Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:424

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-04-2018
Datum publicatie
04-05-2018
Zaaknummer
17/04318
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:1792, Gevolgd
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Sluit de Zetelovereenkomst tussen Nederland en Eurojust de belanghebbende (staff member van Eurojust) uit van AOW-verzekering in Nederland hoewel hij enige dagen per jaar tegen vergoeding reservist is voor Defensie?

Feiten: de belanghebbende woont in Nederland en werkt sinds 1 november 2002 als staff member bij de in Nederland gevestigde EU-organisatie Eurojust. Enkele dagen per jaar is hij tegen geringe vergoeding reservist bij Defensie.

In geschil is of de belanghebbende (volledig) verzekerd is voor de AOW vanwege zijn werkzaamheden als reservist ondanks art. 14(2) Zetelovereenkomst, dat bepaalt dat staff members van Eurojust “shall not be covered by the social security regulations of the Kingdom of the Netherlands”.

De Svb heeft de belanghebbende uitsluitend verzekerd geacht op de dagen waarop hij arbeid verricht voor Defensie.

De Rechtbank Noord-Holland heeft belanghebbendes beroep gegrond verklaard omdat hij voldoet aan de in art. 14(1)(a) Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen (Bub) gestelde criteria voor volledige verzekering.

De CRvB heeft die uitspraak vernietigd omdat volgens hem art. 14(2) Zetelovereenkomst verplichte sociale verzekering in Nederland in alle opzichten uitsluit. Gegeven het verbod op reformatio in peius heeft hij het besluit van de Svb in stand gelaten, waardoor de belanghebbende wel verzekerd is op de dagen waarop hij werkt voor Defensie.

In cassatie betoogt de belanghebbende dat (i) het Eurojust-Besluit vóórgaat op de Zetelovereenkomst, (ii) het Eurojust-Besluit verwijst naar het EU-Ambtenarenstatuut en de Regeling voor ander EU-personeel, en (iii) die regelingen en ook het HvJ EU in de zaak Feyerbacher (over de Zetelovereenkomst Duitsland-ECB) dubbele sociale verzekering niet uitsluiten. De CRvB is volgens hem buiten het geschil gegaan door de volgens de partijen niet rechtstreeks werkende Zetelovereenkomst toe te passen.

A-G Wattel constateert dat nationaal recht niet uitsluit dat de belanghebbende verzekerd is voor de AOW op basis van andere werkzaamheden dan die voor Eurojust, maar dat art. 14(2) Zetelovereenkomst ongeclausuleerd staff members van Eurojust vrijstelt van de verplichting bij te dragen aan het Nederlandse socialezekerheidsstelsel én hen ‘consequently’ als niet verzekerd aanmerkt onder dat stelsel. Hetzelfde geldt voor hun spouses and dependent relatives, maar voor hen geldt een uitzondering als zij ander betaald werk dan voor Eurojust verrichten of een Nederlandse uitkering genieten: dan vallen zij wél onder het Nederlandse stelsel. Die uitzondering is niet voorzien voor de staff members zelf. Ook volgens de A-G wijst dit er op dat op staff members uitsluitend het Eurojust-stelsel van toepassing is. Hij ziet geen reden voor afwijking in het geval van de belanghebbende, die kennelijk voltijds bij Eurojust werkt, nu voor hem flankerende Nederlandse verzekering – anders dan voor spouses – niet voorzien is, zijn werkzaamheden voor Defensie een efemeer karakter hebben en voor hem, anders dan voor Feyerbacher uit de gelijknamige HvJ EU-zaak, niet geldt dat zijn EU-uitkering aanvult op nationale regelingen en evenmin dat zijn AOW-aanspraken gekort worden op zijn Eurojust-pensioenaanspraken.

Anders dan de belanghebbende stelt, wordt art. 14(2) Zetelovereenkomst niet uitgeschakeld door het Eurojust-Besluit, dat (wel) verwijst naar het EU-Ambtenarenstatuut en de EU-Regeling voor overig personeel, die dubbele sociale verzekering niet uitsluiten. De uitlegbepaling waarop de belanghebbende zich beroept (art. 22(2) Zetelovereenkomst) is alleen van toepassing “in case of any conflict between the Eurojust Decision and this Agreement” en de A-G ziet geen dergelijk conflict. Uitsluiting van nationale verzekering naast volledige Eurojust-verzekering is immers geenszins onverenigbaar met een verwijzing naar EU-personeelsregelingen voor de invulling van het Eurojust-personeelsstelsel.

Het EU-Ambtenarenstatuut en de EU-Regeling leiden zijns inziens overigens niet tot een andere uitkomst dan de Zetelovereenkomst. Uitgangspunt van het HvJ EU is dat in beginsel slechts één wettelijke regeling op het gebied van sociale zekerheid van toepassing is en dat de bepaling van de sociale-verzekeringspositie van EU-personeel is onttrokken aan de bevoegdheid van de lidstaten. Uitsluitend de EU gaat daarover en in casu heeft de EU er kennelijk voor gekozen Eurojust staff members uit te sluiten van het Nederlandse verzekeringsstelsel.

De belanghebbende heeft geen gebruik gemaakt van het vrije verkeer van werknemers, nu alle relevante feiten zich binnen één lidstaat afspelen, zodat art. 45 VwEU niet relevant is, aldus de A-G. De belanghebbende valt evenmin onder EU-Verordening 883/2004, die overigens, indien naar analogie toegepast, exclusief het Eurojust-stelsel zou aanwijzen.

Conclusie: cassatieberoep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/978
NLF 2018/1114 met annotatie van Gabriëlle van de Ven
V-N 2018/30.7 met annotatie van Redactie
Viditax (FutD), 04-05-2018
FutD 2018-1233
NTFR 2018/1276 met annotatie van Touria El Ouardi
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

mr. P.J. Wattel

Advocaat-Generaal

Conclusie van 10 april 2018 inzake:

Nr. Hoge Raad: 17/04318

[X]

Nrs. CRvB: 15/7786 AOW; 16/3544 AOW

Nr. Rechtbank: 15/1111

Derde Kamer B

tegen

Algemene ouderdomswet (AOW)

1 april 2006 - 26 augustus 2011

Sociale Verzekeringsbank

1 Overzicht

1.1

In geschil is of de Zetelovereenkomst tussen Nederland en de EU-organisatie Eurojust1 de belanghebbende uitsluit van AOW-verzekering in Nederland hoewel hij enige dagen per jaar tegen vergoeding reservist is voor Defensie.

1.2

De belanghebbende woont in Nederland en werkt sinds 1 november 2002 als staff member bij de in Nederland gevestigde, door de EU in het leven geroepen rechtspersoon Eurojust. Enkele dagen per jaar is hij reservist bij het Nederlandse ministerie van Defensie. Hij acht zich op basis daarvan volledig verzekerd voor de AOW. Niet in geschil is dat hij vóór inwerkingtreding van de Zetelovereenkomst Nederland-Eurojust volledig was verzekerd voor de Nederlandse volksverzekeringen. In geschil is of de inwerkingtreding van die overeenkomst per 1 april 2006 die verplichte verzekering (geheel) heeft doen eindigen.

1.3

De Sociale verzekeringsbank (Svb) heeft belanghebbendes bezwaar tegen het op 6 juni 2012 bij besluit van de Svb verstrekte pensioenoverzicht gedeeltelijk gegrond verklaard en hem verzekerd geacht op de dagen waarop hij arbeid verricht voor Defensie. De Rechtbank heeft belanghebbendes beroep daartegen gegrond verklaard, omdat hij voldoet aan de criteria in art. 14(1)(a) Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen2 (Bub). Op het hogere beroep van de Svb heeft de CRvB die uitspraak vernietigd omdat art. 14(2) van de Zetelovereenkomst, bepalende dat Eurojust staff members “shall not be covered by the social security regulations of the Kingdom of the Netherlands,” verplichte sociale verzekering in Nederland zijns inziens in alle opzichten uitsluit. Gegeven het verbod op reformatio in peius heeft de CRvB het Svb-besluit op bezwaar in stand gelaten, waardoor de belanghebbende wel verzekerd is op de dagen waarop hij werkt voor Defensie.

1.4

De belanghebbende heeft daartegen cassatieberoep ingesteld omdat hij meent volledig verzekerd te zijn. Hij betoogt dat (i) het Eurojust-Besluit vóórgaat op de Zetelovereenkomst, (ii) het Eurojust-Besluit verwijst naar het EU-Ambtenarenstatuut en de Regeling die geldt voor ander EU-personeel, en (iii) die regelingen dubbele sociale verzekering – zowel door de EU als door Nederland – niet uitsluiten. Hij leidt uit HvJ EU Feyerbacher af dat het Unierecht er niet aan in de weg staat dat een EU-ambtenaar voor andere werkzaamheden dan voor zijn EU-werkgever onderworpen is aan het socialezekerheidsstelsel van zijn woonstaat. Volgens hem strekt art. 14(2) Zetelovereenkomst er slechts toe dubbele premieplicht uit te sluiten ter zake van zijn werk bij Eurojust. De CRvB is zijns inziens buiten het geschil gegaan door de Zetelovereenkomst toe te passen hoewel die volgens beide partijen niet rechtstreeks werkt.

1.5

Beoordeeld enkel op basis van art. 6(1)(a) AOW jo. art. 14(1)(a) Bub is de belanghebbende verzekerd voor de AOW. In afwijking daarvan sluit art. 6a AOW uit “de persoon op wie op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is”. Deze bepaling sluit echter niet uit dat die persoon voor ander werk dan voor die volkenrechtelijke organisatie (wel) verzekerd is. Art. 14(2) Zetelovereenkomst bepaalt echter ongeclausuleerd dat staff members van Eurojust zijn vrijgesteld van de verplichting bij te dragen aan het Nederlandse socialezekerheidsstelsel én dat zij ‘consequently’ niet verzekerd zijn onder dat stelsel. Hetzelfde geldt voor hun spouses and dependent relatives, behalve als zij ander betaald werk dan voor Eurojust verrichten of een Nederlandse uitkering genieten: dan vallen zij wél onder het Nederlandse stelsel. Die uitzondering is niet voorzien voor de staff members zelf. De Zetelovereenkomst gaat er kennelijk van uit dat zij voltijds voor Eurojust werken, of in deeltijd zonder een andere betaalde betrekking naast hun Eurojust-werk. Wellicht is een tweede betrekking in beginsel ook niet toegestaan in verband met de vereiste autonomie en onafhankelijkheid van Eurojust. Met de CRvB meen ik daarom dat een en ander er op wijst dat op staff members uitsluitend het Eurojust-stelsel van toepassing is. Ik zie geen reden om daarover in het geval van de belanghebbende, die kennelijk voltijder is, anders te denken, nu ook voor hem Nederlandse verzekering, anders dan voor spouses, niet voorzien is, en zijn werkzaamheden voor Defensie een efemeer karakter hebben. De zaak Feyerbacher lijkt voor zijn geval slechts a contrario relevant, nu de Zetelovereenkomst Nederland-Eurojust - anders dan de zetelovereenkomst Duitsland-ECB in de zaak Feyerbacher - niet bepaalt dat het Eurojust-stelsel of bepaalde toelagen daarvan een aanvulling zijn op soortgelijke nationale toelagen, en met name niet dat de Nederlandse AOW-uitkering in mindering komt op zijn Eurojust-pensioen. Evenmin bepaalt de Zetelovereenkomst Nederland-Eurojust dat de voorrechten en immuniteiten van Eurojust worden vastgelegd overeenkomstig het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de EU.

1.6

De belanghebbende betoogt echter dat de Zetelovereenkomst overtroefd wordt door het Eurojust-Besluit, dat (wel) verwijst naar het EU-Ambtenarenstatuut en de EU-Regeling voor overig personeel, die dubbele sociale verzekering niet uitsluiten. De uitlegbepaling waarop de belanghebbende zich beroept (art. 22(2) Zetelovereenkomst) is echter alleen van toepassing “in case of any conflict between the Eurojust Decision and this Agreement” en ik zie geen dergelijk conflict. De bepaling die nationale verzekering naast Eurojust-verzekering uitsluit is immers geenszins onverenigbaar met de verwijzing in het Eurojust-Besluit naar EU-personeelsregelingen voor de invulling van het Eurojust-personeelsstelsel. Ook als de EU-overig-personeel-regeling wél was gekopieerd in het Eurojust-Besluit, zou art. 14(2) Zetelovereenkomst zijn blijven gelden.

1.7

Het EU-Ambtenarenstatuut en de EU-Regeling voor overig personeel (zoals de belanghebbende) leiden mijns inziens overigens niet tot een andere uitkomst dan de Zetelovereenkomst. Uitgangspunt in de rechtspraak van het HvJ EU is dat in beginsel slechts één wettelijke regeling op het gebied van sociale zekerheid van toepassing is en dat de sociale-verzekeringspositie van EU-personeel is onttrokken aan de bevoegdheid van de lidstaten. Uitsluitend de EU gaat daarover en in casu heeft de EU er kennelijk voor gekozen Eurojust staff members uit te sluiten van het verzekeringsstelsel van het zettelland.

1.8

De belanghebbende heeft geen gebruik gemaakt van het vrije verkeer van werknemers (het gaat om een geheel interne situatie binnen één lidstaat) en hij valt dus niet onder art. 45 VwEU. Volgens de rechtspraak van het HvJ EU valt hij evenmin hij onder EU-Verordening 883/2004.3 Zou die Verordening wel – naar analogie – worden toegepast, dan zou hij uitsluitend onder het Eurojust-stelsel verzekerd zijn, nu die Verordening in beginsel steeds exclusief één sociaal-verzekeringsstelsel aanwijst.

1.9

Ik acht belanghebbendes cassatieberoep daarom ongegrond.

2 De feiten en het geding in feitelijke instanties

De feiten

2.1

De belanghebbende woont in Nederland. Hij werkte van 1 juli 1999 tot 1 december 2002 bij de European Police Office (Europol). Vanaf 1 november4 2002 werkt hij als staff member bij de European Union’s Judicial Cooperation Unit (Eurojust). Tegelijk was hij enkele dagen per jaar (in de jaren 2006 t/m (26 augustus) 2011 respectievelijk 4, 1, 6, 6, 2, en 7 dagen per jaar5) reservist bij het Nederlandse ministerie van Defensie.

2.2

De Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) heeft op zijn verzoek op 6 juni 2012 een pensioenoverzicht aan hem verstrekt op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW), dat vermeldt dat hij niet verzekerd was voor de AOW van 1 juli 1999 tot en met 26 augustus 2011. Tegen dat besluit heeft hij bezwaar gemaakt, dat door de Svb bij beslissing op bezwaar van 5 februari 2015 gedeeltelijk gegrond is verklaard. De Svb heeft hem bij nader inzien op grond van zijn ingezetenschap wel verzekerd geacht (i) in de periode waarin hij voor Europol werkte en (ii) tot 1 april 2006 in de periode waarin hij voor Eurojust werkte. Vanaf 1 april 2006 achtte de Svb de belanghebbende alleen verzekerd op de dagen waarop hij werkte voor Defensie, omdat op die datum de Zetelovereenkomst tussen Nederland en Eurojust in werking trad. De beslissing op bezwaar licht deze opvatting als volgt toe:

“Voor uw werkzaamheden bij Eurojust dient de Zetelovereenkomst te worden gezien als de toepasselijke wetgeving. Doorlopende verzekering voor de volksverzekeringen in Nederland zou in dit kader niet in lijn [zijn] met het ‘lex loci laboris’-beginsel. Dat is de reden dat wij u niet doorlopend verzekerd voor de volksverzekeringen achten op grond van het feit dat u arbeid in Nederland verricht, maar dat wij u verzekerd voor de volksverzekeringen achten op de dagen dat u arbeid verricht voor het Ministerie van Defensie.

(…)

Ten aanzien van de prevalerende bepaling, artikel 14 van de Zetelovereenkomst, als gevolg waarvan in het voornemen u expliciet en rechtstreeks uitgesloten bent van de nationale sociale zekerheid, waaronde[r] de AOW, merken wij het volgende op. Wij zijn nader van mening dat artikel 14 van de Zetelovereenkomst geen prevalerende bepaling is en dat u niet expliciet en rechtstreeks wordt uitgesloten op grond van deze bepaling. Artikel 14 van de Zetelovereenkomst heeft dan ook geen rechtstreekse werking op grond van artikel 93/94 van de Grondwet.”

2.3

De rechtbank Noord-Holland heeft feitelijk vastgesteld dat de belanghebbende al eerder om een pensioenoverzicht had gevraagd:

“1.1 Eiser heeft op 8 september 2009 een aanvraag bij verweerder gedaan voor een overzicht van zijn AOW-pensioen. Verweerder heeft hierop informatie opgevraagd bij eisers (voormalig) werkgevers. Hieruit is gebleken dat eiser van 6 maart 1985 tot en met 4 juli 1986 werkzaam is geweest bij het ministerie van Defensie. Nadien is hij daar blijven werken als reservist. Van 1 juli 1999 tot 1 december 2002 heeft eiser gewerkt bij Europol. Vanaf 1 november 2002 is eiser werkzaam voor Eurojust. Bij besluit van 16 november 2009 heeft verweerder aan eiser zijn AOW-pensioenoverzicht verstrekt waaruit blijkt dat eiser tot 8 september 2009 66% van het volledige AOW-pensioen heeft opgebouwd.

1.2

Op 23 mei 2011 heeft eiser verweerder verzocht onderzoek te doen naar zijn verzekering voor de Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ). Bij besluit van 30 juni 2011 heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij verzekerd is voor de AWBZ, omdat hij in dienst is bij het ministerie van Defensie. Eiser is daarom verplicht om een zorgverzekering af te sluiten. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt, omdat hij vrijgesteld wenst te worden van een verplichte Nederlandse zorgverzekering. Uit een telefoonrapport van verweerder van 25 augustus 2011 blijkt dat eiser en verweerder hebben afgesproken dat eisers bezwaar gegrond verklaard zal worden en dat eiser tevens is meegedeeld dat zijn verzekeringspositie voor de AOW eveneens zal veranderen. Dit is vastgelegd in het besluit van 26 augustus 2011.”

2.4

Op 3 oktober 2011 heeft de belanghebbende opnieuw een pensioenoverzicht aangevraagd. De Rechtbank heeft daaromtrent vastgesteld:

“1.3 Eiser heeft vervolgens opnieuw een pensioenoverzicht aangevraagd bij verweerder op 3 oktober 2011. Verweerder heeft daarop het primaire besluit genomen en aan eiser meegedeeld dat hij op 26 augustus 2011 44% van het volledige AOW-pensioen heeft opgebouwd. Verweerder heeft daarbij aangegeven dat eiser voor de periode van 24 juli 1977 tot en met 30 juni 1999 verzekerd is geweest voor de AOW en voor de periode van 1 juli 1999 tot en met 26 augustus 2011 niet verzekerd is geweest voor de AOW. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.”

2.5

Art. 2 van belanghebbendes contract of employment luidt:

“The staff member shall remain subject to the Conditions of Employment of Other Servants as member of the temporary staff (Article 2f of the CEOS6) and to the rates on the tax for the benefit of the Communities.”

Dat contract vermeldt geen deeltijfactor. Ik ga er daarom van uit dat de belanghebbende in de litigieuze periode voltijds in dienst was bij Eurojust.

De Rechtbank Noord-Holland 7

2.6

De Rechtbank heeft belanghebbendes beroep gegrond verklaard omdat hij voldoet aan de criteria van art. 14(1)(a) Bub:

“4. De rechtbank stelt (…) vast dat (…) niet in geschil is dat eiser werkzaam is voor een volkenrechtelijke organisatie en dat hij als gevolg van de Zetelovereenkomst per 1 april 2006 op grond van die werkzaamheden niet verzekerd is voor de AOW.

5. Eiser verricht naast zijn werkzaamheden voor Eurojust, werkzaamheden voor het ministerie van Defensie als reservist. Artikel 14, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit bepaalt in dat geval - als uitzondering op de hoofdregel genoemd in de aanhef van dit artikel - dat een persoon toch verzekerd is voor de volksverzekeringen indien in Nederland arbeid wordt verricht anders dan uit hoofde van de dienstbetrekking bij de volkenrechtelijke organisatie. De Nota van Toelichting bij het Besluit voegt daaraan toe dat uit de formulering van het eerste lid van artikel 14 blijkt dat vrijstelling van de Nederlandse verzekeringsplicht slechts geldt indien de betrokkene uitsluitend werkzaam is bij de volkenrechtelijke organisatie. Blijkens de Nota van Toelichting plaatst een dergelijke persoon zich onder de Nederlandse wetgeving zodra hij (mede) andere werkzaamheden dan die voor de volkenrechtelijke organisatie gaat verrichten. Artikel 1, aanhef en onder d, van het Besluit definieert het begrip arbeid als arbeid verricht in het economisch verkeer en gericht op het verwerven van inkomen. De rechtbank is van oordeel dat de werkzaamheden die eiser verricht vallen onder het begrip arbeid zoals genoemd in het Besluit. Dit is (…) ook niet in geschil. Eiser ontvangt voor zijn werkzaamheden een vergoeding, zodat aangenomen moet worden dat deze arbeid gericht is op het verwerven van inkomsten. Dit brengt met zich dat eiser doorlopend verzekerd is (geweest) voor de AOW op basis van zijn dienstverband bij het ministerie van Defensie. Dat eiser niet dagelijks of wekelijks structureel werkzaamheden voor het ministerie van Defensie heeft verricht, kan daaraan niet afdoen. Voor de wijze waarop verweerder eisers verzekering voor de AOW heeft berekend, is dan ook geen plaats.

6. Het voorgaande brengt met zich dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank draagt verweerder op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is bepaald, nu enkel nog een berekening gemaakt dient te worden aan de hand van eisers doorlopende verzekering voor de AOW.”

De Centrale Raad van Beroep 8

2.7

De CRvB heeft het hogere beroep van de Svb gegrond verklaard. De in art. 14(2) Zetelovereenkomst bedoelde personen zijn volgens de CRvB in alle opzichten uitgesloten van de Nederlandse verplichte sociale verzekeringen:

“4.1. Eurojust is ingesteld bij besluit van de Raad van de Europese Unie van 28 februari 2002 als orgaan van de Unie, met rechtspersoonlijkheid (Pb L 63/1; hierna: Eurojust Besluit). In 2002 is een interimzetelverdrag tussen Nederland en Eurojust tot stand gekomen (Trb. 2003, 7). Dit verdrag bevatte geen bepalingen betreffende de sociale zekerheid van het personeel van Eurojust. Met ingang van 1 april 2006 is het interimzetelverdrag vervangen door de Zetelovereenkomst, een nieuw verdrag, dat wel bepalingen betreffende de sociale zekerheid bevat.

4.2.

Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie (PB 2004, C 310/261), bevat in artikel 14 de opdracht een communautaire regeling vast te stellen inzake de sociale voorzieningen, welke op de ambtenaren en overige personeelsleden van de Unie van toepassing zijn.

4.3.

Het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (Statuut) en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Unie zijn vastgesteld bij verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad van 29 februari 1968 (PB 1968, L 56, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG, Euratom) nr. 1324/2008 van de Raad van 18 december 2008 (PB 2008, L 345, blz. 17).

4.4.

Voor personen werkzaam bij Eurojust is van belang artikel 30, eerste lid, van het Eurojust Besluit, waarin is bepaald dat voor het personeel van Eurojust, met name voor zijn aanwerving en statuut, de verordeningen en regelingen gelden die van toepassing zijn op de ambtenaren en andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen.

4.5.

Met betrekking tot de vraag of op betrokkene eveneens de Nederlandse sociale zekerheidswetten van toepassing zijn, is van belang artikel 14 van de Zeteloverkomst. (…)

(…).

4.8.

Niet in geschil is dat betrokkene op grond van zijn werkzaamheden voor Eurojust niet verzekerd is ingevolge de AOW. Voor het personeel van Eurojust gelden ingevolge artikel 30 van het Eurojust Besluit de verordeningen en regelingen die van toepassing zijn op ambtenaren en andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen. Op betrokkene is daarom het Ambtenarenstatuut van toepassing, dat ook voorziet in een dekking van de sociale risico’s. Betrokkene behoort tot de personen die “shall be exempt from all compulsory contributions to the social security organisations of the Kingdom of the Netherlands” en die daarom “shall not be covered by the social security regulations of the Kingdom of the Netherlands,” zoals verwoord in artikel 14, tweede lid van het Zetelverdrag.

4.9.

De vraag rijst of deze bepaling uitsluit dat betrokkene naast zijn dekking voor sociale risico’s ingevolge het Ambtenarenstatuut, verzekerd is ingevolge de AOW op grond van andere werkzaamheden dan die voor Eurojust. Niet in geschil is dat in deze situatie is voorzien in de nationale regelgeving – te weten KB 746 – en dat op grond van KB 746 de werkzaamheden als reservist leiden tot verzekering ingevolge volksverzekeringen. De Raad is echter van oordeel dat artikel 14, tweede lid, van de Zetelovereenkomst in de weg staat aan een verzekering ingevolge de AOW. Deze bepaling van de Zetelovereenkomst betreft een eenieder verbindende bepaling in de zin van artikel 93 van de Grondwet. Bepalingen in de AOW of in KB 746 vinden ingevolge artikel 94 van de Grondwet geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met artikel 14, tweede lid, van de Zetelovereenkomst. Geconcludeerd wordt dat verzekering ingevolge KB 746 niet verenigbaar is met de Zetelovereenkomst. Indien het de bedoeling van de verdragsluitende partijen zou zijn geweest een uitzondering mogelijk te maken op de regel dat staff members van Eurojust zijn vrijgesteld van rechten en plichten onder het Nederlandse sociale zekerheidsstelsel, dan ligt het in de rede dat deze uitzonderingsmogelijkheid uitdrukkelijk zou zijn verwoord. Een dergelijke uitzondering is immers wel verwoord voor “spouses and dependent relatives forming part of the household” in het derde lid van artikel 14 van de Zetelovereenkomst. Voor hen is eveneens bepaald dat zij zijn vrijgesteld van premieheffing maar expliciet is geregeld dat deze vrijstelling vervalt indien zij in Nederland werkzaam zijn voor een andere werkgever dan Eurojust of indien zij een Nederlandse sociale zekerheidsuitkering ontvangen. De verdragsluitende partijen hebben de situatie waarin iemand andere werkzaamheden in Nederland verricht dan de werkzaamheden voor Eurojust dus voorzien, doch voor de medewerkers van Eurojust geen uitzondering op de vrijstelling tot stand gebracht en voor hun gezinsleden wel. Gelet op de bewoordingen van artikel 14, tweede lid, van de Zetelovereenkomst, zijn de in die bepaling bedoelde personen in alle opzichten uitgesloten van de verplichte sociale verzekeringen in Nederland. Dat geldt zowel voor de heffing van premie als voor het recht op uitkering.”

2.8

De HvJ EU-zaak Feyerbacher (zie 6.1 hieronder) is volgens de CRvB niet relevant omdat die over een andere – en anders geformuleerde – Zetelovereenkomst gaat (Duitsland-ECB) en de Eurojust-Zetelovereenkomst niet voorziet in samenloop, cumulatie of verdiscontering van nationale en supranationale verzekering:

“4.10. Het arrest Feyerbacher, waar de Svb naar heeft verwezen, doet aan dit oordeel niet af omdat de juridische uitgangspunten in dat geval anders waren dan in dit geval. Weliswaar kent de zetelovereenkomst van de Europese Centrale Bank (ECB), waar Feyerbacher werkzaam was, ook een algemene uitsluiting, doch de nadere regels voor ECB-medewerkers kennen voor het type uitkering in geding een bijzondere regeling. De arbeidsvoorwaarden van de ECB preciseren dat alle daarin genoemde toelagen “een aanvulling vormen op soortgelijke toelagen uit andere bron.” Vandaar dat de verstrekking van de Duitse ouderschapstoelage niet uitgesloten werd geacht door de zetelovereenkomst. De personeelsleden moeten dergelijke toelagen, die in mindering worden gebracht op de door de ECB te betalen toelagen, aanvragen en opgeven (punt 12 en 43 van het arrest Feyerbacher). Met betrekking tot het ouderdomspensioen is in het Eurojust Besluit noch in het Ambtenarenstatuut voorzien in samenloop, cumulatie of verdiscontering.

4.11.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het principaal hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Geconcludeerd kan worden dat betrokkene in ieder geval niet te kort is gedaan in het bestreden besluit. Het incidenteel hoger beroep slaagt niet.”

2.9

De CRvB heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd en de uitspraak van de Svb op bezwaar in stand gelaten:

“4.11. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het principaal hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Geconcludeerd kan worden dat betrokkene in ieder geval niet te kort is gedaan in het bestreden besluit. Het incidenteel hoger beroep slaagt niet.”

Het resultaat is dat de belanghebbende van 1 april 2006 tot 26 augustus 2011 voor de AOW verzekerd wordt geacht, maar uitsluitend op de dagen waarop hij voor Defensie heeft gewerkt.

3 Het geding in cassatie

3.1

De belanghebbende heeft tijdig en regelmatig beroep in cassatie ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben elkaar niet van re- en dupliek gediend.

3.2

De belanghebbende acht het EU-Ambtenarenstatuut (het Statuut) en de EU-Regeling voor andere personeelsleden (de EU-Regeling) van toepassing en stelt dat die regelingen zijn verzekering voor de AOW niet uitsluiten (ik laat voetnoten weg):

“In artikel 2 van de arbeidsovereenkomst tussen [X] en Eurojust [zie 2.5 hierboven; PJW] is bepaald dat [X] onderworpen is (’shall remain subject') aan de Conditions of Employment of Other Servants of the European Communities (verder: Conditions of Employment).

Tezamen met de Staff Regulations of Officials of the European Communities (…), vormen de Conditions of Employment het wettelijk fundament voor de onafhankelijke status van de instellingen en ambtenaren (zoals [X]) van de Europese Unie.

De Staff Regulations en de Conditions of Employment vinden hun oorsprong in verordening 31 van 14 juni 1962. (…)

(…)

Overigens volgt de toepasselijkheid van Staff Regulations en Conditions of Employment uit artikel 30, eerste lid van het Besluit van de Raad van 28 februari 2002 betreffende de oprichting van Eurojust, Pbl L 63/1 (verder: Eurojust Decision). (…)

In het Zetelverdrag (…) is bepaald dat in geval van een rechtsconflict tussen het Zetelverdrag en de Eurojust Decision, de laatste prevaleert: [zie art. 22 in 4.1 hieronder; PJW] (…).

Noch de Staff Regulations, noch de Conditions of Employment kent een bepaling die een Staff Member zoals [X] uitsluit van verzekering voor de AOW. In een uitsluiting van verzekering van het land van vestiging is daarin niet uitdrukkelijk voorzien. De uitsluiting van [X] van verzekering voor de AOW kan niet worden gebaseerd op de Staff Regulations noch op de Conditions of Employment. Omdat Staff Regulations en Conditions of Employment algemeen verbindend zijn is er geen ruimte voor de litigieuze uitsluiting van verzekering van [X].

In de tweede plaats moet worden bedacht dat Europees ambtenaren worden aangemoedigd om nevenactiviteiten te ontplooien buiten hun status van Staff Member om. Zo kennen de Staff Regulations in bijvoorbeeld artikel 42 een bepaling die het reservisten mogelijk maakt om, zoals zich bij [X] voordoet, gehoor te geven aan een oproep om de krijgsmacht te dienen. Daar komt bij dat het salaris van de ambtenaar in dat geval wordt verminderd ('subject to deduction') met 'an amount equal to his service pay’. Anders dan de Centrale Raad betoogt, voorziet het Ambtenarenstatuut dus wel in samenloop, cumulatie en verdiscontering (zie ro 4.10, laatste volzin).

In lijn met het voorgaande geldt verder dat de Europese Commissie bij Besluit van 16 december 2013 (C (2013) 9037 - Commission Decision on outside activities and assignments) de wens heeft geuit 'to encourage external mobility', 'without imposing unreasonable restrictions on officials' outside activities’. (…)

Het leidt weinig twijfel dat het werk van [X] voor het ministerie van Defensie als een dergelijke 'outside activity' moet worden aangemerkt. Het is daarom met artikel 42 van de Staff Regulations en met het Besluit van 16 december 2013 in strijd dat [X] over de inkomsten uit zijn werk bij Defensie, geen sv-premies verschuldigd zou zijn en voor de risico's die deze premies dekken ook niet verzekerd zou zijn.”

3.3

De belanghebbende stelt voorts dat op zijn reservistenvergoeding premies zijn ingehouden:

“Bovendien betrekt noch het ministerie van Defensie als werkgever van [X], noch het UWV bij de vaststelling van diens aanspraak op werknemersverzekeringen, noch de belastingdienst bij het heffen van bedoelde premies, het standpunt dat geen premies verschuldigd zijn noch dat [X] niet verzekerd zou zijn. Op de inkomsten bij Defensie wordt premie ingehouden en in de administratie van het UWV is [X] een op grond van diens dienstbetrekking hij Defensie verzekerde werknemer.

(…).”

3.4

De belanghebbende meent dat art. 22(2) Zetelovereenkomst en het Eurojust-Besluit meebrengen dat het EU-Ambtenarenstatuut en de EU-Regeling juridisch hoger in rang staan dan de Zetelovereenkomst:

“Als al kan worden gezegd dat het Zetelverdrag aan de toepassing van artikel 14 BuB in de weg staat, dan geldt dat in elk geval niet voor de Staff Regulations en de Conditions of Employment. (…)

Het ontbreken van een grondslag voor de uitsluiting van [X] van verzekering in meergenoemde Statuten betekent in het licht van het oordeel van de Centrale Raad, namelijk dat diens uitsluiting op artikel 14 van het Zetelverdrag kan worden gebaseerd, dat zich een (wets)conflict voordoet over de vraag welke van deze bepalingen voorrang heeft. Nog daargelaten het grote verschil in omvang tussen Statuten en Zetelverdrag dat stellig het kenbaarbeidsvereiste aantast, en nog daargelaten dat Statuten en Zetelverdrag zich lijken te verhouden tot elkaar als lex specialis tot lex generalis, komt op grond van artikel 22, tweede lid van het Zetelverdrag prevalerende werking toe aan de Eurojust Decision, en dus aan de Staff Regulations en Conditions of Employment. Ook in zoverre is er voor toetsing van artikel 14 BuB aan het Zetelverdrag geen plaats.”

3.5

De Zetelovereenkomst beoogt zijns inziens dubbele verzekering alleen uit te sluiten voor het werk bij Eurojust:

“Deze bepaling [art. 14; PJW] lijkt er op te zijn gericht om verplichte bijdragen aan het sociale zekerheidsstelsel van Nederland uit te sluiten voor zover het 'the social security scheme conducted under the authority of Eurojust' betreft. Op grond van de Staff Regulations en Conditions of Employment zijn dat de in de artikelen 71 tot en met 84 van die Statuten uitgewerkte aanspraken ((beroeps)ziekte, geboorte, overlijden, pensioen en invaliditeit). Die aanspraken sluiten evenwel het bestaan van anderszins verkregen aanspraken niet uit. Het lijkt er daarom op dat het vrijwaren van de Staff Member van verplichte bijdragen aan het Nederlandse sociale zekerheidsstelsel slechts betrekking heeft op bijdragen voor zover die kunnen worden herleid tot het werk bij Eurojust. Met als gevolg dat de Staff Member ook geen aanspraak kan doen gelden op de sociale verzekeringsregelingen van Nederland voorzover die aanspraken onder de bevoegdheid van Eurojust vallen. Dat lijkt geen categorische uitsluiting van het Nederlandse stelsel van sociale zekerheid.

De belanghebbende beroept zich op HvJ EU Feyerbacher (zie 6.1), waaruit zijns inziens volgt dat het Unierecht niet uitsluit dat een ambtenaar van een EU-instelling op grond van andere werkzaamheden in de woonstaat dan voor die instelling, onderworpen is aan het sociale zekerheidsstelsel van die Staat.

3.6

De CRvB is volgens hem buiten het geschil getreden omdat de Svb in diens besluit van 5 februari 2015 er van uit is gegaan dat de Zetelovereenkomst niet rechtstreeks werkt:

“Op grond van artikel 8:69 van de Awb wordt de buitengrens van een geschil als het onderhavige gevormd door het bestreden besluit zoals dat luidt of op grond van de relevante wettelijke bepalingen, het beleid van het bestuursorgaan en een eventuele onderliggende aanvraag had moeten luiden. Elementen die buiten het kader van het besluit vallen kunnen niet betrokken worden in het geding. De rechter mag dan ook niet buiten het kader van het besluit treden.

De buitengrens van een geschil als het onderhavige wordt gevormd door het besluit van de SVB van 5 februari 2015. Daarin is bepaald dat aan de Zetelovereenkomst naar het oordeel van de SVB geen rechtstreekse werking toekomt en dat [X] daarom niet op grond van (artikel 14 van die) Zetelovereenkomst wordt uitgesloten van verzekering. In dat besluit is verder bepaald dat [X] op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder a van het BuB 1999 (wel) verzekerd is voor de AOW op dagen dat hij voor Defensie werkt(e). Blijkens diens uitspraak van 16 oktober 2015 is de rechtbank Noord-Holland binnen de grenzen van het aldus vastgestelde geschil gebleven maar dat geldt niet voor de Centrale Raad. Door de toetsing van artikel 14 BuB 1999 aan artikel 94 van de Gw, en in acht genomen het daarop gebaseerde oordeel dat de verzekering van [X] op grond van artikel 14 BuB 1999 niet verenigbaar is met artikel 14 van de Zetelovereenkomst, is de Centrale Raad de grenzen van het geschil te buiten gegaan. De (on)verenigbaarheid van artikel 14 BuB 1999 met het Zetelverdrag was immers niet in geschil.

Aan het ongemak over de voor [X] onvoorziene wending in zijn zaak, draagt bij dat de Centrale Raad aldus in stand heeft gelaten dat [X] over de dagen dat hij werkzaam is bij Defensie, verzekerd is voor de AOW.”

3.7

Bij verweer voert de Svb aan dat er geen conflict bestaat tussen de Zetelovereenkomst en het Eurojustbesluit, zodat art. 22 Zetelovereenkomst niet van toepassing is en dat registratie als verzekerde bij UWV en Belastingdienst niet strekt tot bewijs van verzekering voor de AOW. Belanghebbendes stelling dat de verdragspartijen een van de tekst afwijkende bedoeling zouden hebben gehad kan volgens de Svb niet worden aanvaard zonder bewijs.

4 Internationaal recht

4.1

De Zetelovereenkomst tussen Nederland en Eurojust9 bepaalt onder meer:

Article 14 Administrative Director and Staff

1. In accordance with Article 30 of the Eurojust Decision, it is hereby affirmed that Articles 12 to 16 and 18 of the Protocol10 are applicable to the Administrative Director and to the staff.

2. In addition to the privileges and immunities specified in paragraph 1 of this Article, for the social security scheme conducted under the authority of Eurojust, the Administrative Director and the Staff to whom the above-mentioned scheme applies shall be exempt from all compulsory contributions to the social security organisations of the Kingdom of the Netherlands. Consequently, they shall not be covered by the social security regulations of the Kingdom of the Netherlands.

3. The provisions of paragraph 2 of this Article shall apply, mutatis mutandis, to spouses and dependent relatives forming part of the household of the Administrative Director and Staff, unless they are employed in the Kingdom of the Netherlands by an employer other than Eurojust or receive social security benefits from the Kingdom of the Netherlands.

(…).

Article 22 Interpretation of the Agreement

1. This Agreement shall be interpreted in the light of its primary purpose, that is to enable Eurojust at its Headquarters in the Kingdom of the Netherlands to discharge fully and efficiently its responsibilities and fulfill its purposes.

2. In case of any conflict between the Eurojust Decision and this Agreement, the Eurojust Decision shall prevail.

(…).”

4.2

Art. 30 Eurojust-Besluit11 luidt:

“1. Voor het personeel van Eurojust gelden, met name voor zijn aanwerving en statuut, de verordeningen en regelingen van toepassing op de ambtenaren en andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen.

2. Het personeel van Eurojust bestaat uit personen die overeenkomstig de in lid 1 bedoelde verordeningen en regelingen zijn aangeworven, rekening houdend met de in artikel 27 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen vastgesteld bij Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 (…) vermelde criteria, inclusief hun geografische spreiding. De personeelsleden hebben het statuut van ambtenaar in vaste dienst, tijdelijk personeelslid of plaatselijk functionaris. (…)

3. (…)”

4.3

Art. 15 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de EG (het Protocol)12 luidde tot 1 december 2009:

“Op voorstel van de Commissie stelt de Raad met eenparigheid van stemmen de regeling vast inzake de sociale voorzieningen, welke op de ambtenaren en overige personeelsleden van de Gemeenschappen van toepassing zijn.”

De artt. 12 en 14 van het huidige Protocol no. 7 bij het VwEU betreffende de voorrechten en immuniteiten van de EU (het Protocol) luiden sinds 1 december 2009:13

“Artikel 12

Onder de voorwaarden en volgens de procedure welke door het Europees Parlement en de Raad volgens de gewone wetgevingsprocedure bij verordeningen en na raadpleging van de betrokken instellingen worden vastgesteld, worden de ambtenaren en overige personeelsleden van de Unie onderworpen aan een belasting ten bate van de Unie op de door haar betaalde salarissen, lonen en emolumenten.

Zij zijn vrijgesteld van nationale belastingen op de door de Unie betaalde salarissen, lonen en emolumenten.

(…).

Artikel 14

Het Europees Parlement en de Raad stellen volgens de gewone wetgevingsprocedure bij verordeningen en na raadpleging van de betrokken instellingen de regeling vast inzake de sociale voorzieningen, welke op de ambtenaren en overige personeelsleden van de Unie van toepassing zijn.”

4.4

Het EU-ambtenarenstatuut14 bepaalt het volgende over verlof wegens militaire dienst c.q. herhalingsoefening en over pensioen:

“Artikel 42

De ambtenaar die in een militair verband is opgenomen ten einde zijn wettelijke eerste oefening te vervullen, of die voor herhalingsoefeningen dan wel om andere redenen weer onder de wapenen is geroepen, wordt geplaatst in de bijzondere stand „verlof wegens militaire dienst".

De ambtenaar die in een militair verband is opgenomen ten einde zijn wettelijke eerste oefening te vervullen, ontvangt geen bezoldiging meer, doch behoudt zijn uit dit statuut voortvloeiende rechten met betrekking tot plaatsing in een hogere salaristrap en bevordering. Tevens behoudt hij de rechten met betrekking tot ouderdomspensioen, mits hij na vervulling van zijn militaire plichten zijn bijdragen ingevolge de pensioenregeling over het desbetreffende tijdvak alsnog betaalt.

De ambtenaar die voor herhalingsoefeningen of om andere redenen weer onder de wapenen is geroepen, geniet gedurende het desbetreffende tijdvak zijn bezoldiging; hierop wordt echter de soldij die hij als militair ontvangt, in mindering gebracht.

(…).

Artikel 77

De ambtenaar die ten minste tien dienstjaren heeft vervuld, heeft recht op ouderdomspensioen. Ongeacht zijn diensttijd heeft hij echter recht op dit pensioen wanneer hij ouder is dan 60 jaar, of indien hij tijdens een periode waarin hij ter beschikking stond niet kon worden herplaatst, dan wel bij ontheffing van het ambt om redenen van dienstbelang.

Het maximale ouderdomspensioen bedraagt 60% van het gemiddelde eindsalaris van de ambtenaar. Het wordt toegekend aan de ambtenaar die volgens artikel 3 van bijlage VIII 33 pensioenjaren heeft. Indien het aantal pensioenjaren minder dan 33 beloopt, wordt het bovengenoemde maximale pensioen naar verhouding verminderd.

Onder gemiddeld eindsalaris van de ambtenaar wordt verstaan het gemiddelde van het jaarlijkse basissalaris verbonden aan zijn rang en salaristrap gedurende de drie jaar voorafgaande aan de beëindiging van zijn dienst.

Het ouderdomspensioen per dienstjaar kan niet minder dan 4% van het minimum voor levensonderhoud bedragen.

Het recht op ouderdomspensioen wordt op 60-jarige leeftijd verkregen.

(…).

Artikel 84

De pensioenregeling is nader uitgewerkt in bijlage VIII.”

4.5

Titel II van de EU-Regeling voor overig personeel15 bevat regels voor ‘tijdelijke functionarissen’. De belanghebbende is kennelijk zo’n tijdelijke functionaris (zie art. 2 van zijn arbeidsovereenkomst in 2.5 hierboven). Die regeling bepaalt onder meer:

“Artikel 18

Aan de functionaris die anders dan voor herhalingsoefeningen weer onder de wapenen wordt geroepen en aan wie de dienst niet ingevolge artikel 4816 wordt opgezegd, wordt verlof verleend met behoud van zijn volledige bezoldiging voor een periode gelijk aan de reeds door hem volbrachte diensttijd, met een maximum van drie maanden.

Na afloop van deze periode geniet hij voor de tijd dat hij onder de wapenen is doch ten hoogste gedurende de helft van de door hem reeds volbrachte diensttijd, een tegemoetkoming gelijk aan een derde van zijn basissalaris. Na afloop van deze tweede termijn wordt hem onbezoldigd verlof verleend.

De in de eerste alinea bedoelde uitkeringen worden verminderd met de soldij van de functionaris over de desbetreffende periode.

(…)

Artikel 42

Volgens door de instelling te bepalen regels kan de functionaris de instelling verzoeken de betalingen te doen die hij eventueel moet verrichten voor de totstandkoming of handhaving van zijn pensioenrechten in zijn land van herkomst.

Deze betalingen kunnen niet meer dan 12 % van zijn basissalaris bedragen en komen ten laste van de begroting der Gemeenschap, waaruit hij wordt bezoldigd.

(…).

Artikel 44

Artikel 82 van het statuut en artikel 45 van bijlage VIII van het statuut, betreffende de betaling van de uitkeringen, zijn van overeenkomstige toepassing.

Bedragen die door een functionaris uit hoofde van het onderhavige voorzieningsstelsel verschuldigd zijn op het tijdstip waarop de rechten op uitkering ingaan, worden hierop in mindering gebracht, op de wijze bepaald door de instelling, bedoeld in artikel 43.

Iedere functionaris die aan dit stelsel deelneemt, en iedere persoon die uitkeringen uit hoofde van dit stelsel ontvangt, is gehouden de schriftelijke bewijsstukken over te leggen die de in artikel 43 bedoelde instelling noodzakelijk acht.”

4.6

EU-verordening 883/200417 wijst het toepasselijke nationale socialezekerheidsstelsel aan voor migrerende werknemers en zelfstandigen. Voor personen die in twee of meer lidstaten werken, bevat deze Verordening de volgende regels:

“Artikel 11

1. Degenen op wie deze verordening van toepassing is, zijn slechts aan de wetgeving van één lidstaat onderworpen. Welke die wetgeving is, wordt overeenkomstig deze titel vastgesteld.

(…)

3. Behoudens de artikelen 12 tot en met 16:

(…)

b) geldt voor ambtenaren de wetgeving van de lidstaat waaronder de dienst waarbij zij werkzaam zijn, ressorteert;

(…).

Artikel 13

1. Op degene die in twee of meer lidstaten werkzaamheden in loondienst pleegt te verrichten, is van toepassing:

a) de wetgeving van de lidstaat waar hij woont, indien hij op dit grondgebied een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden verricht of indien hij werkzaam is bij verschillende ondernemingen of werkgevers die hun zetel of domicilie hebben op het grondgebied van verschillende lidstaten, of

b) de wetgeving van de lidstaat waar de zetel van de onderneming of het domicilie van de werkgever waarbij hij voornamelijk werkzaam is zich bevindt, indien hij geen substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden verricht in de lidstaat waar hij woont.

2. (…)

3. (…)

4. Op degene die werkzaam is als ambtenaar in een lidstaat en al dan niet in loondienst een werkzaamheid verricht in een of meer andere lidstaten is de wetgeving van toepassing van de lidstaat waaronder de dienst ressorteert waarbij hij werkzaam is.

5. De in de leden 1 tot en met 4 bedoelde personen worden voor de toepassing van de overeenkomstig deze bepalingen vastgestelde wetgeving beschouwd alsof zij de bedoelde werkzaamheden volledig verrichtten in de betrokken lidstaat en daar al hun inkomsten verkregen.”

Toepassing naar analogie van deze regels, met name art. 13(5), op de belanghebbende zou ertoe leiden dat hij uitsluitend onder het Eurojust-stelsel zou vallen, zij het dat in sommige gevallen vrijwillige verzekering mogelijk blijft:

“Artikel 14

1. De artikelen 11 tot en met 13 zijn niet van toepassing op vrijwillige of vrijwillig voortgezette verzekering, tenzij voor één van de in artikel 3, lid 1, bedoelde takken van sociale zekerheid in een lidstaat slechts een stelsel van vrijwillige verzekering bestaat.

2. Wanneer de betrokkene krachtens de wetgeving van een lidstaat in die lidstaat verplicht verzekerd is, kan hij in een andere lidstaat niet deelnemen aan een stelsel van vrijwillige of vrijwillig voortgezette verzekering. In alle overige gevallen waar voor een bepaalde tak van sociale zekerheid de keuze bestaat tussen verschillende stelsels van vrijwillige of vrijwillig voortgezette verzekering, wordt de betrokkene alleen toegelaten tot het stelsel dat hij heeft gekozen.

3. Wat invaliditeits-, ouderdoms- en nabestaandenuitkeringen betreft, kan de betrokkene evenwel worden toegelaten tot de vrijwillige of vrijwillig voortgezette verzekering van een lidstaat, zelfs indien hij verplicht verzekerd is krachtens de wetgeving van een andere lidstaat, voor zover hij op een bepaald ogenblik tijdens zijn loopbaan onderworpen is geweest aan de wetgeving van de eerstbedoelde lidstaat op grond van of ten gevolge van een al dan niet in loondienst verrichte werkzaamheid, wanneer deze gelijktijdige aansluiting krachtens de wetgeving van de eerste lidstaat uitdrukkelijk of stilzwijgend wordt toegelaten.

4. Indien krachtens de wetgeving van een lidstaat het recht op een vrijwillige of vrijwillig voortgezette verzekering afhankelijk is van het wonen van de verzekerde in die lidstaat, geldt de gelijkstelling van het wonen in een andere lidstaat overeenkomstig artikel 5, onder b), alleen voor personen die ooit onderworpen zijn geweest aan de wetgeving van de eerste lidstaat omdat zij daar al dan niet in loondienst een werkzaamheid hebben verricht.”

5 Nationaal recht

5.1

De artt. 6 en 6a AOW bepalen wie verzekerd is voor de AOW:

Artikel 6

“1 Verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet is degene, die nog niet de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, en

a. ingezetene is;

b. geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland of op het continentaal plat in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.

2 (…)

3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, in afwijking van het eerste en tweede lid, uitbreiding dan wel beperking worden gegeven aan de kring der verzekerden.

4 (…).”

Artikel 6a

“Zo nodig in afwijking van artikel 6 en de daarop berustende bepalingen:

a. wordt als verzekerde aangemerkt de persoon van wie de verzekering op grond van deze wet voortvloeit uit de toepassing van bepalingen van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie;

b. wordt niet als verzekerde aangemerkt de persoon op wie op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is.”

5.2

Art. 6a AOW is toegevoegd naar aanleiding van uw arrest HR BNB 1997/310,18 waarin u oordeelde dat premieplicht alleen uit nationale wetgeving kan voortvloeien. Het gevolg daarvan was dat een persoon op grond van EU-recht aanspraak kon hebben op een uitkering zonder premieplichtig te zijn (geweest).19

5.3

Art. 34 e.v. AOW bieden de mogelijkheid tot vrijwillige verzekering:

“Artikel 34

In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder gewezen verzekerde: degene, wiens verplichte verzekering is geëindigd.

Artikel 35

1. De gewezen verzekerde die de aanvangsleeftijd heeft bereikt kan zich, zolang hij de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, vrijwillig verzekeren over een periode van maximaal tien jaar, met ingang van de dag na de dag waarop de verplichte verzekering is geëindigd. De eerste zin is alleen van toepassing indien de gewezen verzekerde direct voorafgaande aan de periode van vrijwillige verzekering ten minste een jaar verplicht verzekerd is geweest.

(…)

3 De periode van maximaal tien jaar, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op:

a. de gewezen verzekerde die in dienstbetrekking staat tot een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon dan wel uit anderen hoofde loon geniet van een zodanige rechtspersoon;

(…)

d. de gewezen verzekerde die werkzaamheden verricht die worden bekostigd door het Rijk en die tevens in opdracht van het Rijk worden verricht in het kader van een wettelijke taakomschrijving of ter uitvoering van een internationaal verdrag dan wel een daarmee gelijk te stellen overeenkomst of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie; (…)

(…).”

5.4

Art. 14 Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden20 (Bub) bepaalt:

“1 Niet verzekerd op grond van de volksverzekeringen is de persoon die in dienst is van een volkenrechtelijke organisatie en op wie de regeling inzake sociale zekerheid van die organisatie van toepassing is, tenzij hij:

a. in Nederland arbeid verricht anders dan uit hoofde van de vorenbedoelde dienstbetrekking; of

b. een Nederlandse socialeverzekeringsuitkering ontvangt.

2 De volkenrechtelijke organisaties, bedoeld in het eerste lid, worden door Onze Ministers, in overeenstemming met Onze Minister van Buitenlandse Zaken, aangewezen.

3 De in Nederland wonende echtgenoot, kinderen en overige inwonende gezinsleden van de persoon, bedoeld in het eerste lid, zijn niet verzekerd op grond van de volksverzekeringen, indien de zetelovereenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de volkenrechtelijke organisatie zulks bepaalt, tenzij zij:

a. in Nederland arbeid verrichten; of

b. een Nederlandse socialeverzekeringsuitkering ontvangen.

4 De echtgenoot, kinderen en overige inwonende gezinsleden die op grond van het derde lid niet zijn verzekerd, blijven van de verzekering op grond van de volksverzekeringen uitgesloten gedurende de periode van een jaar, te rekenen vanaf de datum van overlijden van de persoon, bedoeld in het eerste lid, tenzij zij:

a. in Nederland arbeid verrichten; of

b. een Nederlandse socialeverzekeringsuitkering ontvangen.

(…)”

5.5

Deze bepaling is door de ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport als volgt toegelicht:21

“Eerste lid

Uit de formulering van het eerste lid blijkt, dat vrijstelling van de Nederlandse verzekeringsplicht slechts geldt indien de betrokkene uitsluitend werkzaam is bij die volkenrechtelijke organisatie. Een dergelijk persoon plaatst zich onder de Nederlandse wetgeving zodra hij (mede) andere werkzaamheden dan die als hier bedoeld, gaat verrichten. Dit geldt ook voor de persoon die een Nederlandse socialeverzekeringsuitkering ontvangt.

(…).

Derde lid

Onder KB 164 waren gezinsleden van niet-verzekerde personeelsleden van volkenrechtelijke organisaties niet verzekerd. Onder het nieuwe Besluit zal dit alleen gelden voor de gezinsleden van het personeelslid dat werkzaam is bij een organisatie, te wiens aanzien de zetelovereenkomst tussen die organisatie en Nederland zulks bepaalt. Wanneer de zetelovereenkomst niet tot vrijstelling verplicht, zijn echtgenoten, kinderen en overige inwonende gezinsleden gewoon op basis van ingezetenschap verzekerd.”

5.6

Art. 1(6)(e) aanwijzing volkenrechtelijke organisaties22 wijst als volkenrechtelijke organisatie in de zin van art. 14(1) Bub onder meer aan:

“European Union’s Judicial Cooperation Unit”

6 Rechtspraak

6.1

De zaak Feyerbacher23 betrof een bij de ECB werkende, in Duitsland wonende Duits onderdaan die na de geboorte van haar kind een Duitse ouderschapstoelage aanvroeg, die niet gefinancierd werd uit verplichte socialezekerheidspremies. Die toelage werd haar geweigerd omdat zij onder het socialezekerheidsstelsel van de ECB viel. De Duitse rechter stelde prejudiciële vragen aan het HvJ EU en de eerste vraag was of daar wel vragen over gesteld konden worden. Het HvJ EU constateerde dat de Zetelovereenkomst Duitsland-ECB dient tot implementatie van de beginselen van het EU-Protocol betreffende voorrechten en immuniteiten en dat de prejudiciële verwijzing daarom ontvankelijk was:24

“33 Om te beginnen moet het betoog van de Duitse regering worden onderzocht dat de omstandigheid dat de Unie geen partij is bij de zetelovereenkomst, tot de niet-ontvankelijkheid van de onderhavige prejudiciële verwijzing leidt.

34 Dit betoog kan (…) niet worden aanvaard. Dienaangaande zij opgemerkt dat uit de vijfde alinea van de preambule van de zetelovereenkomst volgt dat deze is gesloten teneinde de voorrechten en de immuniteiten van de ECB in Duitsland vast te leggen overeenkomstig het protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten. In dit verband dient artikel 15 van de zetelovereenkomst,25 (…), slechts ter omzetting van de beginselen die in het protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten, en met name in de artikelen 13, 15 en 23 ervan, alsmede in het protocol betreffende de statuten van het ESCB en van de ECB, met name in artikel 36 ervan, zijn neergelegd.”

De zetelovereenkomst Duitsland-ECB sluit volgens het HvJ EU niet uit dat Duitsland een niet-premiegefinancierde ouderschapstoelage toekent aan een ECB-personeelslid, dat verplicht is dergelijke toelagen aan te vragen in haar woonstaat en op te geven aan de ECB opdat deze hen in mindering brengt op de ECB-toelagen:

“12 De artikelen 21, 24 en 36 van de arbeidsvoorwaarden van de ECB preciseren dat alle daarin genoemde toelagen een aanvulling vormen op soortgelijke toelagen uit andere bron. De personeelsleden moeten dergelijke toelagen, die in mindering worden gebracht op de door de ECB te betalen toelagen, aanvragen en opgeven”.

(…).

43 Zoals uit punt 12 van dit arrest blijkt, wordt in de arbeidsvoorwaarden van de ECB gezegd dat [de gezinstoelagen, een kostwinnerstoelage, een toelage voor een kind ten laste, een schooltoelage, een voorschoolsetoelage en een betaald moederschapverlof van 20 weken; PJW] niet volledig onafhankelijk zijn van toelagen uit andere bron.

44 In deze context moeten de vragen van de verwijzende rechter worden onderzocht.

45 Opgemerkt zij dat artikel 15 van de zetelovereenkomst de zetelstaat weliswaar verhindert om de personeelsleden van de ECB met het oog op de verkrijging van in de arbeidsvoorwaarden van de ECB opgenomen voorzieningen te onderwerpen aan materiële of procedurele verplichtingen, doch dat dit artikel de Bondsrepubliek Duitsland als zetelstaat niet voorschrijft om die personeelsleden de in het hoofdgeding aan de orde zijnde ouderschapstoelage te betalen (…).

46 Bovendien ontneemt dit artikel de Bondsrepubliek Duitsland, die het recht op die toelage niet afhankelijk stelt van een betrekking of verzekering, niet de bevoegdheid om deze toe te kennen aan op haar grondgebied woonachtige personeelsleden van de ECB, voor zover die mogelijkheid daadwerkelijk volgt uit haar wettelijke regeling en de relevante bepalingen van het Unierecht die mogelijkheid niet uitsluiten (zie naar analogie reeds aangehaalde arresten Bosmann, punten 28, 31 en 32, en Hudzinski en Wawrzyniak, punten 48 en 49).

47 Met betrekking tot het door de ECB en de Commissie aangevoerde argument dat de autonomie van de ECB ten aanzien van de bepaling van de arbeidsvoorwaarden verhindert dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde toelage aan haar personeelsleden wordt betaald, zij opgemerkt dat niet duidelijk is in hoeverre die betaling afbreuk kan doen aan de autonome bepaling door de ECB van de voor haar personeelsleden geldende arbeidsvoorwaarden.

48 Gelet op het voorgaande, moet op de prejudiciële vragen worden geantwoord dat artikel 15 van de zetelovereenkomst, gelezen in samenhang met artikel 36 van het protocol betreffende de statuten van het ESCB en van de ECB, niet uitsluit dat de Bondsrepubliek Duitsland een toelage kan toekennen als die welke in het hoofdgeding aan de orde is.”

6.2

HR BNB 2014/92 betrof een in Nederland bij haar moeder inwonende dochter van een medewerkster van – aanvankelijk – het Rwanda-tribunaal van de VN en – daarna – het Joegoslaviëtribunaal van de VN. Die dochter bouwde geen ouderdomspensioen op bij het VN‑pensioenfonds van haar moeder. Ingevolge art. 6(3) AOW jo. art. 14(3) Bub was zij eveneens uitgesloten van verzekering in Nederland omdat zij niet werkte in Nederland, noch daar een uitkering genoot. Zij was het daar niet mee eens, maar werd door u in het ongelijk gesteld. U legde de zetelovereenkomst(en) als volgt uit:26

“3.5.2. Gelet op de bewoordingen van artikel XXVII van [de ICTY-zetelovereenkomst], (…) zijn de in die bepaling bedoelde personen in alle opzichten uitgesloten van de verplichte sociale verzekeringen in Nederland. Dat geldt zowel voor de heffing van premie als voor het recht op uitkering. Verder geldt dat deze personen ook van de verplichte verzekering in Nederland zijn uitgesloten indien zij geen (vergelijkbare) rechten kunnen ontlenen aan regelingen van de Verenigde Naties. De ICTY-zetelovereenkomst maakt voor dergelijke gevallen immers geen uitzondering. Het voorgaande heeft eveneens te gelden voor de toepassing van de ICTR-zetelovereenkomst, waarin de ICTY-zetelovereenkomst van overeenkomstige toepassing wordt verklaard met betrekking tot de werkzaamheden van het ICTR in Nederland.

3.5.3.

Voor zover het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting dan hiervoor in onderdeel 3.5.2 weergegeven, faalt het daarom.

3.5.4.

Dit brengt mee dat belanghebbende gedurende de (…) vermelde tijdvakken door de hier toepasselijke zetelovereenkomsten was uitgesloten van de kring der verzekerden voor (onder meer) de AOW. Daarom faalt het middel voor zover het ervan uitgaat dat belanghebbende op grond van de op haar toepasselijke regeling(en) wel tot de kring der verzekerden behoorde.”

6.3

De CRvB moest in 2015 uitspraak doen over een belanghebbende in dienst bij het Iran-US Claims Tribunal (IUSCT) die meende tijdens dat dienstverband ook verzekerd te zijn voor de AOW. De CRvB oordeelde echter dat de zetelovereenkomst Nederland-IUSCT Nederlandse verzekering uitsloot:27

“4.2 Artikel 20, tweede lid, van de Zetelovereenkomst [Nederland-IUSCT; PJW] luidt (…):

‘’In the event that the Tribunal shall have established its own social security system offering coverage comparable to the coverage under Netherlands legislation, the Tribunal and its employees shall be exempt from social security provisions in force in the Netherlands, with retroactive effect to 18 May 1981.’’

Voorts staat vast dat het IUSCT een eigen sociaal verzekeringsstelsel voor de medewerkers van het Tribunaal heeft ingevoerd (…). In artikel 13, eerste lid, van KB 164 is bepaald dat medewerkers in dienst van deze organisaties niet verzekerd zijn ingevolge de Nederlandse volksverzekeringen.

4.3.

Voorop moet worden gesteld dat artikel 20, tweede lid, van de Zetelovereenkomst een ieder verbindende bepaling is in de zin van artikel 94 van de Grondwet. Nu het IUSCT een eigen sociaal verzekeringsstelsel heeft ingevoerd en dit stelsel door de Nederlandse regering is aangemerkt als een stelsel vergelijkbaar met het Nederlandse stelsel, betekent dit, mede gelet op het arrest van de Hoge Raad van 14 februari 2014 (ECLI:NL:HR:2014:284 [zie 6.2; PJW]), dat moet worden geconcludeerd dat de Zetelovereenkomst dwingt tot uitsluiting van de verplichte Nederlandse verzekering - voor onder meer de volksverzekeringen - van de medewerkers van het IUSCT. Naar aanleiding van de gronden van betrokkene wordt nog opgemerkt dat het enkele feit, dat het sociale verzekeringsstelsel van het IUSCT op onderdelen wellicht een minder vergaande dekking kent dan het Nederlandse stelsel, onverlet laat dat sprake kan zijn van een vergelijkbare dekking. In ieder geval kan niet gesproken worden van een stelsel waarin geen enkele dekking bestaat voor een ouderdomspensioen. De ‘separation benefit’ betreft immers een opgebouwd kapitaal dat tot uitbetaling komt bij het einde van het dienstverband en dat kan worden gebruikt voor verschillende doeleinden, dus ook voor een pensioenvoorziening.

4.4.

Daarnaast geldt dat het IUSCT vanaf 29 juni 1991 behoort tot de volkenrechtelijke organisaties genoemd in de Aanwijzing,28 zodat betrokkene vanaf die datum ook op grond van artikel 13, eerste lid, van KB164 is uitgesloten van de verplichte verzekering voor de Nederlandse volksverzekeringen.”

6.4

Volgens Frans pensioenrecht konden bij de EU gedetacheerde werknemers desgewenst aangesloten blijven bij een Franse pensioenregeling. Het pensioenbedrag op grond van de nationale pensioenregeling zou het EU-pensioen slechts aanvullen tot het bedrag van het nationale pensioen dat verworven zou zijn zonder detachering. Dit systeem, hoewel facultatief, was volgens het HvJ EU in de zaak Adrien e.a.29 in strijd met het vrije verkeer van werknemers, met name omdat tegenover de bijdragen geen prestatie stond:

“30 (…) In dergelijke omstandigheden betaalt de ambtenaar die aangesloten blijft bij de nationale pensioenregeling, bijdragen zonder dat er een prestatie tegenover staat. Deze regels kunnen dus voor een dergelijke ambtenaar het gebruik van zijn door artikel 45 VWEU gewaarborgde vrijheid belemmeren of minder aantrekkelijk maken.

31 Voor zover de Franse regering betoogt dat voortzetting van de aansluiting bij de nationale pensioenregeling een door de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling geboden mogelijkheid vormt en geen verplichting, dient te worden vastgesteld dat een dergelijke regeling als gevolg van deze omstandigheid het vrije verkeer van werknemers daarom niet minder belemmert.

32 Het feit dat voortzetting van de aansluiting bij de nationale pensioenregeling facultatief is, doet immers niet af aan het feit dat de bovengrens‑ en aftoppingsregels die van toepassing zijn in het geval van uitoefening van deze mogelijkheid, tot gevolg hebben dat de ambtenaar die gebruik maakt van deze mogelijkheid, bijdragen heeft betaald zonder dat er een prestatie tegenover staat indien hij de periode van tien dienstjaren bij de Unie vervult waardoor hij recht krijgt op een pensioen op grond van de pensioenregeling van de Unie. Wanneer een nationale pensioenregeling ambtenaren toestaat om aangesloten te blijven, moet deze mogelijkheid echter zo worden geconcipieerd dat geen dergelijk gevolg ontstaat, daar anders sprake zou zijn van een belemmering van het vrije verkeer van werknemers.

(…)”

6.5

De zaak Wensceslas de Lobkowicz30 betrof een Fransman die van 1979 tot 1 januari 2016 ambtenaar was bij de Europese Commissie en daarom was aangesloten bij het stelsel van sociale zekerheid van de Unie-instellingen. Hij had daarnaast inkomsten uit Frans onroerend goed die in 2008 t/m 2011 door Frankrijk werden onderworpen aan (i) de contribution sociale généralisée, (ii) de bijdrage ter vereffening van de sociale schuld, (iii) een sociale heffing van 2% en (iv) de bij die heffing komende bijdragen van 0,3% en 1,1%. Frankrijk wilde hem daarvan niet vrijstellen. De vraag was of het EU-recht die heffingen verhinderde. Het HvJ EU overwoog op prejudiciële vragen van de Franse rechter als volgt:

“33 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het beginsel dat slechts één wettelijke regeling op het gebied van de sociale zekerheid van toepassing is, zoals dat eerst in verordening nr. 1408/71 en vervolgens in verordening nr. 883/2004 is neergelegd en nader is uitgewerkt in het arrest van 26 februari 2015, de Ruyter (C‑623/13, EU:C:2015:123), aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale wettelijke regeling, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die bepaalt dat de inkomsten uit onroerend goed die in een lidstaat zijn ontvangen door een ambtenaar van de Unie die in die lidstaat zijn fiscale woonplaats heeft, worden onderworpen aan sociale bijdragen en heffingen die dienen ter financiering van het socialezekerheidsstelsel van die lidstaat.”

Het HvJ EU oordeelde vervolgens dat alleen de Unie bevoegd is om te bepalen welke sociale zekerheidsverplichtingen voor haar ambtenaren gelden. Hij overwoog:

“35 (…) dat een ambtenaar van de Unie, als onderdaan van een lidstaat die op het grondgebied van een andere dan zijn lidstaat van herkomst werkt, de hoedanigheid van migrerend werknemer in de zin van artikel 45 VWEU kan hebben, doch dat dit niet wegneemt dat, aangezien ambtenaren van de Unie niet onder een nationale wettelijke regeling op het gebied van de sociale zekerheid vallen, zoals die welke wordt bedoeld in artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1408/71 en in dezelfde bepaling van verordening nr. 883/2004, die de personele werkingssfeer van die verordeningen omschrijven, zij niet kunnen worden aangemerkt als werknemers in de zin van die verordeningen. In die context vallen zij evenmin onder artikel 48 VWEU, dat de Raad heeft opgedragen om een stelsel van sociale zekerheid in te voeren dat de werknemers in staat stelt om de hindernissen uit de weg te ruimen die voor hen kunnen voortvloeien uit de nationale voorschriften inzake sociale zekerheid. De Raad heeft dit gedaan door eerst verordening nr. 1408/71 en vervolgens verordening nr. 883/2004 vast te stellen (…).

(…)

41 Naar analogie van artikel 12 van het Protocol,31 dat voor ambtenaren van de Unie een uniforme belasting aan de Unie invoert voor de door haar betaalde salarissen, lonen en emolumenten, en dus bepaalt dat deze bedragen zijn vrijgesteld van nationale belastingen, moet artikel 14 van dat protocol, aangezien het de instellingen van de Unie de bevoegdheid verleent om het stelsel van sociale zekerheid van hun ambtenaren vast te stellen, aldus worden opgevat dat het daarmee de verplichting om ambtenaren van de Unie aan te sluiten bij een nationaal stelsel van sociale zekerheid en de verplichting, voor die ambtenaren, om bij te dragen aan de financiering van dat stelsel, aan de bevoegdheid van die lidstaten onttrekt.

42 In de tweede plaats heeft het Statuut, aangezien het is vastgesteld bij verordening nr. 259/68, alle kenmerken opgenoemd in artikel 288 VWEU, volgens de bewoordingen waarvan een verordening een algemene strekking heeft, verbindend is in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk is in elke lidstaat. Daaruit volgt dat de lidstaten eveneens het Statuut moeten eerbiedigen (…).

43 (…).

44 Uit het voorgaande volgt dat de Unie, met uitsluiting van de lidstaten, als enige bevoegd is om te bepalen welke regels op de ambtenaren van toepassing zijn voor wat hun verplichtingen op het gebied van de sociale zekerheid betreft.”

Het HvJ EU oordeelde ten slotte dat art. 14 Protocol zich verzet tegen de Franse heffing over De Lobkowicz’ Franse onroerend goed onder meer omdat hij anders zou bijdragen zonder daaraan aanspraken te ontlenen:

“45 (…) artikel 14 van het protocol en de statutaire bepalingen op het gebied van de sociale zekerheid van de ambtenaren van de Unie (hebben) een functie die vergelijkbaar is met die welke artikel 13 van verordening nr. 1408/71 en artikel 11 van verordening nr. 883/2004 hebben, en die met name bestaat in het verbieden dat de ambtenaren van de Unie verplicht moeten bijdragen aan de verschillende regelingen op dat gebied.

46 Een nationale regeling zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die de inkomsten van een ambtenaar van de Unie belast met sociale bijdragen en heffingen die specifiek bedoeld zijn voor de financiering van het socialezekerheidsstelsel van de betrokken lidstaat, miskent de uitsluitende bevoegdheid die de Unie ontleent aan zowel artikel 14 van het protocol als aan de relevante bepalingen van het Statuut, met name die welke de verplichte bijdragen van de ambtenaren van de Unie aan de financiering van een socialezekerheidsregeling vaststellen.

47 Bovendien houdt een dergelijke regeling het gevaar in dat ambtenaren van de Unie op ongelijke wijze worden behandeld waardoor de uitoefening van een beroepsactiviteit binnen een instelling van de Unie wordt ontmoedigd, aangezien bepaalde ambtenaren gedwongen zullen worden om niet alleen bij te dragen aan het gemeenschappelijk stelsel van sociale zekerheid van de instellingen van de Unie, maar eveneens aan een nationale socialezekerheidsregeling.

48 De voorgaande analyse wordt niet in geding gebracht door de stellingen van de Franse regering dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde sociale bijdragen en heffingen worden aangemerkt als „belastingen”, die niet over de inkomsten uit arbeid maar over de inkomsten uit onroerend goed worden geheven, en niet leiden tot een rechtstreekse tegenprestatie of een voordeel in termen van voorzieningen van sociale zekerheid. Zoals blijkt uit de aanwijzingen van de verwijzende rechter, neemt dit immers niet weg dat die heffingen en bijdragen in elk geval rechtstreeks en specifiek zijn bedoeld voor de financiering van onderdelen van het Franse socialezekerheidsstelsel. Een ambtenaar van de Unie, zoals De Lobkowicz, kan daar derhalve niet aan worden onderworpen, aangezien zijn financiële verplichtingen op het gebied van de sociale zekerheid uitsluitend worden geregeld door het protocol en door het Statuut, en daarmee onttrokken zijn aan de bevoegdheid van de lidstaten (…).”

6.6

Fijen heeft de zaak De Lobkowicz als volgt becommentarieerd in NTFR 2017/1388:

“Dit lijkt mij de laatste stuiptrekking van Frankrijk om de CSG, CRDS en de sociale heffing van 2% en bijkomende bijdragen van 0,3% en 1,1% te proberen te heffen van personen die zijn onderworpen aan een stelsel van sociale zekerheid van een andere lidstaat. In de zaak De Ruyter van het HvJ van 26 februari 2015, zaak C-623/13, ben ik uitgebreid op deze problematiek ingegaan (NTFR 2014/2736 en NTFR 2015/1320). Het verschil met eerdere zaken hierover is dat betrokkene in dit geval een ambtenaar van de Europese Unie is op wie het interne socialezekerheidsstelsel van de Europese Unie van toepassing is. Dit interne stelsel is opgenomen in het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie, dat zijn bestaan ontleent aan art. 14 Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie. Het HvJ bepaalt dat art. 14 Protocol en de statutaire bepalingen op het gebied van de sociale zekerheid van de ambtenaren van de Europese Unie een functie hebben die vergelijkbaar is met de exclusieve werking van de aanwijsregels van Vo. 1408/71 en 883/2004. Dat wil zeggen dat dit in vervolg op het arrest De Ruyter betekent dat Frankrijk geen socialezekerheidsheffing mag toepassen op inkomsten uit onroerend goed van iemand die onder een andere dan het Franse socialezekerheidsstelsel valt, dat van de Europese Unie inbegrepen.”

6.7

Zou de belanghebbende gevolgd worden in zijn standpunt, dan lijkt in zijn geval voor de litigieuze periode een omgekeerde situatie te ontstaan: volledige AOW-aanspraak bovenop de Eurojust-pensioenaanspraak zonder noemenswaardige AOW-premiebijdrage.

7 Behandeling van het beroep

7.1

Volgens art. 6(1)(a) AOW jo. art. 14(1)(a) Besluit is de belanghebbende verzekerd voor de AOW, maar in afwijking daarvan sluit art. 6a AOW uit “de persoon op wie op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is.” De belanghebbende is verzekerd onder het socialezekerheidsstelsel dat geldt voor staff members van Eurojust. Dat stelsel is gebaseerd is op het Eurojust-Besluit van de Raad van de EU. Op de belanghebbende is aldus de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing, zodat hij naar intern recht niet is verzekerd ter zake van zijn Eurojust-werkzaamheden. Dit sluit echter niet uit dat hij op basis van andere werkzaamheden in Nederland dan voor Eurojust (wel) verzekerd is.

7.2

Staff members van Eurojust zijn op grond van art. 14(2) Zetelovereenkomst echter vrijgesteld van de verplichting bij te dragen aan het Nederlandse socialezekerheidsstelsel én ‘consequently’ evenmin gedekt onder dat stelsel, zodat de belanghebbende volgens de Zetelovereenkomst niet verzekerd is. Ook spouses en dependent relatives zijn uitgesloten, “unless they are employed in the Kingdom of the Netherlands by an employer other than Eurojust or receive social security benefits from the Kingdom of the Netherlands.” Die expliciete uitzondering op de uitsluiting uit het Nederlandse stelsel is niet voorzien voor de staff members zelf. De Zetelovereenkomst gaat er kennelijk van uit dat staff members voltijds voor Eurojust werken, dan wel in deeltijd maar zonder andere betrekking naast hun Eurojust-werk. Wellicht is een andere betrekking in beginsel ook niet toegestaan in verband met de vereiste autonomie en onafhankelijkheid van Eurojust.32

7.3

Met de CRvB meen ik dat dit er op wijst dat op staff members uitsluitend het Eurojust-stelsel van toepassing is. Ik zie geen reden om daarvan voor de belanghebbende, die kennelijk voltijder is, af te wijken, nu (i) ook voor hem Nederlandse verzekering voor niet-Eurojust-werkzaamheden, anders dan voor spouses, niet voorzien is, (ii) zijn werkzaamheden voor Defensie kennelijk een efemeer karakter hebben en (iii) voor de belanghebbende, anders dan voor Feyerbacher uit het gelijknamige HvJ-arrest, geen aanvraagplicht, geen meldplicht en vooral geen korting van nationale pensioenuitkeringen op zijn Eurojust-pensioen geldt. Met de CRvB meen ik dat art. 14(2) Zetelovereenkomst rechtstreeks werkt en ook ik leid eruit af dat de belanghebbende uitgesloten is van Nederlandse AOW-verzekering

7.4

De zaak Feyerbacher lijkt mij in casu dan ook slechts a contrario relevant in die zin dat er juist geen reden is hem gerechtigd te achten tot volledige AOW-opbouw naast zijn volledige Eurojust-pensioenopbouw zonder noemenswaardig bij te dragen aan de AOW-premies. Feyerbacher genoot juist geen dergelijk voordeel. In haar geval – anders dan in dat van de belanghebbende – bepaalde de zetelovereenkomst Duitsland-ECB uitdrukkelijk dat de ECB-toelagen ‘aanvullend’ waren, dat zij verplicht was de Duitse ouderschapstoelage aan te vragen en te melden bij de ECB en dat die Duitse toelage gekort werd op de corresponderende ECB-toelage. Van dat alles is geen sprake in belanghebbendes geval. Evenmin bepaalt de Zetelovereenkomst Nederland-Eurojust – anders dan de Zetelovereenkomst Duitsland-ECB – dat zij dient om de voorrechten en immuniteiten van Eurojust vast te leggen overeenkomstig het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de EU.

7.5

De zetelovereenkomst Nederland-Eurojust bepaalt overigens evenmin dat geschil over de uitlegging ervan voorgelegd kan worden aan het HvJ EU, zodat het HvJ EU mijns inziens – anders dan ter zake van de Zetelovereenkomst Duitsland-ECB – niet bevoegd is en prejudiciële vragen dus niet-ontvankelijk zijn.

7.6

De belanghebbende betoogt vervolgens dat de Zetelovereenkomst overtroefd wordt door het Eurojust-Besluit dat (wél) verwijst naar het EU-Ambtenarenstatuut en de EU-Regeling voor overig personeel, en dat die regelingen dubbele sociale verzekering niet uitsluiten. Art. 30 Eurojust-Besluit bepaalt dat voor Eurojust-personeel gelden “de verordeningen en regelingen [die] van toepassing [zijn op] de ambtenaren en andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen”. Via art. 14 Protocol no. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de EU (zie 4.3 hierboven) komt de belanghebbende dan uit bij het EU-Ambtenarenstatuut (zie 4.4 hierboven) en de EU-Regeling voor overig personeel (zie 4.5 hierboven), die de lidstaten niet expliciet verbieden om Unieambtenaren en overig EU-personeel te verplichten tot bijdragen aan een nationaal stelsel. Uit het boven (4.5) geciteerde art. 42 van de EU-Regeling voor overig personeel blijkt zelfs dat EU-ambtenaren en overig personeel de EU-instelling waar zij werken kunnen verzoeken om te betalen voor pensioenrechten in hun land van herkomst, hetgeen impliceert dat EU-personeel onder twee socialezekerheidsstelsels kan vallen.

7.7

De uitlegbepaling waarop de belanghebbende zich baseert (art. 22(2) Zetelovereenkomst) is echter alleen van toepassing “in case of any conflict between the Eurojust Decision and this Agreement.” Ik zie geen dergelijk conflict. Art. 14(2) Zetelovereen-komst, die nationale verzekering naast Eurojust-verzekering uitsluit, is immers geenszins onverenigbaar met het gegeven dat het Eurojust-Besluit voor de invulling van het Eurojust-personeelsstelsel verwijst naar EU-personeelsregelingen. Dat is slechts wetgevingstechniek: verwijzing in plaats van kopiëring. Ook als de EU-regeling voor overig personeel wél gekopieerd was in het Eurojust-Besluit, zou art. 14(2) Zetelovereenkomst gewoon zijn blijven gelden.

7.8

Dat het EU-recht toelaat dat een EU-ambtenaar zich vrijwillig verzekert in zijn woonstaat, lijkt mij niet relevant. De belanghebbende heeft niet gesteld dat hij zich vrijwillig wil verzekeren voor de Nederlandse AOW; hij stelt juist dat hij verplicht verzekerd zou zijn in Nederland.

7.9

Dat de belanghebbende niet verplicht AOW-verzekerd is naast het Eurojust-stelsel strookt met uw rechtspraak over de zetelovereenkomsten met het Rwanda-tribunaal en het Joegoslaviëtribunaal, die eveneens het tribunaal-personeel in alle opzichten uitsloten van verplichte sociale verzekering in Nederland. In HR BNB 2014/92 (geciteerd in 6.2 hierboven) leidden die overeenkomsten er toe dat de inwonende dochter in die zaak niet verzekerd was voor de AOW, en dat daaraan zelfs niet afdeed dat zij evenmin onder het VN-sociale zekerheidsstelsel viel. De CRvB oordeelde in de in 6.3 hierboven geciteerde uitspraak dat ook de zetelovereenkomst met de IUSCT noopte tot uitsluiting van de IUSCT-personeel van de Nederlandse sociale verzekering en dat daaraan niet afdeed dat het IUSCT-stelsel wellicht op onderdelen minder dekking zou kennen dan het Nederlandse stelsel. De belanghebbende is wél (volledig) verzekerd onder het stelsel voor Eurojust-personeel, zodat er te minder aanleiding bestaat om voorbij te gaan aan de expliciete uitsluiting in de Zetelovereenkomst.

7.10

De belanghebbende stelt in cassatie dat ingevolge art. 42 van de EU Staff Regulations (het EU-Ambtenarenstatuut) zijn vergoeding als reservist in mindering komt op zijn Eurojust-salaris en dat de CRvB dus ten onrechte zou hebben overwogen dat het EU-Ambtenarenstatuut niet voorziet in samenloop, cumulatie en verdiscontering. Deze stelling berust op een verkeerd begrip van de CRvB-uitspraak. Ook als de belanghebbende op zijn Eurojust-salaris gekort zou zijn met de – kennelijk bescheiden – reservistenvergoeding, zegt dat niet dat zijn AOW-aanspraken geïmputeerd (gekort) worden op zijn Eurojust-pensioenaanspraken. Deze stelling lijkt mij overigens een ontoelaatbaar feitelijk novum in cassatie. In feitelijke instantie is door de belanghebbende niet gesteld dat hij, zoals Feyerbacher, op enigerlei wijze gekort is of wordt op zijn Eurojust-pensioenaanspraken in verband met zijn activiteiten als reservist voor Defensie. Zou feitelijk vastgesteld zijn dat de – kennelijk bescheiden – reservistenvergoeding daadwerkelijk gekort zou zijn op zijn Eurojust-salaris, dan zou daarmee overigens nog niet vastgesteld zijn dat dat invloed heeft op de hoogte van zijn Eurojust-pensioenaanspraken. Wat daarvan zij, zelfs als er een dergelijke uiterst bescheiden korting zou hebben plaatsgevonden, dan staat daar tegenover dat de Svb de belanghebbende als AOW-verzekerd heeft aangemerkt voor de dagen waarop hij die reservistenvergoeding verwierf. In totaal is de belanghebbende alsdan – zou hij daadwerkelijk gekort zijn – dus toch volledig verzekerd.

7.11

Het HvJ EU gaat uit van het beginsel dat slechts één wettelijke regeling op het gebied van sociale zekerheid van toepassing is en uit de boven (6.5) geciteerde en door een grand chamber van het HvJ EU beoordeelde zaak De Lobkowicz blijkt dat art. 12 juncto art. 14 Protocol nr. 7 de bevoegdheid aan de lidstaten onttrekt om Unieambtenaren te verplichten zich aan te sluiten bij een nationaal socialezekerheidsstelsel. De Unie zelf is exclusief bevoegd om te bepalen welke regels op haar ambtenaren van toepassing zijn voor wat betreft sociale zekerheid. De Unie heeft Eurojust ingesteld en die rechtspersoon is met Nederland overeengekomen dat zijn staff members uitgesloten zijn van Nederlandse sociale verzekering.

7.12

In de zaak Adrien e.a. v. Premier ministre e.a. (zie 6.4 hierboven) oordeelde het HvJ EU dat als een nationale pensioenregeling EU-ambtenaren toestaat om aangesloten te blijven, die regeling niet tot gevolg mag hebben dat zij dan bijdragen zonder dat daar een prestatie tegenover staat, omdat anders sprake zou zijn van een belemmering van het vrije verkeer van werknemers. Dit arrest lijkt mij voor de belanghebbende echter niet relevant, nu hij geen gebruik heeft gemaakt van het vrije werknemersverkeer. Voor de toepassing van art. 45 VwEU is belanghebbendes geval een puur interne situatie binnen één lidstaat. Bovendien heeft de Svb hem wel degelijk aanspraken toegekend, zij het tijdevenredig, hetgeen denkelijk niet in wanverhouding staat tot zijn premiebetaling. Zou hij die tijdevenredige aanspraken niet toegekend hebben gekregen, dan meen ik dat hij de – naar hij stelt – op zijn reservistenloon ingehouden AOW-premies onverschuldigd heeft betaald en hij tegen die inhouding bezwaar had kunnen indienen.

7.13

De belanghebbende valt evenmin als Feyerbacher onder Vo. nr. 1408/71 (thans Vo. nr. 883/2004), maar als hij er onder zou vallen, zou één stelsel aangewezen moeten worden en dat zou het Eurojust-stelsel zijn (zie 4.6 hierboven).

7.14

De belanghebbende stelt ten slotte dat de CRvB buiten het geschil is getreden. Die stelling is onjuist. In geschil is immers of de belanghebbende al dan niet is verzekerd voor de Nederlandse AOW. Daarvoor is, gezien art. 6a AOW en art. 93 en 94 Grondwet, uitleg van de Zetelovereenkomst essentieel. Dat de Svb wellicht aanvankelijk het rechtskundig onjuiste standpunt innam dat art. 14(2) Zetelovereenkomst niet rechtstreeks zou werken, ontslaat de rechter geenszins van de plicht om binnen het geschil (verzekerd of niet?) het toepasselijke recht – zelfs van ambtswege (art. 8:69 Awb) – toe te passen.

7.15

Uit de zaak Heemskerk en Schaap33 volgt dat het EU-recht de nationale rechter niet verplicht om het EU-recht van ambtswege toe te passen als dat er toe zou leiden dat een nationaalrechtelijk verbod op reformatio in peius zou worden doorbroken. Zo de Zetelovereenkomst ertoe leidt dat de belanghebbende helemaal niet AOW-verzekerd was in de litigieuze periode – ook niet op de dagen waarop hij reservist voor Defensie was – heeft de CRvB zulks dus terecht gelaten voor wat het is en terecht de door de Svb toegekende tijdevenredige verzekering in stand gelaten. Voor de periode voor inwerkingtreding van de Zetelovereenkomst op 1 april 2006 heeft de Svb de belanghebbende volledig verzekerd geacht, zodat op die periode niet in hoeft te worden gegaan.

8 Conclusie

Ik geef u in overweging belanghebbendes cassatieberoep ongegrond te verklaren.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

Advocaat-Generaal

1 Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Eurojust, ’s-Gravenhage 15 maart 2006, Trb. 2006, 68.

2 Besluit van 24 december 1998, tot vaststelling van een maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 6, derde lid, van de Algemene Ouderdomswet, 13, derde lid, van de Algemene nabestaandenwet, 6, derde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet en 5, derde en vierde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, Stb. 1998, 746 (Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999: Bub).

3 Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PbEU 2004, L166/1).

4 1 december lijkt logischer, maar feitelijk is 1 november vastgesteld.

5 Zie het Pensioenoverzicht van 5 februari 2015 naar aanleiding van de beslissing op bezwaar van 5 februari 2015.

6 Voetnoot A-G: CEOS = Conditions of Employment of Other Servants (van de EU).

7 Rechtbank Noord-Holland 16 oktober 2015, nr. HAA 15/1111 (niet gepubliceerd).

8 CRvB 23 juni 2017, nrs. 15/7786 AOW en 16/3544 AOW, ECLI:NL:CRVB:2017:2623.

9 Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Eurojust, ’s-Gravenhage 15 maart 2006, Trb. 2006, 68.

10 Toevoeging PJW: Protocol (nr. 7) betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, Rome 25 maart 1957, PbEU 2016, C 202/266 (geconsolideerde versie).

11 Besluit 2002/187/JBZ van de Raad van 28 februari 2002 betreffende de oprichting van Eurojust teneinde de strijd tegen ernstige vormen van criminaliteit te versterken, PbEU 2002, L 63/1-13. Gewijzigd bij Besluit 2009/426/JBZ van de Raad van 16 december 2008 inzake het versterken van Eurojust en tot wijziging van Besluit 2002/187/JBZ betreffende de oprichting van Eurojust teneinde de strijd tegen ernstige vormen van criminaliteit te versterken, PbEU 2009, L 138/14-32. De geciteerde tekst is ongewijzigd.

12 Verdrag tot instelling van één Raad en één Commissie welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben, met Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen, Brussel 8 april 1965, PbEG 1967, 152/13, Trb. 1965, 130.

13 Protocol (nr. 7) betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, Rome 25 maart 1957, PbEU 2016, C 202/266 (geconsolideerde versie).

14 Verordening no. 31 (E.E.G.), no. 11 (E.G.A.), tot vaststelling van het statuut van de ambtenaren en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, Brussel 18 december 1961, Pb EG 1962, 1385/62.

15 Verordening no. 31 (E.E.G.), no. 11 (E.G.A.), tot vaststelling van het statuut van de ambtenaren en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, Brussel 18 december 1961, Pb EG 1962, 1385/62.

16 Art. 48 luidt: “De overeenkomst voor bepaalde zowel als voor onbepaalde tijd: 1 moet door de instelling zonder opzeggingstermijn worden beëindigd wanneer de functionaris voor eerste oefening onder de wapenen wordt geroepen ; 2. kan door de instelling zonder opzeggingstermijn worden beëindigd: a) (….); b) wanneer de functionaris anders dan voor herhalingsoefeningen weer onder de wapenen wordt geroepen indien de aard van het ambt dat hij krachtens zijn overeenkomst vervult, het niet mogelijk maakt hem wederom met dit ambt te bekleden na afloop van de periode waarin hij onder de wapenen is geweest. (…).”

17 Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PbEU 2004, L166/1).

18 HR 8 juli 1997, nr. 31 540, na conclusie A-G Van Soest, ECLI:NL:HR:1997:AA2206, BNB 1997/310 met noot Kavelaars, V-N 1997/2666 met aantekening van de redactie, FED 1997/820 met aantekening Feenstra.

19 Zie Kamerstukken II 1997/98, 25 873, nr. 3.

20 Besluit van 24 december 1998, tot vaststelling van een maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 6, derde lid, van de Algemene Ouderdomswet, 13, derde lid, van de Algemene nabestaandenwet, 6, derde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet en 5, derde en vierde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999), Stb. 1998, 746.

21 Nota van toelichting bij het Besluit van 24 december 1998, tot vaststelling van een maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 6, derde lid, van de Algemene Ouderdomswet, 13, derde lid, van de Algemene nabestaandenwet, 6, derde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet en 5, derde en vierde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, Stb. 1998, 746 p.33.

22 Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 december 2014, 2014-0000157840, tot Regeling aanwijzing volkenrechtelijke organisaties in Nederland (Regeling aanwijzing volkenrechtelijke organisaties in Nederland 2015), Stcrt. 2014, 36656.

23 HvJ EU 19 juli 2012, C-62/11, ECLI:EU:C:2012:486 (Land Hessen / Florence Feyerbacher).

24 Toevoeging PJW: art. 21 van de zetelovereenkomst Duitsland-ECB bepaalt volgens A-G Jääskinen voorts “dat bij onenigheid tussen de Bondsrepubliek Duitsland en de ECB over de uitlegging of de toepassing van deze overeenkomst, elke partij bij de overeenkomst deze onenigheid overeenkomstig artikel 35, lid 4, van de ESCB-statuten aan het Hof kan voorleggen” (onderdeel 16 van de conclusie).

25 Toevoeging PJW: art. 15 Zetelovereenkomst Duitsland–ECB luidt: “In het licht van artikel 36 van de [ESCB-statuten] zijn de arbeidsvoorwaarden van (…) de personeelsleden niet onderworpen aan het materiële en procedurele arbeids- en sociaal recht van de Bondsrepubliek Duitsland.”

26 HR 14 februari 2014, nr. 12/04529, na conclusie A-G Wattel, ECLI:NL:HR:2014:284, BNB 2014/92 met noot Kavelaars, V-N 2014/11.15 met aantekening van de redactie, NTFR 2014/775 met commentaar Fijen.

27 CRvB 6 november 2015, nr. 13/1228, ECLI:NL:CRVB:2015:3863, NJB 2015/2126, USZ 2015/414 en FutD 2015/2755.

28 Toevoeging PJW: Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 21 mei 2010, Directie Inkomensverzekeringen en -voorzieningen, nr. IVV/OOG/2010/7955, houdende de aanwijzing van de volkenrechtelijke organisatie, bedoeld in artikel 14, eerste lid, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 en artikel 7, eerste lid, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden werknemersverzekeringen 1990 (Regeling aanwijzing volkenrechtelijke organisaties in Nederland 2010), Stcrt. 2010, 8131, vervangen door de Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 december 2014, 2014-0000157840, tot Regeling aanwijzing volkenrechtelijke organisaties in Nederland (Regeling aanwijzing volkenrechtelijke organisaties in Nederland 2015), Stcrt. 2014, 36656.

29 HvJ EU 5 oktober 2016, zaak C-466/15, Adrien e.a. v. Premier ministre e.a., ECLI:EU:C:2016:749.

30 HvJ EU 10 juni 2017, C-690/15, ECLI:EU:C:2017:355 (Wensceslas de Lobkowicz / Ministère des Finances et des Comptes publics).

31 Toevoeging PJW: Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, PbEU 2010, C 83, blz. 266; zie 4.3 hierboven.

32 Art. 30(3) Eurojust-Besluit, bijvoorbeeld, luidt: “Onverminderd artikel 25 bis, lid 1, onder c), en lid 2, houden de personeelsleden, onder het gezag van het college, bij de uitvoering van hun taken de doelstellingen en het mandaat van Eurojust voor ogen; zij vragen noch aanvaarden enige instructie van een regering, een instantie, een organisatie of een persoon buiten Eurojust.”

33 HvJ EU 25 november 2008, nr. C-455/06, ECLI:EU:C:2008:650 (Heemskerk BV, Firma Schaap / Productschap Vee en Vlees), overweging 44-48.