens over het tegelpad gelopen en toen zag ik dat een kamerraam kapot was. Ik keek door het raam naar binnen en ik zag dat mijn moeder op de grond zat. Niet met haar rug tegen de wand maar ze zat gewoon rechtop. Ik zag dat ze behoorlijk bebloed was. Ik hoorde haar ademen. Omdat ik de achterzijde van de boerderij niet in kon en ik ook niet binnen kon komen via de zijdeur omdat deze geforceerd was, ben ik via het kapotte raam naar binnen gegaan.

V: U vertelde dat u geen contact kreeg met uw moeder toen u haar vond maar heeft u uw moeder nog wel iets horen zeggen?

A: Nee.

V: Was ze wel bij kennis?

A: Ze zat en ze ademde maar ze was niet aanspreekbaar.

V: Wat zag u bij uw moeder?

A: Ze zat aardig onder het bloed en haar gezicht was helemaal opgezet.

2. Een proces-verbaal met nummer 20140526 1430 1412 van 26 mei 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] , doorgenummerde pagina 488.

Dit proces-verbaal houdt, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, in als verklaring van bovengenoemde verbalisant:

Op 23 mei 2014 werd er telefonisch contact met mij opgenomen door [betrokkene 1] . Zij deelde mij mede dat op een tafeltje naast de televisie, in de woning van haar moeder, een wit bakje met groene bloemetjes had gestaan. In dat bakje had een klein hangertje, van ongeveer 1 bij 1 centimeter gezeten. Dit hangertje was voorzien van een rozenblaadje. Het was een zilveren hangertje, maar erg vergeeld.

3. Een proces-verbaal met nummer 2014023090-4 van 5 maart 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporings-ambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , doorgenummerde pagina’s 49-50.

Dit proces-verbaal houdt, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, in als bevindingen van bovengenoemde verbalisanten:

Op 5 maart 2014 kregen wij het verzoek te gaan naar een stolpboerderij op de [a-straat 1] te Alkmaar. Wij zagen dat er in de rechtergevel van het pand langs de oprijlaan een houten groene deur zat en enkele ramen. Wij zagen dat deze deur beschadigd was rond het slot.

In de woonkamer troffen wij aan: [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1925. Wij zagen dat [slachtoffer] slechts gekleed was in een nachtjapon en een soort van roze maillot eronder. Wij zagen dat [slachtoffer] ernstig aangezichtsletsel had. Wij zagen dat haar beide ogen dusdanig gezwollen waren dat zij dicht zaten. Wij zagen dat haar mond ook aangetast was. Wij zagen dat haar hele gezicht bebloed was en dat een deel ervan reeds opgedroogd was. Ik, [verbalisant 4] , probeerde contact te maken met [slachtoffer] maar ik merkte dat zij niet aanspreekbaar was. Ik zag dat zij rilde en ik voelde dat zij erg koud aanvoelde. Ik hoorde dat [slachtoffer] af ten toe gromde, kreunde en gorgelde. Ik merkte dat [slachtoffer] mij niet of nauwelijks hoorde en dat zij niet in staat was kenbaar te maken of zij mij hoorde of verstond.

Ik zag dat de dichtstbijzijnde ruit kapot was. Ik zag dat er glasscherven lagen tussen het raam en [slachtoffer] . Dit betreft van buitenaf gezien het eerste raam rechts naast de voordeur.

4. Een proces-verbaal met nummer 2014023090-3 van 7 maart 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 5] , [verbalisant 6] , [verbalisant 7] en [verbalisant 8] , [verbalisant 9] en [verbalisant 10] , doorgenummerde pagina’s 23-41 van het Forensisch dossier.

Dit proces-verbaal houdt, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, in als bevindingen van bovengenoemde verbalisanten dan wel een of meer van hen:

Het onderzoek is verricht op 5 maart 2014 in een stolpboerderij gelegen aan de [a-straat 1] te Alkmaar.

Wij zagen dat aan de rechterzijde van de boerderij in de gevel een houten deur aanwezig was. Er waren aan de sluitzijde beschadigingen te zien en er waren stukken hout weggebroken. Gezien de plaats en verschijningsvorm van de beschadigingen herkenden wij deze als sporen veroorzaakt door het wrikken in de sluitingsnaad met een breekijzer. In de schade aan deze deur waren kleine deeltjes zwarte verf zichtbaar.

Wij zagen dat aan de voorzijde van de woning de ruit rechts naast de voordeur gebroken was. Voor het raam zagen wij aan de buitenzijde glasscherven op de grond liggen. Op de onderdorpel van dat raamkozijn werd door ons een afdruk van een schoen aangetroffen.

Tijdens ons onderzoek ter plaatse werd door de speurhondgeleider [betrokkene 2] , met zijn speurhond menselijke geur, de omgeving van de boerderij onderzocht. Bij zijn onderzoek werd door zijn speurhond tegenover de boerderij een breekijzer aangetroffen. Ongeveer recht tegenover de boerderij zagen wij dat in een grasstrook tussen het kanaal en het fietspad een meerpaal aanwezig was. Wij zagen dat aan de kanaalzijde van deze meerpaal een zwart breekijzer lag.

Gezien het door ons aangetroffen sporenbeeld kan geconcludeerd worden dat kasten, laden en voorwerpen doorzocht zijn door iemand met bedekte handen.

5. Een schriftelijk bescheid, te weten een geneeskundige verklaring van 7 maart 2014, opgemaakt op 6 maart 2014 door forensisch arts B. Kruyver, doorgenummerde pagina’s 143-144 van het Forensisch dossier.

Deze verklaring houdt voor zover van belang en zakelijk weergegeven in:

Medische informatie betreffende [slachtoffer] .

Geboortedatum [geboortedatum] 1925.

Datum incident: 5 maart 2014.

Vermoeden van niet uitwendig waarneembaar letsel: Ja.

Toelichting: Medische informatie moet uitsluitsel geven. Mogelijk schedel/hersenletsel.

- Ter hoogte van het rechter oog is zwelling van zowel het onder- als het bovenooglid zichtbaar, met paarsblauwe verkleuring van de huid. Letsel passend bij stomp inwerkend geweld.

- Het linkeroor heeft aan de oorschelp een blauwpaars verkleurde huid. Letsel passend bij stomp inwerkend geweld. Er komt bloed uit het linkeroor.

- Rondom de neusrug is ook zwelling waarneembaar. Letsel passend bij stomp inwerkend geweld.

6. Een schriftelijk bescheid, te weten een geschrift van 18 maart 2014 van aios neuroloog C.V.M. Verschuur, mede namens dr. R.L.C. Vogels, neuroloog van het Medisch Centrum Alkmaar, doorgenummerde pagina’s 148-149 van het Forensisch dossier.

Deze verklaring houdt voor zover van belang en zakelijk weergegeven in:

Betreft: [slachtoffer] , geboren [geboortedatum] 1925

Samenvattend gaat het om een 88-jarige patiënte die thuis op de vloer was aangetroffen. Bij beeldvorming van de hersenen vonden we een contusiehaard links frontaal en een subduraal haematoom aan de rechter zijde, evenals een contusiehaard rechts parafalcien en een linkszijdig hygroom (deze laatste geeft geen massawerking). Voorts was er sprake van een os nasale en orbitafractuur links.

Conclusie: ernstig schedel/hersenletsel

7. Een proces-verbaal met nummer 301 van 13 mei 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 11] en [verbalisant 12] , doorgenummerde pagina’s 845-870.

Dit proces-verbaal houdt, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, in als de op 13 mei 2014 afgelegde verklaring van de verdachte :

V: vraag of opmerking verbalisant

A: antwoord of opmerking verdachte

V: Je bent vanochtend aangehouden omdat je wordt verdacht van betrokkenheid bij een diefstal met geweld, gepleegd in de nacht van 4 op 5 maart 2014. Vertel eens in het kort hoe het gegaan is.

A: Ik kwam daar. Ik probeerde aan de zijkant de deur open te breken, maar dat lukte niet. Ik heb een raam aan de voorkant ingeslagen. Die vrouw werd wakker. Ik zei dat ze haar mond moest houden. Ik was nog niet binnen, dus ik heb er extra glas uitgeslagen. Die vrouw begon te schreeuwen. Ik ging naar binnen. Die vrouw kwam op me af met iets in haar hand. Ik heb gewoon uitgehaald.

V: Hoe ben je naar binnen gegaan?

A: Met een breekijzer.

V: Waar heb je dat ding gelaten?

A: Die heb ik daar voor weggegooid. Ergens op de grond.

V: Waar kwam je die vrouw tegen?

A : In de woonkamer.

V: Wat had ze aan?

A: Het was donker. Het licht was niet aan. Ik ben het huis gaan doorzoeken. Ik heb alleen een goudachtig dingetje gevonden. Ik heb dat meegenomen.

V: Kan je dat gouden ding beschrijven?

A: Een oorbel of een ketting. Misschien was het wel een goudstukje voor in haar haar of op haar kleren.

V: Kan jij in het kort vertellen wat de relatie is tussen [betrokkene 3] (het hof begrijpt: [betrokkene 3] ) en het strafbare feit?

A: Hij heeft mij verteld dat er daar wat te halen viel.

V: Wat had hij jou verteld?

A: Hij zei dat er waarschijnlijk wel spullen of contant geld zou liggen wat ik mee kon nemen.

V: Heb je toen je er heen ging iets meegenomen?

A: Een breekijzer.

V: Had je ook niks om je handen?

A: Jawel, handschoenen.

A: Die vrouw stond in een keer op van de bank waar ze op lag.

V: Hoe weet je dat?

A: Ik zag wel iets. Iets van een gedaante voor me. Ze begon ook te praten.

V: Wat zei ze?

A: Wat moet dat? Wat moet je hier en ga weg!

Ik zei houd je mond dicht en ik doe je niks. Ik heb nog meer glas er uit getikt om naar binnen te kunnen stappen. Ik ben naar binnen gestapt en viel volgens mij over de tv-kast heen. Toen voelde ik twee handen op me. Uit een reactie duwde ik haar weg. Ze viel op de grond, maar ze stond meteen weer op. Ik gaf haar een paar klappen en toen viel ze op de grond neer.

V: Waar gaf je haar die klappen?

A: In haar gezicht.

V: Waarmee heb je haar die klappen gegeven?

A: Gewoon met mijn vuist.

V: Hoeveel klappen waren het? Kan je het schatten?

A: Drie of vier, twee of drie. Een duw is eigenlijk al te veel bij een oude vrouw.

V: Wist je dat het een oude vrouw was?

A: Nee. Maar ik hoorde aan haar stem dat ze wel echt oud was.

V: Waarom sloeg je haar als een duw genoeg was?.

A: Toen ik haar duwde kwam ze weer terug. Uit een reactie sloeg ik gewoon.

V: Wat zag je toen?

A: Ze schreeuwde en viel op de grond. Toen was het stil.

V: Toen was het stil?

A: Ik vroeg me af of ze bewusteloos of dood was. Ik heb snel gekeken, dat gouden dingetje gepakt en ben snel weggegaan.

V : Maar je hebt eerst nog gezocht zei je?

A: In de woonkamer, in de kasten en in een paar tassen. Volgens mij ook in de keuken en de gang.

V: Wat gebeurde er nou met dat breekijzer?

A: Die heb ik gepakt en aan de overkant van de weg heb ik die in het gras weggegooid.

8. Een proces-verbaal met nummer 339 van 14 mei 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 11] en [verbalisant 12] , doorgenummerde pagina’s 872-887.

Dit proces-verbaal houdt, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, in als verklaring van de verdachte :

V: vraag of opmerking verbalisant

A: antwoord of opmerking verdachte

V: Ik wil even terug naar de inbraak bij de oude vrouw op de [a-straat] . Met wie heb je die nou gepleegd?

A: Alleen.

[betrokkene 3] heeft me uitgelegd dat hij bij houdt waar oude mensen wonen, of ze alleen wonen of niet meer thuis wonen of dood zijn. Zo heeft hij me ook verteld dat die oude vrouw alleen woonde.

9. Een proces-verbaal met nummer 349 van 15 mei 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 11] en [verbalisant 12] , doorgenummerde pagina’s 888-895.

Dit proces-verbaal houdt, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, in als verklaring van de verdachte :

V: vraag of opmerking verbalisant

A: antwoord of opmerking verdachte

V: Wat gebeurde er toen je binnen stond?

A: Ik viel dus eerst over die tv-kast heen. Toen ik weer opstond pakte ze me met twee handen vast. Toen duwde ik haar weg waardoor ze viel.

V: Kwam ze weer overeind

A: Ja

V: Kan je laten zien wat er toen gebeurde?

A: Ja. Ze kwam overeind en ik deed zo

(O: verdachte laat zien dat hij haar met zijn rechtervuist in haar gezicht sloeg)

V: Met je rechtervuist?

A: Ja. Ze ging naar achteren en tegelijk kwam ze naar me toe en ik liep op haar af. Ik heb haar toen nog twee klappen gegeven op dezelfde manier. Toen viel ze op de grond.

V : Hoe hard was dat?

A: Ik heb haar wel redelijk hard geslagen ja. Er zat wel vaart achter.

6. In het bestreden arrest heeft het hof de volgende bewijsoverwegingen opgenomen:

Bewijsoverwegingen feit 1 subsidiair

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep geconcludeerd tot bewezenverklaring van de onder 1 subsidiair ten laste gelegde poging tot gekwalificeerde doodslag en heeft daartoe aangevoerd dat bewezen kan worden dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat de verdachte geen opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad op de dood van het slachtoffer.

Overwegingen hof

Het hof gaat op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, uit van navolgende feiten en omstandigheden:

- aan de verdachte was verteld dat er in de woning wat te halen viel; er zouden waarschijnlijk spullen en contant geld liggen dat de verdachte mee kon nemen (Proces-verbaal van verhoor verdachte van 13 mei 2014, p. 855).

- aan de verdachte was verteld dat in de woning een oude vrouw alleen woonde (Proces-verbaal van verhoor verdachte van 14 mei 2014, p. 880).

- de verdachte kwam bij de woning en sloeg, na eerst geprobeerd te hebben een deur aan de zijkant open te breken, een raam aan de voorkant in. De verdachte zei tegen de vrouw (het hof begrijpt hier en hierna: [slachtoffer] ) die volgens hem wakker was geworden, dat ze haar mond moest houden. Hij was nog niet binnen en heeft vervolgens nog meer glas ingeslagen waarna de vrouw begon te schreeuwen dat hij weg moest gaan (Proces-verbaal van verhoor verdachte van 13 mei 2014, p. 853, 866).

- de verdachte hoorde aan haar stem dat het een oude vrouw was (Proces-verbaal verhoor verdachte van 13 mei 2014, p. 866).

- de verdachte stapte naar binnen en trof de vrouw in de woonkamer. Hij duwde haar weg waarna ze op de grond viel (Proces-verbaal verhoor verdachte van 13 mei 2014, p. 866).

- de vrouw stond weer op en de verdachte gaf haar met zijn vuist een klap in haar gezicht, waarna hij haar nog twee klappen heeft gegeven op dezelfde manier (Proces-verbaal van verhoor verdachte van 15 mei 2014, p. 893).

- de verdachte sloeg de vrouw naar eigen zeggen redelijk hard; er zat wel vaart achter (Proces-verbaal van verhoor verdachte van 15 mei 2014, p. 893).

- de vrouw schreeuwde van de pijn en viel hard op de grond. Daarna was het stil (Processen-verbaal van verhoor verdachte van 13 mei en 15 mei 2014, p. 866 en 893).

- de verdachte doorzocht vervolgens de woning en nam een goudkleurig hangertje mee (Proces-verbaal van verhoor verdachte van 13 mei 2014, p. 866, 867).

- het slachtoffer heeft als gevolg van de geweldshandelingen van de verdachte een gebroken neus, een gebroken oogkas en ernstig hersenenletsel opgelopen (dossier Forensische Opsporing, p. 143 t/m 144, p. 148 t/m 149).

Uit de te bezigen bewijsmiddelen, in het bijzonder de bovenstaande, leidt het hof af dat de verdachte welbewust en doelgericht [slachtoffer] enkele malen hard met zijn vuist op een kwetsbaar lichaamsdeel, haar hoofd, heeft geslagen ten gevolge waarvan zij ten val kwam. Dit terwijl de verdachte wist dat zij op leeftijd was en dus een fragieler gestel had dan de gemiddelde persoon en de verdachte ook wist dat zij net was opgestaan na een eerdere val ten gevolge van een duw van de verdachte. Dat het door de verdachte toegepaste geweld aanzienlijk was vindt bevestiging in de aard en zwaarte van de verwondingen die het slachtoffer hierdoor heeft opgelopen.

Door te handelen als hij heeft gedaan heeft de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer hierdoor zou komen te overlijden en is het opzet van de verdachte minst genomen in voorwaardelijke zin daarop gericht geweest.

Uit de verklaringen van de verdachte leidt het hof voorts af dat hij naar de woning is gegaan met de kennelijke bedoeling een diefstal te plegen, dat het slachtoffer hem heeft betrapt en dat hij na de - met het oog op de uitvoering van zijn plan om te stelen - jegens haar gepleegde geweldshandelingen, de woning heeft doorzocht en een goudkleurig sieraad heeft meegenomen, zodat ook bewezen wordt dat de verdachte het geweld heeft gepleegd om de diefstal gemakkelijk te maken.

7. Onder verwijzing naar jurisprudentie van de Hoge Raad wordt in het middel geklaagd over de begrijpelijkheid van ‘s hofs oordeel dat “de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans [heeft] aanvaard dat het slachtoffer hierdoor zou komen te overlijden en [dat] het opzet van de verdachte minst genomen in voorwaardelijke zin daarop gericht [is] geweest.”

De steller van het middel licht toe: “De enkele omstandigheid dat [slachtoffer] oud was en zodoende een fragieler gestel had dan een gemiddeld persoon, wil evenwel niet zeggen dat verdachte daardoor voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] . De kans dat iemand als gevolg van het met een vuist (en dus niet met een zwaar en hard voorwerp) geven van enkele stompen tegen het hoofd komt te overlijden is naar algemene ervaringsregels niet aannemelijk te noemen. De omstandigheid dat degene die gestompt wordt 'op leeftijd' is en 'derhalve' een 'fragieler gestel' heeft doet daar niet aan af.

8. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood van een 88-jarige vrouw – is aanwezig indien de verdachte bij zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. Het zal moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.1 De Hoge Raad heeft hieraan de volgende algemene beschouwingen gewijd:

Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Uit de enkele omstandigheid dat die wetenschap bij de verdachte aanwezig is dan wel bij hem moet worden verondersteld, kan niet zonder meer volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat in geval van die wetenschap ook sprake kan zijn van bewuste schuld.

Van degene die weet heeft van de aanmerkelijke kans op het gevolg, maar die naar het oordeel van de rechter ervan is uitgegaan dat het gevolg niet zal intreden, kan wel worden gezegd dat hij met (grove) onachtzaamheid heeft gehandeld maar niet dat zijn opzet in voorwaardelijke vorm op dat gevolg gericht is geweest.

Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van bewuste schuld dan wel van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.2

9. In de onderhavige zaak heeft het hof vastgesteld dat de verdachte welbewust en doelgericht het slachtoffer, van wie hij wist dat ze op leeftijd was en dus een fragieler gestel had dan de gemiddelde persoon, enkele malen hard met zijn vuist op een kwetsbaar lichaamsdeel, haar hoofd, heeft geslagen ten gevolge waarvan zij ten val kwam. Dat het door de verdachte toegepaste geweld aanzienlijk was, vindt naar ’s hofs oordeel bevestiging in de aard en zwaarte van de verwondingen die het slachtoffer hierdoor heeft opgelopen, te weten: een gebroken neus, een gebroken oogkas en ernstig hersenenletsel.

10. Tegen deze vaststellingen komt het middel niet op, zodat zij thans als vertrekpunt kunnen dienen.

11. Het middel werpt de vraag op of het hof op grond van deze vaststellingen heeft kunnen oordelen dat het jegens het (kwetsbare) slachtoffer uitgeoefende geweld de aanmerkelijke kans op haar dood heeft doen ontstaan.

12. Het behoeft m.i. geen betoog dat naar de omvang van deze kans geen experimenteel onderzoek zal kunnen worden verricht. De inschatting van deze kans zal dan ook afhangen van verscheidene algemene ervaringsregels. ’s Hofs oordeel daaromtrent kan in cassatie niet anders dan op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.

13. Naar het mij voorkomt is ’s hofs oordeel op dit punt niet onbegrijpelijk. Het hoofd betreft een kwetsbaar onderdeel van het menselijk lichaam. Krachtige mechanische geweldsinwerking op het hoofd kan tot (ernstig) hersenletsel leiden. Anders dan de steller van het middel ingang wil doen vinden, heeft het hof in aanmerking kunnen nemen dat de gevorderde leeftijd van het slachtoffer onder de geschetste omstandigheden de kans op ernstig hersenletsel significant verhoogt. Dat ernstig hersenletsel tot de dood kan leiden, en dat de kans daarop hoger ligt ingeval het slachtoffer een gevorderde leeftijd heeft bereikt, lijkt mij als algemene ervaringsregel evenmin vatbaar voor discussie.

14. De tweede vraag waartoe het middel aanleiding geeft, is de vraag of het hof heeft kunnen oordelen dat de verdachte deze aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer welbewust heeft aanvaard. Overeenkomstig het door mij geciteerde oordeel van de Hoge Raad, heeft daarbij te gelden dat bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de dader de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

15. Ook in dit licht bezien acht ik ’s hofs oordeel niet onbegrijpelijk. In ’s hofs vaststellingen ligt besloten dat de verdachte op de hoogte was van de kwetsbaarheid van het slachtoffer, dat hij haar reeds ten val had gebracht door haar een duw te geven, dat hij haar (nadat zij weer was opgestaan) welbewust meermalen hard met zijn vuist in het gezicht heeft gestompt, en dat hij vervolgens volstrekt onverschillig stond tegenover de gevolgen van zijn handelen, terwijl de hiervoor bedoelde ‘contra-indicaties’ ontbreken. Sterker nog, de verdachte heeft het slachtoffer, terwijl hij zich, volgens zijn eigen verklaring tegenover de politie op 13 mei 2014, afvroeg of het slachtoffer bewusteloos of dood was, aan haar lot overgelaten, als gevolg waarvan de kans op het intreden van de dood nog eens toenam.

16. Het middel faalt.

17. Het tweede middel klaagt over de overschrijding van de redelijke termijn in de fase van cassatie. Daarbij wijst de steller van het middel met name op een overschrijding van de zogeheten ‘inzendtermijn’ (van zes maanden).

18. Namens de verdachte is op 15 september 2016 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 20 juli 2017 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dat brengt met zich dat de hier geldende inzendtermijn van zes maanden met ruim vier maanden is overschreden. Nu deze overschrijding van de inzendtermijn niet meer door een voortvarende behandeling van de zaak kan worden gecompenseerd, dient dit in beginsel te leiden tot strafvermindering.

19. Het eerste middel faalt. Het tweede middel slaagt.

20. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

21. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de hoogte van de opgelegde straf. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige dient het beroep te worden verworpen.

De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

A-G

1 Vgl. HR 29 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI4736, NJ 2010/117 m.nt. Keijzer; HR 18 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY5326, NJ 2013/55; HR 8 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1609 en HR 23 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2767, NJ 2014/430. Zie over de ‘aanmerkelijkheid’ van deze kans ook: D.J.C. Aben, ‘Gif, het verkeer, hiv en de dood: voorwaardelijk opzet’, in G.J.M. Corstens, Lord Mance e.a., 175 jaar Hoge Raad der Nederlanden. Bijdragen aan de samenleving, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2014, p. 60-84.

2 Aldus rov. 3.6 in HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, NJ 2003/552 m.nt. Buruma.