Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:40

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
12-01-2018
Datum publicatie
31-01-2018
Zaaknummer
17/03826
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:221, Gevolgd
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Internationaal privaatrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

IPR. Insolventierecht. Yukoszaak, vervolg op HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5668 en HR 16 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:221. Erkenning Russisch faillissementsvonnis in Nederland; maatstaf (HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2838 (Gazprombank)). Toepassing van de openbare-orde-exceptie; schending van fundamentele beginselen en waarden. Verbod van 'révision au fond'. Uitputting van rechtsmiddelen in land van herkomst. Staan voldongen feiten aan niet-erkenning in de weg? Causaal verband tussen fundamentele gebreken in Russische belastingprocedures en Russisch faillissementsvonnis. Motiveringsklachten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2018/559
JBPR 2018/32 met annotatie van dr. mr. M.H.K. Jansen
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 17/03826

Mr. P. Vlas

Zitting: 12 januari 2018

Conclusie in het incident inzake:

1. De rechtspersoon naar het recht van de Russische Federatie OOO Promneftstroy,

gevestigd te Moskou, Russische Federatie,

2. Yukos Finance B.V. (zoals lange tijd vertegenwoordigd door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , thans door [betrokkene 3] , [betrokkene 4] en [betrokkene 2] ),

gevestigd te Amsterdam,

hierna gezamenlijk te noemen: Promneftstroy c.s.

tegen

1. [verweerder 1] ,

wonende te [woonplaats] , Verenigde Staten van Amerika,

2. [verweerder 2] ,

wonende te [woonplaats] , Texas, Verenigde Staten van Amerika,

3. Yukos Finance B.V. (zoals lange tijd vertegenwoordigd door [verweerder 2] en [verweerder 1] , thans door [verweerder 1] ),

gevestigd te Amsterdam,

hierna gezamenlijk te noemen: [verweerders]

In dit incident in cassatie komt een processuele vraag aan de orde. Na voeging van twee zaken met identieke vorderingen heeft het hof bij één arrest uitspraak gedaan. In de procesinleiding in cassatie is door eisers tot cassatie beroep ingesteld tegen het arrest van het hof, maar is slechts het zaaknummer van één van de twee zaken vermeld. Brengt de omstandigheid dat verzuimd is het zaaknummer van de tweede zaak te vermelden mee dat in die zaak geen cassatieberoep is ingesteld en daarom het cassatieberoep in de wel vermelde zaak moet stranden bij gebrek aan belang?

1. Feiten 1 en procesverloop

1.1 Voor de bespreking van het thans aan de orde zijnde incident kan worden volstaan met een korte weergave van de feiten. De vennootschap naar het recht van de Russische Federatie OAO Yukos Oil Company (hierna: Yukos Oil) is bij uitspraak van het Moscow City Arbitrazh Court van 1 augustus 2006 in staat van faillissement verklaard. Daarbij werd [betrokkene 5] (hierna: [betrokkene 5] ) tot curator benoemd.

1.2 Bij uitspraak van 15 november 2007 heeft het Moscow City Arbitrazh Court de insolventieprocedure beëindigd. [betrokkene 5] heeft de beëindiging van het faillissement op 21 november 2007 doen inschrijven in een daartoe bestemd register. Met die inschrijving is Yukos Oil naar het recht van de Russische Federatie opgehouden te bestaan.

1.3 Yukos Oil hield tijdens haar bestaan alle aandelen in Yukos Finance B.V., een vennootschap naar Nederlands recht.

1.4 [verweerder 1] (hierna: [verweerder 1] ) en [verweerder 2] (hierna: [verweerder 2] ) traden vanaf medio november 2005 op als bestuurders van Yukos Finance. Bij aandeelhoudersbesluit van 11 augustus 2006 heeft mr. Gispen, handelend in opdracht van [betrokkene 5] en daarmee als (beweerdelijk) vertegenwoordiger van de enige aandeelhouder, [verweerder 1] en [verweerder 2] met onmiddellijke ingang als bestuurders van Yukos Finance ontslagen. [verweerder 1] en [verweerder 2] stellen zich op het standpunt dat dit besluit nietig (“null and void”) is.

1.5 Namens Yukos Oil heeft [betrokkene 5] bij aandeelhoudersbesluiten van 14 en 30 augustus 2006 [betrokkene 6] en [betrokkene 7] benoemd tot bestuurders van Yukos Finance.

1.6 [betrokkene 5] heeft vervolgens namens Yukos Oil bij aandeelhoudersbesluit van 10 september 2007 [betrokkene 1] en [betrokkene 2] tot bestuurders van Yukos Finance benoemd en bij aandeelhoudersbesluit van dezelfde datum aan [betrokkene 6] en [betrokkene 7] decharge verleend over hun bestuursperiode.

1.7 [betrokkene 5] heeft de aandelen in Yukos Finance op een door hem uitgeschreven openbare veiling te Moskou verkocht aan Promneftstroy en geleverd bij akte van 10 september 2007, verleden ten overstaan van een notaris te Amsterdam.

1.8 [verweerders] hebben in deze procedure in eerste aanleg, kort samengevat, gevorderd:

(i) een verklaring voor recht dat alle door [betrokkene 5] of in diens naam met betrekking tot Yukos Finance genomen aandeelhoudersbesluiten alsmede de besluiten die [betrokkene 6] en [betrokkene 7] hebben genomen als door [betrokkene 5] benoemde bestuurders van Yukos Finance nietig zijn dan wel vernietigd zullen worden, althans deze besluiten te vernietigen;

(ii) een bevel aan [betrokkene 5] en aan [betrokkene 6] en [betrokkene 7] om mee te werken aan ongedaanmaking van de gevolgen van de door hen genomen aandeelhouders- respectievelijk bestuursbesluiten;

(iii) een verbod aan [betrokkene 5] om nog enig recht met betrekking tot de aandelen in Yukos Finance uit te oefenen en aan [betrokkene 6] en [betrokkene 7] om enig recht uit hoofde van hun vermeende bevoegdheid tot vertegenwoordiging van Yukos Finance uit te oefenen, een en ander op straffe van een dwangsom.

1.9 De rechtbank Amsterdam heeft de vorderingen bij vonnis van 31 oktober 2007 voor het merendeel toegewezen en heeft daartoe, kort samengevat, geoordeeld dat het Russische faillissementsvonnis waarbij [betrokkene 5] tot curator in het faillissement van Yukos Oil is benoemd, tot stand is gekomen op een wijze die niet in overeenstemming is met de Nederlandse beginselen van een behoorlijke procesorde en aldus strijdig is met de Nederlandse openbare orde, zodat het faillissementsvonnis om die reden niet kan worden erkend en [betrokkene 5] niet bevoegd was Yukos Oil in Nederland te vertegenwoordigen. Dit brengt, aldus de rechtbank, mee dat de door [betrokkene 5] namens Yukos Oil genomen aandeelhoudersbesluiten nietig zijn en dat dus [betrokkene 6] en [betrokkene 7] nooit tot bestuurders van Yukos Finance zijn benoemd, zodat ook alle door hen in die hoedanigheid genomen besluiten nietig zijn.2

1.10 [betrokkene 5] en [betrokkene 6] hebben, ieder afzonderlijk, tegen het vonnis van de rechtbank principaal hoger beroep ingesteld en gevorderd dat vonnis te vernietigen en de vorderingen van [verweerders] alsnog af te wijzen. De zaken zijn gevoegd bij een op 24 februari 2009 uitgesproken tussenarrest van het hof Amsterdam.3 Na voeging van de beide appelprocedures en tussenkomst van Promneftstroy c.s. in beide zaken, hebben Promneftstroy c.s. bij memorie van grieven vernietiging van het vonnis van de rechtbank en afwijzing van de vorderingen van [verweerders] gevorderd en voorts verklaringen voor recht dat het ontslag van [verweerder 1] en [verweerder 2] en de daaropvolgende benoeming van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] als bestuurders van Yukos Finance en de overdracht van de aandelen in Yukos Finance aan Promneftstroy rechtsgeldig zijn.

1.11 Het hof Amsterdam heeft op 19 oktober 2010 een arrest gewezen, waarin de door Promneftstroy c.s. ingestelde vorderingen zijn afgewezen, voor recht is verklaard dat Promneftstroy geen rechthebbende op de aandelen in Yukos Finance is geworden, alle verdere beslissingen in het door [betrokkene 5] en [betrokkene 6] ingestelde hoger beroep zijn aangehouden en de zaken naar de rol zijn verwezen. Daartegen is door [betrokkene 6] , [betrokkene 5] en Promneftstroy c.s. principaal beroep in cassatie ingesteld.

1.12 Bij tussenarrest van 29 juni 2012 heeft de Hoge Raad [betrokkene 5] niet-ontvankelijk verklaard in zijn principaal cassatieberoep, omdat hij door het verlies van de hoedanigheid van curator in het faillissement van Yukos Oil hangende het hoger beroep de bevoegdheid had verloren in die hoedanigheid beroep in cassatie in te stellen. In de incidentele cassatieberoepen van [verweerders] heeft de Hoge Raad het arrest van het hof van 19 oktober 2010 vernietigd, uitsluitend voor zover [betrokkene 5] daarbij in zijn hoger beroep ontvankelijk is geoordeeld, en heeft hij [betrokkene 5] alsnog niet-ontvankelijk verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep met zijn veroordeling in de kosten daarvan. [betrokkene 5] speelt daarom geen rol meer in de procedure.4

1.13 De Hoge Raad heeft ook [betrokkene 6] niet-ontvankelijk verklaard in zijn principale cassatieberoep, daartoe overwegend dat in het dictum van het arrest van 19 oktober 2010 geen beslissingen voorkomen waarbij in de procedure tussen [verweerders] enerzijds en [betrokkene 6] anderzijds omtrent het over en weer gevorderde een einde aan het geding is gemaakt.

1.14 In zijn eindarrest van 13 september 2013 heeft de Hoge Raad, kort samengevat, in de zaken tussen [verweerders] enerzijds en Promneftstroy c.s. anderzijds geoordeeld dat, anders dan het hof in zijn arrest van 19 oktober 2010 had beslist, het territorialiteitsbeginsel in dit geval niet in de weg staat aan de verkoop en levering van de aandelen in Yukos Finance door [betrokkene 5] aan Promneftstroy. De Hoge Raad heeft het arrest van het hof van 19 oktober 2010 vernietigd en het geding ter verdere behandeling en beslissing (terug)verwezen naar het hof Amsterdam.5 De procedure bevond zich wat betreft het geschil tussen Promneftstroy c.s. en [verweerders] dus in de stand van een procedure na vernietiging en verwijzing door de Hoge Raad.

1.15 Het EHRM heeft in de door Yukos Oil tegen de Russische Federatie gevoerde procedure bij uitspraak van 20 september 2011, kort samengevat, de klachten van Yukos Oil voor een (relatief gering) deel gegrond verklaard en voor het overige afgewezen.6 Bij uitspraak van 31 juli 2014 heeft het EHRM aan de voormalige aandeelhouders van Yukos Oil een vergoeding toegekend van ruim € 1,8 miljard.7

1.16 [verweerders] hebben, voor zover in cassatie van belang, jegens Promneftstroy c.s. – na eiswijziging in appel – gevorderd:

(i) een verklaring voor recht dat Promneftstroy geen rechthebbende op de aandelen in Yukos Finance is geworden;

(ii) een bevel aan Promneftstroy medewerking te verlenen aan het ongedaan maken van (de gevolgen van) de door haar in Yukos Finance genomen aandeelhoudersbesluiten en (iii) een verbod aan Promneftstroy om enig recht uit te oefenen met betrekking tot die aandelen, met beslissing over de proceskosten.

1.17 Jegens [betrokkene 6] hebben [verweerder 1] c.s gevorderd (nog steeds) als onder 1.8 weergegeven.

1.18 Promneftstroy c.s. hebben, voor zover in cassatie van belang, gevorderd verklaringen voor recht dat (i) het ontslag van [verweerder 1] en [verweerder 2] en de daaropvolgende benoeming van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] als bestuurders van Yukos Finance rechtsgeldig zijn geschied, en (ii) de overdracht van de aandelen in Yukos Finance aan Promneftstroy rechtsgeldig is, met beslissing over de proceskosten.

1.19 In het tussenarrest van 21 juni 2016 heeft het hof, kort weergegeven, geoordeeld dat het beroep van Promneftstroy c.s. op art. 424 Rv, op de tweeconclusieregel en op de goede procesorde met betrekking tot de toelating van nieuwe producties dient te worden verworpen.

1.20 In het eindarrest van 9 mei 2017 heeft het hof, kort weergegeven, geoordeeld dat het Russische vonnis tot faillietverklaring niet voor erkenning in aanmerking komt wegens strijd met de Nederlandse openbare orde. De in hoger beroep jegens Promneftstroy c.s. gevorderde verklaring van recht dat Promneftstroy geen rechthebbende op de aandelen in Yukos Finance is geworden, heeft het hof toegewezen. De verdere jegens Promneftstroy c.s. ingestelde vorderingen, evenals het door Promneftstroy c.s. gevorderde, heeft het hof afgewezen.8

1.21 Tegen het tussenarrest van 21 juni 2016 en het eindarrest van 9 mei 2017 van het hof hebben Promneftstroy c.s. (tijdig) cassatieberoep ingesteld. Zowel [verweerder 1] als Yukos Finance (zoals vertegenwoordigd door [verweerder 1] ) als [verweerder 2] hebben bij afzonderlijk verweerschrift een incidentele vordering op de voet van art. 415 Rv ingesteld en tevens een voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep. Promneftstroy c.s. hebben een verweerschrift ingediend en geconcludeerd tot verwerping van de incidentele vordering.

1.22 Het (principaal) cassatieberoep is, kort weergegeven, gericht tegen het oordeel van het hof in het tussenarrest dat het beroep van Promneftstroy c.s. op art. 424 Rv, de tweeconclusieregel en de goede procesorde met betrekking tot de toelating van nieuwe producties moet worden verworpen, en tegen het oordeel van het hof in het eindarrest dat erkenning van het in geding zijnde Russische faillissementsvonnis in strijd is met de Nederlandse openbare orde.

2 Bespreking van de incidentele vordering

2.1

[verweerders] voeren in hun verweerschriften aan dat Promneftstroy c.s. niet-ontvankelijk zijn in het principaal cassatieberoep, dan wel dat het cassatieberoep moet worden verworpen, omdat Promneftstroy c.s. geen rechtsmiddel hebben ingesteld tegen de arresten in de zaak met zaaknummer 200.002.104/02. Promneftstroy c.s. hebben in de procesinleiding namelijk uitsluitend cassatieberoep aangezegd in de zaak met zaaknummer 200.002.097/02. De procesinleiding vermeldt onder par. 1 ‘Bestreden arresten’ het volgende:

‘Eisers stellen cassatieberoep in tegen het tussenarrest van 21 juni 2016 (het “Tussenarrest”) en het eindarrest van 9 mei 2017 (het “Eindarrest”), gewezen door het Gerechtshof te Amsterdam (het “hof”), in de zaak met zaaknummer 200.002.097/02, tussen eisers als tussenkomende partijen en [verweerders] als geïntimeerden (de “Arresten”)’.9

2.2

[verweerders] betogen dat uitsluitend in zaak 200.002.097/02 (hierna: zaak 097) cassatieberoep is aangezegd en derhalve geen cassatieberoep in zaak 200.002.104/02 (hierna: zaak 104). Zij doen een beroep op het gebrek aan belang van Promneftstroy c.s., gelet op de bindende kracht van de beslissing van de arresten als gevolg van art. 236 lid 1 Rv in de zaak 104 tussen Promneftstroy c.s. en [verweerders] De beslissing in die zaak is identiek aan de beslissing uit de bestreden arresten in de zaak 097. De rechtszekerheid, in het bijzonder met betrekking tot de vraag of een rechtsmiddel aanhangig is of niet, verzet zich ertegen dat het cassatieberoep met een expliciete vermelding in de aanzegging in de procesinleiding van enkel zaak 097 eveneens een beroep in de zaak 104 inhoudt. Voorts verzet de rechtszekerheid zich ertegen dat het verzuim met een beroep op de deformaliseringsgedachte in het burgerlijk procesrecht na het verstrijken van de cassatietermijn hersteld kan worden. Herstel zou dan ook in strijd zijn met de eisen van een goede procesorde, aldus [verweerders]

2.3

In het verweerschrift zijdens [verweerder 2] wordt er bovendien nog op gewezen dat het bij de uitleg van een exploot, gelet op art. 3:59 BW in samenhang met art. 3:33 BW en 3:35 BW, aankomt op de vraag wat verweerders begrepen en redelijkerwijs behoorden te begrijpen op basis van hetgeen in het exploot is vermeld. Uit HR 22 oktober 2004 volgt dat hierbij een strenge maatstaf geldt.10 De aanzegging heeft een zelfstandige afbakeningsfunctie in het belang van de rechtszekerheid. In de onderhavige zaak, waarbij de aanzegging expliciet het zaaknummer van één van de twee zaken vermeldt, verzet de rechtszekerheid zich tegen een uitleg dat het beroep is ingesteld in beide zaken. Eén en ander leidt niet tot excessief formalisme (‘excessive formalism’) in de zin van de rechtspraak van het EHRM.11 Het gaat er in dit verband niet slechts om of in strijd is gehandeld met een nationale (procesrechtelijke) regel, maar of er ook daadwerkelijk inbreuk is gemaakt op hetgeen die regel beoogt te beschermen, aldus [verweerder 2] .

2.4

Bij de bespreking van het opgeworpen incident stel ik het volgende voorop. Het is vaste rechtspraak dat een zaaksvoeging op de voet van art. 222 Rv dan wel een informele rolvoeging niet afdoet aan de processuele zelfstandigheid van beide zaken.12 Deze zelfstandigheid houdt onder meer in dat de voeging niet tot gevolg heeft dat een bij één van de gevoegde zaken betrokken partij nadien partij is in de andere zaak.13 De processuele zelfstandigheid houdt eveneens in, dat in iedere zaak afzonderlijk een rechtsmiddel moet worden ingesteld.14

2.5

Het gevolg van een voeging op de voet van art. 222 Rv is onder meer dat de procedures gelijktijdig worden behandeld en dat volstaan kan worden met één processtuk, zoals één memorie van grieven. Daarnaast kan in alle zaken tegelijk uitspraak worden gedaan bij één vonnis, arrest of beschikking.15 In het geval dat op grond van subjectieve cumulatie, voeging of rolvoeging bij één vonnis, arrest of beschikking in alle zaken tegelijk uitspraak wordt gedaan, mag bij één dagvaarding of één verzoekschrift, dan wel bij procesinleiding in het geval van digitaal procederen, een rechtsmiddel worden aangewend.16

2.6

In de onderhavige zaak is op de procesinleiding in cassatie het KEI-regime van toepassing. Art. 407 lid 1 Rv bepaalt dat het beroep in cassatie wordt ingesteld door het indienen van een procesinleiding in dezelfde vorm en met dezelfde vereisten als in eerste aanleg, behoudens het bepaalde in de volgende leden van art. 407 Rv. Het tweede lid van art. 407 Rv bepaalt onder meer dat de procesinleiding, in afwijking van art. 30a lid 3, onder d, Rv, de omschrijving van de middelen behelst waarop het beroep in cassatie steunt. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat voor de vaststelling van de omvang van het cassatieberoep de inhoud van het middel bepalend is.17 Hoewel de wet niet de eis stelt dat de eiser tot cassatie in de procesinleiding uitdrukkelijk dient te vermelden tegen welke uitspraak hij opkomt, pleegt de eiser dit wel aan de verweerder kenbaar te maken.18 Korthals Altes & Groen merken in dit verband op:

‘Onjuistheid en zelfs ontbreken van de aanduiding der bestreden uitspraak in de dagvaarding wordt ten gevolge van de buitenwerkingstelling van art. 111 lid 2 onder d Rv niet met nietigheid bedreigd. Een dergelijke misslag kan ten hoogste leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens onduidelijkheid van de middelen (…). In de regel zal de verweerder uit de geformuleerde klachten kunnen opmaken tegen welke uitspraak de voorziening is gericht’.19

De verwijzing in dit citaat naar art. 111 lid 2, onder d, Rv moet thans onder het KEI-regime worden gelezen als een verwijzing naar art. 30a lid 3, onder d, Rv. Genoemd artikellid is krachtens art. 407 lid 2 Rv niet van toepassing in de procedure in cassatie.

2.7

Ingevolge art. 3:59 BW zijn op de uitleg van de dagvaarding dan wel de procesinleiding ingeval van digitaal procederen art. 3:33 BW en art. 3:35 BW van overeenkomstige toepassing.20 In het kader van de vraag in welke hoedanigheid een eisende partij optreedt, heeft de Hoge Raad overwogen dat ten aanzien van de uitleg in verband met de aard van het exploot en de belangen van de wederpartij strenge eisen moeten worden gesteld aan de duidelijkheid van de formulering van het exploot.21 Onder het KEI-regime is dit niet anders ten aanzien van de uitleg van de procesinleiding in cassatie.

2.8

In de onderhavige zaak hebben eisers tot cassatie en verweerders in cassatie in de twee zaken jegens elkaar identieke vorderingen ingesteld.22 Het hof heeft, voor zover in cassatie van belang, in één tussenarrest en één eindarrest een identieke beslissing gegeven met betrekking tot de identieke vorderingen in beide zaken. De middelen waarop het cassatieberoep steunt, bestrijden deze beslissing van het hof. De cassatiemiddelen zijn namelijk gericht tegen het identieke oordeel van het hof in beide zaken over dezelfde geschilpunten tussen partijen. Zij bestrijden in het bijzonder de beslissing van het hof dat de gevorderde verklaring voor recht door [verweerders] wordt toegewezen en de vorderingen van Promneftstroy c.s. worden afgewezen. In de procesinleiding in cassatie (onder 3, p. 2) staat vermeld dat Promneftstroy c.s. ‘tegen de arresten’ het in de procesinleiding uiteengezette middel van cassatie aanvoeren. De woorden ‘de arresten’ hebben in dit verband betrekking op zowel het tussenarrest als het eindarrest. In de conclusie (procesinleiding in cassatie onder 5, p. 114) vorderen Promneftstroy c.s. op grond van het cassatiemiddel de vernietiging van het desbetreffende tussenarrest en het eindarrest (‘de beide bestreden arresten’). Uit het voorgaande volgt dat de inhoud van het cassatiemiddel in het onderhavige geval voor de wederpartij en de rechter voldoende kenbaar maakt dat het beroep is ingesteld tegen de arresten van het hof in beide zaken.

2.9

Het ontbreken van de aanduiding van het zaaknummer van één van beide zaken in de aanzegging dan wel de omstandigheid dat het zaaknummer van één van de twee zaken expliciet is vermeld en het andere zaaknummer niet, dwingt mijns inziens niet tot de uitleg dat het cassatieberoep beperkt is tot de beslissing in de zaak waarvan het nummer wel is vermeld (zaak 097). Het cassatiemiddel laat, zoals volgt uit hetgeen ik hierboven heb geschreven, erover geen twijfel bestaan dat de (identieke) beslissing van het hof in beide zaken over de toe- en afwijzing van de (identieke) vorderingen, gedaan bij één tussenarrest en één eindarrest, wordt bestreden. De conclusie dat het beroep is ingesteld in beide zaken is dan ook, mede geplaatst in het licht van het procesverloop en het gevoerde processuele debat, niet in strijd met de uitlegregels die gelden voor een procesinleiding, die – mede gelet op de belangen van de processuele wederpartij – strenge eisen stellen.23 Ik wijs er in dit verband nog op dat zowel uit het tussenarrest als uit het eindarrest van het hof blijkt dat de zaken niet alleen nauwe samenhang vertonen maar ook processueel nauw verbonden zijn. Zo heeft het hof in het tussenarrest van 21 juni 2016 de incidentele vorderingen gezamenlijk besproken en merkt het hof op dat partijen ter comparitie ermee hebben ingestemd dat alle producties die door alle partijen in het geding zijn gebracht, als in beide zaken ingediend moeten worden beschouwd (rov. 5.1.4). Met ‘beide zaken’ bedoelt het hof zaak 097 en zaak 104. In het eindarrest van 9 mei 2017 heeft het hof de beide zaken (zaak 097 en zaak 104) gezamenlijk beoordeeld (zie rov. 4 onder het kopje ‘De verdere beoordeling in beide zaken’ en vanaf rov. 4.8 ‘Inhoudelijke beoordeling in de zaken na verwijzing (200.002.097/02 en 200.002.104/02)’), terwijl ook in het dictum van het eindarrest (onder 5) ten aanzien van Promneftstroy c.s. in beide zaken gelijkelijk uitspraak wordt gedaan.

2.10

Het bovenstaande wordt niet anders door hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 9 december 2011.24 In die zaak betrof het een situatie van twee afzonderlijke arresten van het hof en kon, gelet op het cassatiemiddel en de cassatiedagvaarding, niet worden aanvaard dat het cassatieberoep eveneens een cassatieberoep in de parallelzaak impliceerde. Ik citeer uit het arrest van de Hoge Raad:

‘3.3. (…). De omstandigheid dat de rechtsbetrekking die in het onderhavige arrest is beoordeeld, ook in geschil was in de parallelzaak, en dat daarover in die parallelzaak onherroepelijk is beslist, brengt ingevolge art. 236 lid 1 Rv mee dat laatstgenoemde beslissing tussen partijen bindende kracht heeft. Daarom heeft [eiser tot cassatie] geen belang meer bij de beoordeling van het in de onderhavige zaak aangevoerde middel. (…). De omstandigheden dat tussen beide zaken een nauwe samenhang bestond, dat ter rolle een zogeheten rolvoeging heeft plaatsgevonden, en dat in beide zaken op dezelfde datum arrest is gewezen, doen niet af aan de processuele zelfstandigheid van beide zaken. Voorts kan, (…), niet worden aanvaard dat het cassatieberoep in de onderhavige zaak een cassatieberoep in de parallelzaak impliceert, nu in de cassatiedagvaarding uitsluitend beroep in de onderhavige zaak is aangezegd. (…)’.

2.11

Dat het cassatiemiddel niet tegen alle overwegingen van het hof, in het bijzonder rov. 4.76 t/m 4.87 van het bestreden eindarrest, klachten richt, maakt het bovenstaande niet anders. Dat het middel ingesteld door Promneftstroy c.s., die in de appelprocedures zijn tussengekomen en in beide zaken een eigen vordering hebben ingesteld, geen klachten bevat die gericht zijn tegen de rechtsoverwegingen van het hof in het bestreden eindarrest die betrekking hebben op argumenten van [betrokkene 6] , ligt immers voor de hand.

2.12

Niet ter discussie staat dat het cassatieberoep in de onderhavige zaak tijdig is ingesteld. De rechtszekerheid, die ertoe dwingt dat de termijn voor het instellen van een rechtsmiddel niet mag worden overschreden, is hier dan ook niet in het geding. In de onderhavige zaak is, zo volgt onder meer uit art. 407 Rv, geen plicht geschonden waarop volgens de wet een nietigheidsanctie staat. Herstel van een gebrek dat met nietigheid wordt bedreigd, geplaatst in het licht van de deformaliseringstendens in de rechtspraak over nietigheden, is dan ook niet aan de orde.

2.13

Aangezien uit het voorgaande volgt dat het cassatieberoep is ingesteld in de beide zaken (zaak 097 en zaak 104), behoeft in het onderhavige geval niet te worden onderzocht of er sprake is van excessief formalisme in het kader van art. 6 EVRM.

2.14

De slotsom is dat de door [verweerders] opgeworpen incidentele vorderingen moeten worden verworpen.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van de incidentele vorderingen.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie rov. 2.1-2.7 van het hof Amsterdam van 9 mei 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:1695, TvI 2017/35, m.nt. A.J. Berends, JBPr 2017/66, m.nt. T.M. Bos, JOR 2017/215, m.nt. M.A. Broeders. Het hof is voor de feiten uitgegaan van de feiten die de Hoge Raad in rov. 3.1 van zijn tussenarrest van 29 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BZ5668, NJ 2012/424, tot uitgangspunt heeft genomen.

2 Rechtbank Amsterdam 31 oktober 2007, ECLI:NL:RBAMS:2007:BB6782, JOR 2008/56, m.nt. P.M. Veder; Ondernemingsrecht 2008/60, m.nt. M.A. Broeders.

3 Zie hof Amsterdam van 24 februari 2009, zaaknummers 200.002.097/01, 200.002.104/01 en 200.005.434/01, rov. 4.1.2 en rov. 4.2.1, evenals het dictum onder 5.1.2 en 5.2.1, en zie in dit verband rov. 4.3.2 in de zaak met zaaknummer 200.005.434/01.

4 HR 29 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU5630, NJ 2012/424, rov. 4.1.1.-4.1.5.

5 HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5668, NJ 2014/454, m.nt. Th.M. de Boer; JOR 2014/50, m.nt. R.I.V.F. Bertrams; TvI 2014/6, m.nt. J.R. Berkenbosch; Ondernemingsrecht 2014/41, m.nt. M.L.H. Reumers.

6 EHRM 20 september 2011, nr. 14902/04 (OAO Neftyanaya Kompaniya Yukos v. Russia).

7 EHRM 31 juli 2014, nr. 14902/04 (OAO Neftyanaya Kompaniya Yukos v. Russia).

8 Zie rov. 4.60-4.74 en het dictum van het arrest van het hof Amsterdam 9 mei 2017.

9 Zie procesinleiding in cassatie, p. 2.

10 HR 22 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1435, NJ 2006/202, m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.4.

11 Het verweerschrift verwijst naar o.m. EHRM 30 juli 2009, nr. 18522/06; EHRM 24 april 2008, nr. 17140/05; EHRM 11 januari 2001, nr. 38460/97.

12 Zie HR 21 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2500, NJ 1999/146, rov. 3.3; HR 21 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2904, NJ 2000/291, m.nt. J.B.M. Vranken; HR 20 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7414, NJ 2009/289, m.nt. P.C.E. van Wijmen. Zie ook Asser Procesrecht/Van Schaick 2, 2016/58; Hugenholtz/Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands Burgerlijk Procesrecht, 2015/105; Asser/Procesrecht Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4, 2012/44; J.H. van Dam-Lely, T&C Rv, art. 222 Rv, aant. 2d; G. Snijders, Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, art. 222 Rv, aant. 4; H.J. Snijders & A. Wendels, Civiel appel, 2009/88.

13 Zie Klaassen, Meijer & Snijders, Nederlands burgerlijk procesrecht, 2017/184 en HR 21 mei 1999, reeds aangehaald.

14 In gelijke zin Vranken in zijn noot in NJ 2000/291 bij HR 21 mei 1999, reeds aangehaald.

15 Klaassen, Meijer & Snijders, Nederlands burgerlijk procesrecht, 2017/184.

16 Zie HR 12 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5801, NJ 2012/587, rov. 3.2., waar de Hoge Raad verwijst naar HR 9 mei 1958, NJ 1959/321. Zie ook Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/210 en de noot van K. Teuben in JBPr 2013/25.

17 Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/209. Zie in dit verband met betrekking tot de omvang van het hoger beroep HR 3 november 1972, ECLI:NL:HR:1972:AB3661, NJ 1973/146 en HR 15 oktober 1976, ECLI:NL:HR:1976:AB4948, NJ 1977/57, m.nt. W.H. Heemskerk. Zie ook Snijders & Wendels, a.w., nr. 137 en H.E. Ras, bewerkt door A. Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken, Serie Burgerlijk Proces & Praktijk, 2017/2.

18 Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/209; E. Korthals Altes, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 407 Rv, aant. 3.

19 Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/210, waar verwezen wordt naar HR 14 oktober 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4657, NJ 1984/47, m.nt. W.H. Heemskerk.

20 HR 22 oktober 2004, reeds aangehaald, rov. 3.4, met verwijzing naar de Parl. Gesch. Boek 3 BW, MvA II bij art. 3:59 BW, p. 251. In gelijk zin Asser/Procesrecht Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4, 2012/44.

21 HR 22 oktober 2004, reeds aangehaald, rov. 3.4 onder c. Zie in dit kader eveneens HR 14 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB4765, NJ 2008/10.

22 Zie rov. 3.3 van het bestreden eindarrest en rov. 3.9 van het bestreden eindarrest met betrekking tot de procedure na vernietiging en verwijzing door de Hoge Raad.

23 Zie in dit verband HR 10 augustus 1989, ECLI:NL:HR:1989:AC1559, NJ 1989/844 ten aanzien van de vraag of en in hoeverre van een vonnis is geappelleerd.

24 HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7594, NJ 2011/602.