Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:407

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
13-04-2018
Datum publicatie
03-05-2018
Zaaknummer
17/03254
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:1102, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Sommenverzekering. Uitleg aanwijzing begunstigde; bedoeling verzekeringnemer; betekenis latere verklaringen en gedragingen verzekeringnemer. Beroep op aanwijzing begunstigde naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2018/177
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 17/03254

mr. M.L.C.C. Lückers

Zitting: 13 april 2018

Conclusie inzake:

1. [eiseres 1]

2. [eiseres 2]

(hierna: [eiseressen] ),

eiseressen tot cassatie,

advocaat: K. Aantjes,

tegen

[verweerster]

(hierna: [verweerster] ),

verweerster in cassatie,

niet verschenen.

Deze zaak gaat over de aanwijzing van de begunstigden van twee levensverzekeringen door een verzekeringnemer. In dit geval is in het verleden een standaardbegunstiging opgenomen, waarna de verzekeringnemer onder meer een (nieuwe) levenspartner heeft gekregen, met wie hij een samenlevingscontract is aangegaan en die hij heeft benoemd tot zijn enig erfgename, met onterving van zijn kinderen uit zijn eerste huwelijk met wie hij reeds jarenlang geen contact meer had. De begunstiging is echter onveranderd gebleven. De verzekeraar weigert aan de levenspartner uit te keren. Deze zaak betreft echter de onderlinge relatie tussen levenspartner en kinderen. In cassatie wordt opgekomen tegen het oordeel van het hof dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat deze kinderen rechten zouden kunnen ontlenen aan de begunstiging, en dat de uitkering op de levensverzekeringen aan de nieuwe levenspartner als opvolgend begunstigde/erfgename toekomt. Er wordt ook geklaagd dat het hof met dit oordeel buiten de rechtsstrijd is getreden.

1 Feiten en procesverloop

1.1

In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten1:

(i) Op 5 december 2013 is overleden [betrokkene 1] (hierna: de erflater). De erflater is achtereenvolgens gehuwd geweest met [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2] ) en met [betrokkene 3] . Beide huwelijken zijn ontbonden door echtscheiding, respectievelijk op 19 februari 1993 en op 7 oktober 1999. Vanaf 2000 tot aan zijn overlijden had de erflater een affectieve relatie met [verweerster] . Hij woonde vanaf 15 april 2006 met haar samen en voerde vanaf dat moment een gemeenschappelijke huishouding met haar. Uit het huwelijk met [betrokkene 2] zijn geboren respectievelijk in 1981 en 1983 de dochters van de erflater, [eiseressen]

(ii) De erflater heeft een tweetal levensverzekeringen afgesloten: een bij Avéro met ingang van 1 april 1996 onder nummer [001] (hierna: polis I) en een bij Avéro Achmea met ingang van 1 december 1999 (gewijzigd per 1 maart 2002 en per 4 januari 2003, welke wijzigingen geen betrekking hadden op de begunstiging) onder nummer [002] (hierna: polis II).

(iii) In polis I zijn achtereenvolgens als begunstigden aangewezen: de verzekeringsnemer, zijn echtgenote, zijn kinderen en zijn erfgenamen. In polis II zijn achtereenvolgens als begunstigden aangewezen: zijn weduwe, zijn kinderen en zijn erfgenamen.

(iv) De erflater heeft in een testament van 21 november 2006, voor zover van belang, bepaald:

“ERFSTELLING

1. Ik benoem mijn partner [verweerster] (...) tot mijn enige erfgename. Ik onterf uitdrukkelijk mijn nakomelingen.

2. Indien ik tegelijkertijd met of na mijn voornoemde partner kom te overlijden benoem ik in haar plaats de stichting: Stichting Koningin Wilhelmina Fonds (...).

3. Indien een afstammeling een beroep doet op zijn legitieme portie, dan kan de vordering van die legitimaris alleen tegen mijn partner worden ingesteld en is deze pas opeisbaar bij haar overlijden.”

(v) Op dezelfde datum heeft hij met [verweerster] een samenlevingscontract gesloten.2

(vi) De erflater heeft toen hij (medio november 2012) ongeneeslijk ziek bleek, op 27 februari 2013 bij aanvullend testament bepaald dat hij, onder handhaving van het testament van 21 november 2006 deze aanvult en wijzigt en dat de erfstelling luidt:

“ERFSTELLING

1. Ik benoem mevrouw [verweerster] (...) tot mijn enige erfgename. Deze benoeming wordt gedaan om fiscale redenen en ter voldoening aan mijn dringende verplichting om mijn partner goed verzorgd achter te laten.

Onterving

Ik sluit mijn nakomelingen uitdrukkelijk uit als erfgenamen in mijn nalatenschap.

2. Indien ik tegelijkertijd met of na mijn voornoemde partner kom te overlijden benoem ik in haar plaats tot erfgenaam de stichting: Stichting Koningin Wilhelmina Fonds (...).

3. Indien een afstammeling een beroep doet op zijn legitieme portie, is de vordering van de legitimaris voor zover die vordering ten laste zou komen van mijn partner, pas opeisbaar bij haar overlijden, zulks onder gelijke motivering als hiervoor onder 1. vermeld. Mocht een beroep worden gedaan op de legitieme, verzoek ik de rechter om géén rente op de nominale vordering toe te kennen in verband met mijn verzorgingsverplichting jegens mijn partner.”

Zowel in het testament van 21 november 2006 als in het aanvullend testament van 27 februari 2013 is [verweerster] tot executeur benoemd.

(vii) [verweerster] is enig erfgenaam en heeft op 23 december 2013 de nalatenschap van de erflater zuiver aanvaard.

(viii) Op het verzoek van [verweerster] aan Avéro Achmea om de twee levensverzekeringen uit te keren, heeft Avéro Achmea [verweerster] bericht dat uitgaand van de begunstiging in polis I en polis II en de persoonlijke omstandigheden van de erflater, uitkering zal geschieden aan de begunstigden op grond van de leer van het zelfstandig recht. De uitkeringen op de beide polissen zijn overgemaakt naar een derdenrekening van het kantoor van de advocaat van [eiseressen]

(ix) Op 22 mei 2015 heeft [verweerster] een akte van boedelbeschrijving laten opmaken door notaris Hament met als bijlage de samenstelling van de nalatenschap van erflater op zijn sterfdag. Op 30 juli 2015 heeft zij een akte rectificatie boedelbeschrijving laten opmaken, met in de bijlage opnieuw de samenstelling van de nalatenschap van de erflater.

1.2

Bij dagvaarding van 28 augustus 2014 heeft [verweerster] de onderhavige procedure bij de rechtbank Noord-Holland ingeleid. Zij heeft daarbij een verklaring voor recht gevorderd dat zij dient te worden aangemerkt als enig begunstigde met betrekking tot polis I en polis II en voorts dat zij gerechtigd is tot de uitkeringen van deze polissen.

Zij heeft aan haar vordering (onder meer en voor zover nog relevant) ten grondslag gelegd dat [eiseressen] geen recht hebben op uitkering uit de levensverzekeringen, nu de bedoeling van erflater ter zake de begunstiging van de levensverzekeringen niet in overeenstemming is met de begunstiging volgens de polissen. Hierbij dient volgens haar mede gelet te worden op de bedoeling van de erflater die blijkt uit zijn verklaringen en gedragingen buiten hetgeen hij bij het aangaan van de verzekeringen jegens de verzekeraar te kennen heeft gegeven, waaronder het tussen haar en erflater gesloten samenlevingscontract, en de door hem opgestelde testamenten. Erflater heeft nooit onderkend dat hij jegens de verzekeraar kenbaar had dienen te maken dat de begunstiging in overeenstemming met zijn testamenten gewijzigd diende te worden, maar was ervan overtuigd dat, zeker door middel van de bepalingen in het aanvullend testament, zijn gehele nalatenschap inclusief de uitkeringen uit de verzekeringspolissen, aan [verweerster] zouden toevallen.

1.3

[eiseressen] hebben gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [verweerster] . Zij hebben voorts een vordering in reconventie ingesteld, die in cassatie geen rol speelt en verder buiten beschouwing zal worden gelaten.

1.4

Nadat bij tussenvonnis van 3 december 2014 een comparitie van partijen was gelast, welke comparitie op 29 mei 2015 heeft plaatsgevonden, heeft de rechtbank bij vonnis van 7 oktober 20153 de vordering van [verweerster] afgewezen.

Zij heeft daartoe overwogen dat volgens jurisprudentie van de Hoge Raad met het eenzijdige karakter van de aanwijzing van de begunstigde en met de aard van deze rechtshandeling strookt dat bij de uitleg daarvan in de eerste plaats wordt nagegaan wat de bedoeling is geweest van de verzekeringnemer bij de aanwijzing en dat bij de vaststelling van die bedoeling mede wordt gelet op eventuele verklaringen en gedragingen van de verzekeringnemer buiten de schriftelijke mededeling aan de verzekeraar, uit welke verklaringen en gedragingen die bedoeling mede kan blijken, ook indien deze niet jegens de verzekeraar zijn afgelegd of hebben plaatsgevonden. Daarbij gaat het om verklaringen en gedragingen ten tijde van de aanwijzing van de begunstigde. Het samenlevingscontract en de testamenten zijn hiervoor dus niet relevant. Dat erflater bij het aangaan van de levensverzekeringen een andere bedoeling heeft gehad dan het aanwijzen van de huidige begunstigden is gesteld noch gebleken. Dat brengt mee dat de vraag wie rechthebbende is op de uitkering uit de levensverzekeringen, naar het oordeel van de rechtbank enkel moet worden beoordeeld aan de hand van de polissen (rov. 5.3).

1.5

Bij dagvaarding van 4 januari 2016 (hersteld bij herstelexploot van 6 januari 2016) is [verweerster] bij het gerechtshof Amsterdam van dit eindvonnis in hoger beroep gekomen, met conclusie dat het hof dat vonnis vernietigt en, primair, alsnog bepaalt dat de uitkeringen van de verzekeringspolissen aan haar dienen toe te komen, of, subsidiair, bepaalt dat [eiseressen] verplicht zijn tot vergoeding van de waarde van de verzekeringspolissen aan haar in haar hoedanigheid van executeur van de nalatenschap, in beide gevallen met veroordeling van [eiseressen] tot voldoening van de door hen of hun advocaat ontvangen gelden aan haar.

Bij memorie van grieven is [verweerster] , voor zover relevant, achtereenvolgens opgekomen tegen de oordelen van de rechtbank dat het bij de vaststelling van de bedoeling van de verzekeringnemer bij de aanwijzing van de begunstigden gaat om verklaringen en gedragingen ten tijde van de aanwijzing (grief 2), dat niet gesteld of gebleken is dat de erflater bij het aangaan van de levensverzekering een andere bedoeling had dan de aanwijzing van de huidige begunstigden (grief 3), dat wie rechthebbende is op de polis enkel moet worden beoordeeld aan de hand van de polissen (grief 4), en ten slotte tegen het ongemotiveerd passeren van het bewijsaanbod (grief 5). Bij deze laatste grief heeft [verweerster] aangegeven dat de door haar aangedragen feiten en bijzonder omstandigheden omtrent de bedoeling van de erflater en zijn onwetendheid omtrent de noodzaak van wijziging van de begunstiging dienen te worden meegewogen om tot een maatschappelijk aanvaardbaar oordeel te geraken en dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de op de derdenrekening van de advocaat van [eiseressen] uitgekeerde bedragen aan hen zullen toekomen. Zij wijst hierbij ook op de twee schriftelijke verklaringen die zij in eerste instantie heeft overgelegd (waaronder een van de notaris).

1.6

[eiseressen] hebben gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [verweerster] in hoger beroep.

1.7

Nadat tussen partijen nog een aktewisseling heeft plaatsgevonden, heeft het hof bij arrest van 9 mei 20174 het bestreden vonnis vernietigd en het door [verweerster] (primair) gevorderde toegewezen.

Het heeft daartoe overwogen dat grief 2 tot en met 4 weliswaar niet tot een andere uitkomst kunnen leiden, maar dat grief 5 wel slaagt. Ten aanzien van grief 2 geldt dat het wel degelijk gaat om de bedoeling ten tijde van de aanwijzing, zij het dat deze bedoeling kan worden vastgesteld aan de hand van eventuele verklaringen en gedragingen van de verzekeringnemer buiten de schriftelijke mededeling waaruit die bedoeling mede kan blijken, ook indien deze niet kenbaar zijn voor de verzekeraar, maar dat in het onderhavige geval uit de latere verklaringen en gedragingen niet kan worden afgeleid dat de bedoeling van de erflater was dat de polissen ten gunste van [verweerster] zouden worden uitgekeerd. Dat de erflater later de bedoeling heeft gehad zijn kinderen te onterven en [verweerster] tot enig erfgenaam te benoemen doet daaraan niet af. Voor die situatie bestond de mogelijkheid van wijziging van de begunstiging (rov. 3.4). Ten aanzien van grief 3 overweegt het hof dat als de erflater zoals te doen gebruikelijk een aanvulling op zijn inkomen/vermogen op latere leeftijd wilde regelen, dit geenszins uitsluit dat hij tevens voor ogen had conform de standaardbegunstiging achtereenvolgens een eventuele echtgenote, eventuele kinderen en zijn eventuele erfgenamen tot begunstigden aan te wijzen, indien hij voortijdig voor de uitkeerdatum zou overlijden, ook niet als hij ten tijde van het aangaan van beide verzekeringen ongehuwd was. Uit de stukken en stellingen van partijen volgt dat de erflater ten tijde van het afsluiten van de verzekeringen [verweerster] nog niet kende en dat de erflater [eiseressen] op dat moment nog niet had onterfd (rov. 3.5). Ten aanzien van grief 4 wordt overwogen dat uit de door [verweerster] geschetste feiten en omstandigheden niet volgt dat de door [verweerster] geschetste bedoeling van de erflater – om [verweerster] verzorgd achter te laten, dit in onwetendheid van de daarvoor benodigde wijziging van de standaardbegunstiging – de erflater voor ogen stond bij het afsluiten van de verzekeringen. Voor zover [verweerster] zich hier heeft bedoeld te beroepen op een uitkomst die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, verwijst het hof naar de beoordeling van grief 5 (rov. 3.6). Ten aanzien van grief 5 heeft het hof als volgt overwogen:

“3.7 Grief 5 richt zich tegen het passeren van het bewijsaanbod door de rechtbank. Voorts bevat de toelichting op deze grief het volgende betoog. De feiten en bijzondere omstandigheden van dit geval dienen te worden meegewogen om tot een maatschappelijk oordeel te komen. Het is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat de uitgekeerde bedragen aan [eiseressen] toekomen. Het oordeel dat wie rechthebbende is op de uitkering enkel moet worden beoordeeld aan de hand van de polissen kan naar de mening van [verweerster] ook op die grond niet in stand blijven.

3.8

Feitelijk beroept [verweerster] zich op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid, hetgeen zij ook in eerste aanleg heeft gedaan, terwijl de rechtbank daaraan (ongemotiveerd) voorbij is gegaan. In eerste aanleg heeft [verweerster] het volgende gesteld. Behoudens de verzekeringspolissen is er geen vermogen. De woning (gemeenschappelijke eigendom van de erflater en [verweerster] ) staat met ruim € 100.000,- onder water. Zonder uitkering aan [verweerster] van de polissen kan de uitdrukkelijke wens van de erflater niet worden vervuld en zal er geen sprake van zijn dat [verweerster] , zoals de erflater voor ogen stond, verzorgd achter blijft. De bedoeling van de erflater die vanzelfsprekend ook op de hoogte was van zijn financiële situatie, blijkt genoegzaam uit hetgeen in de dagvaarding en hiervoor is gesteld en uit de overgelegde verklaringen. Het is volstrekt ondenkbaar dat de erflater zijn zorgplicht wilde nakomen door [verweerster] achter te laten met schulden. Met andere woorden de erflater heeft er niet aan getwijfeld of de polissen zouden worden uitgekeerd aan [verweerster] en dat [eiseressen] eerst na haar overlijden hun legitieme portie kunnen opeisen. In de gegeven omstandigheden zou het dan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn als de uitkeringen aan [eiseressen] zouden worden toegekend.

3.9

[verweerster] beroept zich op de door haar in de procedure gestelde feiten en omstandigheden en in het bijzonder op:

- de tussen de erflater en [verweerster] bestaande 12 jaar durende relatie en het in verband daarmee afgesloten samenlevingscontract inclusief verblijvingsbeding en de ten behoeve van haar gemaakte testamenten;

- de benoeming van [verweerster] tot enig erfgenaam mede ter voldoening aan de op de erflater rustende dringende verplichting haar goed verzorgd achter te laten;

- de opvolgende benoeming van de Stichting Koningin Wilhelmina Fonds;

- de uitdrukkelijke onterving van [eiseressen] in alle gevallen en de beperking van de opeisbaarheid van hun legitieme portie, omdat er sinds 1995 geen enkel contact tussen de erflater en [eiseressen] is geweest en zelfs door [eiseressen] werd afgehouden;

- de omvang van het negatieve vermogen van de erflater, waaronder de onverdeelde helft van de gezamenlijke woning die onder water staat, een schuld uit hypothecaire geldlening, de vordering van [verweerster] op de erflater vanwege haar investering in de aankoop van de woning van € 62.400,-;

- het gebrek aan wetenschap van de erflater dat de polisuitkeringen buiten zijn nalatenschap vielen en dat hij de verzekeraar had moeten benaderen om te bereiken dat deze wel onderdeel uitmaakten van het te vererven vermogen en de gedachte dat de erflater met de testamenten had bereikt dat de uitkeringen op de polissen aan [verweerster] zouden toekomen;

- de uitkering veel hoger is dan hetgeen [eiseressen] uit hoofde van hun legitieme portie zouden hebben ontvangen.

3.10

Het hof overweegt als volgt. Er is sprake van een sommenverzekering en mitsdien van een derdenbeding. De bevoegdheid een derdenbeding te aanvaarden is een wilsrecht. Naar het oordeel van het hof is het, gelet op alle feiten en omstandigheden van de onderhavige zaak, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [eiseressen] zich op hun wilsrecht, de begunstiging van beide polissen beroepen. Op grond van de stellingen van partijen en de overgelegde stukken staat vast dat:

-10e [de, AG] erflater met het samenlevingscontract en de testamenten [verweerster] voor zoveel mogelijk verzorgd wilde achterlaten;

- dit effect enkel, althans voor zoveel mogelijk, zou kunnen worden bereikt indien ook de uitkering uit de polissen aan haar als erfgenaam ten goede zou komen;

- de erflater zijn testamenten zo heeft ingericht dat [eiseressen] zo min mogelijk uit zijn nalatenschap zouden verkrijgen en op vroegst pas na overlijden van [verweerster] ;

- [verweerster] zich direct na het overlijden van de erflater tot de verzekeraars heeft gewend met het verzoek de bedragen van de polissen aan haar uit te keren;

- de verklaring van de notaris (zoals blijkt uit de memorie van antwoord) dat het de bedoeling was dat [verweerster] erflaters gehele vermogen zou ontvangen en dat hij haar verzorgd wilde achterlaten.

In het licht hiervan kan de niet wijziging van de begunstiging van [eiseressen] in een begunstiging van de erfgename/ [verweerster] niet anders worden begrepen dan als een omissie zijnerzijds. Dat de erflater vele mogelijkheden heeft gehad de standaardbegunstiging te wijzigen en te bespreken maakt dit niet anders. Indien de erflater in de veronderstelling verkeerde dat de uitkering aan [verweerster] zou toekomen, was er in zijn ogen geen reden om over te gaan tot wijziging of bespreking van de begunstiging. Met de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden stroken ook niet de stellingen van [eiseressen] dat de erflater ten tijde van zijn overlijden de bedoeling had om hun te bevoordelen en te vrijwaren voor de schulden van zijn nalatenschap en dat hij met de instandhouding van de begunstiging jegens hen gehandeld heeft vanwege een zorgverplichting jegens hen, ook niet wegens beperkingen hunnerzijds. Zeker niet nu niet vaststaat dat de erflater op de hoogte was van deze beperkingen. De stellingen dat er sinds 1995 geen contact tussen de erflater en [eiseressen] was en dat contact hunnerzijds werd afgehouden staan als zijnde niet betwist vast.

Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van het hof dat [eiseressen] in de gegeven en hiervoor genoemde omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen rechten kunnen ontlenen aan de begunstiging en dat [verweerster] als erfgename als opvolgend begunstigde heeft te gelden. Grief 5 behoeft voor zover deze ziet op het passeren van het bewijsaanbod dan ook geen verdere beoordeling.”

1.8

[eiseressen] hebben tegen dit arrest – tijdig5 – beroep in cassatie ingesteld en hebben hun standpunt schriftelijk toegelicht. [verweerster] is in cassatie niet verschenen; tegen haar is verstek verleend.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

[eiseressen] hebben één middel van cassatie voorgesteld, dat bestaat uit drie onderdelen.

2.2

Hieronder wordt allereerst het tweede onderdeel besproken, nu dat mijns inziens de meest vergaande strekking heeft, althans naar inhoud aan de beoordeling van het eerste onderdeel vooraf dient te gaan.

2.3

Dit onderdeel II klaagt dat het hof door in rov. 3.8 te oordelen dat [verweerster] zich feitelijk op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid beroept en in rov. 3.10 te oordelen dat het, gelet op alle feiten en omstandigheden van de onderhavige zaak, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [eiseressen] zich op hun wilsrecht (de begunstiging van beide polissen) beroepen, buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden, dan wel dat deze beslissing als een verrassingsbeslissing moet worden geduid, dan wel dat het hof daarmee het grievenstelsel heeft miskend. In grief 5 heeft [verweerster] immers slechts erover geklaagd dat de rechtbank haar niet heeft toegelaten tot het haar aangeboden bewijs door middel van getuigen. In de toelichting staat enigszins ‘verstopt’ dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is “dat de op de derdenrekening van de advocaat van geïntimeerden uitgekeerde bedragen aan de geïntimeerden zullen toekomen”. Daarin is uitdrukkelijk niet te lezen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat [eiseressen] zich op hun wilsrecht (de begunstiging van beide polissen) beroepen. [eiseressen] hebben dat ook niet in de betreffende grief gelezen, maar ook niet hoeven te begrijpen. De uitleg die het hof aan de grief heeft gegeven, is dan ook onbegrijpelijk.

2.4

Grief 5 – de grief naar aanleiding waarvan het hof zijn hier bestreden oordelen geeft – volgt op de daaraan voorafgaande grieven 2 tot en met 4. Met die grieven komt [verweerster] in feite op tegen (alle onderdelen van) het gehele oordeel van de rechtbank over de uitleg van de begunstiging aan de hand van de bedoeling van de verzekeringnemer bij de aanwijzing van de begunstigde(n) en de vraag welke gedragingen en verklaringen daarbij dienen te (of: kunnen) worden betrokken. In de op deze grieven steeds apart geformuleerde toelichtingen loopt een duidelijke rode draad: de begunstiging zoals opgenomen in de polissen strookt niet met de (latere) bedoeling van de erflater – hetgeen onder meer blijkt uit de samenlevingsovereenkomst en testamenten, en werd veroorzaakt door de onwetendheid bij de erflater dat voor het daadwerkelijk effect hebben van deze bedoeling, ook na het opstellen van de testamenten, nog een aanpassing van de begunstiging was vereist – en deze bedoeling staat eraan in de weg, althans dient eraan in de weg te staan, dat de begunstiging zoals opgenomen in de polissen wordt gevolgd. Bij de toelichting op de grieven 2 tot en met 4 lijkt op deze rode draad steeds (slechts) een beroep te worden gedaan in het kader van de uitleg en wordt deze niet, althans niet met zoveel woorden, gebruikt voor een beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid, hoewel de gedachte achter een dergelijk beroep wel uit de toelichting naar voren komt, en een dergelijk beroep ook in het verlengde van het daar betoogde omtrent de uitleg van de begunstiging ligt (en het hof hiermee bij de beoordeling van grief 4 ook wel uitdrukkelijk rekening houdt). Voor een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, zo nodig met ambtshalve aanvulling van rechtsgronden, is echter wel vereist dat een partij ten minste de rechtsgevolgen van een dergelijk beroep daadwerkelijk inroept, en, of althans, de gestelde feiten en omstandigheden (ook) op een dergelijk beroep toesnijdt en daaraan ten grondslag legt.6 Bedoeld beroep wordt door [verweerster] ook (en wel uitdrukkelijk) gedaan, echter in de toelichting op grief 5, de grief die – naar zijn omschrijving boven de toelichting – slechts ziet op de afwijzing door de rechtbank van haar bewijsaanbod (met betrekking tot de bedoeling van de erflater en zijn onwetendheid omtrent de noodzaak tot aanpassing van de begunstiging). Deze omschrijving op zich doet niet vermoeden dat hier (ook) een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid zal worden gedaan, maar wie de – zeer beknopte – toelichting op de grief heeft gelezen – en dat mag van de wederpartij toch wel worden verwacht – kan dit niet zijn ontgaan, daar deze vermeldt:

“De feiten en bijzondere omstandigheden van dit geval dienen te worden meegewogen om tot een maatschappelijk aanvaardbaar oordeel te geraken. Het is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat de op de derdenrekening van geïntimeerden uitgekeerde bedragen aan de geïntimeerden zullen toekomen.

Het oordeel van de rechtbank dat de vraag wie rechthebbende op de uitkering uit de levensverzekeringen [is, AG] enkel moet worden beoordeeld aan de hand van de polissen kan naar de mening van appellante dan ook geen stand houden.”

Dat laat aan duidelijkheid weinig te wensen over.

2.5

Hier komt bij dat, zoals ook het hof al aangeeft, dit punt ook in eerste aanleg al met zoveel woorden naar voren is gebracht. Weliswaar gebeurde dat in een late fase van het proces in eerste aanleg – in de door [verweerster] ter comparitie overgelegde pleitnotities (onder punt 8) – voor de situatie in hoger beroep kan het wel degelijk (mede) van invloed zijn. Ik volsta hier met het citeren van de conclusie aldaar (die overigens wordt gegeven nadat er op is gewezen dat er behoudens de verzekeringspolissen geen vermogen is, dat de woning met ruim € 100.000,- onder water staat, dat zonder uitkering aan [verweerster] van de polissen de uitdrukkelijke wens van erflater om [verweerster] verzorgd achter te laten, niet zal worden vervuld, maar zij achter wordt gelaten met schulden, en dat de erflater er niet aan zou hebben getwijfeld dat de polissen zouden worden uitgekeerd aan [verweerster] en de gedaagden pas na haar overlijden hun legitieme portie zouden kunnen opeisen):

“In de gegeven omstandigheden zou het dan ook naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn als de polisuitkeringen aan gedaagden zouden worden toegekend.”

2.6

Uit de aan de grieven te stellen eisen, en de goede procesorde, vloeit voort dat appellant zijn bezwaren tegen de in appel bestreden uitspraak voldoende duidelijk naar voren dient te brengen (zodat zowel voor de wederpartij kenbaar is waartegen hij zich heeft te verweren als voor de rechter waarover zijn oordeel wordt gevraagd). De grieven hoeven echter niet aan bepaalde vormvereisten te voldoen. Het verdient natuurlijk aanbeveling de grieven te rubriceren, en eventueel te nummeren, en om elke feitelijk zelfstandige grief daarbij apart, en niet in een toelichting op een andere grief, te formuleren. Doet appellant dit echter niet, dan ligt het op de weg van de rechter in appel zelf de grieven te formuleren die hij daarin leest en aldus de grieven uit te leggen. Dat is een feitelijk oordeel, waarbij hij is gebonden aan de eisen van begrijpelijkheid, en aan de hiervoor genoemde eis dat appellant zijn bezwaren tegen de in appel bestreden uitspraak voldoende duidelijk naar voren brengt, zodat (ook) voor de wederpartij kenbaar is waartegen hij zich heeft te verweren.7

2.7

Mijns inziens voldoet de hier aan de orde zijnde grief aan bovengenoemde eisen en was in hoger beroep voldoende duidelijk dat [verweerster] het hier aan de orde zijnde beroep heeft gedaan. Hierbij wordt (mede) in aanmerking genomen dat [verweerster] het beroep in hoger beroep onder grief 5 heeft gedaan in kennelijke aanvulling op de daaraan voorafgaande grieven en op hetgeen zij reeds in eerste aanleg naar voren had gebracht. In ieder geval in hoger beroep bestond voor [eiseressen] derhalve ook voldoende gelegenheid om op het beroep in te gaan. Los van de wijze waarop [verweerster] in hoger beroep deze grief naar voren heeft gebracht – die niet de schoonheidsprijs verdient – heeft het hof dus mijns inziens kunnen oordelen – zoals het kennelijk heeft gedaan – dat voor de wederpartij voldoende duidelijk was waartegen zij zich had te verweren. De rubricering van de grief was weliswaar wat onhandig, maar rechtvaardigt – mede gelet op de opbouw en ook de omvang van het stuk – geenszins het vermoeden dat de wederpartij onvoldoende op de hoogte was of had kunnen zijn van het feit dat dit beroep door [verweerster] werd gedaan.

2.8

Dat de grief ervan spreekt dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is “dat de op de derdenrekening van de advocaat van geïntimeerden uitgekeerde bedragen aan de geïntimeerden zullen toekomen” terwijl het hof oordeelt dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is “dat [eiseressen] zich op hun wilsrecht, de begunstiging van beide polissen beroepen” doet aan het voorgaande niet af. Daarmee is, wat ook precies zij van deze formuleringen, duidelijk hetzelfde beroep van [verweerster] op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid aan de orde, welke werking er in casu (ook) volgens het hof aan in de weg staat dat de uitkering op de polissen bij [eiseressen] terechtkomt. Dat het hof dit in de (juridische) uitwerking enigszins anders heeft geformuleerd of ingevuld staat hem – zo nodig zelfs op grond van art. 25 Rv. – vrij. Overigens komt het hof in rov. 3.10 uiteindelijk tot de conclusie dat “dat [eiseressen] (…) geen rechten kunnen ontlenen aan de begunstiging”.

2.9

Het hof is derhalve niet buiten de rechtsstrijd van partijen getreden, heeft geen verrassingsbeslissing genomen of het grievenstelsel miskend. De uitleg van het hof van de grief acht ik evenmin onbegrijpelijk. Het onderdeel faalt.

2.10

Onderdeel I is gericht tegen rov. 3.4 en rov. 3.10.

2.11

Wat betreft rov. 3.4 – waarin het hof grief 2 heeft behandeld – wordt geklaagd dat het hof daarin heeft overwogen dat uit latere verklaringen en gedragingen (van de erflater) kan worden afgeleid dat het de bedoeling van erflater was dat de polissen ten gunste van [verweerster] zouden worden uitgekeerd. Ik begrijp deze klacht zo dat wordt geklaagd over een algemene vaststelling door het hof dat latere verklaringen en gedragingen kunnen worden meegewogen bij de bepaling van de bedoeling van de verzekeringnemer bij en op het moment van de aanwijzing van een begunstigde. In het aan hem voorliggende geval heeft het hof immers feitelijk geoordeeld dat uit latere verklaringen en gedragingen niet kon worden afgeleid dat de bedoeling van de erflater was dat de polissen ten gunste van [verweerster] zouden worden uitgekeerd (cursivering toegevoerd):

“3.4 (…)

De aanwijzing van een begunstigde betreft een wilsrecht, een eenzijdige rechtshandeling gericht aan de verzekeraar. Anders dan [verweerster] meent gaat het wel degelijk om de bedoeling ten tijde van de aanwijzing, zij het dat deze bedoeling kan worden vastgesteld aan de hand van eventuele verklaringen en gedragingen van de verzekeringnemer buiten de schriftelijke mededeling waaruit die bedoeling mede kan blijken, ook indien deze niet kenbaar zijn voor de verzekeraar. De vraag doet zich voor of uit de latere verklaringen en gedragingen kan worden afgeleid dat de bedoeling van de erflater was dat de polissen ten gunste van [verweerster] zouden worden uitgekeerd. Dit is niet het geval. Tussen partijen staat de taalkundige uitleg van de begunstiging niet ter discussie evenmin als de hoedanigheid van de begunstigde. In dat geval is er in beginsel geen ruimte voor uitleg in de zin die [verweerster] voor ogen staat. Dit volgt zowel uit de desbetreffende wettelijke bepalingen als uit de formulering van de Hoge Raad in voormeld arrest. Dat de erflater later de bedoeling heeft gehad zijn kinderen te onterven en [verweerster] tot enig erfgenaam te benoemen doet daaraan niet af. Voor die situatie bestond de mogelijkheid van wijziging van de begunstiging. Voor zover grief 2 slaagt, leidt deze niet tot een andere uitkomst van de procedure.”

Zou met deze klacht evenwel zijn bedoeld om te klagen over de afweging van het hof in deze concrete zaak, dan zou de klacht stranden op gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft in deze zaak immers niet geoordeeld zoals opgenomen in de klacht. Ik ga daarom uit van bovengenoemde lezing. Dat die is bedoeld, lijkt ook te blijken uit de toelichting op dit onderdeel (onder 1), waarin wordt gesteld dat het voor wat betreft de bedoelde verklaringen en gedragingen buiten de schriftelijke mededeling waaruit die bedoeling mede kan blijken, (uitsluitend) gaat om verklaringen en gedragingen voorafgaand aan en bij het afsluiten van de betreffende verzekering, en dat latere verklaringen en gedragingen voor het vaststellen voor de bedoeling ten tijde van de aanwijzing irrelevant zijn.

2.12

In die lezing moet allereerst worden geconstateerd dat [eiseressen] geen belang hebben bij de klacht. Immers, ongeacht of in zijn algemeenheid latere verklaringen en gedragingen kunnen worden meegewogen bij de bepaling van de bedoeling van de verzekeringnemer bij en op het moment van de aanwijzing van een begunstigde, heeft deze algemene constatering in deze zaak in ieder geval geen invloed gehad, nu het hof tot het oordeel is gekomen dat de latere verklaringen en gedragingen van de erflater niet tot een andere uitleg van de bedoeling van de erflater ten tijde van de aanwijzing hebben kunnen leiden.

2.13

Afgezien daarvan betreft het hier wel een interessante rechtsvraag, een rechtsvraag bovendien die niet geheel los kan worden gezien van het onderwerp van het oordeel waarover in onderdeel I voorts wordt geklaagd: de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid bij de aanwijzing van een begunstigde door een verzekeringnemer.

2.14

Wat dat betreft klaagt onderdeel I immers nog over rov. 3.10, waarin het hof tot het oordeel komt dat op grond van de aldaar door het hof genoemde omstandigheden de niet wijziging van de begunstiging van [eiseressen] in een begunstiging van de erfgename/ [verweerster] niet anders kan worden begrepen dan als een omissie van de erflater en dat het, gelet op alle feiten en omstandigheden van de onderhavige zaak, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [eiseressen] zich op hun wilsrecht, de begunstiging van beide polissen, beroepen. Volgens het onderdeel heeft het hof daarmee een onjuiste (of te ruime) toepassing gegeven aan het bepaalde in de artikelen 6:2 lid 2 jo. 6:248 lid 2 BW, dan wel is zijn oordeel onbegrijpelijk.

Het onderdeel voert daartoe (in de toelichting onder 3) aan dat uit de door het hof in rov. 3.10 opgesomde feiten en omstandigheden, noch op zichzelf genomen, noch in onderling verband bezien, logischerwijs volgt dat de niet-wijziging van de begunstiging niet anders kan worden begrepen dan als een omissie en dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [eiseressen] zich op hun wilsrecht, de begunstiging van beide polissen, beroepen. Zoals het hof zelf memoreert, heeft de erflater nog vele mogelijkheden gehad de standaardbegunstiging te wijzigen. Onbetwist hebben in 2002 en 2003 nog wijzigingen op één van de polissen plaatsgevonden, waarbij de erflater dus de mogelijkheid had om de begunstiging te wijzigen, van welke mogelijkheid hij geen gebruik heeft gemaakt, ondanks dat hij op dat moment reeds een affectieve relatie met [verweerster] had. Evenzeer van (doorslaggevende) betekenis is, dat beide polissen zijn afgesloten nadat het contact met [eiseressen] verloren is gegaan, namelijk op respectievelijk 1 april 1996 en 1 december 1999, terwijl beide partijen het er over eens zijn dat dit contact in de loop van 1995 is geëindigd, aldus deze toelichting.

Het onderdeel voert tevens (in de toelichting onder 4) aan dat het zo moge zijn dat indien de erflater in de veronderstelling verkeerde dat de uitkering aan [verweerster] zou toekomen, er in zijn ogen geen reden was om over te gaan tot wijziging en bespreking van de begunstiging, maar dat de aanname dát de erflater in die veronderstelling verkeerde en meende geen reden te zien om over te gaan tot wijziging of bespreking van de begunstiging, een loutere speculatie is, die iedere grond ontbeert.

2.15

In de toelichting op dit onderdeel (onder 2) stellen [eiseressen] voorts nog dat het oordeel van het hof in rov. 3.10 in tegenspraak is met zijn oordelen in rov. 3.4-3.6, zodat de beslissing van het hof innerlijk tegenstrijdig is. Hier ziet het onderdeel echter over het hoofd dat in rov. 3.4-3.6 een oordeel wordt gegeven over de uitleg van de bedoeling van de erflater met (en ten tijde van) de aanwijzing van (een) begunstigde(n) voor de levensverzekeringen, en dat het in rov. 3.10 – nadat het heeft geconstateerd dat die bedoeling niet anders kan worden uitgelegd dan zoals in de polissen is opgenomen – oordeelt over de vraag of, niettegenstaande deze uitleg, de gevolgen ervan in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn, zodat deze aan de in rov. 3.4-3.6 vastgestelde uitleg dienen te derogeren. Het gaat hier om twee verschillende rechtsfiguren, die weliswaar dicht bij elkaar liggen, maar wel degelijk van elkaar dienen te worden onderscheiden. Bij de uitleg gaat het om het vaststellen van de bedoeling van de verzekeringnemer ten tijde van de aanwijzing van de begunstigde(n), bij de tweede rechtsfiguur gaat het om het afwijken van deze vastgestelde bedoeling, omdat dit in de gegeven omstandigheden tot een onaanvaardbaar resultaat leidt. Voor toepassing van deze rechtsfiguren gelden verschillende maatstaven en relevante factoren.

Op dit punt kan het onderdeel derhalve niet slagen.

2.16

Leidend bij de uitleg van de aanwijzing van een begunstigde bij een sommenverzekering is HR 21 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW6728, NJ 2013/97 m.nt. M.M. Mendel. In die zaak had de overleden verzekeringnemer de kinderen uit zijn eerste huwelijk onterfd en die uit een latere relatie tot enig erfgenamen benoemd. De begunstiging van een reeds afgesloten verzekering heeft hij laten wijzigen zodat de uitkering daarop aan dezelfde kinderen zou toekomen. Bij het afsluiten van een nieuwe verzekering is de standaardbegunstiging aangekruist, inhoudende dat als eerste hijzelf als verzekeringnemer, en vervolgens zijn echtgenote, zijn kinderen en zijn erfgenamen begunstigden zouden zijn. Uit correspondentie tussen verzekeringnemer, notariskantoor en assurantietussenpersoon zou blijken dat hij de bedoeling had om zichzelf, ook bij zijn overlijden, als begunstigde aan te wijzen en dat hij – na onjuist advies hierover – dit meende te bereiken door de standaardbegunstiging te hanteren. Het idee was dan dat de uitkering hierdoor in zijn nalatenschap zou vallen en aldus aan zijn erfgenamen zou toekomen. Dat de standaardbegunstiging er (in beginsel) toe zou leiden dat in geval van zijn overlijden achtereenvolgens zijn echtgenote (die er niet was) en zijn kinderen als begunstigden zouden gelden (vgl. art. 7:967 lid 1 BW), zou daarbij niet zijn voorzien. De polis waaruit dit gevolg bleek, werd pas daags na zijn plotselinge overlijden ontvangen. Het geschil rees nu of onder tot de begunstigden aangewezen ‘kinderen’ slechts de kinderen uit de tweede relatie moesten worden gerekend, of al zijn kinderen (ook de onterfde kinderen uit het eerste huwelijk).

Het hof had – anders dan de rechtbank – geoordeeld dat alle kinderen dienden te worden aangemerkt als begunstigden, nu bij de uitleg van de begunstigingsbepaling in de verzekeringsovereenkomst – kort gezegd – de Haviltex-norm leidend is en de correspondentie tussen verzekeringnemer, notariskantoor en assurantietussenpersoon daarom niet relevant is, evenmin als de – niet voor de verzekeraar kenbare – mogelijkheid dat verzekeringnemer het formulier verkeerd had ingevuld. Een op de gestelde bedoelingen van de verzekeringnemer betrekking hebbend bewijsaanbod werd daarom gepasseerd.

De Hoge Raad casseerde. Hij overwoog:

“3.5.2. Met betrekking tot deze klachten wordt vooropgesteld dat art. 7:966 lid 1 en 7:974 BW dwingendrechtelijk voorschrijven dat bij een sommenverzekering de aanwijzing van een begunstigde plaatsvindt door een schriftelijke mededeling aan de verzekeraar. Blijkens de op deze bepalingen gegeven toelichting, gaat het om een constitutief vereiste (Parl. Gesch. Verzekering, p. 227). De strekking daarvan is kennelijk onder meer om eenvoudig te doen vaststaan wie recht heeft op uitkering. Dat betekent dat het antwoord op de vraag wie is aangewezen als begunstigde, in beginsel gevonden moet worden in, en door uitleg van, de hierop betrekking hebbende schriftelijke mededeling van de verzekeringnemer aan de verzekeraar.

3.5.3.

De aanwijzing van een begunstigde bij een sommenverzekering betreft evenwel een uitsluitende bevoegdheid van de verzekeringnemer en draagt in zoverre een eenzijdig karakter, zij het dat de verzekeraar in het geval en binnen de grenzen van art. 7:966 lid 2 BW de bevoegdheid heeft een begunstiging af te wijzen. Met dit eenzijdige karakter van de aanwijzing van de begunstigde en met de aard van deze rechtshandeling strookt dat bij de uitleg daarvan in de allereerste plaats wordt nagegaan wat de bedoeling is geweest van de verzekeringnemer bij de aanwijzing en dat bij de vaststelling van die bedoeling mede wordt gelet op eventuele verklaringen en gedragingen van de verzekeringnemer buiten de schriftelijke mededeling, uit welke verklaringen en gedragingen die bedoeling mede kan blijken, ook indien deze niet jegens de verzekeraar zijn afgelegd of hebben plaatsgevonden. Dat is in overeenstemming met diverse bepalingen van art. 7:967 BW, welke voor de daar genoemde gevallen waarin twijfel kan bestaan omtrent de bedoeling van de verzekeringnemer bij de aanwijzing van de begunstigde, bewijsvermoedens bevatten die weerlegd kunnen worden door bewijs van feiten en omstandigheden waaruit van een andere bedoeling van de verzekeringnemer blijkt. Daarbij gaat het mede om feiten en omstandigheden die niet uit de aanwijzingsmededeling behoeven te blijken en die niet bij de verzekeraar bekend behoefden te zijn.

3.5.4.

Anders dan het hof heeft geoordeeld, is er dus geen grond om bij de uitleg van de begunstiging als vervat in de schriftelijke mededeling als bedoeld in art. 7:966 lid 1 BW uitsluitend te letten op hetgeen de verzekeringnemer en de verzekeraar over en weer hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben mogen begrijpen. Ook verklaringen en gedragingen van de verzekeringnemer buiten deze context kunnen voor die uitleg relevant zijn.

(…)

3.5.5.

Gelet op het vorenstaande heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Naar de stellingen van X. (…) heeft M. de – door zijn assurantietussenpersoon aangekruiste – standaardbegunstiging aldus begrepen dat hij daarmee zichzelf ook als begunstigde aanwees voor het geval van zijn overlijden, zodat de uitkering in zijn nalatenschap zou vallen. Het hof heeft weliswaar geoordeeld dat deze lezing van de standaardbegunstiging niet juist is en niet overeenstemt met het wettelijke stelsel (…), maar het heeft niet vastgesteld dat genoemde stelling van X. niet aannemelijk is of ongegrond. In het bijzonder het door het hof (…) genoemde tekstuele argument dat M. naast zichzelf – als eerste begunstigde – ook opvolgende begunstigden heeft aangewezen, kan weliswaar een belangrijke aanwijzing opleveren dat het de bedoeling van M. was dat de aanwijzing van hemzelf als eerste begunstigde verviel als hij zou overlijden (zulks overeenkomstig de wettelijke hoofdregel van art. 7:967 lid 1 BW, naar welke bepaling het hof voor zijn oordeel mede verwijst), maar dit sluit niet uit dat uit andere feiten en omstandigheden kan blijken van een andere bedoeling van M. Het hof heeft dan ook niet voorbij kunnen gaan aan de door X. gestelde en te bewijzen aangeboden feiten en omstandigheden met betrekking tot de bedoeling van M. en hetgeen is voorafgegaan aan de ondertekening door hem van het aanvraagformulier, en aan de inhoud van de correspondentie die de rechtbank mede aan haar oordeel ten grondslag heeft gelegd. (…)

3.7.

Onderdeel 5 klaagt terecht dat het hof de stellingen van X. niet heeft kunnen afdoen met de overweging dat M., blijkens de eerdere wijziging door hem van de begunstiging van een levensverzekering, op de hoogte was van de mogelijkheden om een begunstigde aan te wijzen (…). Uit deze eerdere wijziging – die inhield dat M. zijn kinderen uit zijn relatie met X. als begunstigden aanwees (…) – volgt immers niet dat kan worden aangenomen dat M., anders dan door X. is gesteld, desbewust heeft gekozen voor de standaardbegunstiging in de betekenis die deze naar de vaststelling van het hof heeft. Voor zover de overweging van het hof aldus begrepen moet worden dat het wel in deze zin heeft geoordeeld, is zijn oordeel, zoals het onderdeel klaagt, onbegrijpelijk.”

2.17

Duidelijk is dat het gaat om de bedoeling van de verzekeringnemer bij de aanwijzing tot begunstigde, dat wil zeggen ten tijde van die aanwijzing, zoals ook het hof in de nu voorliggende zaak (rov. 3.4) heeft overwogen. Een latere wijziging van die bedoeling dient tot uitdrukking te komen in de wijziging van die aanwijzing door de verzekeringnemer, waarvoor niet voor niets vormvereisten gelden. Uit bovenstaand arrest kan mijns inziens echter (nog) niet direct worden afgeleid dat de daar genoemde verklaringen en gedragingen van de verzekeringnemer, waarop bij de vaststelling van de bedoeling van de verzekeringnemer bij de aanwijzing mede moet worden gelet, ook latere verklaringen en gedragingen kunnen zijn (dus daterend van na de aanwijzing van de begunstigde), zoals het hof in de nu voorliggende zaak eveneens heeft gedaan. De Hoge Raad spreekt zich over deze vraag niet met zoveel woorden uit. De letterlijke bewoordingen van het arrest lijken latere verklaringen en gedragingen in ieder geval niet uit te sluiten, maar dat kan ook het gevolg zijn van het feit dat het in dit arrest ging om verschillende verklaringen en gedragingen van de verzekeringnemer die zich alle ten tijde van deze aanwijzing hadden voorgedaan (hij was immers zeer kort daarna overleden), zodat de Hoge Raad zich slechts heeft uitgesproken over de vraag of buiten de schriftelijke mededeling aan de verzekeraar gelegen verklaringen en gedragingen van de verzekeringnemer in aanmerking konden komen om tot uitleg van de begunstiging te komen.

2.18

Mijns inziens kunnen echter ook latere verklaringen en gedragingen een rol spelen bij de uitleg van een dergelijke begunstiging.8 Ik zoek daarvoor aansluiting bij de uitleg van uiterste wilsbeschikkingen.

2.19

Over de algemene richtlijnen bij uitleg van de begunstiging (aanwijzing van een begunstigde) bij een levensverzekering, en ook over de eventuele beperkende werking die de redelijkheid en billijkheid daarbij – na uitleg – nog kunnen hebben, lijkt immers niet veel te zijn geschreven. Over deze zelfde onderwerpen in het erfrecht – de algemene richtlijnen bij uitleg van uiterste wilsbeschikkingen (waarbij bijvoorbeeld een erfgenaam of legataris wordt aangewezen), en ook de eventueel daaraan derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid – is echter des te meer geschreven.

Het ligt voorts voor de hand aansluiting te zoeken bij het erfrecht omdat de Hoge Raad dat in het zojuist besproken arrest ook lijkt te doen, waar hij de nadruk legt op het eenzijdige karakter van de aanwijzing, die ook voor de uiterste wilsbeschikking zo kenmerkend is (vgl. art. 4:42 BW). Beide – althans, voor zover het betreft de aanwijzing van een begunstigde bij een levensverzekering, de hier in geschil zijnde aanwijzingen – zijn bovendien bedoeld om werking te hebben na het overlijden van verzekeringnemer en/of erflater, een moment waarop de verzekeringnemer en/of erflater zich zelf in ieder geval niet meer over zijn bedoelingen kan uitlaten.9

2.20

De algemene richtlijnen voor de uitleg van uiterste wilsbeschikkingen zijn te vinden in art. 4:46 BW. Dat artikel luidt als volgt:

“1. Bij de uitlegging van een uiterste wilsbeschikking dient te worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen, en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt.

2. Daden of verklaringen van de erflater buiten de uiterste wil mogen slechts dan voor uitlegging van een beschikking worden gebruikt, indien deze zonder die daden of verklaringen geen duidelijke zin heeft.

3. Wanneer een erflater zich klaarblijkelijk in de aanduiding van een persoon of een goed heeft vergist, wordt de beschikking naar de bedoeling van de erflater ten uitvoer gebracht, indien deze bedoeling ondubbelzinnig met behulp van de uiterste wil of met andere gegevens kan worden vastgesteld.”

Deze regels zijn vrij streng opgesteld. Daarvan is de achtergrond dat voor de uitleg degene die de uiterste wilsbeschikking tot stand heeft gebracht per definitie niet meer aanwezig is om te vertellen wat zijn bedoelingen precies waren. Het is dan ook van belang dat eventuele belanghebbenden niet na zijn dood onbeperkt en naar eigen opvatting de ‘werkelijke’ bedoelingen van de erflater bij zijn beschikking kunnen gaan achterhalen met behulp van allerhande wilsuitingen van de erflater, en hierover in rechte gaan strijden. De rechtszekerheid eist, met andere woorden, dat zoveel mogelijk de in het testament neergelegde wil van de erflater naar het woord wordt gevolgd en uitgevoerd, en er slechts beperkt ruimte is voor uitleg. Met de strenge vormvereisten rondom het maken van een uiterste wilsbeschikking wordt beoogd te bewerkstelligen dat de bedoelingen van de erflater op juiste en zo eenduidig mogelijke wijze, en met de beoogde inhoud en rechtsgevolgen in de wilsbeschikking worden verwoord. Die wilsuitingen dienen dan ook in beginsel in deze, en geen andere, vorm te worden gesteld. De notaris heeft hierbij een belangrijke rol te vervullen, en moet zoveel mogelijk ook rekening proberen te houden met de mogelijkheid van verandering van omstandigheden in de toekomst, hoewel hij natuurlijk onmogelijk met elke denkbare verandering rekening kan houden. Soms loopt deze communicatie echter mis of wordt er onvoldoende rekening gehouden met een verandering van omstandigheden. Het gaat er uiteindelijk om dat een evenwichtige afweging moet worden gemaakt tussen enerzijds het belang van de rechtszekerheid dat de wet mede wil dienen door het stellen van een vormvoorschrift en anderzijds het belang dat recht wordt gedaan aan de bedoelingen van de erflater10.

2.21

Onder oud BW – waarin de oorsprong van de huidige regels is te vinden – golden (onder meer) de volgende uitlegregels (art. 932 en 933):

“Indien de bewoordingen eener uiterste wilsbeschikking duidelijk zijn, mag men daarvan door uitlegging niet afwijken.

Indien daarentegen de bewoordingen eener uiterste wilsbeschikking voor onderscheidene opvattingen vatbaar zijn, moet men veeleer nagaan welke de bedoeling des erflaters geweest zij, dan zich, tegen die bedoeling, aan den letterlijken zin der woorden houden.”

Voor de beantwoording van de vraag of die bewoordingen duidelijk waren, diende echter op grond van vaste jurisprudentie11 – nu neergelegd in art. 4:46 lid 1 BW – mede gelet te worden op de verhoudingen die de erflater bij de beschikking heeft willen regelen en op de omstandigheden waaronder deze is gemaakt. De tekst van de huidige regels is echter niet meer zo streng dat alleen bij onduidelijke bewoordingen ruimte bestaat voor uitleg: de genoemde verhoudingen en omstandigheden spelen niet meer alleen een rol bij de beantwoording van de vraag of de bewoordingen onduidelijk zijn, maar ook op basis van de verhoudingen en omstandigheden op zich is al uitleg mogelijk (zelfs geboden), ook bij duidelijke bewoordingen (vgl. art. 4:46 lid 1 BW). Alleen gebruikmaking van daden of verklaringen van de erflater buiten de uiterste wil is uitgesloten bij duidelijke bewoordingen in het testament (lid 2).

2.22

Ook deze regels roepen nog wel vragen op. Zo is de vraag wat er geldt voor de verhoudingen en omstandigheden die tevens bestaan uit daden en verklaringen van de erflater buiten de uiterste wil. De verhoudingen en omstandigheden van lid 1 hoeven immers (ook) niet per se uit de uiterste wil zelf te blijken,12 maar kunnen wel al voor uitleg worden gebruikt zonder de vaststelling dat de uiterste wil geen duidelijke zin heeft. Een andere belangrijke vraag is of na het maken van de uiterste wilsbeschikking optredende omstandigheden bij de uitleg van deze beschikking mogen worden gebruikt. In beginsel duidt in ieder geval lid 1 op het tegendeel. Men zou echter in de aan- of afwezigheid van een bepaalde toestand ten tijde van het maken van de beschikking, of in een toen reeds bestaande verwachting over de toekomst, al omstandigheden kunnen zien waaronder de uiterste wil is gemaakt. Voor de daden en verklaringen van de erflater buiten de uiterste wil (behoudens een enkel niet-doen, zoals het niet herroepen van een uiterste wil) als bedoeld in lid 2, geeft de parlementaire geschiedenis al aan dat het daar ook om posterieure daden en verklaringen kan gaan. 13

2.23

In 2004 heeft de Hoge Raad een belangrijk arrest gewezen voor de uitleg van uiterste wilsbeschikkingen, waarin minder strikt met de uitleg van testamenten wordt omgegaan. Het betreft HR 3 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR0196, NJ 2005/58 m.nt. W.M. Kleijn. Het ging in deze zaak om een in 1997 overleden erflater, die in 1982 een testament had gemaakt waarin hij zijn toenmalige vriendin tot enig erfgename benoemde.14 Dit deed hij tegelijkertijd met het sluiten van een samenlevingsovereenkomst met de vrouw, die eveneens op diezelfde datum in haar testament de erflater tot haar enig erfgenaam benoemde. Hierna werd ook daadwerkelijk samengewoond, waarna in 1987 het stel zelfs huwde. Na de echtscheiding in 1992 schrapt de man de vrouw als begunstigde van een door hem in 1987 afgesloten levensverzekering. Hij liet echter na zijn testament te herroepen of aan te passen.

Het Hof oordeelde dat er geen ruimte was voor uitleg, op grond van de hierboven besproken strenge uitlegregels en de duidelijkheid van het testament. De Hoge Raad oordeelt echter dat het Hof hiermee een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd, en dat (ook naar oud recht) de nu in artikel 4:46 BW vastgelegde norm dat bij beantwoording van de vraag of de bewoordingen van een uiterste wilsbeschikking duidelijk zijn, mede gelet dient te worden op de verhoudingen die de erflater bij zijn wilsbeschikking heeft willen regelen en op de omstandigheden waaronder deze is gemaakt. De Hoge Raad acht in dit geval de omstandigheden dat erflater en zijn ex-echtgenote voornemens waren op korte termijn te gaan samenwonen in een door hen gemeenschappelijk te verwerven huis, en dat op de dag waarop het testament werd verleden tussen hen ook een samenlevingscontract werd opgemaakt, ter zake van belang en casseert.

2.24

Het valt op dat de Hoge Raad bij de beantwoording van de vraag of de bewoordingen van een uiterste wilsbeschikking onduidelijk zijn al op bepaalde daden en verklaringen van de erflater buiten de uiterste wil let, en deze gebruikt als verhoudingen en omstandigheden als bedoeld in art. 4:46 lid 1 BW15 (dat geldt voor het opstellen van het samenlevingscontract, maar ook het voornemen om te gaan samenwonen zal vermoedelijk zijn gebleken uit buiten het testament verrichte daden of afgelegde verklaringen).

Ook valt op dat de Hoge Raad door te bepalen dat gelet moet worden op de omstandigheid dat erflater en zijn ex-echtgenote voornemens waren op korte termijn te gaan samenwonen in een door hen gemeenschappelijk te verwerven huis, en dat op de dag waarop het testament werd verleden tussen hen ook een samenlevingscontract werd opgemaakt, een opening creëert om rekening te houden met de na het opmaken van de uiterste wil gewijzigde omstandigheden. De omstandigheden die de Hoge Raad noemt, spelen immers weliswaar ten tijde van het opmaken van de uiterste wil, maar in feite wordt hierdoor rekening gehouden met de latere omstandigheid die reden gaf tot strijd over het testament: het feit dat de erflater en de bij uiterste wil benoemde erfgenaam ten tijde van het overlijden van de erflater niet meer samenleefden. Deze mogelijkheid vindt ook steun in de parlementaire geschiedenis over de betekenis van posterieure gebeurtenissen bij het bepalen van de wil van de erflater in het kader van artikel 4:46 lid 1 BW:

“Die wil kan echter niet zijn beïnvloed door een posterieure gebeurtenis, behalve in die zin dat de erflater het voorvallen van deze, toen nog toekomstige, gebeurtenis kan hebben verwacht, in welk geval echter het deze verwachting is, die als omstandigheid waaronder de uiterste wil is gemaakt, in aanmerking komt.”16

De verwachting waarvan de erflater in dit geval ten tijde van het maken van de uiterste wilsbeschikking uitging, was dat hij op het moment van zijn overlijden nog met de benoemde erfgenaam zou samenleven. Door ruimte te maken voor een uitleg die inhoudt dat het testament niet bedoeld was voor een nadien gewijzigde situatie, houdt de Hoge Raad bij die uitleg indirect óók rekening met deze latere situatie. Hierdoor kunnen – ook binnen het systeem van artikel 4:46 lid 1 BW – deze later gewijzigde omstandigheden tóch een rol spelen bij de uitleg van een testament. Het huidige erfrecht laat – zeker in het licht van deze uitspraak – dus wel degelijk veel ruimte voor uitleg.17

2.25

Ook HR 11 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:911, NJ 2014/127 m.nt. S. Perrick past in deze lijn.18 In deze zaak heeft de erflaatster in 1980 – na echtscheiding van haar eerste man – haar broer tot enig erfgenaam benoemd, geruime tijd voordat zij een tweede maal (in 1993) in het huwelijk trad in gemeenschap van goederen. Op grond van deze uiterste wilsbeschikking zouden haar destijds nog in leven zijnde ouders, met wie zij niet op goede voet stond, (in beginsel) niet als versterferfgenamen opkomen. De erflaatster had geen andere broers en zusters en geen kinderen. Zij overlijdt in 2004. Broer en (tweede) echtgenoot strijden om de nalatenschap (in dit geval de helft van de gemeenschap van goederen, waarvan de goederen ook nog eens vrijwel volledig door de echtgenoot waren aangebracht). De echtgenoot stelt dat de broer aan het testament geen aanspraken kan ontlenen omdat het testament onduidelijk is en nadere uitleg behoeft. De erflaatster heeft volgens hem destijds haar broer slechts als enig erfgenaam benoemd teneinde haar ouders te onterven. Bovendien heeft zij bij het opstellen van haar testament niet gedacht aan een toekomstig huwelijk, zodat het testament niet voor die situatie is geschreven. De echtgenoot betoogt voorts dat de erflaatster heeft gedwaald in het objectieve recht, in die zin dat zij haar rechtspositie verkeerd heeft beoordeeld en daarom heeft nagelaten het testament te herroepen. Volgens hem verkeerde de erflaatster, toen zij vele jaren na het opmaken van het testament met hem in het huwelijk trad, in de overtuiging dat het testament met dit huwelijk in gemeenschap van goederen was komen te vervallen en dat de langstlevende van hen beiden volgens de wet enig erfgenaam in de nalatenschap zou zijn. Die dwaling dient er zijns inziens toe te leiden dat ingevolge de eisen van redelijkheid en billijkheid de rechtsgevolgen aan het testament worden onthouden.

De rechtbank sluit zich aan bij dit laatste betoog van de echtgenoot. Zij oordeelt dat de in het testament gebezigde bewoordingen duidelijk zijn en slechts voor één uitlegging vatbaar, maar dat wel sprake was van een dwaling in het objectieve recht die tot gevolg dient te hebben dat aan het testament de rechtsgevolgen onthouden worden, nu het volgens de rechtbank in strijd met de redelijkheid en billijkheid is om de rechtgevolgen van een testament dat slechts in stand is gebleven omdat is gedwaald in het objectieve recht, in stand te houden.

Het hof volgt deze lijn niet, maar komt op grond van uitleg van de uiterste wilsbeschikking toch tot eenzelfde resultaat. Gelet op de omstandigheden waaronder het testament is gemaakt en de verhouding die de erflaatster in elk geval heeft willen regelen (die met haar ouders), acht het hof niet duidelijk of zij heeft willen regelen dat haar broer onder alle omstandigheden erfgenaam zou zijn, zodat het testament in zoverre geen duidelijke zin heeft en te dien aanzien voor uitlegging daarvan daden en verklaringen van de erflaatster mogen worden gebruikt. Het hof acht – op grond van verschillende getuigenverklaringen – vervolgens bewezen dat het uitsluitend de bedoeling van de erflaatster was te voorkomen dat haar ouders zouden erven en dat het niet uitdrukkelijk de bedoeling was haar broer te laten erven. De (fundamenteel) gewijzigde situatie heeft de erflaatster niet voor ogen gestaan toen zij haar testament maakte en voor die situatie heeft zij geen testamentaire beschikkingen getroffen. Aangenomen moet worden dat het haar bedoeling was dat de testamentaire beschikkingen ten gunste van haar broer – als ten tijde van het maken van het testament enige beschikbare en geschikte persoon – uitsluitend golden voor de situatie waarin zij niet gehuwd zou zijn. Het hof komt tot de conclusie dat de erfstelling ten gunste van de broer is vervallen, zodat deze hieraan geen aanspraken kan ontlenen.

De Hoge Raad verwerpt het tegen deze uitleg ingestelde cassatieberoep met een korte overweging:

“3.3.2 Aldus verstaan geeft het oordeel van het hof geen blijk van miskenning van de maatstaf van art. 4:46 BW. Anders dan in de onderdelen wordt betoogd, heeft het hof daarbij uitsluitend omstandigheden ten tijde van het opmaken van het testament in aanmerking genomen en niet (tevens) omstandigheden die toen nog toekomstig waren. Voor het overige berust het oordeel van het hof op waarderingen die in cassatie alleen op begrijpelijkheid kunnen worden onderzocht. Voor zover de klachten betogen dat de door het hof gemaakte waarderingen onbegrijpelijk zijn, doen zij dat tevergeefs.”

Deze wijze van uitleg kon derhalve door de beugel.

2.26

Hoewel het hof in het nu voorliggende geval niet op deze wijze de begunstiging door de verzekeringnemer c.q. erflater heeft uitgelegd, had dat, analoog gedacht aan de jurisprudentie inzake de uitleg van uiterste wilsbeschikkingen, mijns inziens wél gekund. Bij de aanwijzing van een begunstigde zijn bovendien ook nog eens minder strenge vormvereisten van toepassing voor de vastlegging van de wil van de verzekeringnemer dan bij de vastlegging van de wil van de erflater het geval is, en zijn niet de waarborgen ingebouwd die samenhangen met de (verplichte) bijstand van de notaris, hetgeen ervoor pleit minstens evenveel, zo niet meer, ruimte te geven aan de uitleg van de begunstiging. Ook is niet noodzakelijk om eerst vast te stellen dat de begunstiging onduidelijk is in het licht van ten tijde van die begunstiging bestaande omstandigheden voordat – strikt genomen – aan uitleg met behulp van buiten de schriftelijke mededeling aan de verzekeraar gelegen verklaringen en gedragingen van de verzekeringnemer wordt toegekomen. In dit geval had de begunstiging – indien daarvoor naar het oordeel van het hof voldoende feiten en omstandigheden zouden zijn komen vast te staan, wat gezien rov. 3.10 het geval lijkt te zijn geweest – dan op zodanige wijze kunnen worden uitgelegd dat daarbij de omstandigheden ten tijde van het overlijden (o.a. de relatie met [verweerster] , waarmee een samenlevingsovereenkomst is aangegaan en die tot enig erfgenaam is benoemd met uitdrukkelijke onterving van de kinderen, waarbij aan de notaris is aangegeven dat het gehele vermogen aan [verweerster] diende toe te komen en zij zoveel mogelijk verzorgd diende te worden achtergelaten) relevant zijn omdat daaruit volgt dat de omstandigheden waaronder de begunstigden zijn aangewezen (waarin nog geen sprake was van de latere niet-huwelijkse relatie met [verweerster] , die aan de weg zou (kunnen) staan aan het begunstigen van de kinderen, de kinderen nog niet waren onterfd, en eenvoudigweg van de standaardbegunstiging is uitgegaan, die alles nog openhield) nadien zo fundamenteel (en onvoorzien) zijn gewijzigd dat geconstateerd moet worden dat de standaardbegunstiging niet met het oog op (ook) die nieuwe situatie is opgenomen.19 Tot de verhoudingen die de verzekeringnemer toen heeft willen regelen, behoorde dan niet een eventuele latere niet-huwelijkse relatie. In ieder geval maken deze omstandigheden en de destijds bestaande, te regelen verhoudingen in deze gedachtegang dat de mogelijkheid moet bestaan om met behulp van nadere bewijsmiddelen aan te tonen dat de bedoeling van de verzekeringnemer – zoals gesteld door [verweerster] – van de standaardbegunstiging afweek.

Ook de (algemene) klacht dat het hof ten onrechte heeft overwogen dat latere verklaringen en gedragingen kunnen worden meegewogen bij de bepaling van de bedoeling van de verzekeringnemer ten tijde van de aanwijzing van een begunstigde, kan derhalve naar mijn mening – nog los van het gebrek aan belang van [eiseressen] bij die klacht – niet slagen, omdat (ook) een uitleg zoals de bovenstaande had kunnen worden gevolgd.

2.27

Wat het hof in het voorliggende geval wél heeft gedaan - net als de rechtbank had gedaan in de erfrechtelijke zaak van HR 11 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:911, NJ 2014/127 m.nt. S. Perrick20 – is toepassing geven aan de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid (vgl. art. 6:2 lid 2 en 6:248 lid 2 BW). Deze werking kan zich ook in de onderhavige verhoudingen doen gevoelen (al dan niet via art. 6:216 BW) 21: beperking van de rechtsgevolgen van een rechtshandeling door (de derogerende werking van de) redelijkheid en billijkheid kunnen – naar gelang de aard van de rechtshandeling in meer of mindere mate – bij alle rechtshandelingen een rol spelen, en behoort in evident ongerechtvaardigde gevallen tot de bevoegdheden van de rechter. Deze weg heeft over het algemeen ook mijn voorkeur boven de uitleg van de erfstelling of begunstiging.22 Het gaat in de hier aan de orde zijnde gevallen immers veelal om een later ontstane, onvoorziene situatie ten aanzien waarvan de erflater of verzekeringnemer zijn wil destijds niet heeft bepaald.23 Als we ervan uitgaan dat het bij de uitleg van uiterste wilsbeschikkingen en begunstigingen gaat om het achterhalen van de wil van de erflater of verzekeringnemer ten tijde van het testeren of aanwijzen van de begunstigde, dan rijst de vraag of de figuur van de uitleg wel de aangewezen weg is om met deze niet door de erflater of verzekeringnemer voorziene, gewijzigde omstandigheden om te gaan. Op basis van een uitleg zoals die hierboven werd beschreven zou dan wel kunnen worden bepaald wie dan wel bedoeld zou zijn om erfgenaam of begunstigde te zijn, maar zoals gezegd, heeft de erflater of verzekeringnemer aan de gewijzigde situatie nu juist ten tijde van zijn beschikking niet gedacht. Men kan moeilijk een wil of bedoeling ten aanzien van een bepaalde situatie gaan uitleggen, als die wil of bedoeling ontbreekt. Dan acht ik uitleg niet zo op zijn plaats. Uitleg komt dan gevaarlijk dicht in de buurt van aanvulling24, waarvoor – in ieder geval in het erfrecht – in beginsel geen plaats is (zie art. 4:47 BW). In feite wordt het testament of de begunstiging bij de uitleg dan immers aangevuld met een ontbindende voorwaarde – van verbreking van de samenleving of het aangaan van een (nieuw) huwelijk of (nieuwe) relatie – die misschien wel achteraf door de erflater zou zijn gewild, maar in ieder geval niet op het moment van testeren of aanwijzen van de begunstigde (bewust) zo is gemaakt of bedoeld. Strikt genomen wordt dus niet het testament of de begunstiging uitgelegd zoals dat/die is gemaakt, maar wordt de (vermoedelijke) bedoeling van de erflater vastgesteld nadat de later optredende omstandigheden zich hebben voorgedaan.

2.28

Mijns inziens verdient het in de meeste van dit soort gevallen de voorkeur om het rechtsgevolg aan de niet voor de situatie bedoelde beschikking simpelweg te onthouden, en niet verder dan dat in te grijpen. Aan de uiterste wilsbeschikking of aanwijzing van de begunstigde zelf wordt dan niet getornd – zoals door uitleg hiervan in het licht van nadien gewijzigde omstandigheden – maar slechts aan de rechtsgevolgen ervan in de concrete omstandigheden. Door de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid hier te gebruiken, wordt bovendien bewerkstelligd dat er strenge(re) eisen gelden voor de toepassing: toepassing vindt alleen plaats als door degene die zich erop beroept te stellen en eventueel te bewijzen bijzondere omstandigheden in het spel zijn. Er bestaat echter geen belemmering om alle denkbare omstandigheden in de beoordeling mee te wegen, ook die die na het testeren of aanwijzen van de begunstigde plaatsvinden of gelegen zijn in daden en verklaringen van de erflater buiten de uiterste wil (of van de verzekeringnemer buiten de schriftelijke mededeling aan de verzekeraar).

2.29

Voor de hier aan de orde zijnde gevallen zijn die omstandigheden er niet alleen in gelegen dat de erflater of verzekeringnemer de gewijzigde situatie niet heeft voorzien, maar óók dat hij in die gewijzigde situatie dwaalde over de rechtsgevolgen van zijn eerder verrichte rechtshandeling en dat hij daarom niet zelf heeft ingegrepen door zijn testament of begunstiging in de later ontstane situatie te wijzigen of aan te passen. Hij verkeerde immers in de overtuiging dat dat niet nodig was en alles reeds zou uitpakken zoals hij dat (ook nu) in de later ontstane situatie wenste. Een dergelijke (rechts-)dwaling – niet zozeer een dwaling in de zin van art. 6:228 BW25, maar meer in het algemeen een onjuiste voorstelling van zaken – kan bij de uitleg eigenlijk niet goed aan de orde komen, omdat het (ook hier) gaat om een dwaling die eigenlijk pas in het licht van de later opgetreden omstandigheden is ontstaan, en waardoor een reactie van de erflater of verzekeringnemer op die omstandigheden is uitgebleven. Bovendien is niet (zozeer) de uit te leggen rechtshandeling – het testament of de aanwijzing van de begunstigden – onder invloed van de dwaling tot stand gekomen, maar is juist de herroeping of wijziging daarvan niet tot stand gekomen onder invloed van de dwaling.26

2.30

In het erfrecht zal een dergelijk beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid, indien het slaagt, er in het algemeen toe leiden dat de versterferfgenamen tot (het betreffende deel van) de nalatenschap zullen worden geroepen. Zo zou dit in het geval van HR 11 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:911, NJ 2014/127 m.nt. S. Perrick ertoe leiden dat de echtgenoot – als versterferfgenaam – zou erven van de erflaatster in kwestie. Overigens merkt het hof in die zaak de erfstelling aan als ‘vervallen’, maar dan op basis van uitleg. Dat acht ik niet zo’n gelukkige formulering: zowel als de erfstelling wordt uitgelegd als wanneer aan de erfstelling het rechtsgevolg wordt onthouden op grond van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid, komt deze daarmee niet daadwerkelijk te vervallen.27 Bovendien doet de formulering denken aan het vervallen van de blijvend onmogelijk uitvoerbare beschikking, waarna – binnen zeer strikte grenzen – aanvulling kan plaatsvinden (zie art. 4:47 BW). Aan die eisen is in dit geval echter niet voldaan. Op basis van uitleg zou het hof hier hebben moeten komen tot de vaststelling dat de erfstelling niet bedoeld is om te gelden in de voorliggende situatie en dat voor die situatie is bedoeld dat de versterferfgenaam – de echtgenoot – zou erven. Zo wordt in dit geval dus tot vergelijkbare resultaten gekomen met uitleg en met de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid.

2.31

In het ons voorliggende geval zijn twee oplossingen denkbaar als de weg van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid wordt gevolgd. Ten eerste zou aan de gehele standaardbegunstiging het rechtsgevolg kunnen worden onthouden. In dat geval – als een begunstiging dus ontbreekt – heeft te gelden dat de uitkering aan de verzekeringnemer zelf toekomt (vgl. art. 7:967 lid 8 BW) en derhalve in zijn nalatenschap valt. Dat betekent dat zijn erfgena(a)m(en), in dit geval [verweerster] , dan gerechtigd is tot de uitkering op de polissen. Een tweede mogelijkheid is dat alleen aan het deel van de standaardbegunstiging dat ziet op begunstiging van de kinderen van de verzekeringnemer geen rechtsgevolg toekomt (en zij zich daarop derhalve niet kunnen beroepen). Dan komt de uitkering op de polissen – bij gebreke van (in leven zijnde) verzekeringnemer zelf (vgl. ook art. 7:967 lid 1 BW) en een weduwe/echtgenote – toe aan de erfgenamen van de verzekeringnemer, hetgeen in dit geval dus ook neerkomt op [verweerster] . Dit laatste is ook wat het hof in feite uiteindelijk heeft gedaan in (de laatste zin van) rov. 3.10:

“Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van het hof dat [eiseressen] in de gegeven en hiervoor genoemde omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen rechten kunnen ontlenen aan de begunstiging en dat [verweerster] als erfgename als opvolgend begunstigde heeft te gelden.”

2.32

Het hof heeft hierbij tegen de achtergrond van wat [verweerster] hiertoe had aangevoerd (zie rov. 3.8-3.9) – waaronder dat er behoudens de verzekeringspolissen geen vermogen was, dat de gemeenschappelijke woning van de erflater en [verweerster] met ruim € 100.000,- onder water stond en [verweerster] nog een vordering op de erflater had vanwege een investering in die woning, dat er sinds 1995 geen enkel contact meer was geweest tussen de erflater en [eiseressen] , dat de erflater niet wist dat de polisuitkeringen buiten zijn nalatenschap vielen en dat hij de standaardbegunstiging moest wijzigen om dit te veranderen, maar dat hij met zijn testamenten dacht te hebben bereikt dat de polisuitkeringen aan [verweerster] zouden toekomen, en dat de uitkering veel hoger was dan hetgeen [eiseressen] uit hoofde van hun legitieme portie zouden hebben ontvangen – de volgende vaststaande feiten en omstandigheden met zoveel woorden in aanmerking genomen (rov. 3.10):

- dat de erflater met het samenlevingscontract en de testamenten [verweerster] voor zoveel mogelijk verzorgd wilde achterlaten;

- dat dit effect enkel, althans voor zoveel mogelijk, zou kunnen worden bereikt indien ook de uitkering uit de polissen aan haar als erfgenaam ten goede zou komen;

- dat de erflater zijn testamenten zo heeft ingericht dat [eiseressen] zo min mogelijk uit zijn nalatenschap zouden verkrijgen en op zijn vroegst pas na overlijden van [verweerster] ;

- dat [verweerster] zich direct na het overlijden van de erflater tot de verzekeraars heeft gewend met het verzoek de bedragen van de polissen aan haar uit te keren;

- de verklaring van de notaris (zoals blijkt uit de memorie van antwoord28) dat het de bedoeling was dat [verweerster] erflaters gehele vermogen zou ontvangen en dat hij haar verzorgd wilde achterlaten.29

Uit deze feiten en omstandigheden concludeert het hof dat de niet wijziging van de begunstiging van [eiseressen] in een begunstiging van de erfgename/ [verweerster] niet anders kan worden begrepen dan als een omissie van de erflater.

2.33

Het onderdeel voert aan dat het hof daarmee een onjuiste (of te ruime) toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in de artikelen 6:2 lid 2 jo. 6:248 lid 2 BW, dan wel een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven.

Volgens het onderdeel volgt uit de door het hof in rov. 3.10 opgesomde feiten en omstandigheden, noch op zichzelf genomen, noch in onderling verband bezien, logischerwijs dat de niet-wijziging van de begunstiging niet anders kan worden begrepen dan als een omissie en dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [eiseressen] zich op hun wilsrecht, de begunstiging van beide polissen, beroepen. Mijns inziens zijn de bijzondere omstandigheden die het hof tegen de achtergrond van het door [verweerster] aangevoerde, heeft vastgesteld, echter wel degelijk van dien aard, dat hieruit – hoewel hierover nooit absolute zekerheid kan bestaan – met een grote mate van waarschijnlijkheid kan worden geconcludeerd dat hier van een omissie van de erflater sprake is.30 Ik meen ook dat – met name in het licht van de verklaring van de notaris en de financiële situatie van de erflater en [verweerster] – de aanname dat de erflater in de veronderstelling verkeerde dat de uitkering op grond van de door hem gemaakte testamenten aan [verweerster] zou toekomen en er derhalve geen reden was om over te gaan tot wijziging of bespreking van de begunstiging, niet kan worden afgedaan als een loutere speculatie, die iedere grond ontbeert.31 Daarbij speelt ook nog een rol dat het hof in rov. 3.10 – in cassatie op dit punt niet bestreden – heeft geoordeeld dat niet aannemelijk was dat er voor de erflater (ook) een beweegreden zou zijn om hen met de losstaande polisuitkeringen te willen bevoordelen en te vrijwaren van de schulden van de nalatenschap, mede in het licht dat tussen partijen vaststond dat er sinds 1995 geen contact meer tussen de erflater en [eiseressen] is geweest.

In de door het hof op grond van de vastgestelde omstandigheden aangenomen en zojuist beschreven situatie van de omissie van de erflater is het door het onderdeel aangevoerde feit dat de erflater nog vele mogelijkheden heeft gehad om de standaardbegunstiging te wijzigen niet van belang, zoals ook het hof in rov. 3.10 heeft overwogen. Over de wijzigingen die op de polissen hebben plaatsgevonden staat vast dat deze geen betrekking hadden op de begunstiging (zie rov. 2.3). Dat de polissen zijn afgesloten (relatief kort) nadat het contact met [eiseressen] verloren is gegaan, acht ik evenmin van (doorslaggevende) betekenis, nu in die polissen niet zozeer een begunstiging ten voordele van [eiseressen] is opgenomen, maar op dat moment – waarop de affectieve relatie met [verweerster] nog niet bestond – slechts een standaardbegunstiging is opgenomen, die nog alle(rlei) mogelijkheden in het leven van de verzekeringnemer – waaronder een nieuw huwelijk en (wellicht zelfs) een herstelde relatie met zijn kinderen – openhield. Dat de schulden van de nalatenschap de baten ervan zouden overtreffen, óók als de polisuitkeringen hierbij worden meegerekend, kan voorts niet afdoen aan de uit zijn testamenten en het samenlevingscontract blijkende wens van de erflater/verzekeringnemer om [verweerster] zo verzorgd als mogelijk achter te laten, welke wens het hof in rov. 3.10 als bijzondere omstandigheid in aanmerking heeft genomen. Het in de s.t. van [eiseressen] hiertegen opgeworpen argument dat [verweerster] slechts door haar zuivere aanvaarding van de nalatenschap met schulden achterblijft, kan ten slotte – nog los van zijn argumentatiewaarde in deze – niet als juist worden aangenomen, omdat vaststaat dat het gros van de schulden, zo niet alle schulden, werd(en) veroorzaakt door de hypothecaire geldlening met betrekking tot de door de erflater/verzekeringnemer en [verweerster] gezamenlijk aangeschafte woning, waarvoor [verweerster] – ook los van haar erfgenaamschap – in elk geval met haar aandeel in de woning, maar – naar algemeen bekend mag worden verondersteld – hoogstwaarschijnlijk reeds hoofdelijk aansprakelijk zal zijn geweest.

2.34

Mijns inziens kunnen de door het hof in aanmerking genomen (bijzondere) omstandigheden het oordeel van het hof dragen. Het hof heeft daarmee geen onbegrijpelijk oordeel gegeven. Evenmin heeft het een onjuiste (of te ruime) toepassing gegeven aan het bepaalde in de artikelen 6:2 lid 2 jo. 6:248 lid 2 BW. Ook onderdeel I faalt derhalve.

2.35

Onderdeel III bevat slechts een voortbouwende klacht, die gelet op het falen van de onderdelen I en II evenmin kan slagen.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Ontleend aan rov. 2.2-2.9 van het bestreden arrest, voor zover niet anders vermeld.

2 Ontleend aan rov. 2.4 van het vonnis in eerste aanleg van 7 oktober 2015. Zie ook rov. 3.9 en 3.10 van het bestreden arrest.

3 ECLI:NL:RBNHO:2015:8460.

4 ECLI:NL:GHAMS:2017:1751, RN 2017/66.

5 De procesinleiding is ingediend op 11 juli 2017; het bestreden arrest dateert van 9 mei 2017.

6 Vgl. HR 11 juli 2008 ([...] /Fianed Nederland BV), ECLI:NL:HR:2008:BD2408, NJ 2008/418 en – recent nog – HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:148, rov. 3.5. Zie hierover echter ook Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014/395.

7 Voor dit alles verwijs ik kortheidshalve naar Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2012/117 (met verwijzingen naar jurisprudentie).

8 Daarbij gaat het in het vervolg vooral over latere verklaringen en gedragingen waarbij niet aan de orde is dat de verzekeringnemer later rechtstreeks verklaart over wat zijn bedoeling was ten tijde van de aanwijzing van een begunstigde, hoewel een dergelijke verklaring mijns inziens niet wezenlijk anders zal worden behandeld dan overige latere verklaringen en gedragingen. Wel zullen uit een dergelijke verklaring waarschijnlijk duidelijker en/of directer aanwijzingen over de bedoeling van de verzekeringnemer kunnen worden afgeleid.

9 Vgl. F.M.H. Hoens, ‘De verbroken relatie en begunstiging krachtens levensverzekering van de ex-partner’, TE 2009/6 onder 1 en 5.

10 In deze laatste zin Perrick in zijn annotatie (punt 5) onder HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY2595, NJ 2013/238 m.nt. S. Perrick. Zie ook Asser/Perrick 4 2017/175.

11 Vanaf HR 22 januari 1965 (Admiraal), ECLI:NL:HR:1965:AC4536, NJ 1966/177 en HR 9 april 1965 (Dove erflaatster/Van Es-Ponjee), ECLI:NL:HR:1965:AC0801, NJ 1966/178 beide m.nt. J.H. Beekhuis onder NJ 1966/178.

12 Zie PG Boek 4 BW, p. 277 en 281.

13 Idem, p. 279.

14 Op de zaak was het oude erfrecht nog van toepassing. Onder oud recht werd echter al sinds 1965 geanticipeerd op het ontwerp voor het nieuwe burgerlijk wetboek.

15 Ook Asser/Perrick 4 2017/173 en 174 gaat van die mogelijkheid uit. Duidelijker nog was Perrick in Asser/Perrick 4* 2009/132 en bijv. in punt 7 van zijn annotatie in NJ 2011/353 onder HR 18 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9581.

16 PG Boek 4 BW, p. 278.

17 Dat blijkt ook uit artikel 4:52 BW, dat een speciale uitlegregel geeft voor een onder het oude recht veel voorkomende kwestie en – in hoofdlijn – bepaalt dat de beschikking die is gemaakt ten voordele van een echtgenoot vervalt bij echtscheiding, tenzij uit de uiterste wil anders is af te leiden. Een vergelijkbare – doch wel enigszins andersluidende – regel is te vinden in het verzekeringsrecht, zie art. 7:967 lid 2 BW. Zie ook A. Mollema, Uitleg van uiterste wilsbeschikkingen en aanverwante zaken’ in WPNR 2008/6773, p. 820-827; ‘De werking van de redelijkheid en billijkheid bij testamenten’ in JBN 2009/1; en ‘Uitleg van uiterste wilsbeschikkingen bij wijziging van relationele omstandigheden’ in JBN 2014/50.

18 Enkele andere (relatief) recente arresten waarin aan uitleg van een (onduidelijk) testament werd toegekomen zijn nog HR 18 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9581, NJ 2011/353 m.nt. S. Perrick; HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY2595, NJ 2013/238 m.nt. S. Perrick; en HR 9 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1079, RvdW 2014/690.

19 Vgl. plv. P-G De Vries Lentsch-Kostense in haar conclusie (onder 28) vóór HR 11 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:911, NJ 2014/127 m.nt. S. Perrick.

20 Zie overigens voor een enigszins vergelijkbare verzekeringsrechtelijke kwestie waarin deze methode is toegepast Rb. Midden-Nederland 8 oktober 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:4558, PJ 2015/45 m.nt. W.M.A. Kalkman en J.J. Rijkels. Hier lijkt echter niet aan de orde te zijn dat sprake was van een zekere dwaling bij de verzekeringnemer, maar speelde een rol dat de verzekeringnemer in een echtscheidingsconvenant was overeengekomen dat de uitkering aan hem (en zijn erfgenamen) zou toekomen. Het komt mij voor dat deze zaak had kunnen (en moeten) worden afgedaan op grond van een tussen de (erfgenamen van de) verzekeringnemer en zijn ex-echtgenote geldende verplichting tot uitvoering van het echtscheidingsconvenant, waardoor de uitkering aan (de nalatenschap van) de verzekeringnemer dient toe te komen, los van de eventuele bedoelingen van de verzekeringnemer bij de (niet wijziging van de) begunstiging. Voor uitleg zowel als de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid zie ik hier dan weinig plaats.

21 Zie Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014/398-401.

22 De weg werd al door Van Mourik geopperd in WPNR 2007/6709, p 412 e.v.

23 Ook om tot deze vaststelling te komen is uiteraard een zekere mate van uitleg vereist, die ik niet van de hand wijs, en die ook voor de weg van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid een noodzakelijke voorwaarde is. Ik zou dus ook geenszins de lijn willen volgen dat de erfstelling of begunstiging in dit soort gevallen duidelijk en niet voor meerdere opvattingen vatbaar is.

24 Vgl. Asser/Perrick 4 2017/170: “een uitlegging hecht een betekenis aan bepaalde in de uiterste wil gebruikte woorden of zinswendingen; een aanvulling brengt iets, dat de erflater niet met zijn in de uiterste wil gebruikte woorden bedoelde kenbaar te maken.” Aanvulling kan daarmee ook in strijd worden geacht met de voor m.n. de uiterste wil geldende strenge vormvereisten.

25 Ook art. 4:43 lid 2 BW biedt in deze gevallen – voor uiterste wilsbeschikkingen – geen oplossing, al was het maar omdat de beweegreden vaak niet in de uiterste wil is aangeduid. Ook zal een verwachting dat de omstandigheden niet zodanig zullen wijzigen als zij later wel blijken te hebben gedaan – voor zover erflater of verzekeringnemer die al concreet zou hebben gehad – over het algemeen niet als beweegreden voor het opstellen van een testament kunnen worden gekwalificeerd.

26 Deze dwaling kan er uiteraard niet toe leiden dat de werking van niet verrichte rechtshandelingen (bv. het herroepen van een testament) wordt gesimuleerd, zoals het hof in de zaak van HR 11 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:911, NJ 2014/127 m.nt. S. Perrick in zijn tussenarrest van 27 april 2010 in rov. 5 terecht overwoog. Het kan echter wél een van de bijzondere omstandigheden zijn die bijdragen aan het oordeel dat het rechtsgevolg van een verrichte rechtshandeling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en daaraan moet worden onthouden.

27 Vgl. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014/435.

28 In de memorie van antwoord (onder 14) is opgenomen dat de notaris in deze zin heeft verklaard. In de memorie van grieven wordt in de toelichting op grief 4 en 5 verwezen naar de verklaring van de notaris, die in eerste aanleg als productie 17 is overgelegd.

29 Ik teken hierbij nog aan dat [verweerster] ter comparitie in eerste aanleg heeft gesteld dat over de polissen niet met de notaris is gesproken (proces-verbaal van comparitie op 29 mei 2015, p. 3).

30 De onder het vierde gedachtestreepje opgenomen omstandigheid dat [verweerster] zich direct na het overlijden van de erflater tot de verzekeraars heeft gewend met het verzoek de bedragen van de polissen aan haar uit te keren, acht ik tot deze conclusie overigens weinig tot niets bijdragen.

31 Hiervoor kan ook worden gewezen op HR 11 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:911, NJ 2014/127 m.nt. S. Perrick, waarin – bij de door de Hoge Raad gesanctioneerde uitleg van de uiterste wilsbeschikking door het hof – een vergelijkbare dwaling van de erflaatster indirect een rol speelt (m.n. de door het hof aangehaalde getuigenverklaringen in rov. 2.4). In het oordeel van de rechtbank in deze zaak komt dat nog veel duidelijker naar voren (zie ook hierboven onder 2.25). Hier meende de erflaatster dus dat een later huwelijk in gemeenschap van goederen zou afdoen aan haar eerdere testament, waarbij zij haar broer tot enig erfgenaam had benoemd, of daaraan in ieder geval zou voorgaan. In het nu voorliggende geval meende de verzekeringnemer, volgens de stellingen van [verweerster] waarop het hof in rov. 3.8-3.9 heeft gelet, dat de door hem later opgesteld testamenten zouden afdoen aan de eerdere standaardbegunstiging, waarin zijn kinderen als opvolgende begunstigden waren opgenomen, of daaraan in ieder geval – ook met betrekking tot de uitkeringen op de polissen – zou voorgaan.