Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:419

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
20-04-2018
Datum publicatie
07-09-2018
Zaaknummer
17/05787
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:1433, Contrair
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Verzoek voorlopige getuigenverhoor. Samenloop met strafrechtelijk onderzoek? Eisen te stellen aan verzoek; weigeringsgronden; HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3250, NJ 2018/45. Alleen getuigenverhoor met het oog op geding voor de burgerlijke rechter; HR 15 juli 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC4268, NJ 1988/2. Gronden voor afwijzing of voor beperkte toewijzing. Betekenis HR 17 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2904, NJ 2018/28. Mogelijkheid tot beletten beantwoording vragen o.g.v. de art. 179 lid 2 en 189 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 17/05787

mr. M.L.C.C. Lückers

Zitting: 20 april 2018

Conclusie inzake:

1. Box Consultants B.V.

(hierna: Box Consultants)

2. Boulder B.V.

(hierna: Boulder)

3. [verzoeker 3]

(hierna: [verzoeker 3])

(hierna gezamenlijk: Box Consultants c.s.)

eisers tot cassatie,

advocaten: mrs. M. Ynzonides en J.W.M.K. Meijer

tegen

1. de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie en Ministerie van Financiën)

(hierna: de Staat),

verweerder in cassatie,

advocaat: mr. K. Teuben

en

2. [verweerder 2]

(hierna: [verweerder 2]),

verweerder in cassatie,

niet verschenen.

1 Feiten en procesverloop

In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten, ontleend aan de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, van 15 mei 2017 (rov. 2.1 t/m 2.3) en de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 5 oktober 2017 (rov. 3.2).

1.1

Box Consultants is een vermogensbeheerder en beleggingsonderneming. Zij beheert het vermogen van vermogende particulieren, charitatieve instellingen en verschillende stichtingen. Daarnaast adviseert zij haar cliënten over financiële en juridische vraagstukken die met vermogensbeheer samenhangen.

1.2

[verzoeker 3] is middellijk aandeelhouder van Box Consultants. Hij houdt zijn aandelen in Box Consultants via zijn vennootschappen Pro Rata N.V. (hierna: Pro Rata) en werkmaatschappij Boulder.

1.3

Op 23 maart 2011 is de Belastingdienst bij Box Consultants c.s. een boekenonderzoek gestart. Aanleiding voor dit onderzoek was een brief die door de Amerikaanse federale belastingdienst (de IRS) aan de Nederlandse Belastingdienst zou zijn gestuurd (hierna: de ‘IRS-brief’). In die brief is [verzoeker 3] ervan beschuldigd door middel van Pro Rata via de Bank of America in totaal $ 9.200.000,- te hebben verduisterd en witgewassen en is de Nederlandse Belastingdienst/FIOD geadviseerd een fiscaal en/of strafrechtelijk onderzoek naar Box Consultants c.s. te starten. Nadien is de FIOD een strafrechtelijk onderzoek gestart naar Box Consultants c.s.

1.4

Box Consultants c.s. hebben een onderzoek naar de authenticiteit van de ‘IRS-brief’ gedaan. Uit dit onderzoek is hen duidelijk geworden dat het om een vervalsing gaat en dat de brief niet afkomstig is van de IRS. Dit is ook bevestigd door de IRS.

1.5

Op 22 maart 2017 hebben Box Consultants c.s. de rechtbank Oost-Brabant, locatie Eindhoven, sector kanton, verzocht om, zo veel als mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, een voorlopig getuigenverhoor te bevelen, met bepaling van de dag, het uur en de plaats waar dit verhoor zal plaatsvinden. In het verzoekschrift is alleen [verweerder 2], een ex-werknemer van Box Consultants, als verweerder aangemerkt. Box Consultants c.s. hebben aangegeven de volgende personen te willen horen: (i) [verweerder 2], (ii) [betrokkene 3] (de deurwaarder die op 15 maart 2017 bewijsbeslag ten laste van [verweerder 2] heeft gelegd), (iii) [betrokkene 4] (medewerkster Belastingdienst/Central Liaison Officer), (iv) [betrokkene 5] (ambtenaar FIOD aan wie de ‘IRS-brief’ was gericht), (v) [betrokkene 6] (contactambtenaar bij de Belastingdienst), (vi) [betrokkene 7] (zaaksofficier van justitie in het strafrechtelijk onderzoek), (vii) [betrokkene 8] (zaaksofficier van justitie in het strafrechtelijk onderzoek), (viii) [betrokkene 2] (Belastingdienst Breda), (ix) [betrokkene 1] (Belastingdienst Eindhoven), (x) [betrokkene 9] (Belastingdienst Breda), (xi) [betrokkene 10] (Belastingdienst), (xii) [betrokkene 11] (Belastingdienst, (xiii) [betrokkene 12] (Belastingdienst), (xiv) [betrokkene 13] (Belastingdienst).

1.6

De achtergrond van het verzoek is, verkort weergegeven1, het hiervoor in 1.3 genoemde onderzoek dat de Belastingdienst heeft ingesteld. Aan hun verzoek hebben Box Consultants c.s. ten grondslag gelegd dat zij vermoeden dat [verweerder 2] de auteur en verzender is van de ‘IRS-brief’ (en dat de brief derhalve valselijk is opgemaakt) en dat hij met deze frauduleuze handelwijze onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld. Box Consultants c.s. stellen dat zij het vermoeden hebben dat [verweerder 2] nog meer acties heeft ondernomen om hen schade toe te brengen, dan wel dat hij dit in de toekomst nog zou kunnen gaan doen. Zij hebben aangevoerd de hiervoor in 1.5 genoemde getuigen te horen teneinde nadere informatie en nadere bewijzen te vergaren met betrekking tot onder meer (i) de (verdere) betrokkenheid en precieze handelwijze van [verweerder 2] en eventuele derden bij de in het verzoekschrift nader omschreven frauduleuze en onrechtmatige praktijken, (ii) het bestaan en de omvang van de schade die Box Consultants c.s. lijden, en (iii) het bestaan van causaal verband tussen de door Box Consultants c.s. geleden schade en de gedragingen van [verweerder 2] en eventueel daarbij betrokken derden.

1.7

[verweerder 2] heeft zich niet tegen het verzoek van Box Consultants c.s. verzet en heeft om die reden geen verweer gevoerd.

1.8

Bij beschikking van 15 mei 2017 heeft de kantonrechter een getuigenverhoor bevolen. Hij heeft daarbij bepaald dat op drie dagen (26 tot en met 28 juni 2017) in totaal 16 getuigen zullen worden gehoord. Naast de hiervoor in 1.5 genoemde 14 personen heeft de kantonrechter bepaald dat als getuigen zullen worden gehoord [betrokkene 14] (Belastingdienst/FIOD) en [betrokkene 15].

1.9

Tegen de beschikking van 15 mei 2017 heeft de Staat op 23 juni 2017 hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. De Staat heeft aangevoerd eerst bekend te zijn geworden met het verzoek van Box Consultants c.s. toen enkele van zijn ambtenaren werden opgeroepen om als getuige te worden gehoord, dat de Staat in de procedure voor de kantonrechter ten onrechte niet als belanghebbende is opgeroepen en dat hij daardoor geen verweer heeft kunnen voeren tegen het verzoek van Box Consultants c.s.2 De Staat heeft verzocht de beschikking van 15 mei 2017 te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het inleidend verzoek van Box Consultants c.s. af te wijzen.

1.10

Bij brief van 25 juni 2017 hebben Box Consultants c.s. de kantonrechter op de voet van art. 32 Rv verzocht om alsnog te beslissen op hun verzoek om de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, al dan niet bij wege van een voorlopige voorziening, zodat de reeds opgeroepen getuigen niet voor niets zijn verschenen. Zij hebben aan hun verzoek ten grondslag gelegd dat in het inleidend verzoekschrift is verzocht de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, maar dat op dit verzoek niet is beslist in de beschikking van 15 mei 2017.

1.11

Bij beschikking van 10 juli 2017 heeft de kantonrechter het verzoek om de beschikking van 15 mei 2017 aan te vullen, afgewezen. De kantonrechter heeft daartoe overwogen dat, nu de zaak is voorgelegd aan het hof, het zuiver is om daar de volle beoordeling daarvan te laten en deze niet te doorkruisen met alsnog een uitvoerbaar bij voorraadverklaring.

1.12

In het door de Staat ingestelde hoger beroep hebben Box Consultants c.s. een verweerschrift ingediend. Daarbij hebben zij tevens incidenteel beroep ingesteld. Box Consultants c.s. hebben in de hoofdzaak verzocht om de Staat niet-ontvankelijk te verklaren, althans de beschikking van 15 mei 2017 te bekrachtigen. Zij hebben in het incidenteel beroep verzocht om de beschikking van 15 mei 2017 uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Box Consultants c.s. hebben daarnaast op de voet van art. 360 lid 2 Rv bij wege van incident verzocht om de beschikking van 15 mei 2017 uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Voorts hebben zij het hof verzocht de Staat en [verweerder 2] te bevelen tot geheimhouding in de zin van art. 29 Rv (oud), thans art. 28 Rv, op straffe van verbeurte van een dwangsom.

1.13

[verweerder 2] heeft zich als belanghebbende gerefereerd aan het oordeel van het hof. De Staat heeft afgezien van het indienen van een verweerschrift in het door Box Consultants c.s. ingestelde incidenteel hoger beroep.

1.14

Na een mondelinge behandeling op 23 augustus 2017 heeft het hof op 5 oktober 2017 een beschikking gegeven. Daarin is het hof eerst ingegaan op de verweren van Box Consultants c.s. dat de Staat geen belanghebbende is en daarom niet-ontvankelijk is, en dat het beroep van de Staat in strijd is met de goede procesorde. Het hof heeft deze verweren verworpen (rov. 3.9.1 t/m 3.9.5). Vervolgens heeft het hof de zaak inhoudelijk beoordeeld. Het hof heeft de beschikking van de kantonrechter van 15 mei 2017 vernietigd en, opnieuw rechtdoende, een voorlopig getuigenverhoor bevolen tot het horen van de opgevoerde getuigen [verweerder 2] en [betrokkene 3] op een door de kantonrechter nader te bepalen tijdstip. Het hof heeft het verzoek van Box Consultants c.s. tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor voor het overige afgewezen. Het hof heeft verder het incidenteel verzoek van Box Consultants c.s. uit hoofde van art. 360 Rv afgewezen. Het hof heeft voorts bepaald dat het [verweerder 2] verboden is aan derden mededeling te doen omtrent de inhoud van alle processtukken in deze zaak in eerste aanleg en in hoger beroep, op straffe van verbeurte van een in de beschikking nader aangeduide dwangsom, en het heeft het anders of meer verzochte afgewezen.

1.15

Bij verzoekschrift, ter griffie ingekomen op 7 december 2017, hebben Box Consultants c.s. tijdig cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van 5 oktober 2017. De Staat heeft een verweerschrift ingediend. [verweerder 2] heeft geen verweerschrift ingediend.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het middel bevat zes onderdelen. Voordat ik de onderdelen zal bespreken, schets ik eerst het kader tegen de achtergrond waarvan zij moeten worden bezien.3

2.2

Op grond van art. 186 lid 1 Rv kan, in de gevallen waarin bij de wet het bewijs door getuigen is toegelaten, voordat een zaak aanhangig is, op verzoek van de belanghebbende onverwijld een voorlopig getuigenverhoor worden bevolen. Het tweede lid van art. 186 Rv bepaalt dat ook tijdens een reeds aanhangig geding de rechter op verzoek van een partij een voorlopig getuigenverhoor kan bevelen. In de onderhavige zaak gaat het om een verzoek als bedoeld in het eerste lid.

2.3

De Hoge Raad heeft in 1995 het volgende geoordeeld over het karakter van het voorlopig getuigenverhoor:4

“3.4.4 Het voorlopig getuigenverhoor (…) beoogt niet alleen mogelijk te maken dat spoedig na het plaatsvinden van omstreden feiten daaromtrent getuigenverklaringen kunnen worden afgelegd alsmede te voorkomen dat bewijs verloren gaat; het strekt óók en vooral ertoe belanghebbenden bij een eventueel naderhand bij de burgerlijke rechter aanhangig te maken geding - degene die het aanspannen daarvan overweegt, degene die verwacht dat het tegen hem zal worden aangespannen, dan wel een derde die anderszins bij dat geding belang heeft - de gelegenheid te bieden vooraf opheldering te verkrijgen omtrent de (hun wellicht nog niet precies bekende) feiten, zulks teneinde hen in staat te stellen hun positie beter te beoordelen, met name ook ten aanzien van de vraag tegen wie het geding moet worden aangespannen.”

2.4

Het doel van het voorlopig getuigenverhoor voorafgaand aan een geding is dus drieledig, te weten (i) het voorkomen dat bewijs verloren gaat; (ii) het kunnen inschatten of het raadzaam is een procedure te beginnen door het verschaffen van opheldering vooraf omtrent de voor de beslissing van het geschil relevante - voor de verzoekende partij wellicht nog niet precies bekende - feiten en omstandigheden; en (iii) het verschaffen van bewijs van feiten en omstandigheden die de verzoekende partij in een eventueel te beginnen procedure heeft te bewijzen.

2.5

De verzoeker tot een voorlopig getuigenverhoor dient ingevolge art. 187 lid 3, aanhef en onder a en b, Rv in zijn verzoekschrift de aard en het beloop van de vordering te vermelden, alsmede de feiten of rechten die hij wil bewijzen. Dit dient hij te doen op zodanige wijze dat voor de rechter die op het verzoek moet beslissen, voor de rechter voor wie het verhoor zal worden gehouden, alsmede voor de wederpartij voldoende duidelijk is op welk feitelijk gebeuren het verhoor betrekking zal hebben. Niet is vereist dat de verzoeker al in het verzoekschrift nauwkeurig aangeeft welke feiten en stellingen hij aan zijn voorgenomen vordering ten grondslag wil leggen en omtrent welke feiten hij getuigen wil doen horen.5 De omstandigheid dat sprake is van een zeer omvangrijk complex van feiten en omstandigheden die in het verzoekschrift en ter terechtzitting amper of niet nader zijn geduid en niet kan worden beschikt over bescheiden en wetenschap van de gestelde feitelijkheden, kan geen reden zijn voor afwijzing van het verzoek.6 Juist in het geval dat het voorlopig getuigenverhoor ertoe strekt om, voorafgaand aan een eventuele procedure, relevante feiten en omstandigheden te achterhalen, zou een dergelijke eis prohibitief zijn.7 Daar komt bij dat het voorlopig getuigenverhoor juist tot doel heeft verdere concretisering van de vordering mogelijk te maken.8Asser en Wesseling-van Gent leiden uit de hiervoor in 2.4 genoemde doeleinden van het voorlopig getuigenverhoor af dat aan de specificatie van de vordering en het probandum van het voorlopig getuigenverhoor niet al te hoge eisen mogen worden gesteld. De plicht tot het verschaffen van de informatie mag huns inziens niet al te snel een kapstok worden het verzoek af te wijzen.9

2.6

Evenmin hoeft de verzoeker zich uit te laten over de precieze aard van de in te stellen vordering en, in voorkomend geval, de omvang van de geleden schade. Een voorlopig getuigenverhoor dient nu juist ertoe degene die daarom verzoekt, in staat te stellen te beoordelen of het zinvol is een voorgenomen vordering in te stellen. In de procedure tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor ligt dan ook niet de toewijsbaarheid van de in het verzoekschrift aangeduide vordering ter toetsing voor.10

2.7

Op grond van art. 189 Rv zijn de bepalingen omtrent het getuigenverhoor op het voorlopig getuigenverhoor van overeenkomstige toepassing. Dat geldt echter volgens de wetgever alleen “voor zover dat in het betrokken stadium van het geding reeds mogelijk is”.11 Het voorlopig getuigenverhoor verloopt derhalve volgens de regels van het gewone getuigenverhoor, tenzij een regel strijdig is met de aard van het voorlopig getuigenverhoor.12 Onder de in beginsel overeenkomstig toe te passen bepalingen omtrent het getuigenverhoor op het voorlopig getuigenverhoor valt ook art. 166 Rv, waarin het volgende is bepaald:

“Indien bewijs door getuigen bij de wet is toegelaten, beveelt de rechter een getuigenverhoor zo vaak een van de partijen het verzoekt en de door haar te bewijzen aangeboden feiten betwist zijn en tot de beslissing van de zaak kunnen leiden. Hij kan dit ook ambtshalve doen.”

2.8

Volgens vaste rechtspraak kan een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor, als het overigens aan de eisen voor toewijzing daarvan voldoet, worden afgewezen (i) op de grond dat van de bevoegdheid tot het bezigen van dit middel misbruik wordt gemaakt (art. 3:13 BW), (ii) op de grond dat het verzoek strijdig is met een goede procesorde, en (iii) op de grond dat het verzoek afstuit op een ander, door de rechter zwaarwichtig geoordeeld bezwaar. Voorts bestaat geen bevoegdheid tot het verzoeken van een voorlopig getuigenverhoor indien de verzoeker bij toewijzing daarvan onvoldoende belang heeft (art. 3:303 BW).13 Voor zover van belang zullen de afwijzingsgronden hieronder nader worden besproken.

Onderdeel 1

2.9

Het onderdeel is gericht tegen (een passage uit) rov. 3.10.5. Daarin heeft het hof als volgt overwogen (voor de goede leesbaarheid worden ook de rov. 3.10.3, 3.10.4 en 3.10.6 geciteerd):

“3.10.3. In eerste aanleg hebben Box c.s. aangegeven dat zij de betreffende ambtenaren van de Belastingdienst/Fiod en van het Openbaar Ministerie willen horen teneinde onder meer:

- te onderzoeken de (verdere) betrokkenheid en precieze handelswijze van [verweerder 2] en eventuele derden bij de in dit verzoekschrift omschreven frauduleuze en onrechtmatige praktijken;

- het bestaan en de omvang van de schade [die] Box c.s. lijden;

- het bestaan van het causale verband tussen de door Box c.s. geleden schade en de gedragingen van [verweerder 2] en eventueel daarbij betrokken derden.

Box c.s. stellen in het verweerschrift in hoger beroep dat zij de door hen gewenste getuigen willen horen om vast te stellen:

- wie de IRS-brief heeft ontvangen;

- wanneer de IRS-brief werd ontvangen;

- wat er vervolgens met de IRS-brief is gedaan;

- wanneer en hoe de valsheid van de IRS-brief duidelijk werd (in verband met eventueel geleden schade);

- hoe lang de misleiding door [verweerder 2] heeft voortgeduurd;

- wanneer [verweerder 2] met bijvoorbeeld de ambtenaren van de Fiod en de Belastingdienst en/of officieren van justitie sprak over Box c.s.;

- wat [verweerder 2] de ambtenaren heeft verteld;

- of [verweerder 2] daarbij vertrouwelijke bedrijfsgegevens van Box c.s. heeft gedeeld, en zo ja, welke informatie hij heeft gedeeld;

- welke onwaarheden [verweerder 2] aan de ambtenaren vertelde;

- welke overige valse stukken [verweerder 2] heeft verstrekt aan de diverse ambtenaren;

- welke schade door de misleiding van [verweerder 2] is ontstaan;

- welke indrukken [verweerder 2] bij de ambtenaren achterliet.

3.10.4.

[verweerder 2] heeft echter - ook ter zitting in deze zaak bij het hof - bekend de schrijver te zijn van de valse IRS-brief. Daarnaast heeft [verweerder 2] ter zitting aangegeven dat hij alleen met de ambtenaren [betrokkene 1] en [betrokkene 2] heeft gesproken. Ook blijkt uit de stukken dat de valse IRS-brief is ontvangen door de Belastingdienst/Fiod-ECD, Kantoor Haarlem, op 11 augustus 2009 en op Kantoor Amsterdam/Internationaal op 12 augustus 2009 (…). Vervolgens is Kantoor Eindhoven hiermee kennelijk aan de slag gegaan, zo kan blijken uit een brief d.d. 16 april 2013 aan Belastingdienst/Oost/Central Liaison Office te Almelo (…). Dat het waarschijnlijk om een valse brief (‘scam’) gaat, wordt in een e-mailbericht van 10 januari 2017 door de TIGTA Investigations Complaints Unit bevestigd (…).

Voor zover Box c.s. hieromtrent vragen hebben, zijn deze reeds beantwoord.

3.10.5.

De door Box c.s. te onderzoeken punten zijn weliswaar in enigerlei mate uitgewerkt, maar daarmee zijn de onderzoeksvragen ten behoeve van het voorlopig getuigenverhoor nog steeds onaanvaardbaar ruim gebleven. Zo hebben Box c.s. niet aan[ge]geven specifiek welke ambtenaren gehoord zouden moeten worden op specifiek welke vragen. Ook is niet voldoende aannemelijk gemaakt waarom de opgegeven getuigen antwoord zouden kunnen geven op vragen als ‘hoe lang de misleiding door [verweerder 2] heeft voortgeduurd’ en ‘welke onwaarheden [verweerder 2] aan de ambtenaren vertelde’, anders dan hetgeen reeds uit de processen-verbaal van verhoor van [verweerder 2] is gebleken. Daarnaast acht het hof op voorhand niet uitgesloten dat het horen van genoemde ambtenaren van de Belastingdienst/Fiod en het Openbaar Ministerie inderdaad een doorkruising van de strafrechtelijke procedure zou betekenen, mede omdat Box c.s. thans nog niet willen aangeven welke vragen ze aan welke ambtenaar willen stellen. Daarbij speelt tevens een rol dat veertien van de zestien door Box c.s. voorgedragen getuigen allemaal als ambtenaar bij het fiscale en/of strafrechtelijke onderzoek tegen Box c.s. zijn betrokken. Het zonder meer toewijzen van een voorlopig getuigenverhoor zonder enige restrictie ten aanzien van de aan de ambtenaren te stellen vragen, houdt gelet op het voorgaande het gevaar van doorkruising in. Het hof concludeert dat - mede gelet op de omstandigheden van het geval en met name het gevaar van doorkruising - het verzoek onvoldoende concreet en ter zake doend is voor zover het anderen dan [verweerder 2] en deurwaarder [betrokkene 3] betreft (…), en daarmee dient af te stuiten op een zwaarwichtig bezwaar. Het hof neemt daarbij tevens in overweging dat Box c.s. door beslaglegging onder [verweerder 2] eerst kort geleden een grote hoeveelheid informatie ter beschikking hebben gekregen. Mogelijk dat het onderzoeken en analyseren van die informatie aanwijzingen opleveren voor een concreter geformuleerd probandum, waarvan op dit moment evenwel geen sprake is. Het hof wijst het verzoek dan ook af voor zover het anderen dan [verweerder 2] en deurwaarder [betrokkene 3] betreft (…).

3.10.6.

De hierboven gehonoreerde bezwaren van de Staat gelden niet voor het door Box c.s. gedane verzoek voor zover [het] [verweerder 2] en deurwaarder [betrokkene 3] betreft. Voor zover [verweerder 2] met zijn verweerschrift in hoger beroep heeft beoogd alsnog op te komen tegen de toewijzende beschikking van de rechtbank, door te refereren aan de bezwaren van de Staat en de hem eerst thans gebleken strafrechtelijke procedures, geldt dat hem, nu hij in eerste aanleg uitdrukkelijk in de gelegenheid is gesteld zich uit te laten over het verzoek, geen recht op hoger beroep toekomt (…). Los daarvan vermag het hof niet in te zien in hoeverre de strafrechtelijke procedure ten aanzien van de civielrechtelijke posities van Box c.s. en [verweerder 2] een rol zou vervullen en geldt dat ten aanzien van [verweerder 2] (en de deurwaarder) wel in voldoende mate diverse concrete aspecten/vraagpunten zijn geformuleerd die in het kader van een voorlopig getuigenverhoor aan de orde kunnen komen.”

2.10

Het onderdeel is specifiek gericht tegen het oordeel van het hof (i) dat het op voorhand niet uitgesloten acht dat het horen van genoemde ambtenaren van de Belastingdienst/FIOD en het openbaar ministerie een doorkruising van de strafrechtelijke procedure zou betekenen, mede omdat Box Consultants c.s. nog niet willen aangeven welke vragen ze aan welke ambtenaar willen stellen, (ii) dat daarbij tevens een rol speelt dat veertien van de zestien voorgedragen getuigen als ambtenaar bij het fiscale en/of strafrechtelijke onderzoek tegen Box Consultants c.s. zijn betrokken, (iii) dat het zonder meer toewijzen van een voorlopig getuigenverhoor zonder enige restrictie ten aanzien van de aan de ambtenaren te stellen vragen het gevaar van doorkruising inhoudt en (iv) dat het verzoek voor zover het anderen dan [verweerder 2] en deurwaarder [betrokkene 3] betreft met name gelet op dit gevaar dient af te stuiten op een zwaarwichtig bezwaar.

2.11

Het onderdeel klaagt in randnummer 13 dat het in 2.10 weergegeven oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting aangaande de maatstaf voor afwijzing van een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor. Volgens het onderdeel miskent het hof dat “het enkele op voorhand niet uitgesloten achten dat het horen van de andere getuigen een doorkruising van een strafrechtelijke procedure zou betekenen”, geen grond kan vormen voor afwijzing van een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor, ook niet als onderdeel van de afwijzingsgrond zwaarwichtig bezwaar. Als sprake is van het doen vaststellen van feiten en omstandigheden die eraan kunnen bijdragen dat een procedure voor de burgerlijke rechter tegen [verweerder 2] in het voordeel van Box Consultants c.s. kan worden beslist, dan rechtvaardigt dat volgens het onderdeel in beginsel de toewijzing van het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor. Het gevaar van doorkruising laat volgens het onderdeel onaangetast dat Box Consultants c.s. een rechtens te respecteren belang hebben bij toewijzing van hun verzoek. Tegen deze achtergrond kan ook geen sprake zijn van een zwaarwichtig belang dat zich tegen integrale toewijzing verzet, aldus nog steeds het onderdeel. Volgens het onderdeel zou dat mogelijk anders kunnen zijn indien vaststaat dát een voorlopig getuigenverhoor een parallelle strafrechtelijke procedure op ontoelaatbare wijze zal doorkruisen, doch die situatie doet zich in deze zaak niet voor. Het onderdeel klaagt dat het hof met zijn oordeel dat “het gevaar van doorkruising” bestaat, een onjuiste maatstaf heeft toegepast. Dit geldt volgens het onderdeel eens te meer nu de wet voldoende waarborgen bevat om in het kader van een voorlopig getuigenverhoor de belangen te beschermen die de Staat heeft in een strafrechtelijke procedure, waaronder de geheimhoudingsplicht van art. 165 Rv en de bescherming die art. 193 Rv aan getuigen biedt die vrezen zelf onderwerp van een procedure te worden.14

2.12

Bij de bespreking van de klachten merk ik vooraf het volgende op. Partijen hebben met betrekking tot de tegen Box Consultants c.s. aanhangig gemaakte strafprocedure nauwelijks stukken in het geding gebracht. In de processtukken worden wel passages uit beslissingen geciteerd, doch die beslissingen bevinden zich niet in de overgelegde procesdossiers. Uit de processtukken blijkt dat Box Consultants c.s. zich in de strafrechtelijke procedure twee keer tot de rechter-commissaris hebben gewend om op de voet van art. 182 Sv getuigen te mogen horen. Hun eerste verzoek is door de rechter-commissaris bij beschikking van 23 december 2015 afgewezen op de grond dat er “thans nog geen eindsituatie is bereikt” in het strafrechtelijk onderzoek.15 De Staat heeft in het beroepschrift aangevoerd dat Box Consultants c.s. in het tweede verzoek, ingediend op 15 juli 2016, hebben verzocht om twaalf personen te mogen horen. Bij beschikking van 3 oktober 2016 heeft de rechter-commissaris geoordeeld dat alleen de getuigen [verweerder 2], [betrokkene 1] en [betrokkene 2] nader moeten worden bevraagd. Het verzoek tot het horen van de andere getuigen is afgewezen op de grond dat de rechter-commissaris daartoe op dat moment geen aanleiding zag.16 Bij beschikking van 16 januari 2017 heeft de rechtbank het bezwaar van Box Consultants c.s. ten aanzien van de beschikkingen van de rechter-commissaris van 3 oktober 2016 en 16 december 2016 ongegrond verklaard.17 Van de twaalf getuigen die Box Consultants c.s. in hun tweede verzoek wensten te horen, willen zij er in de onderhavige procedure op de voet van art. 186 Rv negen horen. In hun verzoekschrift tot cassatie schrijven Box Consultants c.s. in randnummer 5 onder meer het volgende: “Aangezien getuigenverhoren in het kader van het strafrechtelijke onderzoek daarmee een doodlopende route bleken te zijn, heeft Box c.s. vervolgens twee civielrechtelijke routes in gang gezet.” Eén van die procedures is het onderhavige verzoek om een voorlopig getuigenverhoor.18 Uit het woord “aangezien” kan worden afgeleid dat er blijkens de opstellers van het middel zelf causaal verband bestaat tussen het afwijzen van de gedane verzoeken in de strafrechtelijke procedure en het indienen van (onder meer) het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor. Als ik het (vervolg van het) middel goed begrijp, dan betogen Box Consultants c.s. evenwel dat de hiervoor weergegeven (mogelijke) lezing niet juist is en dat het gedane verzoek om een voorlopig getuigenverhoor (geheel) los staat van de verzoeken in de strafrechtelijke procedure.19

2.13

Het hof heeft geoordeeld dat het verzoek van Box Consultants c.s. om een voorlopig getuigenverhoor op verschillende gronden moet worden afgewezen. Het hiervoor in 2.9 geciteerde oordeel in 3.10.4, dat door het hierna te bespreken onderdeel 4 wordt bestreden, komt erop neer dat Box Consultants c.s. naar het oordeel van het hof op bepaalde aspecten geen belang hebben bij hun verzoek, omdat bepaalde vragen al zijn beantwoord. In rov. 3.10.5 concludeert het hof dat, mede gelet op (i) de omstandigheden van het geval en (ii) met name het gevaar van doorkruising, het verzoek onvoldoende concreet en ter zake doend is voor zover het anderen dan [verweerder 2] en deurwaarder [betrokkene 3] betreft, en daarmee dient af te stuiten op een zwaarwichtig bezwaar. Onderdeel 1 bestrijdt (onder meer) het oordeel onder (ii).

2.14

Bij gebreke van aanknopingspunten in de tekst die zouden kunnen wijzen op een afwijzing van het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor op (één van) de hiervoor in 2.8 onder (i) en (ii) genoemde gronden, lees ik het bestreden oordeel aldus dat het verzoek in rov. 3.10.5 is afgewezen op de grond onder (iii): een ander, door de rechter zwaarwichtig geoordeeld bezwaar. Deze afwijzingsgrond heeft de Hoge Raad voor voorlopige bewijsverrichtingen geïntroduceerd in 2002.20 Welke gevallen onder deze afwijzingsgrond - en niet onder de andere drie afwijzingsgronden - zouden moeten vallen, is niet heel duidelijk.21 Groot wijst erop dat het introduceren van deze nieuwe grond tot rechtsonzekerheid leidt, omdat een gebrek aan richtlijnen voor de invulling ervan het gevaar op een verschillende uitleg door verschillende rechters meebrengt.22

2.15

In haar proefschrift gaat Groot in op de beoordelingsmaatstaf die moet worden gehanteerd voor de afwijzingsgrond andere zwaarwichtige bezwaren.23 Zij geeft daarin een overzicht van de opvattingen van andere auteurs. Groot wijst erop dat Huydecoper aanvankelijk van mening was dat van andere zwaarwichtige bezwaren alleen sprake kan zijn in geval van een aanmerkelijk overwicht van de bezwaren die zich verzetten tegen toewijzing, boven de belangen van de verzoeker.24 De gedachte achter deze voorkeur voor een strikte uitleg is dat bij een andere opvatting een gebrek aan evenwicht zou ontstaan tussen aan de ene kant misbruik van bevoegdheid en strijd met de goede procesorde en aan de andere kant een ander zwaarwichtig bezwaar. Terwijl er in de eerste twee gevallen van een nogal klaarblijkelijk overwicht van de contra-indicaties sprake is, zou dat anders zijn in het geval van andere zwaarwegende bezwaren. Ook Van der Wiel waarschuwt ervoor de grond ander zwaarwichtig bezwaar ruim op te vatten en daarmee een afwijzingsgrond te creëren die (veel) lichter is dan de gronden misbruik en strijd met de goede procesorde.25 Hij hanteert voor de gronden misbruik van bevoegdheid, strijd met de goede procesorde en een ander zwaarwichtig bezwaar het paraplubegrip zwaarwichtige bezwaren, waarmee hij aangeeft dat de genoemde drie afwijzingsgronden ongeveer even zwaar zijn. Groot stelt dat Huydecoper (in 2004) en Van der Wiel terecht aansluiting hebben gezocht bij de andere afwijzingsgronden. Aan de ene kant moet volgens haar uit het woord “ander” worden afgeleid dat de Hoge Raad niet heeft bedoeld dat voor de afwijzingsgrond ander zwaarwichtig bezwaar een veel lichtere beoordelingsmaatstaf geldt dan voor de andere afwijzingsgronden, in die zin dat een discrepantie ontstaat tussen enerzijds misbruik en strijd met de goede procesorde en anderzijds een ander zwaarwichtig bezwaar. Aan de andere kant geldt volgens Groot dat misbruik meer marginaal wordt getoetst dan strijd met de goede procesorde en dat voor wat betreft zwaarte de beoordelingsmaatstaf van een ander zwaarwichtig bezwaar dient aan te sluiten op die van strijd met de goede procesorde.

2.16

Groot wijst er vervolgens op dat Huydecoper in 2007 heeft gekozen voor een ruimere uitleg van de afwijzingsgrond ander zwaarwichtig bezwaar, in die zin dat de aanzienlijke belasting van een voorlopig getuigenverhoor voor de betrokkenen rechtvaardigt dat ook zonder duidelijk overwicht van de bezwaren van de betrokkenen met die bezwaren rekening wordt gehouden.26 Hierbij noemt hij als voorbeeld dat van de verweerder in een laat stadium van de hoofdzaak niet kan worden verwacht dat hij zich de belasting van een voorlopig getuigenverhoor laat welgevallen. Groot is van mening dat de rechter met de verruiming van het aantal afwijzingsgronden in 2002 meer mogelijkheden heeft gekregen om een verzoek tot het doen houden van een voorlopig getuigenverhoor af te wijzen. Zij schrijft dat vóór 2002 slechts werd afgewezen op grond van misbruik, vooral vanwege onevenredigheid van belangen, en dat de nadruk derhalve lag op een afweging van de belangen van de verzoeker en de verweerder, waarbij het misbruikcriterium een onevenredigheid van die belangen vergde. Met de toevoeging van de afwijzingsgronden strijd met de goede procesorde en een ander zwaarwichtig bezwaar werd het naar haar mening mogelijk om andere belangen dan die van de verweerder doorslaggevend te laten zijn. Ofwel, niet alleen de zwaarwichtige belangen van de verweerder, maar ook andersoortige belangen kunnen dusdanig zwaar wegen dat moet worden afgezien van het houden van een voorlopig getuigenverhoor. Groot concludeert als volgt:27

“Kortom, alle afwijzingsgronden zijn van een “vergelijkbaar ‘kaliber’” (…), maar de rechter mag ook aan andere belangen (bezwaren) dan enkel de belangen van de wederpartij een dusdanige zwaarte toekennen dat tot afwijzing van het voorlopig getuigenverhoor moet worden beslist. Zo staat bij de afwijzingsgrond strijd met de goede procesorde de efficiëntie voorop, waarbij niet alleen rekening wordt gehouden met de (financiële) belasting van een voorlopig getuigenverhoor voor de wederpartij, maar ook met de belasting van de rechter en de kosten van een voorlopig getuigenverhoor voor de staat (zoals het salaris van de rechter en de kosten van zittingszalen). Hierbij is het objectief vast te stellen stadium waarin de hoofdzaak verkeert een factor die, naarmate de hoofdzaak zich in een verdergaand stadium verkeert, een steeds prominentere rol inneemt (…).

De afwijzingsgrond ander zwaarwichtig bezwaar mag niet worden gebruikt om via een achterdeur een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor af te wijzen op grond van een gewone belangenafweging. Als uit de belangenafweging op grond van misbruik volgt dat geen sprake is van een onevenredigheid van de belangen van partijen, kan een verzoek niet via de achterdeur van het ander zwaarwichtig bezwaar worden afgewezen op grond van een (min of meer) gewone belangenafweging. Kortom, als enkel de belangen van partijen tegen elkaar worden afgewogen, dan dient naar mijn mening overeind te blijven dat een onevenredigheid tussen de belangen van partijen moet bestaan. Echter, andere belangen kunnen wel een zodanig zwaar gewicht in de schaal leggen, dat onevenredigheid ontstaat tussen het belang van de verzoeker enerzijds en de overige belangen (van de wederpartij, van een efficiënte procesvoering of van de getuige) anderzijds. In dergelijke gevallen bieden de afwijzingsgronden strijd met de goede procesorde en een ander zwaarwichtig bezwaar soelaas.”

2.17

In zijn verweerschrift (nr. 3.6) wijst de Staat op een recente uitspraak van Uw Raad van 17 november 2017.28 In die zaak was aan de orde een verzoek van Stichting Beheer tot het bevelen van een voorlopig getuigenverhoor ten einde feiten te kunnen bewijzen in een nog aanhangig te maken civiele schadevergoedingsprocedure tegen SNS Reaal. De schade waarvoor Stichting Beheer SNS Reaal aansprakelijk hield, zag uitsluitend op de waarde van in het verleden onteigende effecten en vermogensbestanddelen. Ten tijde van het verzoek van Stichting Beheer in kwestie was bij de Ondernemingskamer een schadeloosstellingsprocedure aanhangig met betrekking tot de waarde van de onteigende effecten en vermogensbestanddelen en had de Ondernemingskader met het oog op de waardebepaling een deskundigenonderzoek bevolen en deskundigen benoemd. In die procedure was Stichting Beheer als belanghebbende verschenen. Rechtbank en hof hebben het verzoek afgewezen. Het hof overwoog daartoe dat Stichting Beheer geen rechtens te respecteren belang had bij haar verzoek, aangezien de Ondernemingskamer in de schadeloosstellingsprocedure deskundigen had opgedragen alle omstandigheden in aanmerking te nemen die voor de waarde van de effecten en vermogensbestanddelen bepalend zijn, zodat alle aspecten die voor de waardebepaling noodzakelijk zijn in het kader van het deskundigenonderzoek in die schadeloosstellingsprocedure aan de orde kunnen worden gesteld. De Hoge Raad verwierp het door Stichting Beheer tegen dit oordeel gerichte klacht als volgt:

“3.5.2 Voor de bepaling van de waarde van onteigende effecten en vermogensbestanddelen als hiervoor in 3.5.1 bedoeld, voorziet de Wft in een bijzondere regeling (art. 6:2 e.v. Wft). Deze regeling is gericht op volledige vergoeding van de schade die de rechthebbende rechtstreeks en noodzakelijk lijdt door het verlies van zijn vermogensbestanddeel of effect (art. 6:8 lid 1 Wft). Vergoed wordt de werkelijke waarde van het onteigende vermogensbestanddeel of effect, uitsluitend voor degene aan wie het toekomt (art. 6:8 lid 2 Wft). Die werkelijke waarde wordt vastgesteld door de ondernemingskamer (art. 6:10 lid 1 Wft). De ondernemingskamer stelt de schadeloosstelling zelfstandig vast, en kan zich daarbij baseren op alle in de procedure gebleken feiten en omstandigheden of op een door haar zelf bevolen deskundigenbericht (zie HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:661, NJ 2015/361, rov. 4.8.2).

De keuze van de wetgever voor de ondernemingskamer is ingegeven door de expertise die deze kamer heeft in procedures waarin waarderingsaspecten een rol spelen, terwijl zij ook beschikt over waarderingsdeskundigen onder haar raden (Kamerstukken II 2011/12, 33059, 3, p. 76 en Kamerstukken I 2011/12, 33059, C, p. 3).

De ondernemingskamer behandelt het verzoek tot vaststelling van de schadeloosstelling op de voet van de rechtspleging in burgerlijke zaken (art. 6:11 lid 1 Wft). Op de procedure zijn de bepalingen over bewijs (art. 150 e.v. Rv) van overeenkomstige toepassing, tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet (art. 284 lid 1 Rv). Tot die bepalingen behoren ook de art. 163 e.v. Rv over het getuigenverhoor en de art. 186 e.v. Rv over het voorlopig getuigenverhoor. De omstandigheid dat de ondernemingskamer deskundigen heeft benoemd, verhindert niet dat die kamer (ook) zelf getuigen hoort - ambtshalve of indien daarom wordt verzocht - indien dit voor de waardebepaling van belang is.”

2.18

De Staat stelt dat in het licht van de uitspraak van 17 november 2017 (het gevaar van) onaanvaardbare doorkruising van een bijzondere rechtsgang door de rechter als omstandigheid kan worden meegewogen bij de toetsing of één van de afwijzingsgronden aanwezig is.29 Vervolgens betoogt de Staat uitvoerig dat het houden van een voorlopig getuigenverhoor kan worden afgewezen, omdat daartegen mede vanwege een onaanvaardbare doorkruising van de strafprocedure zwaarwichtige bezwaren bestaan.30 De Staat wijst in dat verband, samengevat, op het volgende:

- in strafzaken geldt het gesloten stelsel van rechtsmiddelen;31 dit brengt mee dat, indien tegen een beslissing geen rechtsmiddel open staat, die beslissing onherroepelijk is, zodat daartegen niet (meer) met succes kan worden opgekomen;32

- deze (betrekkelijke) onaantastbaarheid van strafrechtelijke beslissingen geldt ook buiten het strafrecht; dit betekent dat de burgerlijke rechter geen wijziging kan brengen in een onherroepelijke uitspraak van de strafrechter;33

- het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt niet alleen mee dat een (veroordelende) einduitspraak niet ter discussie kan worden gesteld bij de civiele rechter, maar ook dat andere beslissingen van de strafrechter (waaronder de rechter-commissaris) voor juist moeten worden gehouden; indien door de strafrechter is bepaald dat bepaalde getuigen niet gehoord mogen worden, kan deze beslissing niet in een civiele procedure worden omzeild door daarin (alsnog) toe te staan dat deze getuigen (alsnog) worden gehoord.

2.19

In de zaak die leidde tot de uitspraak van 17 november 2017 was het gevaar van doorkruising van de aanhangige procedure bij de Ondernemingskamer duidelijk aanwezig. Van rechtbank en hof werd immers gevraagd om over materie te oordelen die tot het domein van de Ondernemingskamer behoorde en over die materie was ook reeds bij de Ondernemingskamer een procedure aanhangig (zij het tussen niet dezelfde partijen). Van doorkruising hoeft geen sprake te zijn indien het gaat om materie die in de verschillende aanhangige procedures geheel anders van aard is. Het gevaar van (onaanvaardbare) doorkruising kan evenwel naar mijn mening aanwezig zijn indien er tussen twee (of meer) aanhangig zijnde procedures (op het eerste gezicht) zoveel raakvlakken zijn dat niet goed direct is vast te stellen of er al dan niet verwevenheid kan bestaan die er niet zou mogen zijn. Het gevaar van ‘fishing’ kan dan aanwezig worden geoordeeld. In het kader van beantwoording van de vraag of in de onderhavige zaak sprake kan zijn van doorkruising van de tegen Box Consultants c.s. aanhangige strafprocedure is van belang om na te gaan (i) wat de reden is geweest van afwijzing van het verzoek om getuigen te horen in die procedure, en (ii) of de in de strafzaak gegeven beslissing onherroepelijk is. De beschikking van de rechter-commissaris van 3 oktober 2016, waarin op het tweede verzoek van Box Consultants c.s. op de voet van art. 182 Sv afwijzend is beslist, heb ik in de stukken niet aangetroffen. Zoals hiervoor weergegeven heeft de Staat in zijn beroepschrift een citaat uit die beschikking weergegeven. Vermeld wordt: “Ik, rechter-commissaris, zie thans nog geen aanleiding tot het horen van de andere34 verzochte getuigen en wijs het verzoek tot het horen van die getuigen derhalve af.” Uit de beslissing (“thans”) kan worden afgeleid dat het niet uitgesloten is dat de (overige) getuigen die Box Consultants c.s. wens(t)en te horen, in een later stadium van de strafrechtelijke procedure in eerste aanleg alsnog worden gehoord. Bovendien kan het getuigenverzoek ter zitting worden herhaald en eventueel toegewezen en kunnen die getuigen ook nog worden gehoord in een eventuele appelprocedure en/of in een eventuele procedure na cassatie en verwijzing. Het strafrechtelijk onderzoek is anders dan Box Consultants c.s. stellen nog niet afgerond. Dat is pas het geval indien in de strafzaak een onherroepelijke beslissing is gevallen. Het thans in een civiele procedure toestaan dat dezelfde getuigen over dezelfde dan wel daaraan grenzende materie worden gehoord, kan betekenen dat de strafrechtelijke procedure onaanvaardbaar wordt doorkruist. In dat verband is van belang op te merken dat maar liefst veertien van de zestien door Box Consultants c.s. voorgedragen getuigen allemaal als ambtenaar bij het fiscale en/of strafrechtelijke onderzoek tegen Box Consultants c.s. zijn betrokken.

2.20

Het onderdeel stelt op zich met juistheid dat, als sprake is van het doen vaststellen van feiten en omstandigheden die eraan kunnen bijdragen dat een procedure voor de burgerlijke rechter tegen [verweerder 2] in het voordeel van Box Consultants c.s. kan worden beslist, zulks in beginsel de toewijzing van het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor rechtvaardigt. Zoals gezegd kunnen door de rechter als zwaarwichtig geoordeelde bezwaren evenwel aan toewijzing in de weg staan. Het oordeel dát van dergelijke bezwaren sprake is, is zodanig verweven met een waardering van de feiten en omstandigheden in een concreet geval dat het niet goed op juistheid kan worden getoetst. In het licht van het feit dat de strafprocedure tegen Box Consultants c.s. nog niet is afgerond meen ik dat het bestreden oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. In deze zaak heeft het hof rekening gehouden met andere belangen dan die van Box Consultants c.s. en [verweerder 2], namelijk de opsporings- en onderzoeksbelangen van het openbaar ministerie in de tegen Box Consultants c.s. aanhangig gemaakte strafprocedure. Het stond het hof vrij om bij zijn oordeel rekening te houden met zwaarwichtige belangen van derden. Met name tegen de achtergrond van het genoemde feit dat veertien van de zestien door Box Consultants c.s. voorgedragen getuigen allemaal als ambtenaar bij het fiscale en/of strafrechtelijke onderzoek tegen Box Consultants c.s. zijn betrokken, acht ik niet onjuist het oordeel dat in ieder geval gevaar van doorkruising aanwezig is. Naar mijn mening volstond dit. De (veronderstelde) belangen van Box Consultants c.s. bij toewijzing van hun verzoek konden daarvoor mijns inziens wijken.

2.21

Met betrekking tot de rechtsklachten zij voorts het volgende opgemerkt. De klacht dat het hof miskent dat het “enkele” op voorhand niet uitgesloten achten dat het horen van de andere getuigen een doorkruising van een strafrechtelijke procedure zou betekenen, geen grond kan vormen voor afwijzing van een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor, mist feitelijke grondslag in de bestreden beschikking. Het hof heeft immers geoordeeld dat het verzoek van Box Consultants c.s. om een voorlopig getuigenverhoor naast (deels) gebrek aan belang (rov. 3.10.4) dient af te stuiten op een zwaarwichtig bezwaar, dat meer aspecten bevat dan het genoemde gevaar van doorkruising. Ik meen evenwel dat het door het hof aanwezig geoordeelde gevaar van doorkruising de afwijzing van het verzoek van Box Consultants c.s. reeds zelfstandig kan dragen. Zoals hierna zal blijken kan een aantal andere onderdelen (reeds) om die reden ook niet tot cassatie leiden.

2.22

De stelling aan het slot van de rechtsklacht dat de wet voldoende waarborgen bevat om in het kader van een voorlopig getuigenverhoor de belangen te beschermen die de Staat heeft in een strafrechtelijke procedure, kan niet leiden tot een ander oordeel. Het onderdeel verwijst onder meer naar art. 165 Rv, dat in het tweede lid bepaalt dat bepaalde getuigen zich kunnen verschonen van de verplichting om een getuigenis af te leggen. Box Consultants c.s. hebben in de feitelijke instanties niet naar dit artikel verwezen en het onderdeel maakt ook niet genoegzaam duidelijk in welk opzicht en in welke mate dit artikel de belangen van de Staat kan beschermen.35 Art. 193 Rv36, dat in de vindplaats wel wordt genoemd, biedt evenmin voldoende waarborgen om in het kader van een voorlopig getuigenverhoor de belangen te beschermen die de Staat in een strafrechtelijke procedure heeft. Niet in geschil is dat Box Consultants c.s. alleen [verweerder 2] in een civiele procedure aansprakelijk willen stellen. Art. 193 Rv biedt dan ook alleen waarborgen voor hem. Ten aanzien van [verweerder 2] heeft het hof het verzochte voorlopig getuigenverhoor toegewezen.

2.23

De slotsom is dat de rechtsklachten van het onderdeel falen. Het onderdeel koppelt aan de rechtsklachten in randnummer 14 een motiveringsklacht. Het onderdeel klaagt dat het oordeel dat sprake is van gevaar van doorkruising niet naar behoren is gemotiveerd. Ter toelichting wijst het onderdeel erop dat Box Consultants c.s. hebben aangevoerd dat: (i) het door hen gedane verzoek geheel losstaat van het strafrechtelijk onderzoek;37 (ii) het openbaar ministerie zelf heeft verklaard dat de ‘IRS’-brief van geen enkel belang is voor het strafrechtelijk onderzoek;38 (iii) geen strafrechtelijk onderzoek zal worden gedaan naar de ‘IRS’-brief;39 (iv) het openbaar ministerie heeft verklaard dat de onderzoekshandelingen in de strafrechtelijke procedure zijn afgerond;40 en (v) dat zowel de strafrechtelijke procedure als de civiele procedure zijn gericht op waarheidsvinding, zodat de belangen van de Staat (bij de strafrechtelijke procedure) en Box Consultants c.s. (bij de civiele procedure) juist parallel lopen.41 Volgens het onderdeel volgt hieruit dat van een gevaar van doorkruising geen sprake kan zijn, omdat de feiten en omstandigheden in verband met de ‘IRS’-brief in het strafrechtelijk onderzoek in het geheel niet zijn onderzocht.

2.24

Ik stel voorop dat een oordeel niet reeds onvoldoende is gemotiveerd indien niet alle aangevoerde stellingen bij dat oordeel zijn meegenomen. Het moet gaan om essentiële stellingen. De stellingen waarnaar het onderdeel verwijst, zijn niet alle opgenomen in par. 5.3 van het verweerschrift in hoger beroep, welke paragraaf ingaat op grief 2 van de Staat (inhoudende dat sprake is van een onaanvaardbare doorkruising van de strafprocedure). De stellingen doen naar mijn mening geen afbreuk aan het bestreden oordeel, omdat overeind blijft dat er onmiskenbaar raakvlakken kúnnen zijn tussen de nog niet afgeronde strafrechtelijke procedure en het gedane verzoek om een voorlopig getuigenverhoor. Het in cassatie niet bestreden oordeel dat veertien van de zestien door Box Consultants c.s. voorgedragen getuigen allemaal als ambtenaar bij het fiscale en/of strafrechtelijke onderzoek tegen Box Consultants c.s. zijn betrokken, vormt hiervoor een aanwijzing. Het oordeel dat sprake is van gevaar van doorkruising is een oordeel dat verwezen is met de omstandigheden van het concrete geval. Het feit dat het hof niet expliciet is ingegaan op alle stellingen die het onderdeel noemt (voor zover die zijn aangevoerd in het kader van het verweer tegen de stelling van de Staat dat de strafprocedure onaanvaardbaar wordt doorkruist door het horen van de aangedragen getuigen) brengt niet mee dat de beslissing daarom onvoldoende is gemotiveerd. Specifiek met betrekking tot de door het onderdeel genoemde stelling onder (iv), inhoudende dat het openbaar ministerie heeft verklaard dat de onderzoekshandelingen in de strafrechtelijke procedure zijn afgerond, merk ik op dat uit de e-mail waarnaar het onderdeel in dat verband verwijst (prod. 64 bij het verweerschrift in hoger beroep) deze stelling niet als zodanig kan worden afgeleid. Uit de stelling van de zaaksofficier van justitie [betrokkene 7] in de e-mail van 21 juni 2017 “dat het proces-verbaal binnen afzienbare tijd afgerond zal kunnen worden” kan niet de conclusie worden getrokken dat het onderzoek op dat moment reeds daadwerkelijk was afgerond. Voor zover dit wel het geval was neemt dat niet weg dat het onderzoek in de toekomst kan worden heropend.

Onderdeel 2

2.25

Het onderdeel keert zich tegen het oordeel in rov. 3.10.5 (i) dat de door Box Consultants c.s. te onderzoeken punten weliswaar in enigerlei mate zijn uitgewerkt, maar dat daarmee de onderzoeksvragen ten behoeve van het voorlopig getuigenverhoor onaanvaardbaar ruim zijn gebleven, (ii) dat Box Consultants c.s. hebben nagelaten aan te geven specifiek welke ambtenaren kunnen antwoorden op specifiek welke vragen, (iii) dat Box Consultants c.s. ook niet voldoende aannemelijk hebben gemaakt waarom de opgegeven getuigen antwoord zouden kunnen geven op vragen als “hoe lang de misleiding door [verweerder 2] heeft voortgeduurd” en “welke onwaarheden [verweerder 2] aan de ambtenaren vertelde”, anders dan hetgeen reeds uit de samenvattende verslagen van de gesprekken van [verweerder 2] met de FIOD is gebleken, (iv) dat het verzoek - mede gelet op de omstandigheden van het geval en met name het gevaar van doorkruising - onvoldoende concreet en ter zake doend is voor zover het anderen dan [verweerder 2] en deurwaarder [betrokkene 3] betreft, en daarmee dient af te stuiten op een zwaarwichtig bezwaar, en (v) dat daarbij tevens in overweging wordt genomen dat Box Consultants c.s. door beslaglegging onder [verweerder 2] een grote hoeveelheid informatie ter beschikking hebben gekregen en dat het onderzoeken en analyseren van die informatie mogelijk aanwijzingen opleveren voor een concreter geformuleerd probandum.

2.26

Het onderdeel klaagt in randnummer 22 dat het hof met zijn oordeel buiten de grenzen van de rechtsstrijd tussen partijen is getreden. Ter toelichting stelt het onderdeel dat de Staat niet heeft aangevoerd dat het oordeel van de rechtbank moet worden vernietigd, omdat het verzoek van Box Consultants c.s. onvoldoende concreet en ter zake doend is, en dat, voor zover de Staat zich al heeft beroepen op een zwaarwichtig bezwaar, dit hooguit impliciet is gedaan, via een beroep op het gevaar van doorkruising, en niet door middel van de stelling dat het verzoek overigens niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet omdat het onvoldoende concreet en ter zake doend is.

2.27

Ik meen allereerst dat de klacht dient te falen bij gebrek aan belang. Het oordeel van het hof dat gevaar bestaat dat toewijzing van het verzoek van Box Consultants c.s. de strafrechtelijke procedure tegen hen (onaanvaardbaar) zou doorkruisen, kan de beslissing tot afwijzing van dat verzoek (wegens het bestaan van een zwaarwichtig bezwaar) naar mijn mening namelijk reeds zelfstandig dragen. De klacht faalt daarnaast op inhoudelijke gronden. Ten aanzien van een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor geldt dat de rechter ingevolge art. 166 Rv, dat krachtens art. 186 lid 1 Rv van toepassing is (“in de gevallen waarin bij de wet het bewijs door getuigen is toegelaten”) zelfstandig heeft na te gaan of de in het verzoekschrift te stellen feiten of rechten die verzoeker wil bewijzen gegeven de aard en het beloop der rechtsvordering, relevant zijn.42 Ook indien geen verweer is gevoerd kan de rechter het verzoek afwijzen indien hij van oordeel is dat één of meer van de (in de jurisprudentie ontwikkelde) afwijzingsgronden aan de orde is. Zoals gezegd kunnen zwaarwichtige belangen van anderen dan verzoeker en verweerder leiden tot het oordeel dat het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor moet worden afgewezen op de grond dat sprake is van een ander zwaarwichtig bezwaar.

2.28

Het onderdeel klaagt vervolgens in randnummer 23 dat het bestreden oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de aan een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor te stellen eisen, dan wel dat het oordeel onbegrijpelijk is. Ter toelichting stelt het onderdeel dat het voor toewijzing van een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor niet nodig is om in het verzoekschrift nauwkeurig aan te geven welke feiten en stellingen de verzoeker aan zijn voorgenomen vordering ten grondslag wil leggen en omtrent welke feiten hij getuigen wil doen horen, doch dat volstaat dat het voor de rechter voor wie het getuigenverhoor wordt gehouden en voor de wederpartij voldoende duidelijk is op welk feitelijk gebeuren het verhoor betrekking zal hebben. Het onderdeel stelt dat het verzoek betrekking dient te hebben op het bewijs van de kern van de feiten die de grondslag vormen voor de voorgenomen vordering(en) in de hoofdzaak, dat de vraag hoe concreet het feitelijk gebeuren moet worden omschreven, afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, en dat aan het vereiste van voldoende concrete en relevante feiten niet te hoge eisen mogen worden gesteld, omdat het voorlopig getuigenverhoor dient tot het ophelderen van feiten en/of het bepalen van de vordering in de hoofdzaak. Onder uitvoerige verwijzing naar vindplaatsen in de processtukken, zowel in het inleidend verzoek43 als in het verweerschrift in hoger beroep44, stelt het onderdeel dat het verzoek van Box Consultants c.s. ruimschoots voldoet aan de hiervoor beschreven maatstaf, zodat het hof ofwel die maatstaf heeft miskend, ofwel een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven.

2.29

Het onderdeel klaagt in randnummer 28 dat het oordeel daarnaast innerlijk tegenstrijdig is. Ter toelichting wordt aangevoerd dat het hof ten aanzien van [verweerder 2] en deurwaarder [betrokkene 3] wel van oordeel is dat het verzoek voldoende concreet en ter zake doend is (rov. 3.10.6), hoewel het gaat om één en hetzelfde verzoek ten aanzien van alle gewenste getuigen. Het onderdeel stelt dat in het verzoek van Box Consultants c.s. geen onderscheid wordt gemaakt tussen de verschillende getuigen.

2.30

In randnummer 29 klaagt het onderdeel dat onjuist is dat het hof in rov. 3.10.5 concludeert dat - mede gelet op de omstandigheden van het geval en met name het gevaar van doorkruising - het verzoek onvoldoende concreet en ter zake doend is voor zover het anderen dan [verweerder 2] en deurwaarder [betrokkene 3] betreft, en daarmee dient af te sluiten op een zwaarwegend bezwaar. Volgens het onderdeel is onjuist dat het hof aldus “onvoldoende concreet en ter zake doend” “op een hoop gooit” met “zwaarwichtig bezwaar”, zeker als dan ook nog wordt gerefereerd aan “de omstandigheden van het geval” en “het gevaar van doorkruising”.

2.31

De klachten lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. Zij falen op de grond dat het hof in rov. 3.10.5 heeft geoordeeld dat het tevens (“daarnaast”) op voorhand niet uitgesloten acht dat het horen van de door Box Consultants c.s. voorgedragen ambtenaren van de Belastingdienst/FIOD en het openbaar ministerie een doorkruising van de strafrechtelijke procedure zou betekenen. Dit is een grond die de afwijzing van het verzoek van Box Consultants c.s. op de grond dat sprake is van een zwaarwichtig bezwaar, zelfstandig kan dragen. Dat het hof bij zijn oordeel dat gevaar voor doorkruising bestaat, mede belang heeft gehecht aan het feit dat Box Consultants c.s. niet hebben aangegeven welke vragen ze aan welke ambtenaar willen stellen, is niet onbegrijpelijk. Het thans door de klachten bestreden oordeel met betrekking tot de stelplicht van Box Consultants c.s. ten aanzien van het “feitelijk gebeuren” moet naar mijn mening dan ook eerder in nauwe samenhang worden bezien met het oordeel met betrekking tot het gevaar voor doorkruising en niet met betrekking tot de vraag of het verzoek al dan niet aan de daaraan op grond van art. 187 Rv te stellen eisen voldoet. De klachten, en met name de klacht in randnummer 2.30, kan worden toegegeven dat het oordeel van het hof in rov. 3.10.5 niet heel helder en eenduidig is geformuleerd. De kern van de beslissing is evenwel naar mijn mening duidelijk. Het bovenstaande geldt ook voor het oordeel (a contrario redenerend) dat het verzoek voor zover het [verweerder 2] en deurwaarder [betrokkene 3] betreft (wel) voldoende concreet en ter zake doend is. Dit oordeel moet kennelijk aldus worden gelezen dat gevaar voor doorkruising van de strafrechtelijke procedure niet aanwezig is voor zover het gaat om het horen van deze twee getuigen. Het oordeel is gezien de persoon van de getuigen niet onbegrijpelijk.

Onderdeel 3

2.32

Het onderdeel is gericht tegen de conclusie van het hof in rov. 3.10.5 dat - mede gelet op de omstandigheden van het geval en met name het gevaar van doorkruising - het verzoek van Box Consultants c.s. om een voorlopig getuigenverhoor onvoldoende concreet en ter zake doend is voor zover het anderen dan [verweerder 2] en deurwaarder [betrokkene 3] betreft, en daarmee dient af te sluiten op een zwaarwegend bezwaar. Het onderdeel bevat allereerst een klacht die voortbouwt op de hiervoor besproken onderdelen. Het onderdeel dient in zoverre het lot van die onderdelen te delen. Het onderdeel klaagt daarnaast dat het hof refereert naar “de omstandigheden van het geval”, terwijl het op geen enkele wijze inzichtelijk maakt welke omstandigheden het hier voor ogen heeft. Het onderdeel klaagt dat het oordeel in zoverre onvoldoende is gemotiveerd.

2.33

Het onderdeel kan evenmin tot cassatie leiden. Allereerst verduidelijkt het hof zijn oordeel door aan te geven dat onder de “omstandigheden van het geval” met name is begrepen het gevaar van doorkruising van de strafrechtelijke procedure. Zoals gezegd kan dit oordeel de beslissing reeds dragen. Onder de andere omstandigheden van het geval is kennelijk ook begrepen het samenstel van andere gronden die het hof aan de afwijzing van het verzoek ten grondslag heeft gelegd. Ik wijs in dat verband op het volgende. Het hof heeft in rov. 3.10.4 overwogen dat [verweerder 2] (ook ter zitting bij het hof) heeft bekend de schrijver te zijn van de valse ‘IRS-brief’. Hieruit kan worden geconcludeerd dat Box Consultants c.s. in ieder geval duidelijkheid hebben gekregen over de vraag tegen wie zij een eventuele civiele procedure dienen op te starten.45 Het hof heeft in rov. 3.10.4 verder overwogen dat [verweerder 2] ter zitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij uitsluitend met de ambtenaren [betrokkene 1] en [betrokkene 2] heeft gesproken. Het verzoek in de strafrechtelijke procedure tot het horen van deze getuigen is door de rechter-commissaris toegewezen en zij zijn op 6 december 2016 gehoord.46 Voorts heeft het hof in rov. 3.10.5 overwogen dat niet aannemelijk is gemaakt waarom de opgegeven getuigen antwoord zouden kunnen geven op vragen als “hoe lang de misleiding door [verweerder 2] heeft geduurd” en “welke onwaarheden [verweerder 2] aan de ambtenaren vertelde” anders dan hetgeen reeds uit de processen-verbaal van verhoor van [verweerder 2] is gebleken en dat een rol speelt dat veertien van de zestien getuigen allemaal als ambtenaar bij het fiscale en/of strafrechtelijke onderzoek tegen Box Consultants zijn betrokken.

Onderdeel 4

2.34

Het onderdeel is gericht tegen rov. 3.10.4, hiervoor weergegeven in 2.9. Daarin overweegt het hof volgens het onderdeel dat met betrekking tot een aantal vragen die Box Consultants c.s. aan de door hen gewenste getuigen zouden willen voorleggen, geldt dat deze door [verweerder 2] al ter zitting zijn beantwoord. Het onderdeel klaagt in randnummer 33 dat dit oordeel onbegrijpelijk is. Ter toelichting wordt aangevoerd dat vast staat dat sprake is van ernstig onrechtmatig handelen van [verweerder 2] jegens Box Consultants c.s. “waarbij [verweerder 2] niet heeft geschroomd om de waarheid in veel opzichten ernstig geweld aan te doen”. Tegen deze achtergrond is volgens het onderdeel onbegrijpelijk dat het hof bepaalde vragen niet meer relevant acht, omdat [verweerder 2] ter zitting bepaalde antwoorden zou hebben gegeven. Het onderdeel stelt dat van een verhoor onder ede geen sprake is geweest en dat ook los daarvan er in het dossier geen enkele aanleiding is om van Box Consultants c.s. “te verlangen dat zij [verweerder 2] op zijn blauwe ogen zouden moeten geloven”.

2.35

De klacht gaat uit van een verkeerde lezing van de bestreden overweging en mist zodoende feitelijke grondslag. Het hof heeft in rov. 3.10.4 niet overwogen dat de vragen al door [verweerder 2] ter zitting zijn beantwoord. Het hof heeft wat betreft [verweerder 2] uitsluitend overwogen dat deze - mede ter zitting - heeft verklaard dat hij de schrijver is van de valse ‘IRS-brief’ en dat hij ter zitting heeft aangegeven dat hij alleen met de ambtenaren [betrokkene 1] en [betrokkene 2] heef gesproken. Het hof heeft verder in rov. 3.10.4 overwogen dat uit een aantal schriftelijke stukken kan worden afgeleid dat de Belastingdienst/FIOD/ECD de valse ‘IRS-brief’ op een bepaald moment heeft ontvangen, dat een andere afdeling van de Belastingdienst vervolgens met de brief aan de slag is gegaan en dat het waarschijnlijk om een valse brief gaat.

2.36

In randnummer 34 wordt tot uitgangspunt genomen dat het hof het oordeel in rov. 3.10.4 ten grondslag heeft gelegd aan zijn oordeel in rov. 3.10.5 dat het verzoek van Box Consultants c.s. onvoldoende concreet en ter zake doend is en daarmee dient af te stuiten op een zwaarwichtig bezwaar. Het onderdeel klaagt dat in dat geval ook dat oordeel onbegrijpelijk is, nu het oordeel in rov. 3.10.4 slechts een klein deel betreft van de vragen en het feitelijk gebeuren waarover Box Consultants c.s. getuigen willen horen, en het hof zijn oordeel in rov. 3.10.4 bovendien mede baseert op verklaringen van [verweerder 2], terwijl vaststaat dat hij niet altijd de (volledige) waarheid spreekt. Het onderdeel betoogt dat het ten aanzien van hetgeen [verweerder 2] heeft verklaard daarom bij uitstek relevant is om ook andere getuigen te horen teneinde te kunnen verifiëren of [verweerder 2] “dit keer wel (volledig) naar waarheid heeft verklaard”.

2.37

De klacht kan in het licht van het hetgeen hiervoor is overwogen evenmin tot cassatie leiden. Het oordeel van het hof met betrekking tot het gevaar voor doorkruising van de strafrechtelijke procedure blijft immers overeind staan.

Onderdeel 5

2.38

Het onderdeel bouwt uitsluitend voort op de voorgaande onderdelen. Het bevat geen klacht die afzonderlijke bespreking behoeft.

Onderdeel 6

2.39

Het onderdeel keert zich tegen de beslissing tot hoofdelijke veroordeling van Box Consultants c.s. in de proceskosten van het hoger beroep. Het onderdeel klaagt dat het hof hiermee buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden, omdat de Staat niet om een hoofdelijke veroordeling heeft verzocht.

2.40

Van Schaick schrijft met betrekking tot dit punt het volgende:47

(…) De vraag is gerezen of de veroordeling van verschillende partijen in dezelfde proceskosten van rechtswege - ook zonder dat het wordt gevorderd en beslist - leidt tot hoofdelijke verbondenheid. Hoewel het uit art. 6:6 BW niet onmiddellijk lijkt voort te vloeien, heeft HR 17 maart 2000, NJ 2000/353 (Riva/Zannis) de vraag bevestigend beantwoord: de veroordeling van Oracle en Zannis door het hof tot betaling van de kosten van het geding in hoger beroep, brengt mee dat zij ieder voor het geheel aansprakelijk zijn en dus hoofdelijk zijn verbonden. Het gebruik van de term ‘aansprakelijk’ suggereert dat de Hoge Raad op de proceskostenveroordeling art. 6:102 BW van toepassing acht, maar die suggestie kan niet juist zijn omdat de proceskostenveroordeling geen schadevergoedingsverbintenis is. Ik lees in de beslissing van de Hoge Raad niet de beperking dat de veroordeling van twee verweerders tot betaling van de proceskosten alleen hoofdelijk is als die twee verweerders ook voor hetgeen waartoe zij ten principale worden veroordeeld, hoofdelijk verbonden zijn. Het is mijns inziens denkbaar dat twee verweerders tot verschillende prestaties worden veroordeeld en in de kosten van de procedure worden veroordeeld, in welk geval zij voor die proceskosten hoofdelijk verbonden zijn. Van hoofdelijke verbondenheid voor de proceskosten kan mijns inziens echter geen sprake zijn als verschillende partijen door middel van een eigen advocaat aparte conclusies hebben genomen, al die partijen hun procedure hebben verloren en iedere partij daarbij tegen een eigen proceskostenveroordeling is aangelopen.”

2.41

Ik lees het door Van Schaick aangehaalde arrest van 17 maart 2000 (eveneens) aldus dat een proceskostenveroordeling tegen meerdere partijen, in dit geval (i) Box Consultants, Boulder (ii) en (iii) [verzoeker 3], naar zijn aard hoofdelijk is. Aldus kan niet worden gezegd dat het hof met zijn oordeel buiten de grenzen van de rechtsstrijd van partijen is getreden. Ik merk op dat de uitzondering die Van Schaick aan het slot noemt, in de onderhavige zaak niet opgaat. Box Consultants, Boulder en [verzoeker 3] hebben in de procedure niet ieder een eigen advocaat gehad die afzonderlijke conclusies/memories heeft genomen. Het onderdeel faalt derhalve.

2.42

Nu geen van de onderdelen tot cassatie kan leiden, dient het cassatieberoep te worden verworpen.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie rov. 3.2 van de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 5 oktober 2017, in cassatie niet bestreden, en rov. 3.1 van de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, van 15 mei 2017.

2 Beroepschrift van 23 juni 2017, onder 1.3.

3 Het hierna weer te geven juridisch kader is deels ontleend aan de Conclusie van A-G Wesseling-van Gent vóór HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3250, NJ 2018/45.

4 HR 24 maart 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1683, NJ 1998/414 m.nt. P. Vlas. Dit is recent herhaald in HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3250, NJ 2018/45.

5 Zie o.m. HR 19 februari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0878, NJ 1994/345 m.nt. H.J. Snijders en recent HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3250, NJ 2018/45.

6 Asser Procesrecht/Asser 3 2013/240, met verwijzing naar HR 19 februari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0878, NJ 1994/345 m.nt. H.J. Snijders.

7 Zie in dit verband HR 11 januari 1985, ECLI:NL:HR:1985:AG4941, NJ 1985/352 en HR 4 oktober 1985, ECLI:NL:HR:1985:AJ5213, NJ 1986/39.

8 Asser Procesrecht/Asser 3 2013/240. Hetzelfde geldt ten aanzien van het voorlopig deskundigenbericht. Ook daarvoor geldt dat het niet noodzakelijk is dat in het verzoekschrift nauwkeurig wordt omschreven in verband met welke vordering(en) het onderzoek verband zal houden. Voldoende is dat feiten worden vermeld op grond waarvan kan worden beoordeeld waarover een deskundigenbericht moet worden uitgebracht en waarom dit onderzoek met het oog op (de strekking van) de eventueel in te stellen vordering(en) van belang kan zijn. Het verzoekschrift hoeft (slechts) de kern van de feiten te bevatten die als grondslag voor de vordering(en) in aanmerking komen. Zie HR 13 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3345, NJ 2004/18 m.nt. H.J. Snijders.

9 Asser Procesrecht/Asser 3 2013/240 en A-G Wesseling-van Gent in haar Conclusie vóór HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3250, NJ 2018/45, onder 2.10.

10 Zie o.m. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK8146, NJ 2010/172, met verwijzing naar HR 6 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC3354, NJ 2008/323, en HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3250, NJ 2018/45.

11 Zie Parlementaire Geschiedenis nieuw bewijsrecht 1988, p. 304 en 312.

12 Zie Rutgers, GS Burgerlijke rechtsvordering, art. 189, aant. 2, en H.J. Snijders in zijn noot (punt 5 en 6) onder HR 6 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2574, NJ 1999/478.

13 Zie onder meer HR 11 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6809, NJ 2005/442 en HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3250, NJ 2018/45. Zie over de afwijzingsgronden uitvoerig E.F. Groot, Het voorlopig getuigenverhoor (diss. Vrije Universiteit Amsterdam), 2015, nr. 225 e.v. Het boek is nadien uitgegeven in de serie Burgerlijk Proces & Praktijk (Groot/Krans, Snijders & Vranken, Het voorlopig getuigenverhoor, BPP nr. XVII).

14 Het onderdeel verwijst naar het verweerschrift van Box Consultants in hoger beroep, nrs. 49 en 51.

15 Zie het verweerschrift van Box Consultants c.s. in hoger beroep, nr. 35.

16 Beroepschrift Staat, nr. 2.7.

17 Verweerschrift in cassatie van de Staat, nr. 2.1.5.

18 Daarnaast hebben Box Consultants c.s. na verkregen verlof bewijsbeslag gelegd. In het daarop volgend kort geding hebben zij afgifte van de inbeslaggenomen bescheiden gevorderd op de voet van art. 843a Rv. De voorzieningenrechter heeft de vordering afgewezen. In hoger beroep heeft het hof bij arrest van 15 augustus 2017 het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd en de vordering alsnog grotendeels toegewezen.

19 Zie in dat verband het verweerschrift van Box Consultants c.s. in hoger beroep, nr. 32.

20 HR 13 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3345, NJ 2004/18 m.nt. H.J. Snijders. Het betrof hier een verzoek om een voorlopig deskundigenonderzoek.

21 Groot wijst erop dat er niet veel literatuur en jurisprudentie beschikbaar is over deze afwijzingsgrond. Dit zal volgens haar te maken hebben met het gebrek aan aanknopingspunten voor de invulling van de afwijzingsgrond en de introductie van de wel bekende afwijzingsgrond strijd met de goede procesorde. E.F. Groot, a.w., nr. 379.

22 E.F. Groot, a.w., nr. 375.

23 E.F. Groot, a.w., nr. 376.

24 In zijn Conclusie vóór HR 24 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR4980.

25 B.M.T. van der Wiel, Grenzen aan het recht op voorlopige bewijslevering, MvV 2005-4, p. 67-70.

26 In zijn Conclusie vóór HR 30 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ5448, NJ 2007/189.

27 E.F. Groot, a.w., nr. 377.

28 HR 17 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2904, NJ 2018/28 m.nt. P. van Schilfgaarde.

29 Verweerschrift, nr. 3.8.

30 Verweerschrift, par. 4.

31 Zie hierover J. de Hullu, Over rechtsmiddelen in strafzaken, 1989, par. 2.2, en M.S. Groenhuijsen en J. de Hullu, Het stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken, Ars Aequi Cahiers 1994, par. 1.3.

32 Zie onder meer 18 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZD1099, NJ 1995/118 m.nt. Th. W. van Veen. Daarin ging het om een beschikking in een art. 12 Sv-procedure.

33 Zie voor de hoofdregel onder meer HR 1 februari 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0130, NJ 1991/413 m.nt. Th. W. van Veen. In die zaak is geoordeeld dat op deze regel een uitzondering moet worden aanvaard ingeval een uitspraak van het EHRM, waarmee de strafrechter bij zijn beslissing geen rekening heeft kunnen houden, noopt tot de slotsom dat die beslissing is tot stand gekomen op zodanige wijze dat niet meer kan worden gesproken van een eerlijke behandeling van de zaak in de zin van art. 6 lid 1, eerste zin, EVRM.

34 Andere getuigen dan [betrokkene 1] en [betrokkene 2].

35 Daarbij zij - terzijde - nog opgemerkt dat het enkele feit dat een geheimhoudingsplicht bestaat nog niet betekent dat aan de betrokkene een verschoningsrecht toekomt. Kómt dat recht hem toe dan is de buiten rechte voor hem geldende zwijgplicht afgezwakt tot een zwijgbevoegdheid, over het al of niet gebruik maken waarvan het oordeel in de eerste plaats aan hemzelf toekomt. Zie de Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, art. 165, aant. 6 (G.R. Rutgers).

36 Dit artikel bepaalt dat, indien een getuige aannemelijk maakt dat de verzoeker met het voorlopig getuigenverhoor beoogt inlichtingen van hem te verkrijgen ten behoeve van een tegen hem in te stellen vordering, de rechter het verhoor houdt met inachtneming van de bepalingen die van toepassing zijn op het verhoor van de partij als getuige.

37 Het onderdeel verwijst naar het verweerschrift in hoger beroep, nrs. 32, 70 en 89.

38 Het onderdeel verwijst naar het verweerschrift in hoger beroep, nrs. 53, 54, 66, 82 e.v., de producties 63 (p. 2, laatste alinea), 65, 66 en 67 (p.1), en het inleidend verzoekschrift, nrs. 25 t/m 27 en 60.

39 Het onderdeel verwijst naar het verweerschrift in hoger beroep, nr. 86.

40 Het onderdeel verwijst naar het verweerschrift in hoger beroep, nr. 52 onder ii.

41 Het onderdeel verwijst naar het verweerschrift in hoger beroep, nr. 52 onder i.

42 T&C Burgerlijke Rechtsvordering 2016, art. 186, aant. 4 (Van Nispen), met verwijzing naar de Parl. Gesch. Bewijsrecht, p. 304.

43 In randnummer 24 wordt verwezen naar passages in de par. 2.2-2.5, 3.1 en 3.3 van het inleidend verzoekschrift. In randnummer 26 wordt verwezen naar de uiteenzetting van de feiten in de hoofdstukken 2 en 3 van het inleidend verzoekschrift.

44 In randnummer 25 verwijst het onderdeel naar het verweerschrift in hoger beroep, nr. 6, en in randnummer 26 wordt voor een uiteenzetting van de feiten verwezen naar de nrs. 1-6 en 14-40 van dat verweerschrift.

45 In dat verband zij nog opgemerkt dat Box Consultants c.s. in het hierna te bespreken onderdeel 4 stellen dat vaststaat dat sprake is van “ernstig onrechtmatig handelen” van [verweerder 2] jegens hen, “waarbij [verweerder 2] niet heeft geschroomd om de waarheid in veel opzichten ernstig geweld aan te doen”.

46 Zie rov. 3.4 van de bestreden beschikking en het proces-verbaal van verhoor van verdachte in raadkamer van 11 januari 2017, overgelegd als prod. 63 bij het verweerschrift in hoger beroep. Op p. 2 van dit proces-verbaal staat dat de officier van justitie heeft verklaard dat de getuigen [betrokkene 2] en [betrokkene 1] op 6 december 2016 door de rechter-commissaris zijn gehoord.

47 Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2016/136.