Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:453

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
20-03-2018
Datum publicatie
15-05-2018
Zaaknummer
16/04436
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:706
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

(Poging tot) diefstal bij bankfilialen. Art. 311 Sr. Falende bewijsklachten m.b.t. het “medeplegen” en het gebruik van schakelbewijs. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 16/03963, 16/03980 en 17/01023.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/04436

Zitting: 20 maart 2018

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 26 juli 2016, met vernietiging van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 10 december 2014, de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 5 bewezenverklaarde “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, meermalen gepleegd” en het onder 3 bewezenverklaarde “poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden met aftrek. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij ABN AMRO geheel en van [A] B.V. gedeeltelijk toegewezen en een daarmee overeenkomende schadevergoedingsmaatregel opgelegd, één en ander zoals in het bestreden arrest vermeld. Tot slot heeft het hof de tenuitvoerlegging van een eerder door de rechtbank Rotterdam opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes weken gelast.

  2. Er bestaat samenhang met de zaken 16/03963, 16/03980 en 17/01023. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

  4. Het eerste middel

4.1. Het middel klaagt dat het medeplegen wat betreft de onder bewezenverklaarde (poging tot) diefstallen niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

4.2. Ten laste van de verdachte heeft het hof onder 1, 2, 3 en 5 bewezenverklaard dat:

“1.

hij op 17 mei 2013 te Rijen, gemeente Gilze en Rijen, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een muntenautomaat heeft weggenomen een geldbedrag (6.359,20 euro), toebehorende aan een ander dan aan verdachte en zijn mededaders waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;

2.

hij op 13 mei 2013 te Harderwijk tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit muntenautomaten heeft weggenomen een geldbedrag (6.566,55 euro), toebehorende aan een ander dan aan verdachte en zijn mededaders, waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;

3.

hij op 27 mei 2013 te Oosterhout ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een bank weg te nemen geld, toebehorende aan een ander dan aan verdachte en zijn mededaders en zich daarbij de toegang tot die bank te verschaffen en dat weg te nemen geld onder hun bereik te brengen door middel van braak, met zijn mededaders, met voornoemd oogmerk,

- met een breekijzer een deur heeft geforceerd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”

5.

hij in de periode van 26 april 2013 tot en met 29 april te Tilburg, tezamen in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een muntenautomaat heeft weggenomen een geldbedrag (11.375 euro), toebehorende aan een ander dan aan verdachte en zijn mededaders, waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak.”

4.3. Ten aanzien van alle bewezenverklaarde feiten, heeft het hof als nadere overweging opgenomen:

“Er is onderzoek gedaan naar de verblijfplaats van de verdachte [verdachte]. Op basis van de door het hof gehanteerde bewijsmiddelen gaat het hof ervan uit dat hij, net als zijn broer, [medeverdachte 2], bij zijn moeder aan [a-straat] te Tilburg verbleef. Dat hij op een ander adres zou verblijven is onvoldoende onderbouwd en ook overigens niet aannemelijk geworden.”

4.4. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft het hof eveneens ten aanzien van alle bewezenverklaarde feiten, voor zover van belang, het volgende overwogen:

“De Skoda Fabia, gekentekend [AA-00-BB], staat op naam van de moeder van de verdachte [medeverdachte 1].

De Volkswagen Polo, gekentekend [CC-00-DD], staat op naam van de moeder van de verdachten [medeverdachte 2] en [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte]).”

4.5. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft het hof ten aanzien van feit 1, voor zover van belang, het volgende vastgesteld. Op 16 mei 2013 heeft medeverdachte [medeverdachte 1] samen met een andere man vier blauwe koevoeten aangeschaft, twee met een lengte van 51 en de andere twee met een lengte van 71 cm. In de nacht van 16 op 17 mei 2013 is in het kantoor van de ABN AMRO-bank in Rijen ingebroken door meerdere schuifdeuren te forceren, waarna een muntenautomaat middels een breekijzer is opengebroken en de daarin opgeborgen cassette met munten, tot een bedrag van €6.359,20, is leeggehaald. Op de camerabeelden die de diefstal hebben vastgelegd zijn twee personen te zien.

Voorts is vastgesteld dat de verdachte en zijn medeverdachten die nacht in twee auto’s zijn gesignaleerd. Uit de gegevens die door plaatsing van een peilbaken op de Skoda Fabia zijn verkregen, blijkt dat de auto op 16 mei 2013 langs de verschillende verblijfadressen van de verdachte en zijn medeverdachten is gereden. Daarna rijdt de auto naar drie verschillende tankstations in Tilburg en omstreken, waar steeds ook de Volkswagen Polo stopt en direct na de Skoda Fabia wegrijdt. Op de camerabeelden van de eerste twee tankstations is te zien dat de verdachte in de Volkswagen Polo zit. Voorts zijn de beide auto’s kort achter elkaar dezelfde ARS-camera’s gepasseerd en door verschillende gemeentes in de omgeving gereden, waarbij steeds korte stops zijn geregistreerd in de nabijheid van filialen van de ABN AMRO bank. Beide auto’s zijn in de vroege morgen van 17 mei 2013 in Rijen aangekomen. De peilbakengegevens van de Skoda Fabia wijzen uit dat dit voertuig tussen 03:06 en 04:12 uur heeft stilgestaan zeer in de buurt van het ABN AMRO filiaal alwaar die nacht is ingebroken. Omstreeks 04:22 heeft de Skoda Fabia, met daarin tenminste drie personen, de gemeente Rijen weer verlaten en is langs de verblijfadressen van de verdachte en zijn medeverdachten gereden.

Op het verblijfadres van de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] zijn op 11 juni 2013 twee zwarte trolleytassen aangetroffen met daarin drie blauwe breekijzers die naar hun uiterlijke verschijningsvormen overeenkomen met de eerder door [medeverdachte 1] aangeschafte breekijzers. Voorts vertonen de schoenen die de verdachte op de beelden van het eerste tankstation waar hij op 16 mei 2013 is gezien, gelijkenis met de schoenen van één van de personen die te zien is op de beelden van de diefstal bij het ABN AMRO filiaal op 17 mei 2013. Op het verblijfadres van medeverdachte [medeverdachte 4] zijn handschoenen aangetroffen die zeer grote gelijkenis vertonen met de handschoenen die te zien zijn op de beelden van de inbraak bij het ABN AMRO filiaal.

4.6. Het bestreden arrest bevat met betrekking tot het onder 1 bewezenverklaarde de volgende bewijsoverweging:

“Op basis van de bewijsmiddelen stelt het hof vast dat de verdachte en de drie medeverdachten met twee verschillende auto's (de Skoda Fabia en de Volkswagen Polo) naar Rijen zijn gereden. Na de inbraak, omstreeks 04.22 uur, is gezien dat er in de Skoda Fabia ten minste drie personen zaten. Uit peilbakengegevens blijkt dat de Skoda Fabia vervolgens stil heeft gestaan nabij de woningen van alle verdachten, dan wel in de nabije omgeving van die woningen heeft gereden. Op basis hiervan gaat het hof ervan uit dat alle vier de verdachten inzittende waren van de Skoda Fabia, op het moment dat deze na de inbraak van Rijen naar Tilburg reed.”

4.7. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft het hof ten aanzien van feit 2, voor zover van belang, het volgende vastgesteld. In de nacht van 12 op 13 mei 2013 is er in het filiaal van de ABN AMRO-bank in Harderwijk ingebroken door middel van het forceren van een raam met een breekvoorwerp, waarna de muntenautomaten geforceerd zijn en munten en biljetten zijn weggenomen tot een bedrag van €6.566,55. Op de camerabeelden is te zien dat twee personen zich met een zogenaamde tijgersluipgang voortbewegen over de grond, elk een tas voor zich uit schuivend.

Uit de peilbakengegevens blijkt dat de Skoda Fabia in de avond van 12 mei 2013 naar Harderwijk is gereden, na stilgestaan te hebben bij de verblijfadressen van de verschillende verdachten. Op het moment van de inbraak staat de auto stil op 200 meter van de plaats delict. Daarna wordt wederom stilgestaan op de verblijfadressen van de verschillende verdachten in de gemeente Tilburg. Uit ARS-gegevens blijkt dat de Volkswagen en de Skoda Fabia kort achter elkaar dezelfde camera’s gepasseerd zijn, zowel op de heenweg naar als op de terugweg vanaf Harderwijk.

Voorts is op 13 mei 2013 een bedrag van €553,01 aan muntgeld gestort op de rekening op naam van medeverdachte [medeverdachte 1]. Op de rekening van de moeder van de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] is rond dezelfde datum een bedrag van €563,50 aan muntgeld gestort. Daarnaast zijn in de woning van de twee laatstgenoemde verdachten bewijzen van aankopen op 13 mei 2013 aangetroffen, met een totale waarde van €2.154,00. Tot slot zijn de verdachten op 28 mei in een andere auto aangetroffen. Bij doorzoeking van die auto werd een briefje gevonden met daarop vier adressen van filialen c.q. pinautomaten van de ABN AMRO bank, waaronder het filiaal in Harderwijk waar de onder 2 tenlastegelegde inbraak heeft plaatsgevonden.

4.8. Voorts heeft het hof als nadere overweging met betrekking tot het onder 2 bewezenverklaarde het volgende opgenomen in de bewijsoverwegingen:

“Het hof stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat het bedrag aan muntgeld dat op de dag van de inbraak op de rekening van de verdachte [medeverdachte 1] is gestort ongeveer één vierde deel betreft van het bij de inbraak in Harderwijk weggenomen muntgeld. Ook het bedrag aan muntgeld dat een dag na de inbraak is gestort op de rekening van de moeder van de verdachten [medeverdachte 2 en 3] betreft ongeveer één vierde deel van het weggenomen muntgeld. Mede op basis hiervan gaat het hof ervan uit dat één van de beide verdachten [medeverdachte 2 en 3] de buit in bewaring aan zijn moeder heeft gegeven en dat de inbraak gelet op de verdeling van de buit door vieren ook door vier personen is gepleegd.

Het hof stelt voorts vast dat bij de onder 2 ten laste gelegde inbraak een werkwijze is gevolgd die opvallende gelijkenissen vertoont met de werkwijze die is gevolgd bij de onder 1 ten laste gelegde inbraak. Daarmee is er sprake van een overeenkomende modus operandi (bestaande uit het kraken van (een) muntenautoma(a)t(en) in een ABN-AMRO-filiaal, althans het aldaar buitmaken van (ook) (brief) geld). Daarnaast is het hof van oordeel dat de betrokkenheid van alle verdachten bij de onder 2 ten laste gelegde inbraak voldoende blijkt uit de door het hof gehanteerde bewijsmiddelen.

Gelet op het vorenstaande en alles afwegende gaat het hof ervan uit dat de onder 2 ten laste gelegde inbraak net als de onder 1 ten laste gelegde inbraak is gepleegd door de verdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [verdachte] en [medeverdachte 4]. Het hof acht een andere samenstelling van de groep niet aannemelijk.”

4.9. Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt ten aanzien van feit 3 voor zover van belang het volgende. In de nacht van 26 op 27 mei is een poging gedaan tot inbraak in een ABN AMRO filiaal in Oosterhout, door middel van het forceren van een metalen toegangsdeur met breekijzers. Op camerabeelden zijn drie personen te zien. Te zien is dat twee personen zich met een zogenaamde tijgersluipgang voortbewegen over de grond. Uit het pand is blijkens de aangifte niets weggenomen.

4.10. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft het hof ten aanzien van feit 5, voor zover van belang, het volgende vastgesteld. In de nacht van 25 op 26 april 2013 is in een filiaal van ABN AMRO in Tilburg ingebroken, door een raam te forceren met een breekwerktuig. Pas toen de politie naar binnen ging, is het alarm afgegaan. Uit een met geweld opengebroken muntroluitgifte automaat is een bedrag van €11.375,00 ontvreemd.

Op 29 april 2013 is een storting gedaan van munten van €1 en €2 op een rekening die op naam van de verdachte staat, tot een bedrag van €1.051,00. Op de rekening van de medeverdachte [medeverdachte 1] zijn soortgelijke stortingen gedaan, tot een bedrag van €1.294,00.

4.11. Voorts heeft het hof als nadere overweging met betrekking tot het onder 5 bewezenverklaarde het volgende opgenomen in de bewijsoverwegingen:

“Vastgesteld kan worden dat bij de onder 5 ten laste gelegde inbraak een werkwijze is gevolgd die opvallende gelijkenissen vertoont met de werkwijze die is gevolgd bij de onder 1 ten laste gelegde inbraak. Daarmee is er sprake van een overeenkomende modus operandi (bestaande uit het kraken van (een) muntenautoma(a)t(en) in een ABN-AMRO-filiaal, althans het aldaar buitmaken van (ook) (brief) geld). Daarnaast is het hof van oordeel dat de betrokkenheid van de verdachten [medeverdachte 1] en [verdachte] bij de onder 5 ten laste gelegde inbraak voldoende blijkt uit de door het hof gehanteerde bewijsmiddelen (de geldstortingen op de dag van de inbraak).

Gelet op het vorenstaande en alles afwegende acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachten [medeverdachte 1] en [verdachte] zich samen schuldig hebben gemaakt aan de onder 5 ten laste gelegde inbraak.”

4.12. Tot slot heeft het hof een algemene overweging ten aanzien van alle bewezenverklaarde feiten opgenomen:

“Op basis van de inhoud van de door het hof gehanteerde bewijsmiddelen stelt het hof vast dat - anders dan door de verdediging is gesteld - met betrekking tot de onder 1 tot en met 3 en 5 bewezen verklaarde feiten een voldoende nauwe en bewuste samenwerking heeft bestaan tussen de verschillende verdachten, zodat van medeplegen kan worden gesproken, althans van tezamen en in vereniging begane feiten als bedoeld in art. 311 lid 1 sub 4 Wetboek van Strafrecht.”

4.13. Voor medeplegen is vereist dat kan worden gesproken van bewuste en nauwe samenwerking.1 Niet vereist is dat alle medeplegers uitvoeringshandelingen verrichten en evenmin dat in een bewezenverklaring naar aanleiding van een op medeplegen toegespitste tenlastelegging wordt vermeld of en zo ja welke feitelijke handelingen door een verdachte dan wel zijn mededader(s) zijn verricht. Wel moet de samenwerking intensief zijn, om medeplegen te kunnen onderscheiden van medeplichtigheid.2 De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is, hetgeen op vergelijkbare wijze geldt indien medeplegen als bestanddeel, bijvoorbeeld “in vereniging”, is opgenomen in de delictsomschrijving.3 De vraag wanneer sprake is van een samenwerking die zo nauw en bewust is geweest dat gesproken kan worden van medeplegen, laat zich niet in algemene zin beantwoorden en vergt een beoordeling van het concrete geval. De toetsing in cassatie wordt sterk gekleurd door de bewijsvoering van de feitenrechter en diens eventuele nadere motivering op de kwalificatie als medeplegen.4 Met name in situaties waarin het medeplegen niet, zoals in de regel, wordt geleverd in de vorm van gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, als wel in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit, dient de bewijsvoering aandacht te besteden aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt dat van medeplegen kan worden gesproken. In het bijzonder dient aandacht uit te gaan naar de bijdrage van de verdachte en in hoeverre deze van voldoende gewicht is geweest om die kwalificatie te rechtvaardigen.5

4.14. Als eerste deelklacht is aangevoerd dat uit de door het hof gehanteerde bewijsmiddelen in het bijzonder niet volgen dat verdachte dermate nauw en volledig met de medeverdachten heeft samengewerkt dat er sprake is van medeplegen. In de toelichting op het middel voert de steller ten aanzien van feit 1 aan dat de auto die korte tijd heeft stilgestaan bij het ABN AMRO filiaal en waarin ten minste drie personen zijn gesignaleerd, een andere auto betreft dan die waarin verdachte zich eerder bevond. Dat gegeven maakt de bewijsconstructie van het hof echter niet onbegrijpelijk, aangezien de vier verdachten verdeeld over twee kort op elkaar rijdende auto’s op weg waren gegaan naar de ‘plaats delict’ en niet gezegd kan worden dat dit voor de terugweg net zo zou moeten gelden. Voorst kan het stilstaan van die auto voor de verblijfplaats van de verdachte volgens de steller van het middel niet redengevend worden geacht voor het oordeel dat alle vier de verdachten in de auto zaten, omdat er ook een medeverdachte op datzelfde adres woonachtig was. Daaromtrent merk ik op dat het hof dit bewijsmiddel wel redengevend kon achten voor de bewezenverklaring. Onbegrijpelijk is de vaststelling dat de vier medeverdachten zich in de auto bevonden niet. Ook wordt gerefereerd aan het in tweede aanleg gevoerde verweer van de verdediging, waaruit blijkt dat de diefstal door twee personen is gepleegd. Daarmee miskent de steller van het middel dat bij medeplegen niet is vereist dat de uitvoeringshandelingen van het delict door alle mededaders zijn verricht. Hoe dan ook, vastgesteld is door het hof dat de schoenen die de verdachte op de beelden van het eerste tankstation waar hij op 16 mei 2013 is gezien droeg, gelijkenis vertonen met de schoenen van één van die personen die te zien is op de beelden van de diefstal bij het ABN AMRO filiaal op 17 mei 2013.6 De bijdrage van verdachte aan de gemeenschappelijke uitvoering van het betreffende delict kan reeds daaruit volgen. Onbegrijpelijk is ’s hofs oordeel dus niet.

4.15. Als tweede deelklacht heeft de steller blijkens de toelichting op het middel willen klagen over het gebruik van schakelbewijs door het hof om tot bewezenverklaring van, naar ik begrijp, feit 2 en 5 te komen. De gehanteerde modus operandi vertoont volgens de steller dermate weinig specifieke kenmerken dat de bewijsmotivering van het hof tekortschiet, wat maakt dat de bewezenverklaringen onvoldoende met redenen zijn omkleed.

4.16. Van schakelbewijs is sprake wanneer de rechter het bewijs van de tenlastegelegde strafbare feiten mede doet steunen op specifieke en kenmerkende gelijkenissen met een ander, soortgelijk strafbaar feit dat door de verdachte is begaan.7 De handelingen die ten grondslag liggen aan het te bewijzen feit en de andere feiten dienen een zo grote overeenkomst te vertonen dat het bewijs van het eerste feit mag worden afgeleid uit de overeenkomst met de andere feiten. Het is de gelijksoortige modus operandi die het zeer waarschijnlijk maakt dat het te bewijzen feit zich op dezelfde wijze voltrokken heeft als de reeds bewezen feiten.8 Er dient sprake te zijn van een werkwijze die op essentiële punten overeenkomt met het reeds bewezenverklaarde feit.9 Hoe specifieker en typerender de modus operandi, des te kleiner is de kans dat een ander dan de verdachte op soortgelijke wijze heeft gehandeld.10 Onlangs overwoog mijn ambtgenoot Keulen dat het een verschil kan maken of het bewijs van daderschap in de kern op schakelbewijs berust en het in een zodanig geval in de rede ligt strenge eisen te stellen aan de specificiteit van de modus operandi.11

4.17. De vaststelling van het hof dat de wijze van opereren bij de bewezenverklaarde inbraken kenmerkende overeenkomsten vertoont acht ik geenszins onbegrijpelijk. Voorts volgt in het onderhavige geval het daderschap van de verdachte, gelet op hetgeen in het voorgaande is besproken, in aanmerkelijke mate uit andere bewijsmiddelen, waardoor er geen reden is om aan te nemen dat strengere eisen worden gesteld aan de specificiteit van de modus operandi. De tweede deelklacht faalt.

4.18. Het oordeel van het hof dat de bijdrage van de verdachte aan de bewezenverklaarde feiten van voldoende gewicht is en dat derhalve sprake is geweest van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn mededaders, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is, gelet op hetgeen het hof heeft vastgesteld ten aanzien van de bijdrage van de verdachte in de vorm van verscheidene gedragingen voorafgaand, tijdens en na het bewezenverklaarde feit, niet ontoereikend gemotiveerd.

4.19. Het middel faalt en kan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering worden afgedaan.

5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 24 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6581, rov. 2.3.

2 HR 6 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9905, rov. 3.4.

3 HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, rov. 3.2.1; HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716, rov. 3.2.2.

4 HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1321.

5 HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474; HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716, rov. 3.2.3, zie ook HR 31 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2799, rov. 3.3 en 3.5.

6 Zie de vaststelling van het hof in de bijlage inhoudende de bewijsmiddelen onder 16.

7 G.J.M. Corstens, Het Nederlands Strafprocesrecht, Deventer: Kluwer 2014, p. 806; B. de Wilde, ‘Schakelconstructies in bewijsmotiveringen’, DD 2009, p. 563-588.

8 Vgl. mijn ambtgenoot Vegter in zijn conclusie van 16 september 2014, ECLI:NL:PHR:2014:2083.

9 HR 15 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB5370, NJ 2008/61.

10 Vgl. mijn conclusie van 7 juni 2016, ECLI:NL:PHR:2016:731, onder 3.9.

11 Conclusie van 28 november 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1288, onder 59, zie het bijbehorende arrest HR 20 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:237, rov. 2.3.