Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:400

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
06-04-2018
Datum publicatie
15-06-2018
Zaaknummer
17/04197
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:920, Gevolgd
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Personen- en familierecht. Partneralimentatie. Beëindigingsverzoek. Behoefte alimentatiegerechtigde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 17/04197

mr. E.B. Rank-Berenschot

Zitting: 6 april 2018

Conclusie inzake:

[de man]

(hierna: de man),

verzoeker tot cassatie,

adv.: mr. R.K. van der Brugge

tegen

[de vrouw]

(hierna: de vrouw),

verweerster in cassatie,

niet verschenen

In deze lang slepende alimentatiezaak verzoekt de man de vastgestelde partneralimentatie te beëindigen, op nihil te stellen dan wel te wijzigen. In cassatie richt de man klachten tegen het oordeel van het hof dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden die leiden tot het oordeel dat thans moet worden afgeweken van de door de rechtbank – aan de welstand van partijen tijdens het huwelijk gekoppelde – vastgestelde behoefte van de vrouw. Tevens wordt opgekomen tegen de afwijzing van het verzoek om de alimentatieverplichting van de man te beëindigen per 1 januari 2017.

1 Feiten en procesverloop

1.1

In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten.1

(i) Partijen zijn van 29 juni 1996 tot 1 september 2011 met elkaar gehuwd geweest.

(ii) Bij beschikking van de rechtbank ’s-Gravenhage van 19 april 20112 is voor zover hier van belang:

- de echtscheiding tussen partijen uitgesproken;

- de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw bepaald op € 1.460,-- per maand.

(iii) Nadat de man bij tussenbeschikking van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van 22 februari 2012 was toegelaten het bewijs te leveren van zijn stelling dat vanaf 1 september 2011 zijdens de vrouw sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 1:160 BW, heeft het hof bij eindbeschikking van 18 juli 20123 voornoemde beschikking van de rechtbank ’s-Gravenhage van 19 april 2011 bekrachtigd.

(iv) De man is bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 10 februari 2014 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met de bijzondere voorwaarden dat: de man zich niet binnen een straal van 50 meter van de vrouw zal begeven; de man zich niet binnen een straal van 50 meter van de woning van de vrouw zal begeven; de man gedurende de proeftijd geen direct of indirect contact zal leggen met de vrouw en [betrokkene 1] . De man heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. 4

(v) Bij vonnis in kort geding van de rechtbank Den Haag van 12 maart 2015 is:

- de man veroordeeld mee te werken aan de verkoop en levering van de voormalige echtelijke woning van partijen en de vrouw gemachtigd om die verkoop en levering geheel buiten de man om te bewerkstelligen indien de man niet binnen een week na de betekening van het vonnis aan veroordeling meewerkt;

- het verzoek van de vrouw de man te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 58.330,26 te vermeerderen met de wettelijke rente, afgewezen;

- het verzoek van de vrouw om vast te stellen dat zij – in geval van verkoop van de woning aan een derde – bevoegd is om vorderingen die zij op de man heeft uit hoofde van achterstallige alimentatie en overbedeling te verrekenen met het aandeel van de man in de verkoopopbrengst van de woning, afgewezen.

1.2

In de onderhavige, bij verzoekschrift van 29 januari 2015 ingeleide procedure heeft de man verzocht, met wijziging van de beschikkingen van 19 april 2011 en 18 juli 2012, samengevat en voor zover in cassatie nog van belang:

A. te verklaren voor recht, althans vast te stellen, dat de alimentatieverplichting van de man op 1 september 2011 is geëindigd, primair op grond van art. 1:160 BW, subsidiair vanwege verbroken lotsverbondenheid;

B. indien de rechtbank het recht op partneralimentatie aan de zijde van de vrouw in stand laat: de partneralimentatie per 1 september 2011 op nihil te stellen vanwege het ontbreken van behoefte en behoeftigheid aan de zijde van de vrouw;

C. indien de rechtbank van oordeel is dat de vrouw een resterende behoefte heeft:

- te verklaren voor recht, althans vast te stellen dat, vanwege de verbleekte lotsverbondenheid, de vrouw nog slechts recht heeft op een niet te indexeren partneralimentatie van € 50,00 per maand, dit per 1 september 2011 tot en met 1 januari 2015;

- althans de duur van de aan de vrouw toekomende alimentatierechten te bepalen op in totaal vijf jaar, althans een zodanige alimentatieduur te bepalen als de rechtbank juist acht, zulks onder bepaling dat deze termijn niet verlengbaar is;

- dan wel (en/of) de hoogte van de partneralimentatie per 1 september 2011 jaarlijks te verminderen met 25% van het door de rechtbank vast te stellen alimentatiebedrag, zodat deze wordt beëindigd op 1 september 2015.

1.3

Nadat op 30 juni 2015 de mondelinge behandeling had plaatsgevonden, heeft de rechtbank Den Haag bij beschikking van 25 augustus 2015 de verzoeken van de man afgewezen.5

1.4

De man is van deze beschikking in appel gekomen bij beroepschrift van 18 november 2015. Hij heeft daarbij, voor zover thans van belang, zijn oorspronkelijke verzoek als hiervoor weergegeven onder B aangevuld met het subsidiaire verzoek te bepalen dat de behoefte van de vrouw verbleekt volgens de door de man aangegeven jaarlijkse lineaire afbouw (van € 2.794,- per maand per 1 september 2011 tot € 1.366,- per 1 september 2023).

1.5

De vrouw heeft verweer gevoerd en verzocht de verzoeken van de man af te wijzen.6

1.6

Op 1 juli 2016 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Het proces-verbaal bevindt zich bij de stukken.

1.7

Bij tussenbeschikking van 14 september 20167 heeft het hof geoordeeld gebonden te zijn aan zijn eerdere (in kracht van gewijsde gegane) oordeel van 18 juli 2012 dat voor de periode van 1 september 2011 tot en met 18 juli 2012 niet bewezen is dat sprake is van een situatie als bedoeld in art. 1:160 BW. In het dictum heeft het hof de man toegelaten bewijs te leveren van zijn stelling dat de vrouw vanaf enig moment na 19 juli 2012 samenwoont met [betrokkene 1] als waren zij gehuwd zoals bedoeld in art. 1:160 BW.

1.8

Op 4 januari 2017 hebben getuigenverhoren plaatsgevonden, waarna elk van partijen een conclusie na enquête heeft genomen.

1.9

Bij eindbeschikking van 31 mei 20178 oordeelt het hof dat de man er niet in is geslaagd bewijs te leveren van zijn stelling dat de vrouw vanaf enig moment na 19 juli 2012 samenwoont met [betrokkene 1] als waren zij gehuwd zoals bedoeld in artikel 1:160 BW (rov. 2.8).

Ook oordeelt het hof dat de man niet deugdelijk heeft onderbouwd waarom in deze zaak de behoefte van de vrouw inmiddels zou zijn verbleekt (rov. 2.11), zodat de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw onverminderd voortduurt (rov. 2.13).

Wat betreft de behoefte van de vrouw stelt het hof vast dat de rechtbank bij beschikking van 19 april 2011 (bekrachtigd bij beschikking van het hof van 18 juli 2012) de totale huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw heeft vastgesteld op€ 2.794,- netto per maand. Volgens het hof is niet gebleken van feiten en omstandigheden die leiden tot het oordeel dat thans moet worden afgeweken van de door de rechtbank – aan de welstand van partijen tijdens het huwelijk gekoppelde – vastgestelde behoefte van de vrouw (rov. 2.16).

Na herberekening van het netto besteedbaar inkomen van de vrouw over de jaren 2011 tot en met 2015 constateert het hof dat de vrouw vanaf 2013 een hoger inkomen heeft gegenereerd dan waar de rechtbank bij de bepaling van de partneralimentatie in 2011 rekening mee had gehouden (rov. 2.18).

Het hof zal de alimentatieverplichting van de man niet beperken tot 1 januari 2017 (rov. 2.21).

Het hof vernietigt de beschikking van de rechtbank van 25 augustus 2015 voor zover deze betrekking heeft op de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot onderhoud met ingang van 1 januari 2013 en, in zoverre opnieuw beschikkende, bepaalt – met wijziging van de beschikking van 19 april 2011 – de alimentatie voor de vrouw ten laste van de man met ingang van 1 januari 2013 op € 1.306,- per maand en met ingang van 1 januari 2014 op € 1.091,- per maand (rov. 2.20 en dictum).

1.10

De man heeft bij verzoekschrift, ingekomen op 28 augustus 2017, tijdig9 cassatieberoep ingesteld tegen de eindbeschikking van het hof. De vrouw heeft afgezien van het voeren van verweer.

2 Bespreking van de cassatiemiddelen

2.1

Het cassatieberoep omvat twee middelen. Middel I komt op tegen het oordeel van het hof dat het de alimentatieverplichting van de man niet zal beperken tot 1 januari 2017. Middel II bestrijdt de vaststelling van de behoefte van de vrouw.

2.2

Middel I richt zich tegen rov. 2.21 van de bestreden beschikking, waarin het hof als volgt overweegt:

“2.21 Het hof overweegt voorts dat de advocaat van de vrouw in haar brief van 20 juni 2016 te kennen geeft dat de vrouw na 2017 geen aanspraak op partneralimentatie meer wenst te maken. Uit de brief van de vrouw van 14 juni 2016 (productie 19 bij het V-formulier van 20 juni 2016) blijkt echter dat zij daaraan een aantal voorwaarden heeft gesteld. Ter zitting heeft de advocaat van de vrouw ook bevestigd dat deze voorwaarden nog steeds gelden. Nu niet is gebleken dat de man aan alle door de vrouw gestelde voorwaarden heeft voldaan en naar het oordeel van het hof tussen partijen geen overeenstemming is bereikt over de vanaf 1 januari 2017 te betalen partneralimentatie, zal het hof de alimentatieverplichting van de man niet beperken tot 1 januari 2017. Het staat partijen uiteraard vrij om daar alsnog overeenstemming over te bereiken.”

2.3

Het middel klaagt dat ’s hofs beslissing om de partneralimentatie niet per 1 januari 2017 te beëindigen rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd is.

Onder verwijzing naar de feitelijke gedingstukken10 betoogt de man dat beide partijen het hof hebben verzocht om de partneralimentatie van de vrouw per 1 januari 2017 te beëindigen. Daarnaast zouden tijdens de mondelinge behandeling noch partijen noch hun advocaten op de inhoud van de brief van de vrouw van 20 juni 2016 zijn ingegaan, en zou uit het proces-verbaal van de zitting niet blijken dat het hof vragen heeft gesteld over deze brief. In de tussenbeschikking heeft het hof bovendien onvoorwaardelijk beslist dat zowel de man als de vrouw heeft verzocht de partneralimentatie te beëindigen per 1 januari 2017.

Door te beslissen dat het verzoek tot beëindiging van de partneralimentatie per 1 januari 2017 wordt afgewezen, is het hof buiten de door de procespartijen getrokken grenzen van de rechtsstrijd getreden, dan wel heeft het hof een ontoelaatbare verrassingsbeslissing, althans een onbegrijpelijke beslissing gegeven, zo klaagt de man, onder verwijzing naar rechtspraak van Uw Raad.11

2.4

De klachten treffen naar mijn mening geen doel. Ik licht dat als volgt toe.

2.5

De eventuele beëindiging van de partneralimentatie per 1 januari 2017 wordt voor het eerst aan de orde gesteld in de brief van de advocaat van de vrouw aan het hof van 20 juni 201612, waarin die advocaat met betrekking tot de daarbij als productie 19 overgelegde verklaring van de vrouw opmerkt:

Productie 19:

Verklaring van de vrouw zelf. Zij geeft hierin aan dat ze ‘op’ is. Haar gezondheid is in het geding en ze wil een einde aan alle procedures maken. Om de kans daarop te vergroten stelt ze zich op het standpunt dat ze na dit jaar geen aanspraak op partneralimentatie wenst te maken. De alimentatietermijn kan derhalve wat haar betreft per 1 januari 2017 definitief worden beëindigd. Ze hoopt de achterstallige alimentatie tot 1 januari 2017 nog te kunnen verhalen, zodat ze haar leningen en schulden kan voldoen. Na 1 januari 2017 zal ze proberen haar inkomen te verhogen, al weet ze op dit moment niet hoe. Ze hoopt daarmee te bewerkstelligen dat de man stopt met het inschakelen van detectives en haar en [betrokkene 2] vanaf nu met rust zal laten. Het druist zeer tegen het rechtvaardigheidsgevoel van de vrouw in, maar ze is genoodzaakt haar gezondheid voorop te stellen.”

De bij deze brief als productie 19 overgelegde verklaring van de vrouw zelf d.d. 14 juni 2016 luidt voor zover hier van belang als volgt:

“Ik zeg hierbij mijn aanspraak op de alimentatie op:

Op voorwaarde dat mijn persoonlijke bezittingen in mijn eigendom komen. (de ring van mijn oma, de geboorte armbandjes van [betrokkene 3] en [betrokkene 4] en de mondharmonica van mijn overleden vader)

De boedelscheiding betaald word.

Hypotheek overnemen of huis verkopen

Het krediet waar uitspraak over gedaan is door de rechtbank van mijn naam af.

Het deel alimentatie t/m 2016 waar al uitspraak over gedaan is door de rechtbank.

Met deze gelden kan ik mijn schulden afbetalen en hopelijk verder gaan met mijn leven zonder bedreigingen enz.

Dit alles is niet mijn keuze maar ik word hiertoe gedwongen door mijn ex man omdat hij niet zal stoppen met deze praktijken. Dat heeft hij de afgelopen jaren wel laten zien.”

2.6

Blijkens het proces-verbaal van de daaropvolgende zitting is op dit punt door de advocaat van de man opgemerkt (proces-verbaal d.d. 1 juli 2016, p. 1, onder ‘Advocaat van de man’):

“De brief van de vrouw van 20 juni jl. betreffende de stopzetting van de alimentatie vanaf 1 januari 2017 biedt wellicht nog een opening om een einde aan de rechtsstrijd te maken. In dat geval zou het prettig zijn als het hof een handvat geeft.”

en op p. 2:

“Verder heeft de vrouw in haar laatste brief gesteld dat de vrouw afstand wil doen van haar aanspraak op partneralimentatie per 1 januari 2017. De man accepteert dat. Ik verzoek het hof dan ook om te bepalen dat alimentatie verplichting eindigt per 1 januari 2017.”

De advocaat van de vrouw heeft hierover opgemerkt (proces-verbaal d.d. 1 juli 2016, p. 2, onder ‘Advocaat van de vrouw’):

“Bij de brief van 20 juni 2016 is een verklaring van de vrouw opgenomen. De vrouw is moegestreden en kan er niet meer tegen. Dat is de reden waarop zij vanaf 1 januari 2017 afstand van haar recht op partneralimentatie wil doen. Zij zal dan in haar eigen levensonderhoud proberen te voorzien. Zij probeert rust af te kopen.”

2.7

In zijn tussenbeschikking van 14 september 2016 stelt het hof ten aanzien van het procesverloop in hoger beroep vast (p. 4):

“5. Bij V-formulier van 20 juni 2016 heeft de vrouw haar verzoek gewijzigd in die zin dat zij vanaf 1 januari 2017 geen aanspraak meer op partneralimentatie wenst te maken.

6. De man heeft ter zitting van het hof verzocht te bepalen dat de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud in ieder geval eindigt per 1 januari 2017.”

2.8

In zijn bestreden rov. 2.21 van de eindbeschikking baseert het hof zijn beslissing dat het de alimentatieverplichting van de man niet zal beperken tot 1 januari 2017 op de gronden dat: (i) uit de verklaring van de vrouw van 14 juni 2016 blijkt dat zij aan het loslaten van haar aanspraak op partneralimentatie na 1 januari 2017 een aantal voorwaarden heeft gesteld, (ii) ter zitting door de advocaat van de vrouw is bevestigd dat deze voorwaarden nog steeds gelden, (iii) niet is gebleken dat de man aan alle door de vrouw gestelde voorwaarden heeft voldaan, zodat (iv) naar het oordeel van het hof tussen partijen geen overeenstemming is bereikt over de vanaf 1 januari 2017 te betalen partneralimentatie.

2.9.1

Het middel richt – terecht – geen klacht tegen de vaststelling (i) dat uit de eigen verklaring van de vrouw van 14 juni 2016 blijkt dat zij aan beëindiging van de alimentatieplicht een aantal voorwaarden heeft gesteld. Deze vaststelling is in het licht van de hierboven onder 2.5 aangehaalde passages niet onbegrijpelijk. Naar het kennelijk oordeel van het hof in rov. 2.21 heeft de vrouw dan ook, anders dan het middel veronderstelt, niet ongeclausuleerd verzocht om de alimentatieverplichting per 1 januari 2017 te beëindigen.

2.9.2

Voor zover het middel beoogt te klagen dat het oordeel van het hof over het voorwaardelijke karakter van de prijsgave van de aanspraak op alimentatie in zijn eindbeschikking zich niet verdraagt met de eerdere vermelding (bij de weergave van het procesverloop in rov. 5 van de tussenbeschikking) dat – zoals het hof in de eerste volzin van de bestreden rov. 2.21 van de eindbeschikking releveert – de advocaat van de vrouw bij V-formulier van 20 juni 2016 te kennen heeft gegeven dat de vrouw na 2017 geen aanspraak op partneralimentatie meer wenst te maken, faalt de klacht. Met de verwijzing naar de eigen verklaring van de vrouw van 14 juni 2016 heeft het hof immers nadere uitleg gegeven aan c.q. nuancering aangebracht op de in de tussenbeschikking genoemde brief van haar advocaat van 20 juni 2016.

2.9.3

Volgens vaste rechtspraak van Uw Raad is de rechter in zijn uitspraak bij de vaststelling van het verhandelde ter zitting niet gebonden aan de inhoud van het proces-verbaal.13 Hieruit volgt dat het gegeven dat de beschikking een gebeurtenis ter zitting weergeeft die niet in het proces-verbaal is vermeld, niet meebrengt dat de beschikking zonder meer onbegrijpelijk is. Er kan wel sprake zijn van een motiveringsgebrek, indien de rechter zijn uitspraak doet stoelen op een voorval ter zitting waarvan het proces-verbaal geen bevestiging inhoudt, doch veeleer een vermelding bevat die op het tegendeel daarvan duidt.14

Het hof heeft in casu vastgesteld (ii) dat ter zitting door de advocaat van de vrouw is bevestigd dat de voorwaarden zoals opgenomen in de verklaring van de vrouw nog steeds gelden. Deze bevestiging is niet terug te vinden in het proces-verbaal. Nu het proces-verbaal echter ook geen vermelding bevat die het tegendeel inhoudt (i.e. dat de voorwaarden zoals vermeld in de verklaring van de vrouw niet langer zouden gelden), is van onbegrijpelijkheid van ’s hofs beslissing op deze grond geen sprake.

2.9.4

Gelet op het slechts voorwaardelijk prijsgeven van haar recht op alimentatie door de vrouw is het hof niet buiten de rechtsstrijd getreden. Nu het hof voorts – in cassatie onbestreden – heeft vastgesteld (iii) dat niet is gebleken dat de door de vrouw gestelde voorwaarden zijn vervuld, is de afwijzing van het verzoek van de man tot beperking van de alimentatieverplichting tot 1 januari 2017 evenmin een verrassingsbeslissing, noch is zij onbegrijpelijk.

2.10

De klachten vervat in middel 1 falen derhalve.

2.11

Middel II richt zich tegen rov. 2.16, waarin het hof onder het kopje “Behoefte” als volgt overweegt:

“2.16 Bij beschikking van 19 april 2011 van de rechtbank Den Haag heeft de rechtbank de totale huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw vastgesteld (op) € 2.794,- netto per maand. Deze beschikking is op 18 juli 2012 door dit hof bekrachtigd. Het hof is van oordeel dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden die leiden tot het oordeel dat thans moet worden afgeweken van de door de rechtbank - aan de welstand van partijen tijdens het huwelijk gekoppelde - vastgestelde behoefte van de vrouw. Dat de vrouw haar woonlasten wellicht met [betrokkene 2] heeft kunnen delen of haar brandstofkosten voor de auto minder zouden zijn geworden, leidt - nu de huwelijksgerelateerde behoefte relevant is - niet tot een ander oordeel.”

Geklaagd wordt dat deze overweging, als ook de daarop voortbouwende rov. 2.19 en het dictum rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd zijn. Ter uitwerking worden de volgende klachten geformuleerd.

2.12

De eerste klacht neemt tot uitgangspunt dat naar ’s hofs oordeel bij de vaststelling van de behoeftigheid van de vrouw niet relevant is dat de meerderjarige inwonende dochter [betrokkene 2] een eigen inkomen verdient dat hoog genoeg is om te kunnen bijdragen in de huurkosten van de vrouw. Aldus zou het hof blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting, omdat een dergelijke omstandigheid moet worden betrokken bij de beoordeling van de behoeftigheid van de alimentatiegerechtigde.

De tweede klacht berust op de lezing dat het hof van oordeel is dat de omstandigheden van het geval meebrengen dat een dergelijke financiële bijdrage in redelijkheid niet van [betrokkene 2] verwacht mag worden. In dat geval zou dit oordeel onbegrijpelijk zijn, nu hiervoor door het hof geen enkele reden wordt genoemd en zijn oordeel daarom niet voor de cassatierechter controleerbaar is.

De derde klacht gaat ervan uit dat het hof bedoeld heeft te oordelen dat in confesso is dat [betrokkene 2] geen financiële bijdrage aan de vrouw heeft betaald, en dat met een niet betaalde vergoeding geen rekening kan worden gehouden. In dat geval zou dit oordeel onjuist zijn, waarvoor verwezen wordt naar de eerste klacht.

Ten vierde voert de man onder verwijzing naar het partijdebat over een financiële bijdrage van [betrokkene 2]15 aan dat hieruit volgt dat in rechte is komen vast te staan dat het inkomen van [betrokkene 2] hoog genoeg was om enige financiële bijdrage te kunnen leveren in de woonlasten van de vrouw. Dit gegeven had volgens de man uitgangspunt moeten zijn bij ’s hofs overwegingen over dit geschilpunt. Indien het hof dit uitgangspunt niet heeft gehanteerd, dan heeft het hof de grenzen van het partijdebat overschreden. Indien hiervan geen sprake is, dan zijn de bestreden overwegingen van het hof onbegrijpelijk gemotiveerd, aldus de man.

2.13

De klachten zoals vervat in onderdeel II falen, nu het oordeel van het hof in rov. 2.16 onjuist noch onbegrijpelijk is. Dat laat zich als volgt toelichten.

2.14

De rechter dient bij het bepalen van de mede aan de welstand gerelateerde behoefte rekening te houden met alle relevante omstandigheden van het geval. De rechter zal hierbij de inkomsten van beide partijen tijdens de laatste jaren waarin zij een gezamenlijke huishouding voerden in aanmerking moeten nemen als ook het uitgavenpatroon in dezelfde periode. Ook de (mogelijkheid van) vermogensvorming kan relevant zijn.16 Als uitgangspunt hierbij geldt dat partijen voor zover mogelijk een levensstaat blijven voeren die in verhouding staat tot het welstandsniveau tijdens het huwelijk.17

De behoefte zal daarnaast zo veel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud door de rechter moeten worden bepaald. In hoeverre de vaste lasten en overige, globaal te schatten, uitgaven of reserveringen voor te verwachten lasten van de onderhoudsgerechtigde redelijk zijn, zal mede beoordeeld moeten worden naar de mate van welstand zoals deze door de rechter is vastgesteld.18

De behoefte aan alimentatie moet in redelijkheid worden bepaald met inachtneming van alle door partijen aangevoerde relevante omstandigheden als voormeld. Daartoe volstaat niet de forfaitaire hof-norm (60% van het vroegere netto gezinsinkomen) als enige maatstaf te hanteren.19

2.15

In de echtscheidingsprocedure die voorafging aan de onderhavige procedure, ging de rechtbank ’s-Gravenhage in haar beschikking van 19 april 2011 uit van een huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw van € 2.794,-- (conform de hof-norm).20 In de daaropvolgende appelprocedure oordeelde het Haagse hof dat de vrouw bij brief van 19 januari 201221 haar behoefte concreet had onderbouwd, en dat deze behoefte, bezien in perspectief van het gezinsinkomen van partijen ten tijde van het huwelijk, redelijk werd geacht.22

2.16

Nu door het hof in de onderhavige procedure is vastgesteld (rov. 2.11) dat geen sprake is van verbleking van de behoefte23 (tegen welk oordeel geen klacht is gericht), geldt als uitgangspunt voor het vaststellen van de behoefte van de vrouw de huwelijksgerelateerde behoefte zoals deze destijds door de rechter is vastgesteld. Het hof heeft dit in rov. 2.16 terecht tot uitgangspunt genomen en daarbij ook verwezen naar de beschikking van het hof (in de echtscheidingsprocedure) van 18 juli 2012, waarbij dat hof de door de rechtbank vastgestelde huwelijksgerelateerde behoefte van € 2.794,- netto per maand heeft bekrachtigd.

2.17

In de door middel II bestreden rechtsoverweging 2.16 komt het hof tot het oordeel dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden die leiden tot het oordeel dat thans moet worden afgeweken van de door de rechtbank vastgestelde (huwelijksgerelateerde) behoefte.

2.18.1

Het hof laat in het midden of – zoals door de man is gesteld, maar door de vrouw is betwist – de dochter in staat was (geweest24) om een bijdrage in de woonlasten van de vrouw te leveren en zo ja, of dit van haar mocht worden verwacht. Daarom falen de tweede, derde en vierde klacht bij gemis aan feitelijke grondslag.

2.18.2

Anders dan de eerste klacht veronderstelt, heeft het hof niet geoordeeld dat een mogelijke bijdrage van de dochter in de woonlasten niet van belang kan zijn bij de vaststelling van de behoefte van de vrouw. Het hof heeft deze mogelijke bijdrage in zijn overwegingen betrokken maar, gegeven de eerder vastgestelde huwelijksgerelateerde behoefte, te licht bevonden. Dit feitelijk oordeel is niet onbegrijpelijk en behoefde ook geen nadere motivering.

2.19

De slotsom is dat beide middelen falen.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Ontleend aan p. 3 van de beschikking van de rechtbank Den Haag van 25 augustus 2015 (prod. C-55 in het overgelegde procesdossier), waarnaar het hof in zijn tussenbeschikking van 14 september 2016 verwijst (op p. 2 bovenaan).

2 Prod. 1 bij inleidend verzoekschrift.

3 Prod. 4 bij inleidend verzoekschrift.

4 De man is bij arrest van het hof Den Haag d.d. 1 juli 2015 veroordeeld, zie prod. 2 bij verweerschrift in appel. Bij arrest van 20 december 2016 heeft de Hoge Raad de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep, zie prod. E bij conclusie na enquête zijdens de vrouw.

5 Rb Den Haag, beschikking van 25 augustus 2015 met zaaknummer C/09/481937 (prod. C-55 in het overgelegde procesdossier).

6 De vrouw heeft op haar beurt incidenteel appel ingesteld. Dit incidenteel appel is in cassatie niet van belang; het blijft hierna buiten beschouwing.

7 Hof Den Haag, beschikking van 14 september 2016, zaaknummer 200.180.425/01.

8 Hof Den Haag, beschikking van 31 mei 2017, zaaknummer 200.180.425/01.

9 Zie art. 426 lid 1 Rv.

10 De man verwijst in dit verband naar het proces-verbaal van 1 juli 2016, p. 2 (verklaring advocaat van de man en verklaring advocaat van de vrouw) en de tussenbeschikking van het hof Den Haag van 14 september 2016, rov. 5 en 6.

11 De man verwijst daarbij naar: HR 27 maart 1998, ECLI:NL:HR:1998:AD2859, NJ 1998/552; HR 16 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1941, NJ 2004/425; HR 2 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU9898, NJ 2012/157, en HR 6 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA1726, RvdW 2013/1039.

12 Processtuk G in het overgelegde procesdossier.

13 Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/265 met verwijzing naar onder meer HR 2 april 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2881, NJ 1999/656 m.nt. S.F.M. Wortmann onder NJ 1999/657; HR 21 januari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1242, NJ 1994/335; HR 2 december 1988, ECLI:NL:HR:1988:AB8207, NJ 1989/301, en HR 2 september 1988, ECLI:NL:HR:1988:AB8075, NJ 1988/1037. Zie ook de conclusie van A-G Hartlief voor HR 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:981, RvdW 2017/638 (onder 3.28), waarin hij verwijst naar de recentere uitspraken HR 2 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU9898, NJ 2012/157 en HR 16 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1941, NJ 2004/425.

14 HR 2 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU9898, NJ 2012/157 en HR 16 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1941, NJ 2004/425.

15 De man verwijst naar: beroepschrift van de man onder 78-85, verweerschrift in incidenteel appel van de man onder 21, verweerschrift in appel tevens houdende incidenteel appel zijdens de vrouw onder 55, en p-v p. 2 (verklaringen van de advocaat van de man en van de advocaat van de vrouw).

16 Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-II 2016/642. Zie ook S.F.M. Wortmann, GS Personen- en familierecht, art. 1:157 BW, aant. 8 en 10 en J.A.M.P. Keijser, Handleiding bij scheiding, Deventer: Kluwer 2013, par. 7.5.3 (p. 182). Zie o.m. HR 19 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AM2379, NJ 2004/140, rov. 3.4; HR 3 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM7050, NJ 2010/473, rov. 3.4, en HR 6 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1336, NJ 2014/298, rov. 3.4.

17 Keijser, a.w., par. 7.5.3.

18 Zie voetnoot 16.

19 HR 3 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM7050, NJ 2010/473, rov. 3.4. Zie over de hof-norm ook Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-II 2016/643.

20 Rb ’s-Gravenhage 19 april 2011, p. 4 (prod. 1 bij inleidend verzoekschrift).

21 Prod. 20 bij inleidend verzoekschrift. Op deze behoeftelijst staat o.m. een bedrag van € 896,38 aan huur.

22 Hof ’s-Gravenhage 18 juli 2012, rov. 7 (prod. 4 bij inleidend verzoekschrift).

23 Zie over het vraagstuk van het verbleken van de behoefte o.m. mijn conclusie voor HR 9 maart 2018, ECLI:NL:PHR:2018:41 onder 2.8, met verwijzing naar o.m. M.A. Beaten, Verbleken van behoefte of hogere eisen aan verdiencapaciteit?, REP 2016/224 (met uitgebreid rechtspraakoverzicht); S.F.M. Wortmann, GS Personen- en familierecht, art. 1:157 BW, aant. 8b; S.F.M. Wortmann, GS Personen- en familierecht, art. 1:401 BW, aant. 10; M. van Yperen-Groenleer, Het effect van tijdsverloop op behoefte en behoeftigheid, EB 2014/34, en Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-II 2016/633 en 642.

24 Uit de getuigenverklaring van de vrouw (p-v d.d. 4 januari 2017) volgt dat de huur van de woning van de vrouw waar zij woonde met [betrokkene 2] is opgezegd op 12 december 2016 en dat [betrokkene 2] nu een eigen huis heeft. In zijn eindbeschikking merkt het hof ook op dat “de vrouw deze woning tot medio december is blijven huren” (rov. 2.7).