Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:445

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
15-05-2018
Datum publicatie
16-05-2018
Zaaknummer
17/01148
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:999
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG over de door het hof vastgestelde duur van de proeftijd o.g.v. art. 14b.2 (oud) Sr en art. 14c.1 (oud) Sr.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/01148

Zitting: 15 mei 2018

(bij vervroeging)

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 1 februari 2017 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens 1. “valsheid in geschrift, meermalen gepleegd” en 2. “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van drie jaren en een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.

  2. De onderhavige zaak hangt samen met de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] (17/00500) en [medeverdachte 2] (17/00760), waarin ik vandaag eveneens zal concluderen.

  3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. R.J. Baumgardt en mr. P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, hebben een middel van cassatie voorgesteld.

  4. Het middel behelst de klacht dat het hof in strijd met art. 14b (oud) Sr de duur van de proeftijd heeft bepaald op drie jaren.

  5. De bestreden uitspraak houdt ten aanzien van de opgelegde straf het volgende in:

“De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan flessentrekkerij en valsheid in geschrifte in georganiseerd verband.
Verdachte heeft een cruciale rol gespeeld in de opgezette constructies rondom een drietal rechtspersonen om het vertrouwen te wekken van leveranciers, goederen te bestellen op rekening en deze vervolgens niet te betalen. Zodra de schuldeisers verhaal probeerden te halen bij de rechtspersonen werden deze overdragen aan verdachte en vervolgens failliet verklaard, zodat de schuldeisers met lege handen achterbleven.
Door deze handelwijze is het vertrouwen in het handelsverkeer ernstig geschaad en is grote schade ontstaan voor de gedupeerde bedrijven.

Uit een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 17 januari 2017 blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor fraude/vermogensdelicten, waarbij ook onvoorwaardelijke gevangenisstraffen zijn opgelegd.

Gelet op de aard en de ernst van de feiten, de recidive door verdachte en de omstandigheid, zoals door verdachte ter terechtzitting van het hof is verklaard, dat hij zich nog steeds bezig houdt met de in- en verkoop van B.V.’s, is het hof van oordeel dat in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend is. Echter is de redelijke termijn in hoger beroep fors, te weten met vijf jaren, overschreden. Anders dan de advocaat-generaal heeft geëist zal het hof om die reden geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, maar een taakstraf. Daarnaast zal, mede om te trachten recidive door verdachte te voorkomen, een voorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 63, 140 en 225 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing
Het hof:
(…)

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
(…)”

6. De bewezen verklaarde feiten zijn (alles tezamen genomen) gepleegd in de periode van 1 januari 2006 tot en met 4 februari 2007.

7. Het hof heeft in de bestreden uitspraak onder de aanhef “Toepasselijke wettelijke voorschriften” overwogen dat het toepassing heeft gegeven aan onder meer de artikelen 14b Sr en 14c Sr, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8. Ten tijde van de aanvang van de bewezen verklaarde feiten luidde art. 14b, tweede lid, Sr als volgt:

“De proeftijd bedraagt in de gevallen bedoeld in artikel 14c, eerste lid, en tweede lid, onder 3° en 4°, ten hoogste twee jaren en in de overige gevallen ten hoogste drie jaren.”

9. Art. 14c, eerste lid, Sr luidde in de bedoelde periode:

“Toepassing van artikel 14a geschiedt onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.”

10. In het licht van het voorafgaande, heeft het hof de proeftijd ten onrechte vastgesteld op drie jaren. Nu het hof heeft volstaan met de toepassing van de algemene voorwaarde, inhoudende dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, kon de proeftijd ingevolge art. 14b, tweede lid, (oud) Sr immers ten hoogste twee jaren bedragen.

11. Het middel is terecht voorgesteld. De Hoge Raad kan deze misslag zelf herstellen en de proeftijd bepalen op twee jaren.1

12. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

13. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de proeftijd van drie jaren, onder bepaling dat de proeftijd wordt vastgesteld op twee jaren. Voor het overige strekt deze conclusie tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie HR 24 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:667 (rov. 4.1 en 9), HR 7 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:381 (rov. 3.4), HR 22 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2658 (rov. 2.4 en 5), HR 30 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1755 (rov. 2.4 en 6), HR 25 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3379, NJ 2015/8 (rov. 4.3 en 7), HR 19 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW8680 (rov. 2.3 en 3), HR 24 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU5319 (rov. 2.3 en 6), HR 20 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ5709 (rov. 4.3 en 8), HR 21 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN9210 (rov. 2.3).