Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:447

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
15-05-2018
Datum publicatie
15-05-2018
Zaaknummer
17/02923
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:988
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie plv. AG. Doodslag door schietpartij bij winkelcentrum in Breda waarbij leden van een motorclub betrokken zijn. Art. 287 Sr. Middelen over 1. betrouwbaarheid van de verklaringen van een getuige – de broer van het slachtoffer – en 2. (putatief) noodweer(exces). De plv. AG stelt zich op het standpunt dat het beroep in cassatie dient te worden verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/02923

Zitting: 15 mei 2018 (bij vervroeging)

Mr. D.J.M.W. Paridaens

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 23 mei 2017 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens 1. (impliciet) subsidiair “doodslag” en 2. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr. Daarnaast heeft het hof een beslissing genomen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals nader in het arrest omschreven.

  2. Namens de verdachte is cassatie ingesteld en mr. R.J. Baumgardt en mr. P. van Dongen, advocaten te Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het op 1 juni 2017 onbeperkt ingestelde cassatieberoep is op 13 april 2018 partieel ingetrokken ten aanzien van het onder 1. (impliciet) primair tenlastegelegde medeplegen van moord op [slachtoffer] , waarvan het hof de verdachte heeft vrijgesproken. Deze beperking is op grond van art. 429 Sv en gelet op HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA1610 toelaatbaar.1 Het beroep is gelet op art. 4.4.2 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden tijdig (partieel) ingetrokken.2

4. Het gaat in deze zaak om een vecht- en schietpartij op klaarlichte dag bij een winkelcentrum in Breda, waarbij onder meer verschillende leden van motorclub Satudarah betrokken waren. [slachtoffer] (hierna ook: het slachtoffer en [slachtoffer] ) is bij deze gebeurtenis neergeschoten en is diezelfde dag in het ziekenhuis komen te overlijden. Het hof heeft de verdachte veroordeeld voor doodslag op [slachtoffer] en voor het voorhanden hebben van een pistool en munitie. Niet ter discussie staat dat het de verdachte is geweest die de schoten op het slachtoffer heeft afgevuurd.

5. Beide cassatiemiddelen houden verband met de onder 1. impliciet subsidiair bewezenverklaarde doodslag. In het bijzonder richten de cassatiemiddelen zich op het oordeel van het hof inzake de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring van de broer van het slachtoffer, [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ), de daarop gebaseerde feitelijke vaststellingen door het hof en – in het verlengde daarvan – de vraag of de verdachte een beroep toekomt op (putatief) noodweer(exces).

6. Voor een goed begrip van de zaak neem ik hierna uit het arrest over de bevindingen en verklaringen in de zaak, zoals die volgens het hof uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting naar voren komen:

“i.

Op vrijdag 3 april 2015, omstreeks 13.50 uur, kwamen bij de centrale meldkamer van de politie en bij 112 meldingen binnen van een schietpartij op het parkeerterrein bij winkelcentrum Tuinzigt aan de Cypresstraat in Breda (p. 59-75).

Om 13.57 uur arriveerde de politie (p. 735) en trof in het tweede parkeervak aan de rechterzijde van het parkeerterrein, gezien vanaf de Acaciastraat, een manspersoon aan tussen twee geparkeerde voertuigen, liggend op zijn rug (p. 759). Aan deze man werd eerste hulp verleend door een omstander. Het slachtoffer werd naar het ziekenhuis vervoerd, alwaar hij omstreeks 16.22 uur is overleden als gevolg van verwikkelingen van meerdere, bij leven opgelopen schotverwondingen (p. 719).

Het slachtoffer betrof [slachtoffer] .

Uit het sectierapport bleek het volgende:

Bij sectie waren er als gevolg van bij leven opgelopen uitwendig inwerkend perforerend geweld circa 27 perforaties met het aspect van schotverwondingen (p. 723). Bij sectie werden 3 doorschoten door de romp gezien waarvan er twee buiten de buik- en borstholte verliepen. Het derde schotkanaal verliep door de buikholte en daarbij waren onder andere een grote darmslagader en de dunne darm geraakt. Er was daarnaast een inschot in de borstwand links met een schotkanaal naar een projectiel naast de halswervelkolom met verbrijzelen van het linkersleutelbeen en verscheuren van de daarachter gelegen bloedvaten. Er waren doorschoten door weke delen van de linkerflank/heup, de linkerlies en het linkerbovenbeen, de linkeronderarm en de linkerbovenarm, deels het gevolg van ricochetverwondingen. Het overlijden wordt door het massale bloedverlies en de daardoor opgetreden weefselschade zondermeer verklaard. Er was, waarschijnlijk door uitwendig inwerkend botsend geweld tegen de mond, een verwonding aan de lippen en de kaakwal. Deze kan ontstaan zijn door bijvoorbeeld een val, en slag of stoot tegen de mond, aldus het sectierapport (p. 723).

ii.

In de nabijheid van de plaats waar het slachtoffer werd aangetroffen, is sporenonderzoek verricht: er zijn tien hulzen aangetroffen, op grond waarvan de politie heeft geconcludeerd dat er minimaal tien keer is geschoten met een pistool van het kaliber 9 mm Luger. In de onmiddellijke nabijheid van het slachtoffer zijn een machete en een houthakkersbijl aangetroffen (p. 26, Map 1 proces-verbaal Forensisch Onderzoek; p. 759; foto’s p. 747, 753- 755).

iii.

Kort na de melding van de schietpartij kwam een melding bij de politie binnen dat op de [a-straat 1] te Breda een man aan het doordraaien was (p. 92). De politie (p. 93) treft op dat adres [betrokkene 1] aan, die overstuur was en hyperventileerde en schreeuwde dat zijn broer [slachtoffer] was neergeschoten door de Satudarah. Volgens zijn moeder (p. 95) had [betrokkene 1] ( [betrokkene 1] ) de deur van de kelder ingeslagen, zat hij als een baby te huilen en zat hij onder zijn eigen uitwerpselen.

iv.

Op vrijdag 3 april 2015, omstreeks 14:07 uur arriveerde bij het Amphia Ziekenhuis, locatie Molengracht, in Breda een rode Mini Cooper bij de afdeling Spoedeisende Hulp met daarin twee personen (p. 784, 785, 788). Uit de auto stapte een man met een kledingstuk om zijn hoofd gewikkeld (p. 786), welke man door de politie is herkend als verdachte. De Mini Cooper reed gelijk weg.

De politie werd door het medisch personeel van de afdeling Spoedeisende Hulp in de gelegenheid gesteld de patiënt naar zijn naam te vragen. Hij gaf aan verbalisant [verbalisant] op te zijn: [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1980. Verdachte moest op een verpleegafdeling wachten op een operatie, waarna hij op 3 april 2015 te 19.45 werd overgebracht naar de operatiekamer. Verdachte had een wond van ongeveer 9 centimeter lengte boven op zijn hoofd, die liep van de voorzijde naar de achterzijde van zijn hoofd. Daarnaast had verdachte een diepe wond achterop zijn hoofd tot op het schedelbot van ongeveer 15 centimeter lang (p. 774-775).

v.

Getuigen die in en rondom het winkelcentrum aanwezig waren hebben het volgende waargenomen.

Getuige [getuige 1] heeft verklaard op 3 april 2015, zakelijk weergegeven:

- dat zijn zoontje in de richting van The Read Shop liep;

- dat hij een man ziet aankomen, het latere slachtoffer (p. 1063);

- dat, toen hij het slachtoffer voor het eerst zag, het slachtoffer alleen was;

- dat er iets werd gezegd tegen hem en dat het latere slachtoffer een klap op zijn hoofd kreeg door een man;

- dat hij een gebalde vuist zag;

- dat het slachtoffer vervolgens terug zwalkte;

- dat het slachtoffer een mes pakte en direct omhoog ging met dat mes; (p. 1065)

- dat hij zich toen focuste op zijn zoontje;

- dat, toen hij bij zijn zoontje kwam, de confrontatie weer begonnen was;

- dat ze naast een auto op elkaar aan het inslaan waren;

- dat hij toen zijn zoontje The Read Shop heeft ingeduwd;

- dat hij in de tussentijd zag dat ze probeerden te slaan;

- dat hij iemand een hakbijl omhoog zag heffen;

- dat deze persoon bewust met de achterkant, de stompe kant van de hakbijl sloeg op het hoofd van de ander;

- dat er drie of vier personen in het groepje waren die ruzie hadden; dat hij perfect zicht had op wat er gebeurde en alles direct zag gebeuren;

- dat hij schoten hoorde (p. 1066);

- dat het meteen achter elkaar ging, tik, tik, tik, tik, tik, het kan vijf of zes keer zijn geweest.

Getuige [getuige 2] heeft verklaard op 3 april 2015, zakelijk weergegeven:

- dat zij achter de kassa werkzaam was bij de Wibra en buiten mannen hoorde schreeuwen;

- dat een klant zei “hij heeft een bijl vast”, en dat zij zich daarna pas omdraaide (p. 999);

- dat zij zag dat een blanke man, van wie zij de achterkant zag, met een bijl sloeg op een forsere man (p. 1000);

- dat de forsere man een hanenkam-achtig kapsel had, zijkanten geschoren, een grotere bredere neus, donkere ogen en een bruinkleurige huidskleur had;

- dat er nog meer mensen bij stonden, ook van die daders, in een groepje;

- dat ze een donkere en een licht getinte man heeft gezien;

- dat de blanke mannen gevlucht waren toen de donkere man zijn pistool pakte;

- dat de donkere man met de hanenkam het pistool pakte;

- dat ze heeft gezien dat het pistool zwart was;

- dat de man met de bijl vervolgens is weggevlucht, waarbij zij hem de parkeerplaats zag uitrennen (p. 1001, 1002);

- dat er, toen de donkere man het pistool had gepakt, nog ‘eentje’ stond, die man die werd neergeschoten;

- dat vlak naast de man met de hanenkam die licht getinte man stond;

- dat de donkere man met de hanenkam toen een aantal keren schoot tegen de blanke man, niet de man met de bijl (p. 1001);

- dat ze zich heeft omgedraaid toen er op de man werd geschoten;

- dat de donkere mannen gewoon wegliepen, ze waren niet eens aan het rennen, alsof het doodnormaal was (p. 999).

Getuige [getuige 3] heeft verklaard op 3 april 2015, zakelijk weergegeven:

- dat hij aan het werk was in zijn bloemenspeciaalzaak gelegen in het winkelcentrum Tuinzigt;

- dat hij ineens 5 of 6 knallen hoorde (p. 1014);

- dat hij daarop naar buiten is gerend;

- dat hij ter hoogte van The Read Shop ineens vier mannen zag weglopen ter hoogte van de Wibra (p. 1014);

- dat hij goed zicht had op de mannen;

- dat de mannen een getinte huidskleur hadden;

- dat hij zag dat “man 1” een gezet postuur had en dat zijn hoofd onder het bloed zat;

- dat hij zag dat “man 1” een zwart vuurwapen in zijn rechterhand had;

- dat de vier mannen bij de Wibra de hoek omgingen;

- dat de bebloede man richting de Mini Cooper liep, die ter hoogte van een flat/cafetaria stond aan de Acaciastraat te Breda.

Getuige [getuige 4] heeft verklaard op 3 en 7 april 2015, zakelijk weergegeven:

- dat hij voor het raam stond om te kijken of de camera van zijn GSM het deed;

- dat hij toen ineens iemand met een blaffer meerdere keren zag schieten;

- dat hij een man 5 of 6 keer zag schieten (p. 1016 en 1019);

- dat hij zag dat de man die had geschoten rustig in de richting van de Wibra liep, in de richting van Acaciastraat (p. 1019);

- dat er nog een ander jonger persoon was en zeker nog een derde persoon was (p. 1019);

- dat ze heel rustig langs de Wibra wegliepen (p. 1016).

Getuige [getuige 5] heeft verklaard op 3 april 2015, zakelijk weergegeven:

- dat hij aan het werk was in The Read Shop aan de Cypresstraat in Breda;

- dat hij 4 of 5 schoten hoorde;

- dat hij naar buiten liep en zag dat een getinte man met bebloed hoofd werd ondersteund door twee andere mannen;

- dat ze langs de Wibra, de winkel die naast zijn winkel zit, liepen en na de Wibra de hoek om gingen, rechtsaf de Acaciastraat in (p. 1029).

Getuige [getuige 6] heeft verklaard op 3 april 2015, zakelijk weergegeven:

- dat hij naar de man (het hof begrijpt: het slachtoffer) is toegerend;

- dat de man op zijn zij lag met zijn hoofd op de grond;

- dat hij de wond in de lies heeft dichtgeknepen en zag dat links van het slachtoffer een groot mes lag en ook een bijl, en dat er om hem heen hulzen lagen (p. 1045).

Getuige [getuige 7] heeft verklaard op 3 april 2015, zakelijk weergegeven:

- dat zij achter in de Wibra (waar zij werkt) was en toen iets hoorde wat leek op klapvuurwerk (p. 1049-1051);

- dat zij wel vier of vijf keer heel snel achter elkaar iets hoorde knallen;

- dat het misschien wel binnen een seconde zou kunnen zijn, zo snel;

- dat zij toen in een snel tempo naar voren is gelopen, met haar blik naar voren gericht en zij keek in de richting van de parkeerplaats;

- dat zij toen twee mannen vanaf de parkeerplaats haar kant op zag komen en die mannen op het moment dat zij ze zag net de stoep op liepen;

- dat de mannen naast elkaar liepen, bijna tegen elkaar aan, in een heel rustig tempo het hoekje om bij de Wibra en een klein stukje voor de Wibra langs liepen;

- dat man 1 een rond hoofd had, een donkere melkchocoladekleurige huid en dat zij zag dat de man (alleen) bloed op zijn hoofd had en niet in zijn gezicht (p. 1051);

- dat man 2 iets getinter van huidskleur was, maar wel lichter dan man 1;

- dat zij denkt dat de afstand tussen haar en de twee mannen op zijn kleinst één meter was, dat zij voor aan kwam en dat man 1 haar toen recht aankeek;

- dat de blik van man 1 eruit zag alsof hij vond dat hij ‘het goed gedaan had’.

Getuige [getuige 8] heeft verklaard op 4 april 2015, zakelijk weergegeven:

- dat zij op de achtergrond geruzie van een groep hoorde en zag dat mensen keken in de richting waar dat geluid vandaan kwam;

- dat zij knallen hoorde (p. 1072), zes, in het tempo bam, bamerdebambamerdebam, bam, kort achter elkaar;

- dat zij hoorde dat er iemand neerviel en hoorde dat iemand pijn had.

Getuige [getuige 9] heeft verklaard op 4 april 2015, zakelijk weergegeven:

- dat zij schoten hoorde, 5 of 6 knallen kort achter elkaar, een seconde er tussen (p. 1078);

- dat zij gelijk naar de voorzijde van haar woning is gelopen en drie mannen zag;

- dat zij de mannen voor het eerst zag toen ze tussen de telefooncellen en de Wibra liepen en binnen een paar seconden uit haar zicht verdwenen, omdat de mannen de Acaciastraat inliepen richting of langs de Wibra.

Getuige [getuige 10] heeft verklaard op 4 april 2015, zakelijk weergegeven:

- dat hij 5 schoten hoorde, alle schoten binnen 10 tellen (p. 1085);

- dat hij jongens zag weglopen, het was geen rennen;

- dat één van de jongens, met een mat lichtbruin suède jasje, naar zijn idee een soort sprongetje maakte;

- dat ze samen wegliepen en een baldadige indruk maakten;

- dat ze liepen over het parkeerterrein waar het slachtoffer lag in de richting van de Wibra (p. 1086);

- dat ze met z’n vieren of vijven waren;

- dat hij heeft gewacht tot de jongens bij de Wibra de hoek om waren en hen niet meer zag;

- dat hij, nadat hij uit zijn auto was gestapt, een man zag liggen in een parkeervak op het parkeerterrein en zag dat bij het slachtoffer op de grond een bijl en een mes, een soort machete, zag liggen;

- dat hij het mes met zijn voet iets van 30 cm heeft verder geduwd (p. 1085).

Getuige [getuige 11] heeft verklaard op 8 april 2015, zakelijk weergegeven:

- dat zij kort na elkaar vier a vijf knallen hoorde (p. 1092);

- dat zij toen is gaan kijken en vanaf haar balkon drie mannen zag staan op de parkeerplaats op de tweede rij met parkeervakken;

- dat zij verder geen andere mensen zag op de parkeerplaats;

- dat de mannen rustig wegliepen richting de Wibra en de hoek omgingen, de Acaciastraat in.

vi.

[betrokkene 1] , de broer van [slachtoffer] , heeft verklaard, zakelijk weergegeven:

- dat [slachtoffer] donderdagnacht gebeld werd door zijn ex-vriendin [betrokkene 2] dat er problemen waren (p. 191);

- dat [slachtoffer] en hij naar [betrokkene 2] toe zijn gegaan;

- dat [betrokkene 2] zei dat ze misbruikt en verkracht was en als namen noemde [betrokkene 3] en Satudarah;

- dat [slachtoffer] vertelde dat hij bij de Jumbo had afgesproken om te praten over wat er met [betrokkene 2] was gebeurd (p. 204);

- dat ze ernaartoe gingen, daar geparkeerd stonden en nog even hebben zitten praten; dat [slachtoffer] is uitgestapt, een minuut of vijf heeft rondgelopen en toen bij de rode brievenbus is gaan staan (p. 205);

- dat hij nog is gaan pinnen;

- dat hij [slachtoffer] vervolgens vanuit de auto in de gaten heeft gehouden;

- dat er een eerste man kwam aangelopen en vrijwel gelijk een tweede;

- de grootste man naast [slachtoffer] ging staan (getint met een dik hoofd, opgeschoren haar);

- de tweede man was slank, Indo of Molukker;

- dat het gesprek begon tussen [slachtoffer] en man 1;

- dat hij man 1 ineens loeihard zag uithalen naar [slachtoffer] , een doodsklap;

- dat hij [slachtoffer] zag wankelen, achteruit zag gaan;

- dat [slachtoffer] van man 2 vrijwel gelijk een klap op zijn gezicht kreeg;

- dat [slachtoffer] ondertussen iets meer naar achteren was gekomen en man 1 hem nog een keer voluit heeft geslagen;

- dat man 3 kwam aanrennen en al rennend [slachtoffer] sloeg;

- dat hij zijn broer moest beschermen omdat hij dacht dat ze hem dood zouden slaan, dat hij moest ingrijpen;

- dat hij uit de auto is gestapt, een bijl uit de auto heeft gepakt en in de richting van [slachtoffer] is gerend;

- dat ze zich verplaatsten en toen schuin voor zijn auto, de Berlingo, stonden;

- dat man 1 weer richting [slachtoffer] ging, en dat hij toen de eerste slag heeft gegeven;

- dat hij de bijl bewust had omgedraaid (p. 207), met de platte kant;

- dat hij dacht dat hij toen man 1 niet had geraakt (p. 220);

- dat hij zag dat [slachtoffer] werd geslagen door de twee andere mannen;

- dat toen hij richting man 1 sloeg [slachtoffer] wegrende, de andere kant op en man 1 door die slag meer van [slachtoffer] vandaan ging;

- dat man 1 weer richting [slachtoffer] rende en dat hij mee rende;

- wanneer man 1 bijna bij [slachtoffer] is hij hem nog een slag heeft gegeven, halverwege de parkeerplaats, en dat hij hem raakte;

- dat de bijl toen op de grond viel (p. 208);

- dat de andere twee mannen waren mee gerend en dat iemand, een indo-type, de bijl pakte en daarmee richting [slachtoffer] rende;

- dat hij zich van de plaats heeft verwijderd, omdat hij wanhopig was;

- dat hij machteloos was, vanaf het moment dat de bijl was gepakt (p. 259);

- dat hij nog een keer heeft omgekeken en zag dat [slachtoffer] op dezelfde plek stond en dat de man met de bijl bij hem stond;

- dat hij man 1 zag staan en zag dat hij in zijn rechterhand iets zwarts had, waarvan hij toen nog niet besefte dat het een wapen was en dat hij zag dat man 1 op [slachtoffer] richtte (p 221);

- dat hij schoten hoorde;

- dat hij na de schoten de mannen bij de Wibra de hoek om zag gaan (p. 208);

- dat hij vreugdekreten hoorde, dat hij zag dat er eentje een beetje aan het springen was;

- dat [slachtoffer] een mes bij zich had (p. 218);

- dat [slachtoffer] dat mes had meegenomen omdat hij daarmee eerder de banden van de auto van de zus van [betrokkene 2] , [betrokkene 4] (het hof begrijpt: [betrokkene 4]), had lekgestoken (p. 220);

- [betrokkene 2] had gezegd dat ze bang was van [betrokkene 3] en Satudarah en dat dat de reden was dat [slachtoffer] de banden had lekgestoken (p. 230).

vii.

Getuige [betrokkene 4] (p. 1169) heeft verklaard, zakelijk weergegeven:

- dat haar vriend [betrokkene 3] naar Spanje was gegaan voor een feest van Satudarah;

- dat [betrokkene 3] haar had gebeld dat er iemand zou komen voor de banden; (het hof begrijpt: om hulp te bieden bij de lek gestoken banden)

- dat die man is gekomen (het hof begrijpt: verdachte);

- dat zij met die vriend van [betrokkene 3] naar de woning van haar moeder is gelopen;

- dat haar vader aan de telefoon zat met [slachtoffer] ;

- dat die vriend het gesprek overnam en dat ze ergens afspraken;

- dat [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) vroeg aan [slachtoffer] naar het Hollands Koffiehuis te komen;

- dat [slachtoffer] dat niet wilde en [slachtoffer] toen de naam Jumbo zei en dat was oké (p. 1180).

viii.

Verdachte heeft zich na zijn aanhouding aanvankelijk beroepen op zijn zwijgrecht en heeft eerst op 10 februari 2016, ten overstaan van de politie, een verklaring afgelegd; voorts heeft hij ter terechtzitting in eerste aanleg op 20 juni 2016 en ter terechtzitting in hoger beroep op 11 april 2017 over de verdenkingen verklaard.

Uit de verklaringen komt het volgende naar voren, zakelijk weergegeven:

- dat hij de Roadcaptain is bij Satudarah, en bepaalt waar iedereen (het hof begrijpt: van de motorclub) heen gaat;

- dat hij was gevraagd om de vriendin van [betrokkene 3] , [betrokkene 4] , te helpen met lekke banden;

- dat hij bij de vader van [betrokkene 4] door de telefoon heeft gezegd tegen [slachtoffer] dat hij [verdachte] was en of ze elkaar konden zien;

- dat ze bij de Jumbo afspraken in winkelcentrum Tuinzigt;

- dat ze met zijn zessen er heen gingen, in een Mercedes en een rode Mini;

- dat [betrokkene 5] (het hof begrijpt: [betrokkene 5] ), [betrokkene 6] (het hof begrijpt: [betrokkene 6]) en [betrokkene 7] (het hof begrijpt: [betrokkene 7]) binnendoor het winkelcentrum in gingen;

- dat hij met [betrokkene 8] (het hof begrijpt: [betrokkene 8] ) en [betrokkene 9] (het hof begrijpt: [betrokkene 9]) buitenom ging;

- dat hij iemand zag staan wachten en dat hij naar [slachtoffer] toe liep, die een gebaar maakte van: “wij hebben een afspraak”;

- dat hij op [slachtoffer] afliep, een hand gaf en vroeg wat er gebeurd was;

- dat [slachtoffer] zag dat er jongens stonden op de hoek en vroeg of die bij hem, verdachte, hoorden;

- dat hij dat bevestigde en dat [slachtoffer] toen omsloeg;

- dat [slachtoffer] wilde uithalen maar dat hij sneller was en hem een hoekstoot gaf op zijn gezicht met de vuist van zijn rechterhand;

- dat [slachtoffer] een paar passen achteruit stapte, zich omdraaide en wegliep;

- dat [slachtoffer] zich weer omdraaide en op hem afkwam en dat [slachtoffer] zijn hand in zijn zak deed;

- dat hij toen achteruit is gegaan om ruimte te creëren;

- dat hij viel over de stoep of een parkeerbol;

- dat hij op de grond lag en ging zitten om overeind te komen;

- dat hij vanuit zijn ooghoek zag dat er iemand vanaf links aan kwam rennen die een hakbeweging maakte met een bijl, van boven naar beneden;

- dat hij die klap heeft ontweken, niks voelde en zodoende wist dat die had gemist;

- dat degene met de bijl eerder bij hem was dan [slachtoffer] , die toen al op hem afgerend kwam;

- dat [slachtoffer] al rennend uithaalde met een mes en dat dat raak was en dat [slachtoffer] doorrende;

- dat, toen [slachtoffer] met het mes naar beneden sloeg, hij (het hof begrijpt: verdachte) zat;

- dat hij gelijk het bloed voelde stromen;

- dat hij toen een klap boven op zijn hoofd met die bijl kreeg die raak was;

- dat hij pijn voelde, ook voelde dat het open sprong;

- dat hij toen nog steeds laag was, met zijn billen op de grond zat;

- dat hij op de grond lag en overeind probeerde te komen;

- dat hij pijn had, bang was en in paniek;

- dat hij zag dat [slachtoffer] , die hem eerder voorbij was gerend, weer op hem af kwam;

- dat hij zijn wapen uit zijn jaszak heeft gepakt toen hij nog op de grond zat en [slachtoffer] op hem afkwam;

- dat hij het wapen heeft doorgeladen en heeft geschoten;

- dat hij vanuit een zittende positie een keer of vier schoot;

- dat [slachtoffer] is omgedraaid en weggerend;

- dat hij ondertussen was opgestaan;

- dat [slachtoffer] viel, met zijn rug naar hem toe, en dat het mes uit zijn hand viel;

- dat hij zag dat [slachtoffer] naar het mes kroop;

- dat hij opstond en een of twee passen deed om zijn balans te vinden, naar voren toe, naar [slachtoffer] toe;

- dat [slachtoffer] naar het mes kroop en dat hij toen heeft geschoten totdat [slachtoffer] niet meer kroop;

- dat hij denkt dat er ongeveer vijf of zes meter tussen hem en [slachtoffer] was;

- dat hij heeft besloten om voor een tweede keer te schieten op [slachtoffer] omdat hij zag dat [slachtoffer] het mes wilde pakken en dat er jongens bij hem in de buurt stonden;

- dat hij het wapen onderweg naar het ziekenhuis in de rivier heeft gegooid.

ix.

Door de rechter-commissaris zijn op verzoek van de verdediging op 15 en 22 april 2016 [betrokkene 8] , [betrokkene 6] , [betrokkene 5] , [betrokkene 9] en [betrokkene 7] als getuigen gehoord.

De getuigen [betrokkene 6] en [betrokkene 9] hebben zich op hun verschoningsrecht beroepen.

[betrokkene 8] heeft, zakelijk weergegeven, verklaard:

- dat hij met [verdachte] en [betrokkene 9] (het hof begrijpt: [betrokkene 9] ) buitenom ging over de stoep;

- dat aangekomen bij het winkelcentrum op de hoek van de Wibra [verdachte] tegen hem en [betrokkene 9] zei: “wacht maar even”;

- dat hij daar een man zag staan en [verdachte] naar die man toeliep;

- dat de man en [verdachte] tegenover elkaar stonden;

- dat hij zag dat [verdachte] de man een hand gaf;

- dat de man op een gegeven moment uithaalde naar [verdachte] ;

- dat de klap niet raak was;

- dat [verdachte] reageerde door de man in het gezicht te slaan;

- dat de man een paar passen naar achteren deed en vervolgens met een flink mes in zijn hand op [verdachte] afging;

- dat [verdachte] een paar stappen achteruit deed en over een parkeerbol viel op zijn rug;

- dat opeens een tweede persoon kwam aanrennen met een hakbijl in zijn handen;

- deze persoon een slaande beweging maakte naar [verdachte] maar miste;

- dat de eerste man richting [verdachte] liep en met het mes [verdachte] in zijn hoofd stak;

- dat de tweede man nog bij [verdachte] stond en voor de tweede keer een slaande beweging maakte naar [verdachte] en [verdachte] toen werd geraakt met de bijl aan zijn hoofd;

- dat de eerste persoon weer op [verdachte] afliep;

- dat hij zag dat [verdachte] schoot in de richting van de eerste persoon;

- dat [verdachte] schoot vanaf de grond;

- dat de eerste man zich omdraaide, wegliep van [verdachte] en viel;

- dat [betrokkene 7] , [betrokkene 5] en [betrokkene 6] toen aan kwamen rennen vanuit het winkelcentrum;

- dat de eerste persoon op de grond lag en probeerde het mes te pakken dat naast hem op de grond was gevallen toen hij ten val was gekomen;

- dat [verdachte] voor de tweede keer staand schoot, vanaf een meter of 3 of 4.

[betrokkene 7] heeft in gelijke zin verklaard omtrent de toedracht van de geweldshandelingen.

[betrokkene 5] heeft nog verklaard, zakelijk weergegeven:

- dat hij twee mannen met een mes en bijl zag inhakken op [verdachte] ;

- dat de man met de bijl met de botte kant in de richting van het hoofd van [verdachte] sloeg, de eerste keer miste en de tweede keer [verdachte] raakte;

- dat [verdachte] de hele tijd op de grond lag;

- dat [verdachte] een wapen trok en schoot in de richting van [slachtoffer] en [betrokkene 1] ;

- dat [slachtoffer] en [betrokkene 1] op hooguit 2 meter afstand stonden;

- dat [slachtoffer] en [betrokkene 1] nog steeds het mes en de bijl vasthadden;

- dat [betrokkene 1] gelijk begon te rennen, er vandoor ging;

- dat [slachtoffer] opzij stapte en weer wat wou doen maar struikelde en het mes liet vallen;

- dat [slachtoffer] naar het mes dook en probeerde dit op te pakken;

- dat [verdachte] weer schoot richting [slachtoffer] en [slachtoffer] vervolgens begon te rennen;

- dat [slachtoffer] na zo’n 4 tot 5 meter neerviel;

- dat hij naar [verdachte] is toegelopen, die inmiddels was opgestaan;

- dat [verdachte] is opgestaan na de tweede keer schieten, toen [slachtoffer] wegrende.”

7. Ten laste van de verdachte is onder 1. impliciet subsidiair bewezenverklaard dat:

“hij op 3 april 2015 te Breda opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte, met dat opzet met een vuurwapen meerdere kogels in het lichaam van [slachtoffer] geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden”.

8. Het hof heeft in de aanvulling bewijsmiddelen van 27 oktober 2017 op de voet van art. 359, derde lid, Sv volstaan met de opgave van de bewijsmiddelen, nu de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend en geen vrijspraak is bepleit. Het onder 1. (impliciet) subsidiair bewezenverklaarde steunt op de bekennende verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep op 11 april 2017, het proces-verbaal van verhoor verdachte van 10 februari 2016, een proces-verbaal van bevindingen van 3 april 2015, een proces-verbaal van het Team Forensische Opsporing van 4 december 2015 en het rapport van het NFI, getiteld ‘Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood’ van 22 april 2015.

9. Het eerste middel klaagt over de verwerping van het verweer dat de verklaringen van [betrokkene 1] onbetrouwbaar zijn, welke verwerping en/of de bewezenverklaring, in het licht van hetgeen door de verdediging is aangevoerd, onbegrijpelijk is/zijn, althans onvoldoende met redenen is/zijn omkleed.

10. De verdediging heeft op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 11 april 2017 aangevoerd dat de getuigenverklaringen van [betrokkene 1] – de broer van het slachtoffer – niet kunnen bijdragen aan het bewijs, omdat deze niet betrouwbaar zijn. Samengevat heeft de verdediging aangevoerd dat:

- [betrokkene 1] zeer wisselend heeft verklaard over het al dan niet aanwezig zijn op de plaats delict, het horen dan wel zien van de geloste schoten en zijn eigen aandeel bij de confrontatie;

- de verklaringen van deze getuige betreffende het slaan met de bijl, inhoudende dat hij de verdachte met de platte kant van de bijl zachtjes, zijwaarts en niet bovenhands heeft geslagen, in het licht van het bij de verdachte waargenomen letsel (diepe en grote scalpwonden) ongeloofwaardig is en niet juist kan zijn, terwijl de getuige een stuk kleiner is dan de verdachte;

- de verklaringen van [betrokkene 1] over de ‘doodshengsten en doodsklappen’ per verklaring heftiger worden en niet overeenkomen met de camerabeelden en andere getuigenverklaringen;

- deze getuige eerst niets verklaart over het mes bij zijn broer [slachtoffer] en pas later verklaart dat zijn broer mogelijk een mes bij zich heeft gehad, maar dat hij dit absoluut niet heeft gezien, terwijl deze verklaring zeer ongeloofwaardig is gelet op de overige getuigenverklaringen en de omstandigheid dat het mes van aanzienlijke proporties in de directe nabijheid van het slachtoffer is aangetroffen;

- deze getuige pas in zijn vijfde verklaring verklaart over een wapen;

- [betrokkene 1] zich tegengesproken heeft over een kettingzaag waarvan hij eerder verklaarde dat zijn broer de kettingzaag uit de kelder pakte en in de auto legde en later verklaarde dat hij niet had gezien dat zijn broer deze kettingzaag had gepakt;

- deze getuige in zijn laatste verklaring aangeeft dat zijn eerdere verklaringen niet goed zijn geweest, omdat hij niet terug is gelopen naar zijn auto, maar dat hij enkele seconden is blijven staan.

11. Ten aanzien van de betrouwbaarheid van de betreffende getuige heeft het hof onder het hoofd “Betrouwbaarheid van de verklaringen” het volgende overwogen:

“Voor wat betreft de loop der gebeurtenissen zal het hof uitgaan van de verklaringen van getuigen en de verklaringen van [betrokkene 1] zoals hiervoor opgenomen onder “Bevindingen en verklaringen in de zaak”, onder respectievelijk v. en vi.

Aanvankelijk heeft [betrokkene 1] verklaard dat hij niet aanwezig was toen zijn broer werd neergeschoten (eerste en tweede verklaring). In het derde verhoor (p. 198) geeft hij aan dat hij inmiddels rustiger is geworden, medicijnen heeft en dat hij een nieuwe verklaring wil afleggen. In het vierde verhoor op 20 april 2015 (p. 201) geeft hij aan dat hij openheid van zaken wil geven. In de verklaringen die daarop volgen (tot en met het negende verhoor) is in de visie van het hof [betrokkene 1] – in de kern – bij zijn lezing van de gebeurtenissen ten tijde van en rondom de schietpartij gebleven. In zijn lezing omtrent de gebeurtenissen heeft hij bovendien ook belastend verklaard over zijn eigen aandeel, het slaan met de bijl.

Voorts kan vastgesteld worden dat de verklaring van [betrokkene 1] op onderdelen bevestiging vindt in verklaringen van objectieve getuigen dan wel forensisch onderzoek. Zo vindt zijn verklaring dat hij heeft gepind nadat hij en zijn broer [slachtoffer] al bij het winkelcentrum waren aangekomen, steun in de gegevens van de bank omtrent de ING-geldautomaat aan de Cypresstraat 3 te Breda (p. 926). Ook vindt zijn verklaring over de gang van zaken op belangrijke onderdelen steun in de waarneming van het hof van de ter terechtzitting in hoger beroep op 11 april 2017 getoonde camerabeelden van The Read Shop: de persoon aangewezen als [slachtoffer] heeft eerst enkele minuten op en neer gelopen (hof: lopen ijsberen) langs/bij de brievenbus voor The Read Shop, en voorts is te zien dat die persoon een handgebaar maakt naar een persoon buiten beeld. De persoon aangewezen als [slachtoffer] verdwijnt dan korte tijd uit beeld en komt dan, enigszins wankelend en achteruit stappend, terug in beeld. Een en ander past bij de verklaring van [betrokkene 1] dat diens broer [slachtoffer] de eerste klap van verdachte kreeg en daardoor even achteruit deinsde.

Het aantreffen van de bijl bij het slachtoffer met daarop bloed van het slachtoffer (p. 277- 279 proces-verbaal Forensisch Onderzoek) ondersteunt de verklaring van [betrokkene 1] dat een ander met de bijl naar zijn broer [slachtoffer] is gegaan. De plaats waar de hulzen zijn aangetroffen, te weten in de (onmiddellijke) nabijheid van de plaats waar het slachtoffer door de politie is aangetroffen, geeft voorts ondersteuning aan de verklaring van [betrokkene 1] dat het treffen tussen verdachte en de zijnen en de broers [slachtoffer en betrokkene 1] zich verplaatst heeft richting de plek waar het slachtoffer (door de politie, liggend) is aangetroffen (Map Forensisch Technisch Onderzoek, p. 93). Getuigen geven ook ondersteuning aan de verklaring van [betrokkene 1] over het gedrag van de schutter en de personen die bij hem waren tijdens het weglopen.

Getuige [getuige 1] heeft verklaard, evenals [betrokkene 1] , dat verdachte als eerste sloeg. Ook bevestigt [getuige 1] de manier waarop [betrokkene 1] de bijl heeft gehanteerd (met de stompe kant). (…)

Getuige [getuige 2] ondersteunt de verklaring van [betrokkene 1] , zowel op het punt dat toen er geschoten werd de man met de bijl reeds weggegaan was, als op het punt dat meerdere personen bij de vechtpartij tegen [slachtoffer] betrokken waren. (…)

Een en ander leidt het hof tot de conclusie dat de verklaringen van [betrokkene 1] (afgelegd ten overstaan van de politie, in het vierde tot en met negende verhoor), (…) betrouwbaar zijn.”

12. Over de loop van de gebeurtenissen bij het winkelcentrum in Breda zijn door de verdachte en door getuigen verklaringen afgelegd. Het hof is er zich terdege van bewust geweest dat deze verklaringen op onderdelen wezenlijk uiteen lopen.3 Dat geldt in het bijzonder voor de volgende punten uit de verklaring van de verdachte die geen steun vinden in de onder vi. in het arrest opgenomen verklaringen van de getuige [betrokkene 1] en in de verklaringen van de in het arrest onder v. genoemde getuigen4:

- dat de verdachte op enig moment ten val is gekomen;

- dat verdachte vanuit een zittende/liggende houding zijn pistool ter hand heeft genomen;

- dat er vervolgens twee schietmomenten zijn geweest;

- dat de eerste keer dat de verdachte schoot hij zat, dan wel lag op de grond;

- dat de verdachte hierna is opgestaan, nog een aantal stappen heeft gezet in de richting van het slachtoffer en vervolgens nog een aantal malen op het slachtoffer heeft geschoten.

13. Op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 11 april 2017 zijn de verklaringen van de verschillende getuigen en met name de verklaringen van [betrokkene 1] uitvoerig ter sprake gekomen. Door de verdediging is op basis van de hiervoor onder randnummer 10. aangegeven gronden betoogd dat het hof de verklaringen van [betrokkene 1] als onbetrouwbaar terzijde moet schuiven. Het hof heeft dit verweer verworpen en geoordeeld dat de verklaringen van [betrokkene 1] die zijn afgelegd tijdens het vierde tot en met het negende verhoor betrouwbaar zijn. Door de stellers van het middel wordt geklaagd dat de verwerping onbegrijpelijk is in het licht van hetgeen door de verdediging is aangevoerd, nu niet gezegd kan worden dat de aangevoerde tegenstrijdigheden van ondergeschikte aard zijn en dat het hof uit de overige bewijsmiddelen de bewezenverklaring niet heeft kunnen afleiden. Daarmee zijn de verwerping van het verweer en/of de bewezenverklaring volgens de stellers van het middel onvoldoende met redenen omkleed.

14. Het hof heeft de verklaringen van [betrokkene 1] , voor zover afgelegd in het vierde tot en met het negende verhoor, betrouwbaar geacht en daarbij de volgende aspecten in aanmerking genomen. De getuige heeft in de eerste twee verhoren verklaard niet aanwezig te zijn geweest bij de schietpartij. In het derde verhoor heeft hij aangegeven dat hij inmiddels rustig is geworden en medicijnen heeft en dat hij een nieuwe verklaring wil afleggen. In het vierde verhoor heeft hij aangegeven openheid van zaken te geven en in de daaropvolgende verklaringen (tot en met het negende verhoor) is de getuige volgens het hof in de kern bij zijn lezing van de gebeurtenissen ten tijde van en rondom de schietpartij gebleven. Daarbij tekent het hof aan dat de getuige ook belastend heeft verklaard over zijn eigen aandeel, dat bestond uit het slaan van de verdachte met een bijl. Het hof wijst er vervolgens op dat zijn verklaring op onderdelen bevestiging vindt in verklaringen van andere (objectieve) getuigen en in het forensisch onderzoek. Hiervoor verwijs ik naar randnummer 11. van deze conclusie.

15. Dat het hof gelet op het voorgaande tot het oordeel is gekomen dat de verklaringen van [betrokkene 1] die zijn afgelegd ten overstaan van de politie in het vierde tot en het negende verhoor betrouwbaar zijn, acht ik niet onbegrijpelijk en is voldoende met redenen omkleed. Daarbij wijs ik erop dat het hof onder ogen heeft gezien dat de verdachte wisselend heeft verklaard, terwijl het voorts heeft vastgesteld dat de getuige vanaf in zijn vierde verklaring heeft aangegeven openheid van zaken te willen geven en dat hij sindsdien in de kern bij zijn verklaring is gebleven. Ook heeft het hof op verscheidene punten aangegeven dat de verklaringen van [betrokkene 1] steun vinden in andere getuigenverklaringen en in het forensisch bewijs. Ik wijs er daarbij in het bijzonder op dat de wijze waarop de getuige geslagen zou hebben met de bijl steun vindt in de verklaring van getuige [getuige 1] en dat het hof – anders dan door de verdediging is bepleit – op belangrijke onderdelen steun voor de verklaring van getuige [betrokkene 1] heeft gevonden in de camerabeelden. Het hof heeft op basis van alle omstandigheden kunnen oordelen dat de latere verklaringen van [betrokkene 1] betrouwbaar zijn, ook voor zover zijn verklaringen geen steun vinden in ander bewijs. Dat oordeel is, mede gelet op de selectie- en waarderingsvrijheid van de feitenrechter en de rechtsregel dat het hof bij de niet-aanvaarding van een "uitdrukkelijk onderbouwd standpunt" niet gehouden is op ieder detail van de argumentatie in te gaan5, niet onbegrijpelijk en voldoende met redenen omkleed.

16. De stellers van het middel gaan er voorts vanuit dat de bewezenverklaring in het licht van hetgeen door de verdediging met betrekking tot de onbetrouwbaarheid van de getuige [betrokkene 1] is aangevoerd onbegrijpelijk is dan wel onvoldoende met redenen is omkleed. Ik merk op de verklaringen van de getuige [betrokkene 1] door het hof niet tot het bewijs zijn gebezigd. Ook los van deze verklaringen is de bewezenverklaring met voldoende met redenen omkleed. Niet ter discussie staat immers dat de verdachte het slachtoffer heeft gedood. De verklaring van [betrokkene 1] is in deze zaak vooral van belang geweest voor de beoordeling van de vraag of aan de verdachte een succesvol beroep op (putatief) noodweer(exces) toekomt.6 Ook bij een positieve beantwoording van deze vraag wordt de bewezenverklaring niet aangetast.

17. Het middel faalt.

18. Het tweede middel klaagt over de verwerping door het hof van het beroep op (putatief) noodweer(exces).

19. Het hof heeft onder het hoofd “Strafbaarheid van het bewezen verklaarde en van de verdachte” het in hoger beroep gevoerde verweer ter zake van (putatief) noodweer(exces) als volgt samengevat en verworpen:

“De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte met betrekking tot feit 1 zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Daartoe heeft de raadsvrouw – zakelijk weergegeven – het navolgende aangevoerd:

1) Verdachte heeft gehandeld uit noodweer. Verdachte is, terwijl hij op de grond zat na een val, door de broers [slachtoffer en betrokkene 1] belaagd met een machete en met een bijl. Voor verdachte kwam deze agressie volledig uit het niets, aangezien hij had afgesproken bij de Jumbo om iets uit te praten. [betrokkene 1] , de broer van het latere slachtoffer [slachtoffer] , heeft met een bijl tweemaal uitgehaald naar verdachte, waarvan één raak, op het hoofd van verdachte. Toen [slachtoffer] vervolgens met een mes op verdachte is komen aflopen, was er voor verdachte geen keus en heeft hij zijn wapen doorgeladen en geschoten. Er was sprake van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich mocht verdedigen op de wijze waarop hij heeft gedaan. Vervolgens is [slachtoffer] opgestaan en weggerend. Verdachte is opgestaan en zag [slachtoffer] op de grond vallen. [slachtoffer] is vervolgens kruipend op weg gegaan naar het mes dat voor hem lag, terwijl hij daarbij een brulgeluid maakte. Daarop heeft verdachte wederom geschoten op [slachtoffer] . Ook bij het tweede moment van schieten was nog steeds sprake van een aanranding en bestond voor verdachte de noodzaak om zichzelf en zijn aanwezige vrienden te verdedigen.

2) Subsidiair, indien het hof het beroep op noodweer zou verwerpen, heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat verdachte een beroep op noodweerexces toekomt. Volgens de verdediging was het schieten het ogenblikkelijke gevolg van een hevige gemoedsbeweging die veroorzaakt was door de wederrechtelijke aanranding, te weten het slaan met de bijl en het mes. De bij verdachte ontstane gemoedsbeweging was het gevolg van het gedrag van [slachtoffer] en [betrokkene 1] . De gemoedsbeweging bestond erin dat verdachte compleet overrompeld was door de agressie van de broers, ernstig gewond was door hun aanvallen met bijl en mes, veel pijn had, gedesoriënteerd was en hij bang en in paniek was.

3) Tweede subsidiair, indien het hof van oordeel is dat verdachte een beroep op noodweer noch op noodweerexces toekomt, heeft de verdediging naar voren gebracht dat sprake is van putatief noodweer. Volgens de verdediging is ten aanzien van het tweede moment van schieten door verdachte aannemelijk dat er in zijn beleving, door alle emoties, angst, paniek en pijn, een levensbedreigende situatie was, waarbij de aanranding voorafgaand aan het eerste schietmoment een belangrijke rol speelt.

4) Derde subsidiair, indien het hof van oordeel is dat van putatief noodweer geen sprake is, heeft de verdediging een beroep gedaan op putatief noodweerexces.

(…)

Vaststellingen van het hof voor de beoordeling van het beroep op (putatief) noodweer (exces)

Het hof stelt op grond van het vorenstaande het volgende vast met betrekking tot de toedracht voorafgaand aan het schieten:

- dat het verdachte was die het slachtoffer [slachtoffer] als eerste heeft geslagen (bij de brievenbus);

- dat [slachtoffer] ook werd geslagen door een tweede en derde man ( [betrokkene 8] en [betrokkene 9] );

- dat [betrokkene 1] daarop uit zijn auto is gekomen en een bijl heeft gepakt;

- dat [slachtoffer] een mes ter hand heeft genomen en in de richting van verdachte is gelopen;

- dat [betrokkene 1] met de bijl heeft geslagen naar verdachte en de eerste keer miste (ter hoogte van de Berlingo);

- dat [slachtoffer] hierna verdachte met het mes heeft geslagen en hem heeft geraakt;

- dat [betrokkene 1] een tweede maal een slaande beweging heeft gemaakt in de richting van verdachte en hem toen wel raakte;

- dat verdachte door het slaan fors letsel aan zijn hoofd heeft opgelopen;

- dat de bijl door de tweede slaande beweging viel en is opgeraapt door één van de mannen die verdachte vergezelden en dat daarmee richting [slachtoffer] werd gerend;

- dat in elk geval [betrokkene 8] en [betrokkene 9] zich telkens in de directe nabijheid van verdachte hebben bevonden;

- dat de vechtpartij inmiddels verplaatst was naar de andere kant van het parkeerterrein;

- dat [betrokkene 1] zich uit de voeten heeft gemaakt, toen de bijl was gevallen en de verdachte het pistool had gepakt;

- dat [slachtoffer] toen alleen stond op de parkeerplaats;

- dat verdachte zich inmiddels, gelet op de positie van de aangetroffen hulzen, had verplaatst naar de andere zijde van het parkeerterrein (richting het slachtoffer);

- dat verdachte vanuit een staande positie alle schoten in één salvo op [slachtoffer] heeft afgevuurd;

- dat [betrokkene 8] en [betrokkene 9] in de directe nabijheid van verdachte en [slachtoffer] stonden (met een bijl) toen verdachte zijn pistool pakte en door verdachte tien keer op [slachtoffer] werd geschoten.

Ad 1) noodweer

Het hof stelt het volgende voorop.

Van noodweer is sprake indien het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding.

De enkele vrees voor zo'n aanranding is daartoe echter niet voldoende. De gestelde aanranding moet in redelijkheid beschouwd zodanig bedreigend zijn voor de verdachte dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding in de zin van art. 41 Sr.

In het voor noodweer geldende vereiste dat de gedraging is “geboden door de noodzakelijke verdediging” worden zowel de zogenoemde subsidiariteits- als de proportionaliteitseis tot uitdrukking gebracht. Deze met elkaar samenhangende en niet altijd scherp te onderscheiden eisen hebben betrekking op de vraag of de verdediging tegen de aanranding noodzakelijk was, respectievelijk op de vraag of de gekozen wijze van verdediging tegen de aanranding geboden was. Zeker bij deze eisen kan de persoon van degene die zich op noodweer beroept, van belang zijn. Van de ene persoon mag bijvoorbeeld op grond van zijn hoedanigheid of bijzondere vaardigheden meer worden gevergd op het vlak van de proportionaliteit dan van een ander.

Aan de subsidiariteitseis is niet voldaan indien de verdachte zich niet behoefde te verdedigen en er dus geen noodzaak tot verdediging bestond. Daarvan is sprake indien de verdachte zich niet alleen aan de aanranding had kunnen, maar zich daaraan ook had moeten onttrekken. Het zich aan de aanranding kunnen onttrekken houdt in dat daartoe voor de verdachte een reële en redelijke mogelijkheid moet hebben bestaan. Het komt daarbij aan op de omstandigheden van het geval. Onttrekking aan de aanranding moet voorts van de verdachte kunnen worden gevergd. Dit behoeft bijvoorbeeld niet het geval te zijn wanneer de situatie zo bedreigend is dat zich onttrekken aan de aanranding geen reëel alternatief is.

Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte de hem verweten gedraging (schieten met een vuurwapen) niet verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van zijn eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed of dat van een ander tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor.

Het hof is van oordeel dat aan de subsidiariteitseis niet is voldaan. Verdachte behoefde zich niet meer te verdedigen en er bestond geen noodzaak meer tot verdediging.

Aanvankelijk is door verdachte de aanval geopend door het slachtoffer [slachtoffer] te slaan. Daarop is een tegenaanval gevolgd van het slachtoffer door met een mes in de richting van verdachte te lopen, waarop door verdachte en de twee personen in zijn onmiddellijke nabijheid is gereageerd richting het slachtoffer. In die confrontatie heeft zich vervolgens ook [betrokkene 1] gemengd met een aanval met een bijl op verdachte. Vervolgens heeft [betrokkene 1] zich (zonder bijl, die was gevallen) verwijderd van het parkeerterrein. [slachtoffer] bevond zich toen nog op de (openbare) parkeerplaats. Hij had weliswaar, naar mag worden aangenomen, nog de beschikking over een mes, maar hij kwam op dat moment niet op verdachte af, hij stond. [slachtoffer] was alleen. Verdachte was met minimaal twee andere personen, van wie één de bijl van [betrokkene 1] had opgepakt, en hij was het slachtoffer genaderd. Verdachte had een pistool gepakt. Verdachte had zich naar het oordeel van het hof op dat moment kunnen en ook moeten onttrekken aan het (verdere) dreigende gevaar van aanranding van zijn lijf door [slachtoffer] (aannemende dat die dreiging er nog was). Daartoe bestond ook een reële en redelijke mogelijkheid. In de gegeven omstandigheden kon van verdachte ook worden gevergd dat hij zich onttrok aan een dreigend gevaar voor aanranding. De situatie was niet zodanig dat onttrekken geen reëel alternatief was. In plaats van met zijn medeclubleden de aftocht te blazen heeft hij er voor gekozen tien keer te schieten op het slachtoffer.

Het verweer wordt verworpen.

Ad 2) noodweerexces

Het hof stelt het volgende voorop.

Noodweerexces kan in beeld komen bij een “overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging”, dus wanneer aan alle eisen is voldaan behalve aan de proportionaliteitseis. Wat de subsidiariteitseis betreft, verdient opmerking dat voor een beroep op noodweerexces geldt dat er wel een noodzaak tot verdediging moet zijn of moet zijn geweest.

Voor noodweerexces geldt in alle gevallen dat van verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging slechts sprake kan zijn indien:

a. de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden was, dan wel indien (intensief noodweerexces);

b. op het tijdstip van de hem verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar was beëindigd en de noodzaak tot verdediging er dus wel was geweest (maar niet meer bestond), doch zijn gedraging niettemin het onmiddellijk gevolg was van een hevige gemoedsbeweging die was veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding (extensief noodweerexces).

Uit het wettelijke vereiste dat de gedraging het onmiddellijk gevolg moet zijn van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door een wederrechtelijke aanranding, volgt dat aannemelijk moet zijn dat de aldus veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de verweten gedraging. Niet is uitgesloten dat andere factoren mede hebben bijgedragen aan het ontstaan van die hevige gemoedsbeweging, maar aan het gevolgvereiste is niet voldaan indien de hevige gemoedsbeweging in essentie is terug te voeren op een eerder bestaande emotie, zoals een reeds bestaande kwaadheid jegens het slachtoffer. Bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval sprake is van het hier bedoelde “onmiddellijk gevolg”, kan betekenis toekomen aan de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden alsmede aan de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging.

Het hof overweegt als volgt.

Ad a, intensief noodweerexces:

Zoals het hof hiervoor heeft overwogen was er op het moment dat verdachte zijn wapen ter hand had genomen en schoot op [slachtoffer] geen noodzaak tot verdediging. Daarom kan het beroep op noodweerexces op deze grond niet slagen.

Ad b, extensief noodweerexces:

Het hof neemt aan dat op het moment dat verdachte werd geslagen door de broers [slachtoffer en betrokkene 1] met een mes en een bijl er nog een noodzaak tot verdediging bestond. Die noodzaak bestond op grond van de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden daarna evenwel niet meer. Het hof acht het niet aannemelijk dat de gedraging van verdachte, het schieten op [slachtoffer] , het onmiddellijk gevolg was van een hevige gemoedsbeweging, die van doorslaggevend belang is geweest bij het schieten, veroorzaakt door de daaraan voorafgaande aanranding door de broers [slachtoffer en betrokkene 1] .

Naar de uiterlijke verschijningsvorm bezien heeft verdachte, ondanks dat hij twee ernstige verwondingen had opgelopen aan zijn hoofd, zijn pistool ter hand genomen, doorgeladen en een serie van tien kogels op [slachtoffer] afgeschoten. Na afloop heeft verdachte zich, vergezeld van zijn begeleiders, op rustige en normale wijze richting zijn auto begeven (meerdere getuigen hebben hierover verklaard), is een kledingstuk om zijn hoofd gewikkeld, is onderweg het wapen weggegooid en heeft de bestuurder van de Mini verdachte bij de spoedeisende hulp afgezet waar verdachte zelfstandig naar toe is gelopen. Hij heeft zich vervolgens gedurende lange tijd op zijn zwijgrecht beroepen. Het hof acht op grond van het dossier derhalve niet aannemelijk geworden dat voor verdachte paniek en/of angst in de zin van een hevige gemoedsbeweging doorslaggevend is geweest bij de keuze om te schieten. Het verweer wordt verworpen.

Ad 3) putatief noodweer en ad 4) putatief noodweerexces

Het hof stelt het volgende voorop.

Van putatief noodweer of putatief noodweerexces kan gesproken worden indien sprake is van verontschuldigbare dwaling aan de kant van de verdachte, bijvoorbeeld omdat hij niet alleen kon, maar redelijkerwijs ook mocht menen dat hij zich moest verdedigen op de wijze zoals hij heeft gedaan omdat hij verontschuldigbaar zich het dreigende gevaar heeft ingebeeld dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld. Daarbij gaat het om hetgeen de gemiddelde persoon in de gegeven omstandigheden zal hebben ervaren, niet om de puur subjectieve beleving van de verdachte ten tijde van het gebeuren. Ook voor derden moet in de gegeven omstandigheden de onmiddellijke dreiging van een aanranding aannemelijk zijn geweest.

Het hof overweegt dat uit de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden volgt dat er - anders dan de verdediging aan het verweer ten grondslag heeft gelegd - geen sprake is geweest van twee schietmomenten. De door de verdediging gegeven lezing van de gebeurtenissen, te weten dat in de beleving van verdachte op het moment dat (volgens verdachte) [slachtoffer] naar het mes kroop en wilde pakken, sprake was van een overlevingsdrang, omdat hij meende opnieuw te worden aangerand, wordt uitgesloten door de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden. Het hof acht de feiten en omstandigheden die de verdediging aan het verweer ten grondslag heeft gelegd niet aannemelijk geworden. Derhalve mocht noch kon verdachte menen dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding vanuit [slachtoffer] op het moment dat hij ervoor koos om zijn wapen te pakken, het door te laden en op [slachtoffer] te schieten.

Het verweer wordt verworpen.”

20. In zijn arrest van 22 maart 2016 heeft de Hoge Raad een samenvattend overzicht gegeven dat handvatten biedt voor de beoordeling van een beroep op (putatief) noodweer(exces).7 Daaruit blijkt dat indien de rechter een beroep op noodweer, noodweerexces of putatief noodweer verwerpt, hij duidelijk dient te maken of hij de door of namens de verdachte aan het verweer ten grondslag gelegde feitelijke toedracht niet aannemelijk geworden acht, dan wel of die toedracht het beroep niet kan doen slagen. Ten behoeve van de beoordeling van het beroep op (putatief)noodweer(exces), zal ik daarom allereerst stilstaan bij de vaststelling door het hof van de feitelijke toedracht.

21. Zoals bij de bespreking van het eerste middel reeds is gebleken, lopen de verklaringen over de vecht- en schietpartij uiteen. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte het slachtoffer als eerste heeft geslagen (bij de brievenbus). Het slachtoffer werd ook geslagen door twee anderen, te weten [betrokkene 8] en [betrokkene 9] . [betrokkene 1] is vervolgens uit zijn auto gekomen en heeft een bijl gepakt en het slachtoffer is met een mes ter hand richting de verdachte gelopen. [betrokkene 1] heeft met een bijl naar de verdachte geslagen en sloeg mis. Het slachtoffer heeft de verdachte vervolgens met een mes geraakt. [betrokkene 1] heeft nogmaals met een bijl geslagen en de verdachte daarbij geraakt, waardoor de verdachte fors letsel aan zijn hoofd heeft opgelopen. De bijl is als gevolg van deze slag gevallen en is opgeraapt door één van de mannen die de verdachte vergezelden en die persoon is met de bijl in de richting van het slachtoffer gerend. [betrokkene 8] en [betrokkene 9] bevonden zich daarbij telkens in de directe nabijheid van de verdachte. De vechtpartij heeft zich toen verplaatst naar de andere kant van het parkeerterrein. [betrokkene 1] heeft zich uit de voeten gemaakt toen de bijl was gevallen en de verdachte het pistool had gepakt. Het slachtoffer was hierdoor alleen op de parkeerplaats achtergebleven met de verdachte en de zijnen. De verdachte had zich inmiddels verplaatst naar de andere zijde van het parkeerterrein, richting het slachtoffer. De verdachte heeft vervolgens vanuit een staande positie tien kogels in één salvo op het slachtoffer afgevuurd. Op dat moment stonden [betrokkene 8] en [betrokkene 9] (met een bijl) in de directe nabijheid van de verdachte en het slachtoffer.

22. Het hof heeft mede op basis van deze feiten en omstandigheden het beroep op (putatief) noodweer(exces) verworpen. Het is voor de beoordeling van de klachten van belang om te constateren dat het hof de lezing van de verdachte van de gebeurtenissen op bepaalde onderdelen, zoals ik deze onder randnummer 12 heb genoemd, niet onderschrijft. Zo is het hof, anders dan de rechtbank, niet uitgegaan van twee verschillende schietmomenten en gaat het evenmin mee in de verklaring van de verdachte dat hij op een bepaald moment ten val is gekomen.

23. Ik zal hierna de verschillende oordelen van het hof en de daarop gerichte klachten in cassatie afzonderlijk bespreken. Nu het hof in hetgeen het in zijn overwegingen voorop heeft gesteld reeds in belangrijke mate de voor deze zaak relevante inhoud van het onder randnummer 20. genoemde overzichtsarrest van Uw raad van 22 maart 2016 heeft weergegeven, zie ik daar op deze plaats vanaf.

Noodweer

24. Het hof heeft het beroep op noodweer verworpen op de grond dat niet aan de subsidiariteitseis is voldaan; er bestond voor de verdachte geen noodzaak meer tot verdediging van zijn eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed of dat van een ander tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Daarbij wijst het hof er in het bijzonder op dat:

- de broer van het slachtoffer die de verdachte eerder met een bijl had aangevallen, zich inmiddels had verwijderd van het parkeerterrein, en

- het slachtoffer, die naar mag worden aangenomen nog de beschikking had over een mes, alleen was en op dat moment niet op de verdachte afkwam, terwijl

- de verdachte een pistool had gepakt, en

- de verdachte met minimaal twee andere personen was, waarvan één de beschikking had gekregen over de bijl die de broer van het slachtoffer eerder had laten vallen.

De verdachte had zich naar het oordeel van het hof toen moeten onttrekken aan het (verdere) dreigende gevaar van aanranding door het slachtoffer (aannemende dat die dreiging er nog was). Daartoe bestond volgens het hof een reële en redelijke mogelijkheid en dit kon volgens het hof in de gegeven omstandigheden ook van de verdachte worden gevergd. In plaats daarvan heeft de verdachte er volgens het hof voor gekozen tien keer te schieten op het slachtoffer. Volgens de stellers van het middel is dit oordeel in het licht van hetgeen door de verdediging is aangevoerd, onbegrijpelijk, dan wel onvoldoende met redenen omkleed. Daarbij wordt in de schriftuur gewezen op de zeer korte duur waarin een en ander zich heeft afgespeeld, de snelle escalatie, de ernstige verwondingen en pijn bij de verdachte, de zeer heftige situatie en de onwetendheid bij de verdachte omtrent de mogelijke aanwezigheid van de broer van het slachtoffer.

25. Naar ik meen is het oordeel van het hof dat het beroep op noodweer strandt op de subsidiariteitseis niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Buiten kijf staat dat zich op het parkeerterrein een chaotische situatie heeft voorgedaan. Een beroep op art. 41 Sr, dan wel op verontschuldigbare dwaling, vergt vaker een beoordeling van een feitencomplex waarin sprake is van een onoverzichtelijke situatie. Het door de Hoge Raad aangelegde toetsingskader houdt hier ook rekening mee. Zo dient sprake te zijn van een reële en redelijke mogelijkheid voor de verdachte om zich aan de aanranding te onttrekken.8 Daarnaast moet het ook van de verdachte kunnen worden gevergd dat hij in de gegeven omstandigheden zich aan de aanranding onttrok.9 Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte, die zich op een openbaar parkeerterrein bevond, aanvankelijk de aanval heeft geopend en dat op het moment van de schietpartij de broer van het slachtoffer – die de verdachte met een bijl had aangevallen – het parkeerterrein al had verlaten. Toen het slachtoffer werd neergeschoten, had de verdachte getalsmatig de overhand, terwijl de verdachte en twee anderen de beschikking hadden over een bijl en een vuurwapen. Gelet hierop kon het hof oordelen dat de verdachte zich aan de situatie had kunnen en moeten onttrekken. Dat het slachtoffer waarschijnlijk een mes tot zijn beschikking had, doet daaraan niet af, in aanmerking genomen dat het slachtoffer ten tijde van de schietpartij alleen was en niet op de verdachte afliep.

26. De klacht faalt.

Noodweerexces

27. Naar het oordeel van het hof komt de verdachte geen beroep toe op noodweerexces, omdat er geen noodzaak was tot verdediging (door het hof aangeduid als ‘intensief noodweerexces’), terwijl evenmin is gebleken dat verdachtes gedraging het onmiddellijk gevolg was van een hevige gemoedsbeweging die was veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding door de broers [slachtoffer en betrokkene 1] (door het hof aangeduid als ‘extensief noodweerexces’10). Bij dit laatste heeft het hof het niet aannemelijk geacht dat het schieten door de verdachte het onmiddellijk gevolg was van paniek en/of angst in de zin van een hevige gemoedsbeweging die van doorslaggevend belang is geweest bij het schieten. Daarbij heeft het hof specifiek overwogen dat:

- de verdachte ondanks dat hij ernstige verwondingen had opgelopen aan zijn hoofd, zijn pistool ter hand heeft genomen, heeft doorgeladen en een serie van tien kogels op het slachtoffer heeft afgeschoten;

- de verdachte na afloop zich vergezeld van zijn begeleiders, op rustige en normale wijze richting zijn auto heeft begeven;

- een kledingstuk om het hoofd van de verdachte is gewikkeld;

- onderweg het wapen is weggegooid;

- de verdachte zelfstandig naar de spoedeisende hulp is gelopen nadat hij daarbij was afgezet, en

- de verdachte zich gedurende lange tijd op zijn zwijgrecht heeft beroepen.

Volgens de stellers van het middel is dit oordeel niet begrijpelijk, omdat de verdachte voorafgaand aan het schieten met een bijl en een mes is aangevallen. Bovendien zouden de door het hof in acht genomen omstandigheden die zien ná de schietpartij niets zeggen over een eventuele aanwezige hevige gemoedsbeweging net voorafgaand althans ten tijde van het schieten. Gelet hierop zou het oordeel van het hof getuigen van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel de verwerping van het verweer onvoldoende met redenen zijn omkleed.

28. Het hof heeft onderzocht of ten tijde van het schieten door de verdachte sprake was van een door de eerdere aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging. Het hof heeft die vraag ontkennend beantwoord en daarbij in aanmerking genomen dat naar zijn uiterlijke verschijningsvorm de verdachte, ondanks zijn twee ernstige verwondingen aan zijn hoofd, zijn pistool ter hand heeft genomen, heeft doorgeladen en tien kogels heeft afgeschoten op het slachtoffer. Dat het hof van oordeel is dat het niet aannemelijk is geworden dat het schieten door de verdachte het onmiddellijke gevolg was geweest van een hevige gemoedsbeweging die van doorslaggevend belang is geweest bij het schieten, acht ik niet onbegrijpelijk. Daarbij acht ik van belang dat het hof de lezing van de verdachte van de gebeurtenissen niet heeft gevolgd, welke lezing inhoudt dat de verdachte op de grond gevallen was en het slachtoffer naar een mes kroop en dit wilde pakken. In plaats daarvan gaat het hof ervan uit dat na de aanranding door de broers [slachtoffer en betrokkene 1] , de vechtpartij is verplaatst naar de andere kant van het parkeerterrein en [betrokkene 1] zich inmiddels uit de voeten heeft gemaakt, alvorens door de verdachte is geschoten. Het hof gaat daarmee uit van een tijdsverloop tussen de aanranding en de verdedigingshandeling. Het oordeel van het hof kan, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet verder worden getoetst.11

29. Het oordeel van het hof draagt de verwerping van het verweer zelfstandig, zodat de opgeworpen rechtsklacht in principe geen bespreking behoeft. Desondanks merk ik hierover het volgende op. Het hof heeft bij zijn oordeel over de vraag of de hevige gemoedsbeweging van doorslaggevende betekenis is geweest bij de keuze om te schieten mede gebaseerd op omstandigheden die gelegen zijn ná de schietpartij. Het gaat daarbij om de volgende gedragingen van de verdachte: het rustig en op normale wijze richting de auto lopen, het wikkelen van een kledingstuk om het hoofd, het weggooien van een wapen onderweg, het afgezet worden bij de spoedeisende hulp waar de verdachte zelf naar toe is gelopen en het lange tijd beroepen op zijn zwijgrecht. Het is in het strafrecht niet ongebruikelijk om de subjectieve gesteldheid van de verdachte af te leiden uit normatieve en objectiverende aspecten, bijvoorbeeld in het kader van opzet.12 Het laat zich immers in de regel niet gemakkelijk oordelen wat in iemands hoofd is omgegaan ten tijde van het plegen van het feit. In zoverre verdient het op zichzelf geen afkeuring dat het hof factoren ná de schietpartij heeft betrokken bij zijn oordeel over de vraag of het aannemelijk is dat voor de verdachte paniek en/of angst in de zin van een hevige gemoedsbeweging doorslaggevend geweest bij de keuze om te schieten, zeker als daarbij mede in aanmerking wordt genomen dat het hof van een andere lezing van de gebeurtenissen is uitgegaan dan de verdachte.13 In de gegeven omstandigheden acht ik het oordeel van het hof inzake het “extensief noodweerexces” daarom niet getuigen van een onjuiste rechtsopvatting.

30. De klacht faalt.

Putatief noodweer(exces)

31. Het hof heeft het beroep op putatief noodweer(exces) verworpen op de grond dat de lezing van de verdachte, te weten dat in de beleving van de verdachte op het moment dat (volgens verdachte) [slachtoffer] naar het mes kroop en wilde pakken, sprake was van een overlevingsdrang, omdat hij meende opnieuw te worden aangerand, niet aannemelijk is geworden. Dat oordeel acht ik, gelet op de feitelijke vaststellingen van het hof en mede in aanmerking genomen dat in de schriftuur geen afzonderlijke klachten hierover zijn geformuleerd, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

32. Ook deze klacht faalt.

33. Het middel faalt op al zijn onderdelen.

34. Beide middelen falen en in ieder geval het eerste middel kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

35. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

36. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv. AG

1 In zaken waarin vanaf 1 juli 2018 een cassatieschriftuur wordt ingediend, zal voortaan gelden dat uit het achterwege blijven van het gebruik van de bevoegdheid tot het (gedeeltelijk) intrekken van het beroep in cassatie de Hoge Raad afleidt dat het niet beperken berust op een weloverwogen keuze en dat hij zich kan concentreren op de beslissingen waartegen de cassatieschriftuur zich keert. Zie HR 24 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:507.

2 Op grond van art. 453, eerste lid, Sv kan uiterlijk tot de aanvang van de behandeling van het beroep in cassatie het rechtsmiddel worden ingetrokken. Art. 4.4.2 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden, zoals vastgesteld op 26 januari 2017 (Stb. 2017, 5928), bepaalt dat het cassatieberoep kan worden ingetrokken totdat de procureur-generaal op grond van artikel 80a, eerste lid van de Wet op de rechterlijke organisatie zijn standpunt heeft bepaald dan wel op de voet van artikel 439, eerste lid, Sv zijn conclusie heeft genomen. Met het nemen van deze conclusie neemt de behandeling van het beroep daarmee de in art. 453, eerste lid, Sv bedoelde aanvang.

3 Zie pagina 14 van het arrest van het hof.

4 Zie hieromtrent randnummer 6.

5 HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma (rov. 3.8.4).

6 Hetgeen bij een bevestigend antwoord niet tot vrijspraak, maar tot ontslag van alle rechtsvervolging zou leiden.

7 HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, NJ 2016/316 m.nt. Rozemond.

8 HR 13 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK0035.

9 Vgl. HR 6 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3874, NJ 2010/301 m.nt. Borgers en HR 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7944, NJ 2012/380.

10 In de literatuur wordt onder deze categorie ook het zogeheten ‘tardief noodweerexces’ geschaard.

11 Vgl. HR 27 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC6794, NJ 2008/510 m.nt. Borgers en HR 13 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW4459, NJ 2006/371.

12 Vgl. J. de Hullu, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, zesde druk, Deventer: Kluwer 2015, p. 230 en 231.

13 Daarbij zal de rechter wel de nodige behoedzaamheid moeten betrachten. In de regel zullen angst en paniek immers wegebben indien de oorzaak daarvan is weggenomen. Zie A.J.M. Machielse, Noodweer in het strafrecht (diss. VU Amsterdam), Baarle-Nassau: De Jong 1986, p. 683.