Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:418

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
20-04-2018
Datum publicatie
29-06-2018
Zaaknummer
17/05520
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:1028, Gevolgd
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Personen- en familierecht. Verlenging ondertoezichtstelling. Verzoek contra-expertise; art. 810a lid 2 Rv. Samenhang met HR 3 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:358.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 17/05520

mr. M.L.C.C. Lückers

Zitting: 20 april 2018

Conclusie inzake:

[de moeder]

(hierna: de moeder)

verzoekster tot cassatie,

advocaat: mr. R.W. Keus

tegen

Stichting Jeugdbescherming Overijssel

(hierna: de GI)

verweerster in cassatie

niet verschenen

en

[de vader]

(hierna: de vader)

belanghebbende in cassatie

niet verschenen

Deze zaak betreft een verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie tegen de voorafgaande ondertoezichtstelling met toepassing van art. 81 RO verworpen. Thans wordt opgekomen tegen het oordeel van het hof dat de minderjarige (nog steeds) ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Voorts wordt geklaagd dat art. 810a lid 2 Rv niet alleen ziet op het recht op tegenonderzoek.

1. Feiten 1 en procesverloop

1.1 Uit de relatie van de ouders is op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] [het kind] (hierna: [het kind] ) geboren. De vader heeft de minderjarige erkend. De moeder, verzoekster in cassatie, is alleen belast met het gezag over [het kind] .

1.2 Bij beschikking van 17 augustus 2015 heeft de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, het verzoek van de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad) tot ondertoezichtstelling van [het kind] afgewezen.

1.3 Bij beschikking van 24 maart 20162 heeft het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, naar aanleiding van het door de raad ingediende hoger beroep, de beschikking van de rechtbank van 17 augustus 2015 vernietigd, en opnieuw beschikkende, [het kind] onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Overijssel (hierna: GI), verweerster in cassatie, met ingang van 24 maart 2016 voor de duur van zes maanden.

1.4 Bij beschikking van 3 maart 20173 heeft de Hoge Raad het door de moeder ingestelde beroep in cassatie tegen de beschikking van het hof van 24 maart 2016 verworpen.

1.5 De GI heeft een verzoek gedaan tot verlenging van de ondertoezichtstelling met een jaar en tot machtiging uithuisplaatsing van [het kind] voor de duur van de ondertoezichtstelling. De rechtbank heeft de ouders ter mondelinge behandeling van 12 september 2016 in de gelegenheid gesteld om een aanvullende verklaring van de arts van [het kind] te overleggen. Bij beschikking van dezelfde datum heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling in afwachting van bedoelde verklaring verlengd tot 24 oktober 2016 en de beslissing op het verzoek voor het overige aangehouden.

1.6 De ouders hebben vervolgens een verklaring van een advocaat overgelegd. Bij beschikking van 17 oktober 2016 heeft de rechtbank het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [het kind] afgewezen en verstaan dat het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing daarom geen behandeling meer behoeft.

1.7 De GI is van deze beschikking in hoger beroep gekomen. De ouders hebben gemotiveerd verweer gevoerd.

1.8 Bij beschikking van 22 augustus 2017 heeft het hof de beschikking van de rechtbank van 17 oktober 2016 vernietigd en, opnieuw beschikkende, de ondertoezichtstelling van [het kind] verlengd tot 24 september 2017, de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders verzochte afgewezen.

1.9 De moeder heeft tijdig4 beroep in cassatie ingesteld. De GI heeft geen verweer gevoerd. De vader was op grond van bijzondere omstandigheden door het hof in zijn beslissing van 24 maart 2016 (de beslissing ten aanzien van het verzoek tot ondertoezichtstelling, zie rov. 5.2.) aangemerkt als belanghebbende en is in deze procedure tot verlenging zowel door de rechtbank als het hof aangemerkt als belanghebbende. De vader heeft in cassatie geen verweer gevoerd.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

De omstandigheid dat de geldigheidsduur van deze verlengde ondertoezichtstelling inmiddels is verstreken brengt niet mee dat de moeder geen procesbelang meer zou hebben bij haar cassatieberoep.5

2.2

Het middel is onderverdeeld in de onderdelen a tot en met e. De onderdelen a tot en met d komen op tegen het oordeel van het hof dat aan de vereisten voor verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. Het hof heeft daartoe als volgt overwogen:

“4.8 Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof het volgende gebleken. Sinds de geboorte van [het kind] hebben de ouders zorgen over haar gezondheid. Ondanks de inzet van diverse artsen, deskundigen en hulpverleners is de oorzaak van de klachten onvoldoende duidelijk geworden. Het hof volgt de ouders in hun stelling dat de situatie van [het kind] op dit moment van belang is, maar de ouders hebben hun stelling dat de medische situatie van [het kind] op dit moment goed is en dat zij zich naar wens ontwikkelt op geen enkele wijze onderbouwd en zij weigeren tot op heden inzage te geven in de medische situatie van [het kind] . De ouders hebben verklaard dat [het kind] thans reeds gedurende twee jaar onder behandeling is bij een kinderarts van het Radboudziekenhuis te Nijmegen en dat die behandeling naar ieders tevredenheid verloopt, maar ook daarvan hebben zij geen enkel bewijsstuk overgelegd.

In de tussenbeschikking van 12 september 2016 heeft de rechtbank de ouders de gelegenheid geboden een aanvullende verklaring van een arts over te leggen, maar dat hebben de ouders niet gedaan. Anders dan de rechtbank acht het hof de in plaats daarvan door de ouders overgelegde verklaring van een advocaat, niet zijnde een medicus, onvoldoende om tot het oordeel te kunnen komen dat het thans goed gaat met [het kind] .

Het hof constateert dat na de zorgmelding van maart 2015 van Ziekenhuisgroep Twente geen enkele medische verklaring is overgelegd aan de hand waarvan kan worden nagegaan of de destijds geformuleerde zorgen op medisch gebied, zoals deze ook door het hof uitgebreid in de beschikking van 24 maart 2016 zijn omschreven, nog bestaan of inmiddels zijn verminderd of opgelost.

4.9

Het hof acht zich voorts onvoldoende voorgelicht over de verdere sociaal- emotionele ontwikkeling van [het kind] , ten aanzien waarvan de ouders geen enkel bewijsstuk hebben overgelegd. Omdat de GI geen uitvoering heeft kunnen geven aan de ondertoezichtstelling nu het nooit gelukt is om een afspraak met de ouders te maken, is de GI ook niet in staat geweest om te kunnen waarnemen en te onderzoeken hoe die verdere ontwikkeling van [het kind] verloopt. De zorgen omtrent [het kind] worden verg[r]oot door de verklaring van de ouders ter zitting dat [het kind] , die op 23 april 2017 vier jaar is geworden, weliswaar na de zomer naar school zal gaan en dat zij thans op zoek zijn naar een geschikte school, maar dat zij daarin nog geen keuze hebben kunnen maken en ook nog geen door hen gewenste “wen-dagen” voor [het kind] hebben kunnen inplannen, omdat hun tijd in beslag wordt genomen door andere zaken, waaronder de onderhavige procedure. Naar het oordeel van het hof is het een feit van algemene bekendheid dat, om zeker te zijn van een plek op de school naar keuze, een kind tijdig aangemeld dient te worden op de desbetreffende school. Het hof acht het zorgelijk dat de ouders thans nog geen schoolkeuze hebben gemaakt voor [het kind] , die 23 april 2018 de schoolplichtige leeftijd bereikt.

Bij gebreke van enige aanwijzing van het tegendeel moet het hof het ervoor houden dat de situatie ten tijde van zijn beschikking van 24 maart 2016 ongewijzigd is, dat [het kind] zodanig opgroeit dat zij in haar ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en dat de zorg die in verband met het wegnemen van die bedreiging noodzakelijk is voor [het kind] of voor de ouders of voor de moeder (die het gezag heeft) door de ouders dan wel de moeder niet of niet voldoende wordt geaccepteerd. Het hof acht de (verlenging van de) ondertoezichtstelling van [het kind] noodzakelijk.”

2.3

Onderdeel a klaagt dat het hof met zijn oordeel in rov. 4.9 laatste alinea miskent dat indien het hof zich onvoldoende voorgelicht acht over de vraag of sprake is van een actuele ontwikkelingsbedreiging van een minderjarige, het hof het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling moet afwijzen ofwel zich nader moet laten voorlichten over de vraag of aan de vereisten voor verlenging is voldaan. Gelet op het recht van niet alleen de ouders maar ook de minderjarige op eerbiediging van het gezinsleven (artikel 8 EVRM) en de persoonlijke levenssfeer (art. 10 Grondwet6) mag van de rechter worden verwacht dat hij een ondertoezichtstelling alleen verlengt indien hij zich voldoende voorgelicht acht over de vraag of aan de eisen van een verlenging is voldaan. Dat geldt zeker in een geval als het onderhavige, waarin de GI (alleen) stelt dat de gronden voor ondertoezichtstelling zoals opgenomen in de eerdere beschikking van het hof van 24 maart 2016 nog aanwezig zijn, althans dat zij ervan uitgaat dat niet gebleken is dat van die gronden geen sprake meer zou zijn, terwijl de ouders daarentegen hebben aangevoerd dat nergens uit blijkt dat sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging én dat de GI zich baseert op verouderde en/of onjuiste informatie.

2.4

Zoals het hof in rov. 4.3 van de bestreden beschikking terecht voorop stelt, kan de kinderrechter ingevolge het bepaalde in art. 1:260 lid 1 BW in verbinding met art. 1:255 lid 1 BW de ondertoezichtstelling van een minderjarige verlengen met ten hoogste een jaar indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in art. 247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

2.5

Deze rechtsgrond brengt tot uitdrukking dat het recht van een kind op een gezonde en evenwichtige ontwikkeling en groei naar zelfstandigheid centraal staat.7 De redenen voor de ondertoezichtstelling kunnen liggen in een stagnatie in de ontwikkeling van de minderjarige zelf, waaronder ook begrepen wordt de morele ontwikkeling, maar evengoed in de beperkte opvoedingscapaciteiten van ouders.8 Het is aan het eigen inzicht van de kinderrechter overgelaten om te bepalen of van een ernstige ontwikkelingsbedreiging sprake is en of de toestand van het kind de ondertoezichtstelling rechtvaardigt.9 De maatregel van ondertoezichtstelling moet door het belang van het kind geboden zijn, wat ook impliceert dat er in redelijkheid enig resultaat van te verwachten moet zijn.10 De kans hierop is vanzelfsprekend groter indien de ouders de maatregel aanvaarden; doorslaggevend is dit niet.11

2.6

Een maatregel van kinderbescherming, zoals de ondertoezichtstelling, betekent een inmenging in het familie- en gezinsleven van ouder en kind, die kan worden gerechtvaardigd door toepassing van art. 8 lid 2 EVRM: de maatregel van ondertoezichtstelling en de mogelijkerwijs daaruit voortvloeiende maatregelen, zoals uithuisplaatsing, zijn bij de wet voorzien, dienen het belang van het kind – en daarmee een geoorloofd doel – en zijn nodig in een democratische samenleving. De inmenging in het familie- en gezinsleven dient immers een dringende maatschappelijke behoefte (het voorkomen van de ondergang van het kind) en staat in een redelijke verhouding tot het doel dat wordt nagestreefd: de bevordering van het weer bijeenbrengen van het hele gezin.12

2.7

Over inmenging in het familie- en gezinsleven wordt in de parlementaire geschiedenis het volgende opgemerkt:

“Naast deze vrijheid van ouders om hun kinderen te verzorgen en op te voeden naar eigen inzicht staat de plicht van de overheid om kinderen te beschermen tegen aantasting van hun lichamelijke en geestelijke integriteit, waaronder kindermishandeling. Zo bepaalt artikel 19 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) dat de overheid alle passende wettelijke en bestuurlijke maatregelen en maatregelen op sociaal en opvoedkundig gebied neemt om het kind te beschermen tegen alle vormen van lichamelijk of geestelijk geweld, letsel of misbruik, lichamelijke of geestelijke verwaarlozing of nalatige behandeling, mishandeling of exploitatie, met inbegrip van seksueel misbruik, terwijl het kind onder de hoede is van de ouder(s), wettige voogd(en) of iemand anders die de zorg voor het kind heeft. Het is belangrijk om tussen de vrijheid van ouders en de verantwoordelijkheid van de overheid de juiste balans te vinden. Hierbij gaat het uiteraard ook om de rechten van de kinderen zelf, namelijk het recht op lichamelijke en geestelijke integriteit, zoals bijvoorbeeld vastgelegd in de artikelen 3 (verbod op vernederende behandeling) en 8 (recht op privé-leven) van het EVRM.

Wat belangrijk is voor de ontwikkeling van een minderjarige of wanneer de overheid moet ingrijpen, is niet voor eens en altijd te benoemen en vast te leggen. Indien een kind wordt mishandeld of verwaarloosd is het duidelijk dat een kind zich niet op een gezonde en evenwichtige wijze kan ontwikkelen en – als de ouders niet hun verantwoordelijkheid (kunnen) nemen – de overheid het kind dient te beschermen. Afwezigheid van kindermishandeling, inclusief verwaarlozing, is dan ook een randvoorwaarde voor iedere opvoedingssituatie. Andere criteria zijn relevant maar de invulling daarvan is ten dele tijd-, cultuur- en plaatsgebonden. Te denken valt hierbij aan de kwaliteit van de opvoedingsvaardigheden van de ouders of de mate van aandacht die de ouders aan hun kinderen (moeten) geven. Opvattingen over wat een opvoeding is die voldoet aan wat maatschappelijk aanvaardbaar is, zijn steeds in ontwikkeling. De nadruk die nu wordt gelegd op het belang van continuïteit in de opvoeding is hiervan een voorbeeld.”13

2.8

Het hof heeft als gezegd in rov. 4.3 de maatstaf van art. 1:260 lid 1 BW in verbinding met art. 1:255 lid 1 BW vooropgesteld. Vervolgens heeft het hof in rov. 4.6 en 4.7 de standpunten van partijen besproken en in rov. 4.8 en 4.9 uiteengezet op basis van welke feiten en omstandigheden het hof tot de conclusie is gekomen dat nog steeds sprake is van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van de minderjarige. Zo heeft het hof in rov. 4.8 met betrekking tot de zorgen op medisch gebied aangegeven dat de ouders sinds de geboorte van de dochter zorgen hebben over haar gezondheid, dat ondanks de inzet van diverse artsen, deskundigen en hulpverleners de oorzaak van de klachten onvoldoende duidelijk is geworden en heeft het hof geconstateerd dat na de zorgmelding van maart 2015 van Ziekenhuisgroep Twente geen enkele medische verklaring is overgelegd aan de hand waarvan kan worden nagegaan of de destijds geformuleerde zorgen op medisch gebied, zoals deze ook door het hof uitgebreid in de beschikking van 24 maart 2016 zijn omschreven (in rov. 5.8), nog bestaan of inmiddels zijn verminderd of opgelost.

2.9

Daarnaast is het hof in rov. 4.9 van de bestreden beschikking ingegaan op de sociaal-emotionele ontwikkeling van de minderjarige. De zorgen omtrent [het kind] worden naar het oordeel van het hof vergroot door de verklaring van de ouders ter zitting dat [het kind] , die op 23 april 2017 vier jaar is geworden, weliswaar na de zomer naar school zal gaan en dat zij thans op zoek zijn naar een geschikte school, maar dat zij daarin nog geen keuze hebben kunnen maken en ook nog geen door hen gewenste “wen-dagen” voor [het kind] hebben kunnen inplannen, omdat hun tijd in beslag wordt genomen door andere zaken, waaronder de onderhavige procedure.

2.10

Het hof heeft met betrekking tot de bij beschikking van 24 maart 2016 vastgestelde ernstige bedreiging in de ontwikkeling van de minderjarige zelfstandig beoordeeld of daarvan op het moment van de bestreden beschikking (nog) sprake was. Het heeft in rov. 4.8 en 4.9 aangegeven waarom de voordien bestaande zorgen over de ontwikkeling van [het kind] naar zijn oordeel niet zijn weggenomen. Hiermee heeft het hof de juiste maatstaf gehanteerd. Het onderdeel is tevergeefs voorgesteld. Met betrekking tot het door het onderdeel gedane beroep op art. 8 EVRM merk ik nog op dat het hof in rov. 4.12 van de bestreden beschikking heeft overwogen dat de maatregel van ondertoezichtstelling weliswaar een inbreuk vormt op het door art. 8 EVRM beschermde gezinsleven en/of privéleven tussen [het kind] en de ouders, maar dat deze maatregel naar het oordeel van het hof gerechtvaardigd is in het belang van de gezondheid en de ontwikkeling van [het kind] . Tegen deze rechtsoverweging is in cassatie niet opgekomen.

2.11

Onderdeel b klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 4.9 dat er geen sprake was van enige aanwijzing van het tegendeel dat de minderjarige ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd om een aantal redenen (zonder nadere motivering) onbegrijpelijk is. De klacht is uitgewerkt in de subonderdelen I-IV. Subonderdeel b.I klaagt dat het oordeel onbegrijpelijk is gelet op de door de ouders in eerste aanleg overgelegde aanvullende verklaring van een advocaat.14 Het hof heeft in rov. 4.8 van de bestreden beschikking dan wel geoordeeld dat deze verklaring van een advocaat, niet zijnde een medicus, onvoldoende is om te komen tot het oordeel dat het thans goed gaat met de minderjarige, maar dit sluit niet uit dat de verklaring wel als aanwijzing kan dienen dat de situatie van de minderjarige inmiddels is gewijzigd, zeker nu de ouders onweersproken hebben gesteld dat de verklaring inhoudelijk door de GI niet is weersproken.15 In de verklaring van 7 oktober 2016 is op p. 1 onder meer opgenomen: “Alert meisje; goed contact; goed verzorgd uiterlijk; helder en alert; is vrolijk aanwezig; goede interactie tussen ouders en kind; vrolijk; maakt geen zieke indruk”. Op. p. 2 is onder meer opgenomen: Vrolijk meisje; ontwikkelt zich goed; praat vlot; wordt tweetalig opgevoed (Nederlands en Engels); sociaal meisje; alert meisje; kletst volop; goed contact; goede voedingstoestand; groei en ontwikkeling lijken goed”. Voorts is op p. 2 aan het slot naar aanleiding van een controle van 8 juli 2016 nog opgenomen: “goede groei; obstipatie redelijk goed onder controle”. Het hof had deze verklaring, die zag op recente verslagen uit het medisch dossier ‘over de afgelopen maanden’ dan ook in zijn oordeel dienen te betrekken.

2.12

Het subonderdeel is tevergeefs voorgesteld. In het appelschrift van de GI staat in de toelichting op grief 1 het volgende:

“(…) de ‘verklaring’ (bevat) losse opmerkingen zonder data en de vermelding van welke instelling deze losse opmerkingen afkomstig zijn. Bovendien is het niet te verifiëren of er andere (belastende) informatie in de afschriften te vinden is. Mr. (…) citeert uit afschriften van het dossier de positieve punten, echter is het (de GI) nog steeds niet duidelijk wat er staat in de door de ouders weggestreepte gedeelten van het medische dossier (bijlage 19), ontvangen bij het verweer van moeder inzake het verzoek verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing. (…)”16

Dat het hof de verklaring van de advocaat niet heeft beschouwd als een aanwijzing van het tegendeel is gelet op die verklaring - waarin de in het subonderdeel opgenomen passages zijn geciteerd uit voortgangsverslagen over de minderjarige, maar daarnaast ook grote delen uit de voortgangsverslagen zijn weggelaten – en de toelichting van de GI op grief 1 niet onbegrijpelijk.

2.13

Subonderdeel b.II klaagt dat het oordeel in 4.9 onbegrijpelijk is omdat de ouders onbestreden gesteld hebben dat artsen de verplichting hebben gegevens te verstrekken aan de GI indien daar aanleiding voor zou bestaan en dat er grote waarde aan moet worden gehecht dat de minderjarige gedurende twee jaar (vanaf april 2015) door kinderartsen van het Radboud ziekenhuis wordt behandeld, zonder meldingen of het verstrekken van gegevens.17

2.14

Het subonderdeel kan niet tot cassatie leiden. In het verweerschrift is opgenomen dat artsen genoemde verplichting hebben op grond van art. 7.3.11 Jeugdwet. Het vierde lid van dat artikel bepaalt het volgende:

“Derden die beroepshalve beschikken over inlichtingen inzake feiten en omstandigheden die de persoon van een onder toezicht gestelde minderjarige, diens verzorging en opvoeding of de persoon van een ouder of voogd betreffen, welke inlichtingen noodzakelijk kunnen worden geacht voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling, verstrekken de gecertificeerde instelling die de ondertoezichtstelling uitvoert, deze inlichtingen desgevraagd of kunnen deze inlichtingen uit eigen beweging aan de gecertificeerde instelling verstrekken, zonder toestemming van de betrokkenen en indien nodig met doorbreking van de plicht tot geheimhouding op grond van een wettelijk voorschrift of op grond van hun ambt of beroep.”18

Hieruit volgt dat een arts, indien hij kan worden beschouwd als een derde in de zin van art. 7.3.11 lid 4 Jeugdwet slechts gehouden is op verzoek bepaalde gegevens te verstrekken, dan wel de bevoegdheid heeft dit op eigen initiatief te doen. Dat het hof in het uitblijven van informatieverstrekking vanuit het Radboud ziekenhuis geen aanwijzing heeft gezien van het tegendeel dat de minderjarige ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd, is niet onbegrijpelijk.

2.15

Subonderdeel b.III klaagt dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is omdat het hof bij zijn beoordeling of op de datum van de bestreden beschikking van 22 augustus 2017 (nog steeds) sprake was van een ernstige ontwikkelingsbedreiging de bij verweerschrift van de moeder in eerste aanleg als productie 13 overgelegde medische stukken niet in zijn beoordeling heeft betrokken.

2.16

De klacht faalt. Nu de Hoge Raad het cassatieberoep tegen de beschikking inzake de voorafgaande ondertoezichtstelling heeft verworpen, staat vast dat ten tijde van die beschikking van 24 maart 2016 van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van de minderjarige sprake was. Het hof diende te beoordelen of de situatie sindsdien gewijzigd is. Het hof behoefde de genoemde stukken niet in zijn beoordeling te betrekken, nu deze dateren van voor 24 maart 2016.

2.17

Subonderdeel b.IV klaagt dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is omdat de ouders gemotiveerd hebben aangevoerd dat de GI is afgegaan op aantoonbaar onjuiste en/of verouderde informatie waaruit niet kan volgen dat sprake is van een actuele ernstige ontwikkelingsbedreiging.19 Zo is onder meer gesteld i) dat de melding van [betrokkene 1] in maart 2015 innerlijk tegenstrijdig en onjuist is20; ii) dat de minderjarige anders dan de GI stelt contact heeft met leeftijdsgenootjes, dat het niet bezwaarlijk is dat zij niet naar de peuterspeelzaal gaat21 en dat zij binnenkort naar school gaat22; iii) dat de notitie van vertrouwensarts [betrokkene 2] van 20 juli 2015 verouderd is en gebaseerd op verdraaide en deels onjuiste informatie23; iv) dat de klachten van de minderjarige sinds het juiste dieet en de behandeling door het Radboud Ziekenhuis verdwenen zijn24; v) dat ouders zich hebben bewezen op pedagogisch vlak25 en (vi) dat zij goede redenen hebben om hun dochter geen vaccinaties te geven.26

2.18

In zijn algemeenheid geldt dat het hof niet op alle stellingen van partijen behoefde in te gaan. Met betrekking tot de stellingen onder i) en iii) geldt dat het hof niet op die stellingen behoefde in te gaan, nu deze van voor de beschikking van 24 maart 2016 zijn, waarin een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van de minderjarige is aangenomen. Met betrekking tot de stellingen onder ii) geldt dat het hof in zijn beschikking van 24 maart 2016 in rov. 5.12 heeft uiteengezet welke zorgen er destijds bestonden met betrekking tot de sociaal-emotionele ontwikkeling van de minderjarige. Zo is gebleken dat de moeder eerder ondersteuning van instanties heeft gehad om haar huis op orde te krijgen, dat zij adviezen heeft gekregen ten aanzien van de pedagogische benadering van de minderjarige, dat ook vanuit de JGZ is gemeld dat de moeder onvoldoende bereid was de gegeven adviezen op te volgen en dat om de in die rechtsoverweging genoemde redenen onvoldoende inzicht in de thuissituatie van de minderjarige bestaat en onvoldoende inzicht in hoe de ouders haar benaderen en haar bijvoorbeeld leren omgaan met haar gezondheidsklachten. Een van de zorgen die het hof ook in aanmerking nam is dat de ouders onvoldoende tegemoetkomen aan de behoefte van de minderjarige aan omgang met leeftijdsgenootjes. In de bestreden beschikking heeft het hof op dit punt aangegeven dat de zorgen omtrent de minderjarige vergroot worden door de verklaring van de ouders dat zij nog geen schoolkeuze hebben gemaakt, omdat hun tijd in beslag werd genomen door andere zaken, waaronder de onderhavige procedure. Dit oordeel is feitelijk en niet onbegrijpelijk. Het hof behoefde niet nader in te gaan op de blote stelling dat de minderjarige wel contact met leeftijdsgenootjes had. Met betrekking tot de stelling onder iv geldt dat het hof in rov. 4.8 heeft geoordeeld dat die stelling onvoldoende onderbouwd is. Met betrekking tot de stelling onder v geldt dat deze slechts is onderbouwd met de omstandigheid dat de vader al twee kinderen heeft groot gebracht. De omstandigheid dat het hof niet expliciet op de stellingen onder v en vi is ingegaan, maakt het oordeel van het hof evenmin onbegrijpelijk.

2.19

Onderdeel c bouwt voort op onderdeel b en deelt in het lot daarvan.

2.20

Onderdeel d komt op tegen het oordeel van het hof in rov. 4.9 dat de zorgen omtrent de minderjarige worden vergroot doordat de ouders verklaard zouden hebben dat de minderjarige na de zomer naar school zal gaan, maar nog geen schoolkeuze zouden hebben gemaakt en ook nog geen door hen gewenste ‘wen-dagen’ hebben ingepland. Geklaagd wordt dat zonder nadere motivering onbegrijpelijk is op welke (actuele) zorgen die zouden worden vergroot, het hof doelt. Voor zover het hof heeft overwogen dat het oordeel dat zorgelijk is dat de ouders nog geen schoolkeuze hebben gemaakt meebrengt dat het ervoor moet worden gehouden dat de situatie ten tijde van de beschikking van 24 maart 2016 ongewijzigd is dan wel dat dit een ondertoezichtstelling rechtvaardigde, is dit oordeel onjuist en/of onbegrijpelijk.

2.21

De eerste klacht van dit onderdeel faalt. Met de zorgen die worden vergroot doelt het hof kennelijk op de zorgen betreffende de sociaal-emotionele ontwikkeling, zoals die zijn geschetst in rov. 5.12 van de beschikking van 24 maart 2016. Een van de zorgen die het hof daar in aanmerking neemt is dat de ouders onvoldoende tegemoetkomen aan de behoefte van de minderjarige aan omgang met leeftijdsgenootjes. De tweede klacht van het onderdeel mist feitelijke grondslag. Het hof heeft de omstandigheid dat de ouders nog geen schoolkeuze hebben gemaakt, omdat hun tijd in beslag werd genomen door andere zaken slechts als een van de omstandigheden in aanmerking genomen die maken dat zorgen bestaan over de sociaal-emotionele ontwikkeling. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk.

2.22

Onderdeel e komt op tegen het oordeel van het hof in rov. 4.10 van de bestreden beschikking. Het hof overwoog:

“Voor zover de ouders hebben verzocht om een contra-expertise, dient dit verzoek te worden afgewezen. Nu er immers geen (recent) onderzoeksverslag beschikbaar is, ziet het hof niet in waarop een tegenonderzoek zich zou moeten richten.”

Het onderdeel klaagt dat dit oordeel onjuist en/of onbegrijpelijk is. Het niet beschikbaar zijn van een (recent) onderzoeksverslag rechtvaardigt (in dit geval) niet dat het verzoek om een onderzoek ex artikel 810a lid 2 Rv wordt afgewezen. Uitgangspunt van dat artikellid is dat ouders van minderjarigen in staat moeten worden gesteld in een zaak over een maatregel van jeugdbescherming de stellingen van de verzoekende instantie gemotiveerd te weerspreken, nu een dergelijke maatregel wezenlijk ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer en het familie- en gezinsleven. Een verzoek tot toepassing van art. 810a lid 2 Rv dient in beginsel ook te worden toegewezen (zie HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2632). Dat er geen recent onderzoeksverslag aanwezig is, en dat het hof daarom niet inziet waarop een tegenonderzoek zich zou moeten richten, doet gelet op de overweging van het hof in rov. 4.9 dat het bij gebreke van enige aanwijzing van het tegendeel ervoor moet worden gehouden dat de situatie ten tijde van zijn beschikking ongewijzigd is gebleven, aan voornoemd belang van moeder/ouders bij een onderzoek niet af. De ouders hebben er belang bij om de stellingen van de GI gemotiveerd te weerspreken, nu het hof deze stellingen voldoende acht om de ondertoezichtstelling te verlengen. Aangezien het hof in rov. 4.10 ervan is uitgegaan dat ouders hebben verzocht om een contra-expertise, dient hiervan in cassatie ook te worden uitgegaan. De moeder heeft in haar verweerschrift in eerste aanleg ook verzocht om een deskundige te benoemen voor een (contra-)expertise.

2.23

Art. 810a lid 2 Rv bepaalt:

“In zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen of de beëindiging van het ouderlijk gezag of van de voogdij, benoemt de rechter op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet.”

Art. 810a lid 2 Rv is bij amendement van het lid M.M. van der Burg c.s. in art. 810a Rv opgenomen.27 Het amendement is als volgt toegelicht:28

“In dit amendement wordt het recht op contra-expertise in zaken waarin een maatregel van kinderbescherming wordt getroffen geregeld. Hiermee wordt voor de verweerder recht gedaan aan het beginsel van equality of arms.”

In de Handelingen zijn onder andere de volgende passages opgenomen:

“De onvrede over de zogenaamde deskundigenrapporten die door de Raad van de kinderbescherming in de adviezen aan de rechter worden opgenomen, is zo groot dat zelfs als een kwalitatief verbeterde advisering inderdaad wordt bereikt (…) de behoefte aan contra-expertise vooralsnog zal blijven bestaan. Hoewel nu al in veel gevallen tegenonderzoeken door de rechter worden toegestaan en in de procedure worden betrokken, is er daarom een wezenlijke behoefte aan een wettelijke verankering van dat recht.”29

“In de stukkenwisseling is met name tussen de Kamer en de staatssecretaris nogal gesteggeld over een al dan niet wenselijk geachte regeling van de contra-expertise door ouders, wanneer zij niet kunnen instemmen met het door de Raad voor de kinderbescherming uitgebracht verslag in kinderbeschermingszaken.

(…)

Het wetsvoorstel voorzag aanvankelijk inderdaad niet in de mogelijkheid van contra-expertise. Vrijwel de gehele Kamer heeft er de afgelopen jaren bij de staatssecretaris op aangedrongen om een daartoe strekkende bepaling wel in de wet op te nemen. Mevrouw Stegerhoek zegt daarover in haar advies: "Ingeval van een rapport van de Raad voor de kinderbescherming, waarmee degene tegen wie het verzoek zich richt het niet eens is, bevindt deze verweerder zich in een ongelijke positie. Dat de Raad voor de kinderbescherming adviseert over het belang van de minderjarige is geen argument om contra-expertise af te wijzen."”30

“De reden dat de CDA-fractie zo hecht aan een regeling voor een contra-expertise is gelegen in het feit dat de burger in een procedure over kinderbeschermingszaken wordt geconfronteerd met de overheid via een advies van de Raad voor de kinderbescherming waarin een vaak gevoelig oordeel wordt gegeven over wat het beste is voor een kind in problemen. Een advies waarop de burger, de ouder wel invloed kan uitoefenen via een inzage– en correctierecht, maar waar hij of zij toch vaak heel anders tegenaan kijkt, een andere visie op heeft; een visie die dikwijls ook door anderen, zelfs deskundigen, wordt gestaafd. In die procedure komt die andere visie maar beperkt aan de orde. Het raadsadvies speelt in de ogen van betrokkenen - en in feite is dat ook zo - een allesoverheersende rol. In zo'n procedure krijgt de burger door de allesoverheersende rol die het raadsadvies of de door de kinderrechter aangewezen adviesinstanties toekomt, het gevoel dat hij niet in staat wordt gesteld zijn zaak adequaat te bepleiten. De procedure komt over als een strijd met ongelijke wapens.”31

2.24

Volgens Nauta32 en Mink33 dient op grond van de omstandigheid dat de wettekst van art. 810a lid 2 Rv niet vermeldt dat het om een tegenonderzoek dient te gaan, worden aangenomen dat ook wanneer de Raad voor de kinderbescherming geen rapport heeft uitgebracht een ouder een verzoek om benoeming van een deskundige kan doen.34Chin-A-Fat vermeldt dat er op is gewezen dat ook uit het tweede lid van art 810a Rv nergens blijkt dat een verzoek als bedoeld slechts kan worden gedaan als er een rapport van de raad of enig ander rapport (bijvoorbeeld van een gezinsvoogd) aan de (voorgenomen) beslissing ten grondslag ligt.35

Wortmann en Van Duijvendijk-Brand zijn van mening dat hoewel de tekst van de wet dit niet met zoveel woorden tot uitdrukking brengt, het bij art. 810 lid 2 Rv om een tegenonderzoek gaat dat een ouder verzoekt die zich niet kan vinden in een al aan de rechter uitgebracht onderzoeksverslag.36

2.25

Het cassatiemiddel verwijst naar de maatstaf van HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2632.37 In deze zaak had de Raad voor de kinderbescherming, na een onderzoek te hebben ingesteld in het kader van een geschil over de omgang, bij de rechtbank een verzoek ingediend tot ondertoezichtstelling van twee minderjarige dochters. Nadat dit verzoek in eerste aanleg was toegewezen, stelde de moeder hoger beroep in. Haar verzoek om het instellen van een nader onderzoek door andere deskundigen werd door het hof afgewezen. De Hoge Raad vernietigde de bestreden beschikking en overwoog daartoe als volgt:

“3.3.2 Art. 810a lid 2 Rv bepaalt dat de rechter in zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen, de ontheffing en ontzetting van het ouderlijk gezag, of de ontzetting van de voogdij, op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige benoemt, mits dat mede tot beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet. Met deze bepaling is beoogd te bevorderen dat ouders van minderjarigen een standpunt van de Raad voor de Kinderbescherming in een zaak over een maatregel van jeugdbescherming die wezenlijk ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer en het familie- en gezinsleven, desgewenst gemotiveerd kunnen weerspreken (Kamerstukken II 1993/94, 22487, 15 en 18; Handelingen II 1993/94, p. 4135-4161).

3.3.3

Een voldoende concreet en terzake dienend verzoek tot toepassing van art. 810a lid 2 Rv, dat feiten en omstandigheden bevat die zich lenen voor onderzoek door een deskundige, zal in beginsel moeten worden toegewezen indien de rechter geen feiten of omstandigheden aanwezig oordeelt op grond waarvan moet worden aangenomen dat toewijzing van het verzoek strijdig is met het belang van het kind.”

2.26

Het hof heeft met zijn oordeel in rov 4.10 van de thans bestreden beschikking kennelijk aansluiting gezocht bij de uit de hiervoor onder 2.23 weergegeven parlementaire geschiedenis blijkende bedoeling van de wetgever dat art 810a lid 2 Rv dient te worden opgevat als een recht op tegenonderzoek.38 Aan het middel kan worden toegegeven dat het niet van doorslaggevend belang is dat er geen recent onderzoeksverslag is, hetgeen overigens doorgaans het geval zal zijn. De ratio van de wetgever is geweest om te voldoen aan het beginsel van equality of arms door ouders in staat te stellen zich te kunnen verweren tegen een door de raad of de GI – al dan niet met onderbouwing van een recent onderzoeksverslag- ingenomen standpunt.

2.27

In deze procedure heeft de GI gesteld dat de ouders geen enkele medewerking hebben verleend aan de uitvoering van de ondertoezichtstelling en dat de GI om die reden niet heeft kunnen onderzoeken of van de ernstige ontwikkelingsbedreiging die het hof in zijn beschikking tot ondertoezichtstelling heeft vastgesteld nog steeds sprake is. In het verweerschrift van de moeder in eerste aanleg is het verzoek om een deskundige te benoemen als volgt verwoord:

“161. Geheel subsidiair(…) verzoekt de moeder op basis van artikel 810a Rv lid 2 een deskundige te benoemen voor een contra-expertise, althans een expertise.

162. Het onderzoek van de deskundige zou zich dan specifiek kunnen richten op de punten waarover de kinderrechter in dat geval twijfel zou hebben. (…)”

In het p-v van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 12 september 2016 is het volgende vermeld:

“De kinderrechter: Wat is de bedoeling van de second opinion in de zin van een onafhankelijk deskundige?

(Adv. Vader): Dat is meer een voorstel om uw rechtbank gerust te stellen. Als u na deze informatie nog steeds uw twijfels heeft omtrent de ontwikkeling van [het kind] dan zou een onafhankelijk kinderarts als deskundige naar de situatie kunnen kijken. De kinderarts kan dan antwoord geven op de vraag of sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. (…)”39

“De kinderrechter: (…) De aarzeling die ik nog heb zou kunnen worden weggenomen door een bijzonder curator. De bijzonder curator kan met beide ouders in gesprek gaan en verslag doen. Indien ik na het verslag van de bijzondere curator gerust ben gesteld, kan het worden afgesloten.”40

Nadat de zitting voor enige tijd geschorst is geweest, heeft de advocaat van de moeder blijkens het p-v het volgende gezegd:

“We zijn tot de conclusie gekomen dat de ouders liever geen bijzonder curator willen. Ouders willen geen derde persoon die alle medische informatie over [het kind] krijgt. Ouders stellen voor dat de kinderrechter ouders in de gelegenheid stelt om binnen vier weken een aanvullende verklaring van de arts te regelen.

(…) De kinderrechter gaat akkoord met dat voorstel.”41

In hoger beroep is het verzoek om contra-expertise niet meer uitdrukkelijk aan de orde gekomen.

2.28

Kennelijk dienen de bewoordingen van het hof: “Voor zover de ouders hebben verzocht om een contra-expertise…”, aldus te worden verstaan dat het hof het in eerste aanleg gedane verzoek niet heeft opgevat als een concreet en terzake dienend verzoek. Dat feitelijk oordeel is gelet op de hiervoor weergegeven passages uit de gedingstukken niet onbegrijpelijk. Het onderdeel kan niet tot cassatie leiden.

Ik merk nog op dat in deze zaak door de weigering van de ouders medische gegevens te verstrekken, zoals het hof in rov. 4.8. overweegt en ook door hun weigering mee te werken aan onderzoek door de GI geen onderzoek naar concrete bedreigingen mogelijk is geweest. De bewoordingen van het hof in rov. 4.10 dat het hof niet inziet waarop een tegenonderzoek zich zou moeten richten, zijn niet onbegrijpelijk. Het is immers niet waarschijnlijk dat een (tegen) onderzoek zonder goede medewerking van de ouders tot het beoogde resultaat en dus tot beslissing van de zaak kan leiden. In die zin hebben de ouders geen belang bij cassatie.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie rov. 1.1-1.4 van de beschikking van het Hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, van 22 augustus 2017.

2 ECLI:NL:GHARL:2016:2437.

3 ECLI:NL:HR:2017:358.

4 Het cassatieverzoekschrift is op 22 november 2017 ingekomen ter griffie van de Hoge Raad.

5 Vaste rechtspraak sinds HR 24 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2292, NJ 2011/390 m.nt. S.F.M. Wortmann.

6 Het middel verwijst kennelijk abusievelijk naar art. 10 EVRM.

7 M.R. Bruning, T&C BW, art. 1:255, aant. 1.

8 M.R. Bruning, T&C BW, art. 1:255, aant. 1 onder verwijzing naar Kamerstukken II, 2008-2009, 32 015, nr. 3, p. 8.

9 M.R. Bruning, T&C BW, art. 1:255, aant. 2 onder verwijzing naar HR 27 juni 2008, ECLI:NL:HR2008:BD3704. Zie voorts Asser/De Boer 1* 2010/844.

10 Asser/De Boer1* 2010/844 onder verwijzing naar Hof Amsterdam 23 juni 1970, NJ 1970/458.

11 Asser/De Boer1* 2010/844.

12 M.R. Bruning, T&C BW, afd. 4 Boek 1, algemene opmerkingen, aant. 4. Zie voorts Asser/De Boer 1* 2010/842.

13 Kamerstukken II, 2008-2009, 32 015, nr. 3, p. 7 & 8.

14 Overgelegd als productie 14.

15 Verwezen wordt naar het verweerschrift in appel onder 26.

16 Appelschrift, toelichting op grief 1, p. 7.

17 Verwezen wordt naar het verweerschrift in appel onder 19.

18 Cursiveringen van mij; AG.

19 Verwezen wordt naar het verweerschrift in appel onder 33.

20 Verwezen wordt naar het verweerschrift in appel onder 12-17, 20 en de bijbehorende productie 4 en verweerschrift van de moeder in eerste aanleg onder 38, 39 en 44 en de bijbehorende productie 10.

21 Verwezen wordt naar het verweerschrift in appel onder 21.

22 Verwezen wordt naar het verweerschrift in appel onder 33.

23 Verwezen wordt naar het verweerschrift in appel onder 30.

24 Verwezen wordt naar het verweerschrift in appel onder 31.

25 Verwezen wordt naar het verweerschrift in appel onder 32.

26 Verwezen wordt naar het verweerschrift in appel onder 66-68.

27 Kamerstukken II 1993-1994, 22 487, nrs. 15 en 18 (gewijzigd).

28 Kamerstukken II 1993-1994, 22 487, nr. 15.

29 Handelingen II 1993/94, p. 4139.

30 Handelingen II 1993/94, p. 4141.

31 Handelingen II 1993/94, p. 4143.

32 R.Y. Nauta, T&C Rv, art. 810a Rv aant. 5.

33 E.A. Mink, Sdu Commentaar Jeugdrecht, art. 810 Rv e.v., aant. C.2.3.

34 R.Y. Nauta, T&C Rv, art. 810a Rv aant. 5.

35 B.E.S. Chin-A-Fat GS Burgerlijke Rechtsvordering 810a Rv, aant. 4

36 S.F.M. Wortmann & J. van Duijvendijk-Brand, Compendium personen- en familierecht, 2017/171h onder 7c.

37 NJ 2014/469 m.nt. S.F.M. Wortmann. Zie over de bij art. 810a lid 2 Rv te plaatsen kanttekeningen de annotatie van Wortmann onder 6.

38 Kamerstukken II 1993-1994, 22 487, nr. 15 en Handelingen II 1993/94, p. 4135-4161. Zie ook rov 2.23.

39 P-v 12 september 2016, p. 4.

40 P-v 12 september 2016, p. 5.

41 P-v 12 september 2016, p. 6.