Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:394

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
24-04-2018
Datum publicatie
25-04-2018
Zaaknummer
17/00090
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:1941
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG over de strafbaarstelling van mensenhandel, bestaande uit het dwingen dan wel bewegen te bevoordelen uit de opbrengsten uit seksuele handelingen a.b.i. art. 273, eerste lid, aanhef en onder 9, Sr. Meer in het bijzonder staat in de conclusie de vraag centraal of ‘uitbuiting’ als impliciet bestanddeel van art. 273f, eerste lid, aanhef en onder 9, Sr moet worden beschouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/00090

Zitting: 24 april 2018

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 8 december 2016 de verdachte vrijgesproken van het hem ten laste gelegde. Voorts heeft het hof de teruggave aan de verdachte gelast van een in beslag genomen geldbedrag.

  2. Het openbaar ministerie heeft beroep in cassatie ingesteld. Mr. H.H.J. Knol, advocaat-generaal bij het ressortsparket, heeft bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel behelst de klacht dat het hof de verdachte heeft vrijgesproken van iets anders dan hem ten laste is gelegd, door ten onrechte te oordelen dat voor het bewijs van de overtreding van art. 273f, eerste lid, aanhef en onder 9⁰, (oud) Sr is vereist dat sprake is van (een oogmerk van) uitbuiting. Tevens wordt in het middel geklaagd dat de gegeven vrijspraak ter zake van het onder 2 ten laste gelegde blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans dat deze niet zonder meer begrijpelijk is.

  4. Aan de verdachte is in hoger beroep onder 1 en 2 ten laste gelegd dat:

“1.

hij in of omstreeks de periode van 1 april 2009 tot en met 15 juni 2010 te Amsterdam en/of Alkmaar en/of Den Haag, in elk geval in Nederland, en/of te Oradea, in elk geval in Roemenië, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, in elk geval alleen, een of meer anderen, genaamd [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] door dwang en/of geweld en/of één of meer andere feitelijkheden en/of door dreiging met geweld en/of dreiging met één of meer andere feitelijkheden en/of door misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2]

en/of

voornoemde [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] heeft aangeworven en/of medegenomen met het oogmerk [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling,

en/of

[betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] (telkens) met een van voornoemde middelen heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (te weten: prostitutiewerkzaamheden)

en/of

onder de eerdergenoemde omstandigheden enige handeling heeft ondernomen waarvan hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] zich daardoor beschikbaar stelde(n) tot het verrichten van arbeid of diensten (te weten: prostitutiewerkzaamheden)

en/of

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2]

en/of

[betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] met één of meer van de voornoemde middelen heeft gedwongen dan wel bewogen hem, verdachte en/of zijn mededader(s) te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] met of voor een derde,

immers heeft/is verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen

- een relatie met [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] aangegaan en/of

- [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] meermalen onder druk gezet en/of ertoe aangezet prostitutiewerkzaamheden te gaan verrichten en/of gebracht tot het verrichten van prostitutiewerkzaamheden en/of

- (terwijl [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] prostitutiewerkzaamheden verrichtten) [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] (telefonisch) gecontroleerd en/of gevraagd hoeveel geld [betrokkene 1] en) of [betrokkene 2] heeft/hebben verdiend en/of

- (terwijl [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] prostitutiewerkzaamheden verrichtten) [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] (nauwlettend) in de gaten laten houden en/of

- (telkens) een groot deel van de verdiensten uit de verrichte prostitutiewerkzaamheden van [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] afgenomen en/of afgepakt en/of door [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) laten afstaan en/of

- gezorgd voor het vervoer van [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] van en naar de prostitutiekamer en/of

- zich agressief gedragen tegenover [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of

- [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] gedwongen 7 dagen per week te werken;

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 2009 tot en met 15 juni 2010 te Amsterdam, althans in Nederland, en/of in Roemenië, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte,

(telkens), één of meer (contante) geldbedragen en/of voorwerpen en/of een of meer betalingen en/of ontvangsten, te weten (onder meer):

- (telkens) een groot deel van de verdiensten uit de door [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] verrichte prostitutiewerkzaamheden,

verworven en/of voorhanden gehad, althans hiervan gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en), dat bovenomschreven voorwerp (en) en/of geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.”

5. Het hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep voor zover dat is gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde ten aanzien van [betrokkene 2] . Voor het overige heeft hof de verdachte van het ten laste gelegde vrijgesproken. Het heeft daartoe het volgende overwogen:

“Overwegingen en oordeel van het hof

artikel 273f eerste lid, sub 1, 3, 4 en 6 Sr

Het hof deelt het standpunt van de advocaat-generaal en de raadsman dat uit het dossier noch uit het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg of hoger beroep bewijs naar voren is gekomen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de ten laste gelegde handelingen met betrekking tot artikel 273f, eerste lid, sub 1, 3 ten eerste en ten tweede, en 6 Sr. De verdachte zal van deze onderdelen van de tenlastelegging worden vrijgesproken. Anders dan de advocaat-generaal heeft betoogd, geldt dat ook voor het ten laste gelegde bewegen van [betrokkene 1] om zich beschikbaar te stellen als prostituée (sub 4). Het enkele feit dat, zoals hierna uitgebreider zal worden besproken, de door [betrokkene 1] aan de verdachte op diens verzoek verstrekte bedragen afkomstig waren uit de opbrengsten van haar werk in de prostitutie, maakt nog niet dat [betrokkene 1] daardoor in de prostitutie is blijven werken. Evenmin is bewezen het (meer of anders) ten laste gelegde medeplegen, zodat de verdachte ook hiervan zal worden vrijgesproken.

Gelet op het voorgaande zal het hof zich bij de bespreking van het ten laste gelegde verder beperken tot het onder feit 1 sub 9 (voor zover hier nog relevant: het bewegen van [betrokkene 1] om te worden bevoordeeld uit de opbrengst van het prostitutiewerk van [betrokkene 1] ) en het witwasfeit onder feit 2.

- beoordelingskader in het algemeen

Uit de toepasselijke totstandkomingsgeschiedenis van het onderhavige wetsartikel 273f (oud) Sr en de toepasselijke jurisprudentie volgt dat mensenhandel is gericht op uitbuiting. Bij de strafbaarstelling van mensenhandel staat het belang van het individu steeds voorop. Dat belang is het behoud van zijn of haar lichamelijke en geestelijke integriteit en persoonlijke vrijheid. De in dit artikel opgenomen verboden gedragingen beïnvloeden de wil, waaronder is begrepen de keuzemogelijkheid van het slachtoffer, in die zin dat zij leiden tot het ontbreken van vrijwilligheid, waartoe ook behoort het ontbreken of de vermindering van de mogelijkheid een bewuste keuze te maken. Dit gebrek aan een vrije keuze en afhankelijkheid komt nader tot uitdrukking in de verschillende bestanddelen die van artikel 273f Sr deel uitmaken, waarbij deze gedragingen alleen bestraft kunnen worden als zij zijn begaan onder omstandigheden waarbij (oogmerk van) uitbuiting kan worden verondersteld. Het (oogmerk van) uitbuiting is in de wet niet gedefinieerd, anders dan door de (niet limitatieve) opsomming in het tweede lid van een aantal vormen van uitbuiting, waaronder uitbuiting van een ander in de prostitutie. Deze bepaling doelt op een verscheidenheid aan moderne vormen van slavernij (zijnde de volledige zeggenschap van de ene persoon over de andere). Het hof benadrukt dat het enkele aanwenden van dwangmiddelen niet reeds uitbuiting oplevert, maar dat het (impliciet in te lezen) oogmerk van uitbuiting met zich brengt dat sprake moet zijn van een (voorgenomen) ernstige inbreuk op de lichamelijke en/of geestelijke integriteit en/of de persoonlijke vrijheid.

- beoordelingskader, voor zover van belang voor sub 9 één of meer van de genoemde gedragingen:

dwingt dan wel beweegt hem te bevoordelen uit de opbrengst van prostitutie één of meer van de genoemde middelen :

onder de genoemde omstandigheden: dwang, geweld of een andere feitelijkheid of door dreiging met geweld of een andere feitelijkheid, door afpersing, fraude, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over die ander heeft. Met betrekking tot het bestanddeel “misleiding” geldt dat hiervan sprake is als er doelbewust een foute voorstelling van zaken wordt gegeven.

oogmerk van uitbuiting:

De rechtbank heeft geoordeeld dat voor een veroordeling van dit onderdeel van mensenhandel een (oogmerk van) uitbuiting niet nodig is. Voldoende is als sprake is van een dwangmiddel. Het hof acht dit oordeel niet juist. Hoewel (het oogmerk van) uitbuiting in deze delictsomschrijving niet als bestanddeel wordt genoemd, is het hof van oordeel dat mede in het licht van recente jurisprudentie van de Hoge Raad, het voordeel trekken uit seksuele handelingen alleen dan tot het bewijs van mensenhandel kan leiden, indien dat is begaan onder omstandigheden waarbij het (oogmerk van) uitbuiting, als extra impliciet bestanddeel, kan worden bewezen.

In een geval als het onderhavige kan van een uitbuitingssituatie worden gesproken wanneer de betrokkene in een situatie verkeert die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostitué(e) pleegt te verkeren in Nederland. Mondig betekent dat hij of zij zelfstandig kan bepalen of en wanneer en voor wie er wordt gewerkt en ook dat hij of zij zelf de beschikking heeft over de inkomsten uit dat werk. Uitbuiting veronderstelt wel altijd een zekere mate van onvrijwilligheid of onderwerping van degene die wordt uitgebuit. Instemming van het slachtoffer met de beoogde of bestaande uitbuiting is niet relevant.

- feitelijke vaststellingen

[betrokkene 1] is geboren en getogen in Roemenië op [geboortedatum] 1988.

Zij is naar eigen zeggen op haar negentiende begonnen met werken in de prostitutie en heeft besloten om dit in Nederland te doen. Uit de in haar woning aangetroffen facturen blijkt dat [betrokkene 1] in ieder geval vanaf 21 september 2008 tot en met 25 maart 2009 vrijwel onafgebroken in Alkmaar een kamer heeft gehuurd voor haar prostitutiewerkzaamheden. Zij heeft, samen met twee andere vrouwen, in Amsterdam een huis gehuurd, waarvan de huurovereenkomst op haar naam staat. De huurperiode liep van 1 december 2009 tot en met 1 december 2010. De huur werd altijd door [betrokkene 1] betaald. Zij is in het bezit van haar eigen paspoort.

[betrokkene 1] staat sedert 21 september 2009 ingeschreven bij de Kamer van Koophandel te Amsterdam als eenmanszaak, prostituee. Zij werkt met een andere vrouw in een pand op de Oudezijds Achterburgwal in Amsterdam. Hier heeft op 18 mei 2010 een zedencontrole plaatsgevonden. Het mutatierapport dat hiervan is opgemaakt, houdt in dat beiden aangaven dat ze niet gedwongen in de prostitutie zaten en dat zij al het geld dat ze verdienden zelf konden houden. Rapporteur [betrokkene 3] meldt wel dat toen de B9 regeling aan [betrokkene 1] werd uitgelegd, zij een hoge ademhaling had en moeilijk uit haar woorden kwam.

Een proces-verbaal van bevindingen van 23 september 2010 houdt in dat [betrokkene 1] in de periode van 25 mei 2009 tot en met 7 mei 2010 in totaal € 40.350 heeft overgemaakt naar diverse personen in Roemenië, onder wie naar de verdachte (€ 10.500) en naar de zus van de verdachte (€ 15.850). Daarnaast heeft ze een keer € 600 overgemaakt naar de moeder van de verdachte.

In het dossier bevinden zich voorts diverse journaals van afgeluisterde, door [betrokkene 1] gevoerde telefoongesprekken met de verdachte en met derden, waaruit verbalisanten de conclusie hebben getrokken dat de verdachte [betrokkene 1] dwingt in de prostitutie werkzaam te zijn en dat zij door hem wordt uitgebuit. Deze dwang en uitbuiting zijn met name gebaseerd op de vervanging van de vaste chauffeur en de telefoongesprekken waarin de verdachte [betrokkene 1] om geld vraagt.

Op 16 juni 2010 is de verdachte aangehouden in de woning van [betrokkene 1] en is een zogenaamd intake gesprek met [betrokkene 1] gehouden. Van dit gesprek is echter geen proces-verbaal opgemaakt. Op 13 september 2010 is [betrokkene 1] voor de eerste maal door de politie gehoord. Zij heeft toen verklaard dat zij haar eigen eenmanszaak heeft en in de prostitutie werkt. Zij houdt een kasboek bij voor de boekhouder, in verband met de belastingen die zij moet betalen. Voor haar betekent dit werk dat zij vrij is en van niemand afhankelijk is en dat zij haar eigen beslissingen mag nemen. Zij verklaart dat zij de enige is die beslist over haar geld en over wanneer zij vrij is (het hof begrijpt: wanneer zij niet werkt). Zij neemt de beslissingen in haar leven en niemand anders, aldus [betrokkene 1] . Zij verklaart voorts dat zij zichzelf niet als slachtoffer ziet. Zij heeft al bijna twee jaar een relatie met de verdachte. Zij heeft hem in Nederland ontmoet, via gemeenschappelijke vrienden. Zij werkte op dat moment al in de prostitutie. Zij houdt heel van hem. Over haar inkomsten heeft zij verklaard dat zij de ene avond maar 50 euro verdient en de andere keer 300 euro. Hiervan moeten de vaste lasten en de kosten van het levensonderhoud nog betaald worden. Over de geldstortingen aan de verdachte en familieleden van verdachte verklaart zij dat zij dit geld heeft overgemaakt als een lening en dat dit ook is terugbetaald.

De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat de verklaring van [betrokkene 1] en die van de verdachte in het geheel niet stroken met de in kaart gebrachte geldstromen en met de inhoud van de afgeluisterde telefoongesprekken. Daaruit moet worden geconcludeerd dat de verdachte door misbruik van feitelijk overwicht [betrokkene 1] heeft bewogen een deel van haar verdiensten aan hem af te staan.

- beoordeling

Het hof is met de advocaat-generaal van oordeel dat de verklaringen van [betrokkene 1] met terughoudendheid moeten worden bezien, nu deze op onderdelen niet stroken met de telefoongegevens en de financiële gegevens. Niet is uitgesloten dat haar liefdesrelatie met de verdachte een rol heeft gespeeld bij de door haar afgelegde verklaring op 13 september 2010.

- geen misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht

Op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat de verdachte geen misbruik heeft gemaakt van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht. [betrokkene 1] bevond zich legaal in Nederland, waar zij zich in haar beroep, ook zonder de Nederlandse taal te spreken, goed kon redden. Zij was in Nederland als zelfstandig ondernemer werkzaam in de prostitutie omdat voor haar andere werkzaamheden geen optie waren vanwege de taalbarrière en zij in de prostitutie in relatief korte tijd veel geld kon verdienen. Zij had een boekhouder ingeschakeld en droeg haar belastingen af. Zij heeft in Amsterdam een woning gehuurd en niet is gebleken van enige restricties die haar werden opgelegd in haar bewegingsvrijheid. Zij kon derhalve gaan en staan waar zij wilde. Dat zij om van en naar het werk te reizen kennelijk gebruik maakt van een vaste taxichauffeur, die op een bepaald moment door “de jongens zou zijn vervangen door iemand uit Roemenië” is onvoldoende om aan te nemen dat de verdachte op die manier controle of druk uitoefende op de werkzaamheden en verdiensten van [betrokkene 1] en dat hij haar aldus in haar vrijheid beperkte, nog afgezien van het feit dat onduidelijk is gebleven of de verdachte wel één van ‘de jongens’ was.

Ook de in het dossier afgeluisterde telefoongesprekken en sms-berichten, tussen [betrokkene 1] en de verdachte en anderen, leveren naar het oordeel van het hof onvoldoende bewijs op voor misbruik van overwicht. Daaruit volgt in elk geval niet dat de verdachte in een situatie verkeerde die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostituee pleegt te verkeren in Nederland, dat zij niet zelfstandig kon bepalen of en wanneer en voor wie zij werkte of dat ze haar inkomsten niet mocht behouden. Weliswaar levert de verdachte aan de telefoon wel eens commentaar als [betrokkene 1] meldt dat haar verdiensten tegenvallen, echter is dat op zichzelf onvoldoende voor een bewezenverklaring van het bestaan van een uit feitelijk omstandigheden voortvloeiend overwicht.

- wel misleiding

Wel kan worden bewezen dat de verdachte [betrokkene 1] heeft bewogen hem te bevoordelen uit de opbrengst van seksuele handelingen door middel van misleiding. In diverse telefoongesprekken vraagt de verdachte, die zelf hoofdzakelijk in Roemenië verblijft, aan [betrokkene 1] om geld naar hem over te maken voor doeleinden, het bestaan waarvan hij achteraf bij de politie heeft ontkend en die dus kennelijk door hem waren verzonnen. De verdachte heeft derhalve doelbewust een foute voorstelling van zaken gegeven over zijn financiële problemen. Uit het transactie overzicht blijkt bovendien dat de verdachte in de periode van 25 mei 2009 tot en met 7 mei 2010 in totaal € 10.500 heeft ontvangen, zijn zus € 15.850 en zijn moeder € 600. Het hof gaat er, evenals de rechtbank bij gebrek van enige objectieve aanwijzing van het tegendeel, van uit dat het gehele bedrag (mede) aan de verdachte ten goede is gekomen.

- geen (oogmerk van) uitbuiting

Het hof heeft echter niet kunnen vaststellen dat van (het oogmerk van) uitbuiting sprake is geweest. De verklaring van [betrokkene 1] dat zij een liefdesrelatie met de verdachte had, terwijl de verdachte over deze relatie om hem moverende redenen anders en wisselend bij de politie heeft verklaard, leidt immers op zichzelf niet tot de conclusie dat sprake is van een dusdanig afhankelijke positie van het slachtoffer aan de verdachte - die de verdachte dan ook moet hebben beseft - dat die ertoe heeft geleid dat zij niet de vrijheid had om te stoppen met haar werkzaamheden in de prostitutie. De verdachte heeft weliswaar op schaamteloze wijze geprofiteerd van [betrokkene 1] , maar niet kan worden gezegd dat zijn handelen als noodzakelijk en door hem gewild gevolg heeft meegebracht dat [betrokkene 1] door hem werd of zou worden uitgebuit. Het voorhanden bewijsmateriaal is onvoldoende om te kunnen spreken van een dermate ernstige inbreuk op de lichamelijke of geestelijke integriteit of persoonlijke vrijheid van [betrokkene 1] dat in dit geval (het oogmerk van) uitbuiting bewezen kan worden geacht.

Nu ook overigens niet uit enig ander bewijsmiddel blijkt dat er enige mate van druk op haar of anderen is uitgeoefend en het slachtoffer zelf bovendien ontkent dat zij door de verdachte is misleid haar verdiensten af te staan, is naar het oordeel van het hof in dit geval niet wettig en overtuigend bewezen dat er sprake is van (het oogmerk van) uitbuiting, zodat de verdachte van het onder 1 ten laste gelegde integraal dient te worden vrijgesproken.

Nu evenmin kan worden bewezen dat de verdachte voornoemde geldbedragen uit enig misdrijf heeft verkregen, zal hij eveneens van het onder 2 ten laste gelegde witwasfeit worden vrijgesproken.”

6. Art. 273f, eerste lid, (oud) Sr luidde ten tijde van het onder 1 ten laste gelegde als volgt:

“1. Als schuldig aan mensenhandel wordt met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie gestraft:

1° degene die een ander door dwang, geweld of een andere feitelijkheid of door dreiging met geweld of een andere feitelijkheid, door afpersing, fraude, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over die ander heeft, werft, vervoert, overbrengt, huisvest of opneemt, met het oogmerk van uitbuiting van die ander of de verwijdering van diens organen;

2° degene die een ander werft, vervoert, overbrengt, huisvest of opneemt, met het oogmerk van uitbuiting van die ander of de verwijdering van diens organen, terwijl die ander de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt;

3° degene die een ander aanwerft, medeneemt of ontvoert met het oogmerk die ander in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling;

4° degene die een ander met een van de onder 1° genoemde middelen dwingt of beweegt zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten of zijn organen beschikbaar te stellen dan wel onder de onder 1° genoemde omstandigheden enige handeling onderneemt waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor beschikbaar stelt tot het verrichten van arbeid of diensten of zijn organen beschikbaar stelt;

5° degene die een ander ertoe brengt zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling of zijn organen tegen betaling beschikbaar te stellen dan wel ten aanzien van een ander enige handeling onderneemt waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor beschikbaar stelt tot het verrichten van die handelingen of zijn organen tegen betaling beschikbaar stelt, terwijl die ander de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt;

6° degene die opzettelijk voordeel trekt uit de uitbuiting van een ander;

7° degene die opzettelijk voordeel trekt uit de verwijdering van organen van een ander, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat diens organen onder de onder 1° bedoelde omstandigheden zijn verwijderd;

8° degene die opzettelijk voordeel trekt uit seksuele handelingen van een ander met of voor een derde tegen betaling of de verwijdering van diens organen tegen betaling, terwijl die ander de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt;

9° degene die een ander met een van de onder 1° genoemde middelen dwingt dan wel beweegt hem te bevoordelen uit de opbrengst van diens seksuele handelingen met of voor een derde of van de verwijdering van diens organen.”

7. In de onderhavige zaak staat de strafbaarstelling van de in art. 273f, eerste lid, aanhef en onder 9⁰, (oud) Sr genoemde handelingen centraal. Deze waren oorspronkelijk strafbaar gesteld in art. 250a, eerste lid, aanhef en onder 6⁰, (oud) Sr. Deze strafbaarstelling werd geïntroduceerd in de Wet opheffing algemeen bordeelverbod,1 welke wet op 1 oktober 2000 werking trad.2 Art. 250a (oud) Sr kwam toen in de plaats van enkele andere strafbaarstellingen, die destijds waren neergelegd in art. 250bis Sr (bordeelverbod), art. 432, aanhef en onder 3⁰, Sr (souteneurschap) en art. 250ter Sr (mensenhandel).3 Art. 250a, eerste lid, aanhef en onder 6⁰, (oud) Sr luidde als volgt:

“Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft:

(…)

6° degene die een ander door geweld of een andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid dwingt dan wel door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of door misleiding beweegt hem of haar uit de opbrengst van zijn of haar seksuele handelingen met of voor een derde te bevoordelen.”

8. De desbetreffende strafbaarstelling is bij nota van wijziging ingevoegd.4 In de nota naar aanleiding van het verslag is hierover het volgende opgemerkt:

“Zij (de leden van de fractie van de PvdA, AG) zijn van oordeel dat in het voorgestelde wetsvoorstel de mogelijkheid komt te vervallen om ongewenste uitbuiting strafrechtelijk aan te pakken in geval van exploitatie van vrijwillige prostitutie. Zij achten zulks een gemiste kans.

(…)

Ik ben er bij de redactie van het voorgestelde artikel 250a vanuit gegaan dat deze bepaling voldoende reikwijdte heeft om alle strafwaardige vormen van exploitatie van prostitutie tegen te gaan. Het gaat nu om beantwoording van de vraag of het feitencomplex – onvrijwillige afdracht van de opbrengst van seksuele handelingen – zich kan voordoen los van de reeds in artikel 250a, eerste lid, onderdelen 1° en 4°, strafbaar gestelde feitencomplexen. Of anders gezegd, is denkbaar dat er sprake is van een situatie waarbij een prostituee wordt gedwongen tot de afgifte van de opbrengst van seksuele handelingen zonder dat er sprake is van onvrijwillige prostitutie. Ik kan die vraag niet met absolute stelligheid ontkennen. Het is niet uitgesloten dat strafrechtelijk optreden op basis van artikel 250a achterwege zou moeten blijven tegen feiten die naar mijn mening strafwaardig zijn. Dat risico wil ik uitsluiten. Weliswaar kan tegen onvrijwillige afdracht waarbij geweld of bedreiging van geweld wordt gebruikt, worden opgetreden op basis van artikel 317 Sr. (afpersing), maar in die bepaling ontbreken de elementen misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en misleiding. Ook is optreden mogelijk op basis van artikel 284 Sr. (dwang), maar in die bepaling is de strafbedreiging aanzienlijk lager dan in het voorgestelde artikel 250a. Daarom stel ik voor om in artikel 250a een nieuw onderdeel 6° in te voegen waarin de onvrijwillige afdracht van uit prostitutie afkomstig gelden alsnog strafbaar wordt gesteld.”5

9. Met de Wet tot uitvoering van internationale regelgeving ter bestrijding van mensensmokkel en mensenhandel werd de inhoud van art. 250a (oud) Sr overgeheveld naar art. 273a (oud) Sr.6 In de memorie van toelichting is het volgende opgenomen over het begrip mensenhandel:

“Mensenhandel is kort gezegd het dwingen – in ruime zin – van mensen om zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van (seksuele) diensten of om eigen organen beschikbaar te stellen. (…) Mensenhandel is (gericht op) uitbuiting. Bij de strafbaarstelling van mensenhandel staat het belang van het individu steeds voorop. Dat belang is het behoud van zijn of haar lichamelijke en geestelijke integriteit en persoonlijke vrijheid. De staat dient strafrechtelijke bescherming te bieden tegen aantasting van het recht op die integriteit en vrijheid.”7

10. Het zesde onderdeel van art. 250a, eerste lid, (oud) Sr werd neergelegd in art. 273a, eerste lid, aanhef en onder 9⁰, (oud) Sr.8 De memorie van toelichting bevat over het opnemen van de inhoud van art. 250a (oud) Sr in art. 273a Sr de volgende passages:

“Bij de vormgeving van deze implementatie doet de vraag zich voor of er naast een algemene strafbaarstelling van mensenhandel nog behoefte bestaat aan een afzonderlijke strafbepaling inzake op seksuele uitbuiting gerichte mensenhandel. Tevens rijst de vraag waar de algemene bepaling inzake mensenhandel het beste kan worden ondergebracht. De NRM, de RvdR en het OM zijn op deze vragen ingegaan naar aanleiding van het voorstel in het conceptwetsvoorstel om het huidige 250a Sr te handhaven naast een nieuw artikel 274a Sr. De NRM adviseerde om artikel 250a over te hevelen naar titel XVIII van het tweede boek van het Wetboek van Strafrecht, gewijd aan misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid. Zij adviseerde voorts om artikel 274 inzake slavenhandel om te bouwen tot een generale bepaling inzake mensenhandel. Het OM adviseerde om mensenhandel strafbaar te stellen in één strafbepaling.

Naar het oordeel van de regering verdient het de voorkeur om alle vormen van mensenhandel neer te leggen in één bepaling. In die bepaling kan waar nodig rekening worden gehouden met op seksuele uitbuiting gerichte mensenhandel. Daarom wordt voorgesteld om de inhoud van artikel 250a Sr. op te nemen in een nieuwe algemene bepaling inzake mensenhandel en deze neer te leggen in een nieuw artikel 273a Sr. in voornoemde titel XVIII.

(…)

In de onderdelen 6° tot en met 9° zijn allerlei vormen van het trekken van profijt uit mensenhandel en uitbuiting strafbaar gesteld. Voor een effectieve bestrijding van mensenhandel is het immers wenselijk dat niet alleen de mensenhandelaren zelf, maar ook de uitbaters van de uitbuiting waarop de mensenhandel is gericht, uitdrukkelijk strafbaar worden gesteld en daardoor effectief kunnen worden aangepakt. Voor deze uitbreiding heeft model gestaan artikel 250a, eerste lid, onderdelen 4° tot en met 6°.

(…)

In artikel 250a, eerste lid, onderdeel 6°, is afzonderlijk de gedwongen afdracht van uit seksuele dienstverlening afkomstige opbrengst strafbaar gesteld. Voorgesteld wordt om het nieuwe onderdeel 9° te beperken tot de opbrengsten van seksuele handelingen en de verwijdering van organen.”9

11. Ten aanzien van het begrip ‘uitbuiting’ heeft de minister in de memorie van toelichting het volgende overwogen:

“Uitbuiting bestaat ten minste uit een aantal met name genoemde vormen van uitbuiting: de uitbuiting van een ander in de prostitutie of andere vormen van seksuele uitbuiting, gedwongen of verplichte arbeid of diensten, slavernij of met slavernij of dienstbaarheid te vergelijken praktijken. Dat zijn alle vormen van moderne slavernij. Daarbij kan worden gedacht aan tewerkstelling onder dwang of het maken van misbruik van een afhankelijke positie van een persoon die onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs geen andere keuze heeft dan in een toestand van uitbuiting te geraken. Als voorbeeld kan worden genoemd een extreem lange werkweek tegen onevenredig lage betaling onder slechte werkomstandigheden.”10

12. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de in het derde en vierde onderdeel omschreven gedragingen alleen strafbaar zijn als deze zijn verricht onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld. ‘Uitbuiting’ moet aldus worden aangemerkt als een impliciet bestanddeel van art. 273f, eerste lid, aanhef en onder 3⁰ en 4⁰, Sr.11 De Hoge Raad heeft bij dit oordeel mede gelet op de wetsgeschiedenis en in aanmerking genomen dat handelen in strijd met art. 273f, eerste lid, aanhef en onder 3⁰ en 4⁰, Sr wordt gekwalificeerd als ‘mensenhandel’ en wordt bedreigd met een gevangenisstraf van acht jaren.12 Zonder dit impliciete bestanddeel zou de reikwijdte van de desbetreffende strafbaarstellingen erg ruim zijn. Onder sub 3 zou elk aanwerven van anderen ten behoeve van het verrichten van seksuele handelingen in een ander land vallen, terwijl sub 4 al het werk waartoe wordt gedwongen of bewogen strafbaar zou stellen.13

13. Het voorafgaande betreft art. 273f, eerste lid, aanhef en onder 3⁰ en 4⁰, Sr. De vraag rijst of ‘uitbuiting’ ook als impliciet bestanddeel van andere onderdelen van art. 273f, eerste lid, Sr moet worden beschouwd. Ten aanzien van de strafbaarstelling van de gedragingen als bedoeld in onderdeel 5 van art. 273f, eerste lid, Sr verdient de conclusie van mijn ambtgenoot Spronken van 20 februari 2018, ECLI:NL:PHR:2018:138 vermelding. Zij gaat in op de vraag of voor strafbaarheid onder deze bepaling is vereist dat het desbetreffende feit is begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld en komt tot de conclusie dat er bij het prostitueren van minderjarigen per definitie sprake is van uitbuiting. De Hoge Raad heeft zich niet eerder uitgesproken over de vraag of voor een bewezenverklaring die is toegesneden op art. 273f, eerste lid, aanhef en onder 9⁰, Sr is vereist dat de daarin opgenomen gedragingen zijn verricht onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld. Het hof heeft in de bestreden uitspraak overwogen dat het voordeel trekken uit seksuele handelingen alleen dan tot het bewijs van mensenhandel kan leiden indien die gedragingen zijn begaan onder omstandigheden waarbij (het oogmerk van) uitbuiting als extra impliciet bestanddeel kan worden bewezen. Het hof verwijst in dit verband in algemene zin naar recente jurisprudentie van de Hoge Raad, waarmee het kennelijk doelt op de hiervoor onder 12 besproken arresten ten aanzien van art. 273f, eerste lid, aanhef en onder 3⁰ en 4⁰, Sr.

14. Daarmee staat de vraag centraal of het aangewezen is de ten aanzien van art. 273f, eerste lid, aanhef en onder 3⁰ en 4⁰, Sr bepaalde koers in de rechtspraak ook te volgen bij de uitleg van art. 273f, eerste lid, aanhef en onder 9⁰, Sr. De Hoge Raad heeft zich in de genoemde arresten bediend van wetssystematische en wetshistorische interpretatie. Van Kempen wijst erop dat de Hoge Raad in zijn onder 13 besproken rechtspraak de gelding van het impliciete bestanddeel onder meer afleidt uit de omstandigheid dat handelen in strijd met art. 273f, eerste lid, Sr wordt gekwalificeerd als ‘mensenhandel’, alsmede uit de hoogte van de maximum gevangenisstraf.14 Gelet daarop moet volgens hem worden aangenomen dat ‘uitbuiting’ een impliciet bestanddeel is van alle strafbaarstellingen in de onderdelen 1 tot en met 5 en 7 tot en met 9, tenzij anders volgt uit de eveneens door de Hoge Raad relevant geachte wetsgeschiedenis.15

15. In de wetsgeschiedenis ten aanzien van art. 273a, eerste lid, (oud) Sr is te lezen dat het in die bepaling gaat om “mensenhandel in het algemeen, daaraan gerelateerde vormen van uitbuiting en het trekken van profijt daaruit”.16 Die formulering doet niet denken aan het met ongeoorloofde middelen profiteren van vrijwillige prostitutie. Het argument dat het in art. 273, eerste lid, Sr gaat om gevallen van mensenhandel noopt voorts tot een vergelijkbare terughoudendheid bij de uitleg van onderdeel 9 als de Hoge Raad ten aanzien van de onderdelen 3 en 4 heeft gehanteerd.

16. Machielse wijst erop dat degene die zich zonder in enigerlei uitbuitingssituatie te verkeren leent voor het tegen betaling verrichten van seksuele diensten met derden en die vervolgens door een derde wordt opgelicht, ingevolge art. 273f, eerste lid, aanhef en onder 9⁰, Sr slachtoffer van mensenhandel zou zijn, terwijl de oplichter ook als mensenhandelaar te boek zou zijn gesteld. Dit onderdeel schiet volgens hem ver voorbij aan de bedoeling van de wetgever om ook het trekken van profijt uit uitbuiting en mensenhandel strafbaar te stellen.17 Ook Lestrade uit kritiek op deze strafbaarstelling. Zij betoogt dat dit onderdeel niet strookt met het Nederlandse prostitutiebeleid waar vrijwillige seksverleners niet als slachtoffers van mensenhandel worden gezien. Voorts valt volgens haar niet goed uit te leggen waarom hier de oplichter voor het zwaardere art. 273f Sr vervolgd zou moeten worden, terwijl het lichtere misdrijf oplichting als bedoeld in art. 326 Sr of dwang als bedoeld in art. 284 Sr passender kwalificaties lijken.18 Ten slotte merkt de auteur op dat deze strafbaarstelling niet is vereist in het kader van de mensenrechten en internationale en Europese anti-mensenhandelverdragen.19

17. Ik meen niettemin dat de argumenten die pleiten tegen het stellen van de eis dat de seksuele handelingen zijn verricht in een situatie waarin uitbuiting kan worden verondersteld doorslaggevend zijn. Daarbij moet worden bedacht dat de strafbaarstelling van art. 273f, eerste lid, aanhef en onder 9⁰, Sr ziet op opbrengsten van seksuele handelingen en niet op handelingen met het oogmerk de ander ertoe te brengen dat zij of hij zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen, zoals in art. 273f, eerste lid, aanhef en onder 3⁰, Sr. Bij het laatste gaat het om handelingen die de strekking hebben het slachtoffer ontvankelijk te maken voor uitbuiting, bij het eerste om het met ongeoorloofde middelen profiteren van de opbrengst uit seksuele handelingen. Uit de hiervoor onder 8 geciteerde passages uit de Kamerstukken volgt dat ook het laatstgenoemde werd gezien als een vorm van uitbuiting. In deze benadering leidt de omstandigheid dat de opbrengsten van seksuele handelingen het slachtoffer ‘afhandig’ worden gemaakt ertoe dat het slachtoffer wordt uitgebuit,20 omdat het slachtoffer onvrijwillig opbrengsten afstaat en aldus niet kan beschikken over eigen financiële middelen. Dat sprake is van uitbuiting volgt dan uit het gebruik van (een combinatie van) bepaalde middelen als bedoeld in art. 273f, eerste lid, aanhef en onder 9⁰ in verbinding met 1⁰, Sr en betekent niet per definitie dat ook de seksuele handelingen onvrijwillig zijn verricht.21

18. Een wetshistorische interpretatie leidt ten aanzien van onderdeel 9 tot een andere slotsom dan bij de uitleg van de onderdelen 3 en 4 van art. 273f, eerste lid, Sr. Daarbij merk ik op dat de minister bij de introductie van art. 250a, eerste lid, aanhef en onder 6⁰, (oud) Sr erop wees dat zich de situatie zou kunnen voordoen waarin een prostitué(e) wordt gedwongen tot afgifte van de opbrengst van seksuele handelingen zonder dat er sprake is van onvrijwillige prostitutie. De minister wilde uitsluiten dat strafrechtelijk optreden in dergelijke gevallen achterwege zou moeten blijven. In de wetsgeschiedenis is dan ook de mogelijkheid van strafbaarheid in een dergelijke situatie nadrukkelijk onder ogen gezien en aanvaard. Ik heb in de wetsgeschiedenis geen aanknopingspunten kunnen vinden die erop wijzen dat de wetgever bij de introductie van de strafbaarstelling van art. 273a (oud) Sr hierover anders is gaan denken.22 Eerder wees de Hoge Raad er ook op dat de totstandkomingsgeschiedenis van en de rechtspraak over art. 250a (oud) Sr hun belang niet hebben verloren. Daarbij moet worden bedacht dat de wetgever ervoor heeft gekozen art. 250a (oud) Sr te incorporeren in art. 273a (oud) Sr.23 In de memorie van toelichting bij de Wet tot uitvoering van internationale regelgeving ter bestrijding van mensensmokkel en mensenhandel gaf de minister er voorts blijk van dat art. 273a, eerste lid, (oud) Sr een breed scala aan strafbare gedragingen bevat, die zijn te kwalificeren als mensenhandel. Binnen de strafmaxima van (toen nog) zes jaar en een geldboete van de vijfde categorie was er volgens de minister voldoende ruimte om rekening te houden met de in aard en ernst verschillende strafbare gedragingen.24 Alink en Wiarda merken op dat art. 273f Sr uitgaat van een breed concept van mensenhandel: mensenhandel in eigenlijke zin (het verhandelen van mensen met het oogmerk van uitbuiting), uitbuiting, profijt van uitbuiting en afgedwongen profijt van uitbating worden alle als mensenhandel gekwalificeerd.25

19. Ook een wetssystematische interpretatie leidt tot een andere uitkomst dan bij de uitleg van de onderdelen 3 en 4. Daartoe wijs ik erop dat in art. 273f, eerste lid, aanhef en onder 6⁰, Sr strafbaar is gesteld degene die opzettelijk voordeel trekt uit de uitbuiting van een ander. Als voor de toepasselijkheid van onderdeel 9 zou worden vereist dat de seksuele handelingen zijn verricht in een situatie waarin uitbuiting kan worden verondersteld, is de toegevoegde waarde van onderdeel 9 in zoverre niet helder. De wetsgeschiedenis laat juist zien dat art. 250a, eerste lid, aanhef en onder 6⁰, (oud) Sr is geïntroduceerd als vangnetbepaling voor het geval vervolging onder art. 250a, eerste lid, aanhef en onder 1⁰ tot en met 4⁰, (oud) Sr niet mogelijk zou zijn.26 Ook gelet op de onderlinge verhouding tussen de twee strafbaarstellingen ligt het dan ook niet in de rede om voor strafbaarheid onder art. 273f, eerste lid, aanhef en onder 9⁰, Sr te vereisen dat de seksuele handelingen zijn verricht in een situatie waarin uitbuiting kan worden verondersteld.

20. Zoals opgemerkt, heeft de Hoge Raad bij de uitleg van art. 273f, eerste lid, aanhef en onder 4⁰, Sr ten slotte de maximumduur van de gevangenisstraf van belang geacht. Ook in dit verband geldt dat de wetgever de verhouding van (een voorloper van) art. 273f, eerste lid, aanhef en onder 9⁰, Sr tot de misdrijven van oplichting en dwang onder ogen heeft gezien. In de onder 8 weergegeven passage uit de Kamerstukken volgt dat de strafbepaling juist is geïntroduceerd omdat de reeds bestaande strafbepalingen ontoereikend werden bevonden. Bij dwang wees de minister daarbij uitdrukkelijk op het aanzienlijk lagere strafmaximum.

21. Gelet op het voorafgaande, meen ik dat het aanvaarden van een impliciet bestanddeel, zoals het hof heeft gedaan, geen steun vindt in het recht. De kritiek die in de literatuur is geuit op de reikwijdte van onderdeel 9, raakt naar mijn mening vooral de rechtspolitieke afweging in het wetgevingstraject en kan niet leiden tot een uitleg die afwijkt van de bedoeling van de wetgever, zoals deze kan worden afgeleid uit de tekst van de wet, de Kamerstukken en de verhouding van de verschillende onderdelen van art. 273f, eerste lid, Sr.

22. Het voorafgaande brengt mij tot de volgende slotsom. Voor zover het hof heeft geoordeeld dat voor strafbaarheid onder art. 273f, eerste lid, aanhef en onder 9⁰, (oud) Sr is vereist dat de seksuele handelingen zijn verricht in een situatie die uitbuiting veronderstelt, getuigt zijn oordeel van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof heeft daarmee een eis gesteld die geen steun vindt in het recht. De klacht, inhoudende dat het hof zowel ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde als ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde ten onrechte heeft vereist dat sprake dient te zijn van een situatie waarin (het oogmerk van) uitbuiting kan worden bewezen, slaagt. Dat betekent dat het bestreden arrest niet in stand kan blijven en dat het middel voor het overige geen bespreking behoeft.

23. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

24. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Stb. 1999/464.

2 Stb. 2000/38.

3 Kamerstukken II 1996/97, 25 437, nr. 3, p. 8.

4 Kamerstukken II 1997/98, 25 437, nr. 6.

5 Kamerstukken II 1997/98, 25 437, nr. 5, p. 22-23.

6 Stb. 2005/645.

7 Kamerstukken II 2003/04, 29 291, nr. 3, p. 2.

8 Met de inwerkingtreding van de Wet Computercriminaliteit II is art. 273a Sr vernummerd tot art. 273f Sr. Zie Stb. 2006/300.

9 Kamerstukken II 2003/04, 29 291, nr. 3, p. 13, p. 18 en p. 19.

10 Kamerstukken II 2003/04, 29 291, nr. 3, p. 18.

11 HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3309, NJ 2016/313 m.nt. Van Kempen; HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:554, NJ 2016/315 m.nt. Van Kempen; HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2909; HR 17 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:857, NJ 2016/314 m.nt. van Kempen en HR 16 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:884.

12 Inmiddels is op overtreding van art. 273f, eerste lid, Sr een gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren gesteld. Ten tijde van het ten laste gelegde in de onderhavige zaak was de maximumduur van de gevangenisstraf zes jaren.

13 S. Lestrade, De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland, Deventer: Kluwer 2018, p. 91 en 98.

14 Het laatste argument ontbreekt overigens in HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3309, NJ 2016/313.

15 Onderdeel 6 van de noot van Van Kempen onder HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:554, NJ 2016/315.

16 Kamerstukken II 2003/04, 29 291, nr. 3, p.

17 A.J. Machielse in Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, aant. 10 bij art. 273f (actueel t/m 1 mei 2016).

18 Lestrade 2018, p. 107-108 en p. 294 en p. 297.

19 Lestrade 2018, p. 312 en p. 319.

20 Vgl. Lestrade 2018, p. 77.

21 Zie Alink en Wiarda 2010, p. 229: de onvrijwilligheid van de afdracht van de opbrengst uit (vrijwillige) seksuele dienstverlening vloeit voort uit de in onderdeel 1 genoemde middelen.

22 Zie in dit verband ook Lestrade 2018, p. 103: “Sub 7 tot en met 9 zijn níet gericht op overige uitbuiting.” Vgl. ook HR 17 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU4004, NJ 2012/68.

23 Hetzelfde geldt voor art. 250ter (oud) Sr, waarin de strafbaarstelling van art. 250a (oud) Sr was opgenomen voordat deze bij wet van 28 oktober 1999, Stb. 264, werd vernummerd tot art. 250a (oud) Vgl. HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099, NJ 2010/598 m.nt. Buruma, rov. 2.4.1.

24 Kamerstukken II 2003/04, 29 291, nr. 3, p. 17-18.

25 M. Alink en J. Wiarda, ‘Materieelrechtelijke aspecten van mensenhandel’, in: D. de Prins e.a., Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht van België en Nederland, Preadviezen 2010, De staatsrechtelijke positie van politiek partijen, Materieelrechtelijke aspecten van mensenhandel, Schade aan derden in het aansprakelijkheidsrecht, Den Haag: Boom juridische uitgevers 2010, p. 175-264, p. 214.

26 In art. 250a, eerste lid, aanhef en onder 4⁰, (oud) Sr was de voorloper neergelegd van art. 273f, eerste lid, aanhef en onder 6⁰, Sr.