Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:391

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-04-2018
Datum publicatie
26-04-2018
Zaaknummer
17/02038
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Gemeenschappelijke bijlage heeft ECLI:NL:PHR:2018:393, bij de conclusies van 3 april 2018 inzake 17/00303, 17/02030, 17/02035, 17/02038.

Belanghebbende heeft in de periode van 19 april 2010 tot en met 4 augustus 2011 op eigen naam en voor eigen rekening aangiften gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van bevestigingsmiddelen. De Inspecteur heeft ingevolge Verordening (EG) nr. 91/2009 van de Raad van 26 januari 2009 tot instelling van een antidumpingrecht op bepaalde soorten ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen van oorsprong uit de Volksrepubliek China antidumpingrechten geheven.

In deze zaak, alsmede in de zaken met nrs. 17/00303, 17/02030, en 17/02035 die gelijktijdig met de onderhavige conclusie zullen worden gepubliceerd, staat onder meer de vraag centraal (eerste cassatiemiddel) of Verordening nr. 91/2009 ongeldig is vanwege strijdigheid met respectievelijk Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende de beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap en Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap.

Voorts is in geschil of Uitvoeringsverordening nr. 2016/278 terugwerkende kracht heeft, zodat de door belanghebbende betaalde antidumpingrechten aan haar moeten worden terugbetaald (tweede cassatiemiddel), of artikel 3 van Uitvoeringsverordening nr. 2016/278 aan kwijtschelding in de weg staat (derde cassatiemiddel) en of de ingevoerde bevestigingsmiddelen onder postonderverdeling 7318 15 10 van de Gecombineerde Nomenclatuur (GN) moeten worden ingedeeld als ‘gedraaide of gedecolleteerde schroeven’ (vierde cassatiemiddel).

Het eerste tot en met het derde cassatiemiddel behandelt de A-G in de bij de onderhavige zaak, en de zaken met nrs. 17/00303, 17/02030 en 17/02035 behorende gemeenschappelijke bijlage. In deze bijlage komen achtereenvolgens de volgende onderwerpen aan de orde:

• de totstandkoming van Verordening nr. 91/2009 (hoofdstuk 2);

• de geldigheid van Verordening nr. 91/2009 in het licht van de WTO-antidumpingovereenkomst, zoals uitgelegd bij de aanbevelingen en uitspraken van het DSB (hoofdstuk 3);

• de bevoegdheid van de nationale rechter (hoofdstuk 4);

• de geldigheid van Verordening nr. 91/2009 in het licht van artikel 3, lid 2 en artikel 4, lid 1, van de Basisverordening (hoofdstuk 5);

• de geldigheid van Verordening nr. 91/2009 in het licht van artikel 2, leden 10 en 11, van de Basisverordening (hoofdstuk 6 en 7);

• de geldigheid van Verordening nr. 91/2009 in het licht van artikel 9, lid 4, van de Basisverordening (hoofdstuk 8);

• de terugwerkende kracht van Uitvoeringsverordening nr. 2016/278 (hoofdstuk 9); en

• de terugbetaling van antidumpingrechten (hoofdstuk 10).

Het vierde cassatiemiddel komt in de onderhavige conclusie aan bod.

De A-G komt tot de slotsom dat het tweede en derde cassatiemiddel falen. Met betrekking tot het eerste en vierde cassatiemiddel geeft de A-G de Hoge Raad in overweging het HvJ prejudiciële vragen te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 26-04-2018
FutD 2018-1186
DouaneUpdate 2018-0165
DouaneUpdate 2018-0193
NTFR 2018/1298 met annotatie van mr. B.A. Kalshoven
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

mr. C.M. Ettema

Advocaat-Generaal

Conclusie van 3 april 2018 inzake:

Nr. Hoge Raad: 17/02038

[X] B.V.

Nrs. Gerechtshof: 15/00601 t/m 15/00605

Nrs. Rechtbank: AWB HH 14/2015 t/m 14/2017, 14/03204 en 14/03205

Derde Kamer A

tegen

Douanerecht

2010 - 2011

staatssecretaris van Financiën

1 Inleiding

1.1

Belanghebbende heeft in de periode van 19 april 2010 tot en met 4 augustus 2011 op eigen naam en voor eigen rekening aangiften gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van bevestigingsmiddelen. De Inspecteur1 heeft ingevolge Verordening (EG) nr. 91/2009 van de Raad van 26 januari 2009 tot instelling van een antidumpingrecht op bepaalde soorten ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen van oorsprong uit de Volksrepubliek China (Verordening nr. 91/2009)2 antidumpingrechten nageheven.

1.2

In deze zaak, alsmede in de zaken met nrs. 17/00303, 17/02030, en 17/02035 die gelijktijdig met de onderhavige conclusie zullen worden gepubliceerd, staat onder meer de vraag centraal (eerste cassatiemiddel) of Verordening nr. 91/2009 ongeldig is vanwege strijdigheid met respectievelijk Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende de beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (de Basisverordening (oud))3 en Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (de Basisverordening (nieuw))4.

1.3

Voorts is in geschil of Uitvoeringsverordening nr. 2016/2785 terugwerkende kracht heeft, zodat de door belanghebbende betaalde antidumpingrechten aan haar moeten worden terugbetaald (tweede cassatiemiddel), of artikel 3 van Uitvoeringsverordening nr. 2016/278 aan kwijtschelding in de weg staat (derde cassatiemiddel) en of de ingevoerde bevestigingsmiddelen onder postonderverdeling 7318 15 10 van de Gecombineerde Nomenclatuur (GN) moeten worden ingedeeld als ‘gedraaide of gedecolleteerde schroeven’ (vierde cassatiemiddel).

1.4

Het eerste tot en met het derde cassatiemiddel behandel ik in de bij de onderhavige zaak, en de zaken met nrs. 17/00303, 17/02030 en 17/02035 behorende gemeenschappelijke bijlage.6Het vierde cassatiemiddel komt in de onderhavige conclusie aan bod.

1.5

Ik kom tot de slotsom dat het tweede en derde cassatiemiddel falen. Met betrekking tot het eerste en vierde cassatiemiddel geef ik de Hoge Raad in overweging het HvJ prejudiciële vragen te stellen.

2 De feiten7en het geding in feitelijke instanties

2.1

Belanghebbende heeft in de periode van 19 april 2010 tot en met 4 augustus 2011 op eigen naam en voor eigen rekening 56 aangiften gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van bevestigingsmiddelen. Zij heeft deze goederen aangegeven onder postonderverdelingen 7318 12 90 90, 7318 14 10 90 en 7318 14 91 90 van de GN.

2.2

De Inspecteur neemt het standpunt in dat belanghebbende ingevolge Verordening nr. 91/2009 antidumpingrechten verschuldigd is geworden. Hij heeft vijf utb’s opgelegd, gedateerd 18 april 2013, 16 mei 2013, 25 juni 2013, 4 december 2013 en 31 januari 2014.

De rechtbank Noord-Holland

2.3

Voor rechtbank Noord-Holland (de Rechtbank) is onder meer de indeling van de ingevoerde bevestigingsmiddelen (hierna ook wel: de schroeven) in de GN in geschil.

2.4

Belanghebbende betoogt dat de ingevoerde schroeven moeten worden ingedeeld onder postonderverdeling 7318 15 van de GN als ‘andere schroeven’ op de grond dat deze voldoen aan de definitie van ‘draaien’ in de zin van postonderverdeling 7318 15 10 van de GN.

2.5

De Rechtbank verwerpt dit standpunt en overweegt hiertoe als volgt. Belanghebbende wenst af te wijken van de aangifte, dus draagt zij de bewijslast. In het leveren van het benodigde bewijs is zij niet geslaagd. Enig onderzoek van de schroeven dat tot de conclusie zou kunnen leiden dat de ingevoerde schroeven over de objectieve kenmerken en eigenschappen van gedraaide of gedecolleteerde schroeven beschikken ontbreekt, aldus de Rechtbank.

2.6

De Rechtbank verklaart de beroepen bij uitspraak van 9 juli 2015, nrs. HAA 14/2015 tot en met 14/2017, 14/3204 en 14/3205, ECLI:NL:RBNHO:2015:5695, niet gepubliceerd, ongegrond.

Het gerechtshof Amsterdam

2.7

In hoger beroep is in geschil of de utb’s terecht en tot het juiste bedrag zijn opgelegd. Belanghebbende heeft in hoger beroep, voor zover in cassatie van belang, drie stellingen ingenomen (i tot en met iii).

2.8 (

(i) Belanghebbende stelt dat Verordening nr. 91/2009, welke verordening de grondslag vormt voor de bestreden utb’s, ongeldig is, omdat bij de totstandkoming van deze verordening verschillende procedurele voorschriften van de Basisverordening niet zijn nageleefd.

2.9

Gerechtshof Amsterdam (het Hof) overweegt onder meer dat een marktdeelnemer niet kan aanvoeren dat een handeling van de Unie onverenigbaar is met een uitspraak of aanbeveling van het door de Wereldhandelsorganisatie (WTO) opgerichte orgaan voor geschillenbeslechting (Dispute Settlement Body; hierna: DSB). Dit is slechts anders indien de Unie naar aanleiding van de desbetreffende uitspraken en aanbevelingen van het DSB een bijzondere verplichting heeft willen aangaan. Van dat laatste is volgens het Hof in het onderhavige geval geen sprake, zodat de rechtmatigheid van Verordening nr. 91/2009 niet kan worden getoetst aan de DSB-rapporten. Hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, vormt naar oordeel van het Hof geen aanleiding prejudiciële vragen te stellen over de geldigheid van Verordening nr. 91/2009.

2.10 (

(ii) Belanghebbende stelt dat, hoewel in Uitvoeringsverordening nr. 2016/278 is vermeld dat deze verordening geen terugwerkende kracht heeft en geen aanleiding geeft voor terugbetaling, wel moet worden overgegaan tot kwijtschelding. Zij verwijst ter zake naar het in artikel 235 van het Communautair Douanewetboek (CDW)8 gemaakte onderscheid tussen terugbetaling van reeds betaalde bedragen en kwijtschelding van geheven, maar nog niet betaalde bedragen.

2.11

Volgens het Hof volgt uit artikel 3 van Uitvoeringsverordening nr. 2016/278 dat de intrekking van Verordening nr. 91/2009 geen terugwerkende kracht heeft. Dit is in overeenstemming met het bepaalde in Verordening (EU) nr. 2015/4769. In punt 7 van de preambule bij Verordening nr. 2015/476 is overwogen dat de aanbevelingen in DSB-rapporten uitsluitend een prospectief karakter hebben en dat het daarom dienstig is te bepalen dat alle op grond van deze verordening genomen maatregelen van kracht worden op de datum van hun inwerkingtreding, tenzij anders bepaald. Nu in casu niet anders is bepaald, is van terugwerkende kracht geen sprake, aldus het Hof.

2.12

De omstandigheid dat in artikel 2 van Uitvoeringsverordening nr. 2016/278 ‘terugbetaling’ wordt uitgesloten en niet tevens ‘kwijtschelding’ brengt het Hof niet tot een ander oordeel. Gelet op het door de wetgever beoogde prospectieve karakter acht het Hof niet voor redelijke twijfel vatbaar dat de wetgever met terugbetaling in artikel 3 niet heeft beoogd om aan te sluiten bij de terminologie van het CDW en dat deze term zowel betrekking heeft op antidumpingrechten die reeds zijn betaald als op antidumpingrechten die wel zijn geheven, maar nog niet zijn betaald.

2.13 (

(iii) Belanghebbende meent dat sprake is van ‘gedraaide dan wel gedecolleteerde schroeven’ in de zin van postonderverdeling 7318 15 10.

2.14

Het Hof oordeelt dat belanghebbende niet in de op haar rustende bewijslast is geslaagd dat sprake is van gedraaide dan wel gedecolleteerde schroeven in de zin van postonderverdeling 7318 15 10 van de GN. Hij overweegt hiertoe het volgende:

“5.17. (…) Nu zij ter zake van de indeling van haar aangiften wenst af te wijken, rust op haar, gelijk de rechtbank terecht heeft overwogen, de last aannemelijk te maken dat sprake is van gedraaide dan wel gedecolleteerde schroeven van goederencode.7318 15 10.

5.18.

Het Hof acht belanghebbende in haar bewijs niet geslaagd.

Uit de waarneming van de foto’s van de litigieuze schroeven en de ter zitting op verzoek van belanghebbende vertoonde film heeft het Hof niet kunnen afleiden dat sprake is van “draaien” van de schroeven in de betekenis die daaraan in het spraakgebruik wordt gegeven, dat wil zeggen met gebruikmaking van een draaibank, door de werking waarvan materiaal wordt weggenomen. Dat is niet hetzelfde als het door de film getoonde bewegen tussen twee platen van de schroeven, waardoor de schroefdraad in de schroef wordt geperst, hetgeen veeleer als “walsen” dient te worden gekwalificeerd.

Belanghebbende gebruikt voor de in casu toegepaste behandeling de term “rollen”.

Wat daarvan zij, haar stelling dat “rollen” voor de toepassing van de Gecombineerde Nomenclatuur op een lijn moet worden gesteld met “draaien” vindt geen steun in het recht. Steun voor zijn oordeel vindt het Hof in de Engelse tekst van postonderverdeling 7318 15 10, waarin sprake is van “Screws, turned from bars, rods, profiles, or wire, of solid section (...)”, welke opsomming zowel ronde als vierkante voorwerpen betreft, waaruit schroeven kunnen zijn gedraaid. Voor andere dan ronde materialen is het “draaien” van schroeven zonder gebruik te maken van een draaibank niet uitvoerbaar. Hieruit volgt dat met “draaien” wordt gedoeld op het laten ronddraaien van het basismateriaal (staven, baren, profielen of draad) op een draaibank, waarbij met een beitel het overtollige materiaal wordt afgedraaid.”

2.15

De Inspecteur heeft zich nader op het standpunt gesteld dat sprake is van ‘zelftappende’ schroeven in de zin van postonderverdeling 7318 14 99 van de GN. Ook voor dat standpunt vindt het Hof onvoldoende grond in de gedingstukken. Naar het oordeel van het Hof is niet aannemelijk geworden dat de schroeven voldoen aan het gestelde in de GS-toelichting op post 7318 dat zij hun eigen weg kunnen snijden in de stoffen waarin ze worden bevestigd. Alsdan resteert voor de onderhavige schroeven, gelet op de in het dossier aanwezige informatie over de aard van de goederen, indeling onder postonderverdeling 7318 15 59 van de GN.

2.16

Het Hof komt tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is.Bij uitspraak van 4 april 2017, nrs. 15/00601 tot en met 15/00605, ECLI:NL:GHAMS:2017:1616, ongegrond en bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

3 Het geding in cassatie

3.1

Belanghebbende heeft tijdig10 en ook overigens op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld. Zij voert vier cassatiemiddelen aan.

3.2

Het eerste cassatiemiddel luidt:

“Schending, althans verkeerde toepassing van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming tot nietigheid leidt, doordat het Gerechtshof Amsterdam in onderdeel 5.1 – 5.4 over de geldigheid van verordening 91/2009 en verordening 723/2011, op grond waarvan de antidumpingheffing is geheven, ten onrechte, dan wel onbegrijpelijk, dan wel ongemotiveerd heeft geoordeeld dat de rechtmatigheid van deze verordeningen niet kan worden getoetst en voorts ten onrechte geen prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Hof van Justitie over de geldigheid van genoemde verordeningen.”

3.3

Volgens belanghebbende heeft het Hof een relevante stelling onbehandeld gelaten. Belanghebbende heeft namelijk gesteld dat Verordening nr. 91/2009 in strijd is met artikelen 3, lid 2, artikel 5 lid 4, artikel 2, lid 10 en artikel 2, lid 11 van de Basisverordening (zie ook punt 5.1 van de uitspraak van het Hof). Nu het Hof deze stelling onbehandeld heeft gelaten en hij in zijn uitspraak enkel is ingegaan op de vraag of Verordening nr. 91/2009 kan worden getoetst aan DSB-rapporten, is sprake van een motiveringsgebrek, aldus belanghebbende.

3.4

Belanghebbende stelt bovendien dat het Hof prejudiciële vragen had moeten stellen over de geldigheid van Verordening nr. 91/2009, aangezien door de DSB geconstateerde schendingen van de WTO-antidumpingovereenkomst11 de directe aanleiding zijn geweest voor de intrekking van Verordening nr. 91/2009 (zo zou blijken uit Uitvoeringsverordening nr. 2016/278), en er daarom reden is om te twijfelen aan de geldigheid van de verordening.

3.5

Het tweede cassatiemiddel luidt:

“Schending, althans verkeerde toepassing van recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming tot nietigheid leidt, omdat het Gerechtshof in de uitspraak in onderdeel 5.6 heeft geoordeeld dat de intrekking van Verordening 91/2009 en Uitvoeringsverordening 2015/519 bij Verordening 2016/278 geen gevolgen heeft voor de onderhavige UTB doch uitsluitend een prospectief karakter heeft.”

3.6

Belanghebbende wijst op artikel 3 van de Verordening nr. 2015/476, waaraan in de Uitvoeringsverordening nr. 2016/278 wordt gerefereerd. Deze bepaling luidt (cursivering van mij):

“Overeenkomstig deze verordening genomen maatregelen worden van kracht op de datum van hun inwerkingtreding en geven, behoudens andersluidende bepalingen, geen aanleiding tot terugbetaling van voor die datum ingevorderde rechten.”

3.7

Volgens belanghebbende is het niet zo dat de Commissie in alle gevallen de keuze heeft om geen ‘andersluidende bepalingen’ over de terugbetaling van reeds ingevorderde rechten in het leven te roepen. In een situatie als de onderhavige, waarin de Commissie een antidumpingmaatregel integraal heeft ingetrokken wegens vastgestelde schendingen van de WTO-antidumpingovereenkomst, is de Commissie simpelweg gehouden andersluidende bepalingen op te nemen, nu deze schendingen betrekking hebben op het verleden.

3.8

Het derde cassatiemiddel luidt:

“Schending, althans verkeerde toepassing van recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming tot nietigheid leidt, omdat het Gerechtshof in onderdeel 5.7 van de uitspraak ongemotiveerd en op onjuiste gronden heeft geoordeeld dat niet voor redelijk twijfel vatbaar is dat de wetgever met de term terugbetaling in artikel Verordening 2016/278 niet heeft beoogd om aan te sluiten bij de terminologie van het communautair douanewetboek.”

3.9

Artikel 2 van Uitvoeringsverordening nr. 2016/278 luidt (cursivering van mij):

“De intrekking van de […] antidumpingrechten wordt van kracht op de datum van inwerkingtreding van deze verordening zoals in artikel 3 is bepaald en geven geen aanleiding tot terugbetaling van voor die datum ingevorderde rechten.”

3.10

Belanghebbende betoogt dat enkel definitief ingevorderde rechten binnen de reikwijdte van deze bepaling vallen, zodat deze niet van toepassing is op nog niet definitief ingevorderde rechten. Zij wijst in dit kader op artikel 235 van het CDW dat onderscheid maakt tussen de begrippen ‘terugbetaling’ en ‘kwijtschelding’. Aangezien in artikel 3 van Uitvoeringsverordening nr. 2016/278 alleen het begrip ‘terugbetaling’ is genoemd en niet de term ‘kwijtschelding’, staat dit artikel volgens belanghebbende niet aan kwijtschelding in de weg.

3.11

Het vierde cassatiemiddel luidt:

“Schending, althans verkeerde toepassing van het recht, betrekking hebbende op de tariefindeling, welke in strijd is met het recht, in het bijzonder de bepalingen van Verordening (EEG) nr. 2658/87 en alle aanvullingen op deze verordening, alsmede de toelichtingen, doordat het Gerechtshof in zijn vonnis in onderdeel 5.21 – 5.23 ten onrechte, dan wel onbegrijpelijk, dan wel ongemotiveerd heeft geoordeeld over de indeling van de onderhavige schroeven en de term “draaien” en in zijn oordeel belangrijke informatie en bewijsmiddelen niet bij het oordeel betrekt terwijl deze wel relevant zijn.”

3.12

Belanghebbende bestrijdt ’s Hofs oordeel dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat de schroeven ‘gedraaid’ zijn in de zin van postonderverdeling 7318 15 10 van de GN en derhalve niet onder die postonderverdeling, doch onder postonderverdeling 7318 15 59 van de GN moeten worden ingedeeld.

3.13

Volgens belanghebbende had het Hof op grond van de door haar aangedragen bewijsmiddelen, alsmede de definitie van ‘gedraaide en gedecolleteerde schroeven’ in de GN-toelichting, tot de slotsom moeten komen dat belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is ‘gedraaide’ schroeven. Belanghebbende meent dat het Hof ten onrechte het spraakgebruik in aanmerking heeft genomen bij de uitleg van de term ‘draaien’, aangezien het spraakgebruik enkel mag worden geraadpleegd bij gebrek aan een definitie in de wettelijke bepalingen en deze in het onderhavige geval wél voorhanden is.

3.14

De staatssecretaris van Financiën (de Staatssecretaris) heeft een verweerschrift ingediend, waarin hij de standpunten van belanghebbende weerspreekt.

3.15

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

3.16

De Staatssecretaris heeft afgezien van het indienen van een conclusie van dupliek.

4 Geldigheid Verordening nr. 91/2009

Beroep op de Basisverordening

4.1

Voor een beoordeling van belanghebbendes beroep op ongeldigheid van Verordening nr. 91/2009 vanwege strijdigheid met artikelen 3, lid 2, en 4, artikel 5, lid 4, artikel 2, lid 10, en artikel 2, lid 11, van de Basisverordening (eerste cassatiemiddel) verwijs ik naar hoofdstukken 2 tot en met 7 van de bij de onderhavige conclusie en de conclusies met zaaknummers 17/00303, 17/02030 en 17/02035 behorende gemeenschappelijke bijlage.

4.2

Zoals daar vermeld, geef ik de Hoge Raad in overweging het geding te schorsen en op de voet van artikel 267 VWEU het HvJ te verzoeken om een prejudiciële beslissing inzake de volgende vraag:

“Zijn Verordening nr. 91/2009, Uitvoeringsverordening nr. 924/2012 en Uitvoeringsverordening nr. 2015/519 ongeldig wegens schending van artikel 3, lid 2 en/of artikel 4, lid 1, van de Basisverordening, betreffende de vaststelling van schade respectievelijk de omschrijving van het begrip ‘bedrijfstak van de Gemeenschap’, op de grond dat de Uniewetgever een kennelijke beoordelingsfout heeft begaan door bij het omschrijven van de bedrijfstak van de Gemeenschap enkel communautaire producenten in aanmerking te nemen die “de klacht hebben gesteund en hun volle medewerking hebben verleend aan het onderzoek”, en de communautaire producenten die geen medewerking hebben verleend buiten beschouwing te laten, zodat de resultaten van het antidumpingonderzoek naar schade mogelijk een vertekend beeld geven?”

Motiveringsklacht

4.3

Blijkens de motivering van het hogerberoepschrift van belanghebbende van 14 november 2016 heeft zij voor het Hof gesteld dat Verordening nr. 91/2009 ongeldig is vanwege strijdigheid met de Basisverordening. Het Hof gaat in de bestreden uitspraak in op de vraag of hij bevoegd is handelingen van een instelling van de Unie ongeldig te verklaren. Het Hof komt (terecht12) tot de conclusie dat hij mag vaststellen dat de bestreden handeling ten volle geldig is, indien hij meent dat de middelen van ongeldigheid ongegrond zijn, maar dat hij niet bevoegd is de bestreden handeling ongeldig te verklaren, daar deze bevoegdheid exclusief toekomt aan het HvJ.

4.4

In punt 5.4 komt het Hof tot het oordeel dat de rechtmatigheid van Verordening nr. 91/2009 en Verordening nr. 723/2011 niet kan worden getoetst aan het op 12 februari 2016 door het DSB goedgekeurde rapport. In punt 5.3 onderbouwt het Hof hoe hij tot dit oordeel is gekomen. Ik ben het met belanghebbende eens dat het Hof met dit oordeel niet de stelling van belanghebbende als weergegeven in punt 5.1 van zijn uitspraak heeft beoordeeld.

4.5

Het Hof heeft in punt 5.4 van zijn uitspraak voorts overwogen dat hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd ter zake van haar beroep op ongeldigheid van Verordening nr. 91/2009 geen aanleiding geeft prejudiciële vragen te stellen (zie de tweede volzin). Indien het Hof de in punt 5.1 van zijn uitspraak geformuleerde stelling van belanghebbende heeft beoordeeld, hetgeen niet uit de uitspraak kan worden afgeleid, ligt in het in punt 5.4, tweede volzin, gegeven oordeel besloten dat het Hof belanghebbendes verzoek om de prejudiciële vraag te stellen of Verordening nr. 91/2009 in strijd is met de Basisverordening heeft verworpen. Hij heeft echter geen inzicht gegeven in de gedachtegang die tot dit oordeel heeft geleid. Belanghebbende betoogt met haar eerste cassatiemiddel dat het Hof dit oordeel had moeten motiveren.

4.6

Uit artikel 267 VWEU volgt dat een rechterlijke instantie verplicht is prejudiciële vragen te stellen indien een vraag betreffende de uitleg of geldigheid van het gemeenschapsrecht wordt ‘opgeworpen’ in een zaak die aanhangig is bij een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep. Lagere instanties zijn bevoegd prejudiciële vragen te stellen, doch zijn hiertoe niet gehouden. In CILFIT/Ministero della Sanità13 oordeelt het HvJ:

“6. Ingevolge de tweede alinea van dit artikel kan elke rechterlijke instantie van een Lid-Staat, indien zij een beslissing over een uitleggingsvraag noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis, het Hof van Justitie verzoeken over deze vraag een uitspraak te doen. Volgens de derde alinea is, wanneer een uitleggingsvraag wordt opgeworpen in een zaak aanhanging bij een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, deze instantie gehouden zich tot het Hof van Justitie te wenden.”

4.7

Het enkele feit dat een partij in een bij de nationale rechter aanhangig geschil stelt dat dit geschil een prejudiciële vraag doet rijzen, is voor de betrokken rechter geen dwingende reden om aan te nemen dat ‘een vraag is opgeworpen’ in de zin van artikel 267 VWEU. Of een prejudiciële vraag dient te worden gesteld, is ter beoordeling aan de rechter.14 Aangezien tegen de bestreden uitspraak van het Hof beroep in cassatie openstaat bij de Hoge Raad, was het Hof op grond van Unierecht niet gehouden prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ. Het stond het Hof dan ook vrij belanghebbendes verzoek om prejudiciële vragen te stellen, te verwerpen.

4.8

Het voorgaande ontslaat het Hof van de (onder meer) uit artikel 8:77, lid 1, onderdeel b, van de Algemene wet bestuursrecht voortvloeiende verplichting om zijn uitspraak te motiveren. De mate van motivering die van de feitenrechter wordt verlangd, is immers afhankelijk van de omstandigheden van het geval.15 Aangezien het Hof niet verplicht is prejudiciële vragen te stellen, is een motivering van ’s Hofs keuze om van prejudiciële vragen af te zien in casu overbodig. De motiveringsplicht dient er immers toe controleerbaar te maken of de rechter een juiste beslissing heeft gemaakt.16 Van een ‘onjuiste’ beslissing kan te dezen geen sprake zijn. Het Hof is dan ook niet tekortgeschoten in zijn motiveringsplicht. In zoverre faalt belanghebbendes eerste cassatiemiddel.

4.9

Belanghebbende herhaalt in cassatie haar stelling dat Verordening nr. 91/2009 ongeldig is wegens strijd met de Basisverordening. Zoals gezegd heb ik deze stelling behandeld in de gemeenschappelijke bijlage en geeft deze wat mij betreft aanleiding tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het HvJ.

5 Terugwerkende kracht Uitvoeringsverordening nr. 2016/278

5.1

In hoofdstuk 9 van de gemeenschappelijke bijlage kom ik tot de slotsom dat aan Uitvoeringsverordening nr. 2016/278 geen terugwerkende kracht toekomt. Het Hof heeft terecht belanghebbendes stelling verworpen dat de rechtsgrond voor de bestreden utb’s met terugwerkende kracht is komen te vervallen.

5.2

Het tweede cassatiemiddel faalt derhalve.

6 Terugbetaling antidumpingrechten

6.1

Onder verwijzing naar hoofdstuk 10 van de gemeenschappelijke bijlage, concludeer ik dat het Hof met juistheid heeft geoordeeld dat het niet voor redelijke twijfel vatbaar is dat de wetgever met de term terugbetaling in genoemd artikel 3 niet heeft beoogd om aan te sluiten bij de terminologie van het CDW en dat deze term zowel betrekking heeft op antidumpingrechten die reeds zijn betaald als op antidumpingrechten die wel zijn geheven maar nog niet zijn betaald. Het derde cassatiemiddel faalt eveneens.

7 Indeling van goederen

7.1

In geschil is de indeling van de door belanghebbende aangegeven bevestigingsmiddelen in de GN. Belanghebbende bepleit indeling onder postonderverdeling 7318 15 10 van de GN als uit massief materiaal gedraaide of gedecolleteerde schroeven waarvan de dikte van de schacht niet meer bedraagt dat 6 mm. De Staatssecretaris bestrijdt dit. Tussen partijen is niet (langer17) in geschil dat de schroeven onder post 7318 15 moeten worden ingedeeld, nu de Staatssecretaris niet opkomt tegen ’s Hofs oordeel dat de schroeven onder postonderverdeling 7318 15 59 (schroeven met gleuf of kruisgleuf) moeten worden ingedeeld.

7.2

Het douanetarief waarop de wettelijk verschuldigde rechten bij het ontstaan van een douaneschuld zijn gebaseerd,18 is vastgesteld in Verordening nr. 2658/8719. Op grond van artikel 12 van deze verordening stelt de Commissie “jaarlijks bij verordening een volledige versie vast van de gecombineerde nomenclatuur, met de daarbij behorende tarieven van invoerrechten van het gemeenschappelijk douanetarief zoals die voortvloeit uit door de Raad of door de Commissie vastgestelde bepalingen”.20 Voor de onderhavige zaak (die ziet op de jaren 2009 en 2010) is de GN zoals bepaald bij Uitvoeringsverordening nr. 1031/200821 en de GN zoals bepaald bij Uitvoeringsverordening nr. 948/200922 van toepassing.23

7.3

In Bijlage I bij Verordening 2658/87 zijn de (zes) ‘Algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur’ (hierna: algemene indelingsregels) opgenomen, die voor het indelen van goederen in acht dienen te worden genomen. Voor de onderhavige zaak zijn de algemene indelingsregels 1 en 6 van belang.

7.4

Algemene indelingsregel 1 luidt als volgt:

“De tekst van de opschriften van de afdelingen, van de hoofdstukken en van de onderdelen van de hoofdstukken wordt geacht slechts als aanwijzing te gelden; voor de indeling zijn wettelijk bepalend de bewoordingen van de posten en de aantekeningen op de afdelingen of op de hoofdstukken en – voor zover dit niet in strijd is met de bewoordingen van bedoelde posten en aantekeningen – de navolgende regels.”

7.5

Op het niveau van de postonderverdelingen geldt een met algemene indelingsregel 1 vergelijkbare algemene indelingsregel 6: Deze luidt:

“Voor de indeling van de goederen onder de onderverdelingen van een post zijn wettelijk bepalend de bewoordingen van die onderverdelingen en de aanvullende aantekeningen, alsmede “ mutatis mutandis” de vorenstaande regels, met dien verstande dat uitsluitend onderverdelingen van gelijke rangorde met elkaar kunnen worden vergeleken. Voor de toepassing van deze regel en voor zover niet anders is bepaald, zijn de aantekeningen op de afdelingen en op de hoofdstukken eveneens van toepassing.”

7.6

Blijkens vaste rechtspraak van het HvJ moet het beslissende criterium voor de tariefindeling van goederen in de regel worden gezocht in de objectieve kenmerken en eigenschappen van het goed, zoals deze in de tekst van de post(onderverdeling)en van de GN en in de aantekeningen op de afdelingen of op de hoofdstukken zijn omschreven. In het arrest, Sprengen/Pakweg Douane24, overwoog het HvJ hieromtrent:

“32. (…) het [is] vaste rechtspraak dat, in het belang van de rechtszekerheid en van een gemakkelijke controle, het beslissende criterium voor de tariefindeling van goederen in de regel moet worden gezocht in de objectieve kenmerken en eigenschappen ervan, zoals deze in de tekst van de posten van de GN en in de aantekeningen op de afdelingen of op de hoofdstukken zijn omschreven (zie met name arresten van 16 februari 2006, Proxxon, C-500/04, EU:C:2006:111, punt 21, en 5 maart 2015, Vario Tek, C-178/14, EU:C:2015:152, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak).”

7.7

Voorts is het vaste rechtspraak van het HvJ dat de bestemming van het goed een objectief indelingscriterium kan zijn bij de indeling. In Medical Imaging Systems25 overweegt het HvJ daaromtrent:

“24. Voorts is het eveneens vaste rechtspraak dat de bestemming van het product een objectief indelingscriterium kan zijn, wanneer die bestemming inherent is aan het product en de inherentie kan worden beoordeeld aan de hand van de objectieve kenmerken en eigenschappen ervan (arresten van 20 juni 2013, Agroferm, C-568/11, EU:C:2013:407, punt 41, en 4 maart 2015, Oliver Medical, C-547/13, EU:C:2015:139, punt 47). Bovendien is de bestemming van het product enkel een relevant criterium indien de indeling niet uitsluitend op basis van de objectieve kenmerken en eigenschappen van dit product kan worden verricht (arresten van 16 december 2010, Skoma-Lux, C-339/09, EU:C:2010:781, punt 47, en 28 april 2016, C-233/15, Oniors Bio, EU:C:2016:305, punt 33).”

7.8

De objectieve kenmerken en eigenschappen van de producten moeten kunnen worden vastgesteld op het tijdstip dat deze in het vrije verkeer worden gebracht.26

7.9

De GN is gebaseerd op het Internationaal Verdrag betreffende het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen (het GS)27. De eerste zes cijfers vormen de codenummers van de posten en van de onderverdelingen van de nomenclatuur van het GS.28 Het zevende en achtste cijfer dienen specifiek ter identificatie van de GN-onderverdelingen.29

7.10

De toelichtingen van de Werelddouaneorganisatie (WDO) op het GS30 en de toelichtingen van de Commissie op de GN zijn, hoewel rechtens niet bindend, bij de indeling van goederen belangrijke hulpmiddelen. Ik citeer wederom uit Medical Imaging Systems:31

“23. De door de Commissie voor de GN en door de WDO voor het GS uitgewerkte toelichtingen zijn, hoewel rechtens niet bindend, belangrijke hulpmiddelen bij de uitlegging van de draagwijdte van de verschillende tariefposten (arrest van 18 mei 2011, Delphi Deutschland, C-423/10, EU:C:2011:315, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).”

7.11

Aan de hand van de hiervoor genoemde regels dienen de onderhavige bevestigingsmiddelen te worden ingedeeld.

8 Afdeling XV, hoofdstuk 73 van de GN

8.1

Hoofdstuk 73 valt onder afdeling XV. Deze afdeling omvat volgens het opschrift “Onedele metalen en werken daarvan”.

8.2

Getuige het opschrift van hoofdstuk 73 behoren tot dit hoofdstuk “Werken van gietijzer, van ijzer en van staal”.

8.3

Het geschil beperkt zich tot de postonderverdelingen 7318 15 10 en 7318 15 59 van de GN.

Post 7318 en postonderverdelingen 7318 15 10 en 7318 15 59 van de GN

8.4

De postonderverdelingen 7318 15 10 en 7318 15 59 van de GN luiden als volgt:

“7318 Schroeven, bouten, moeren, kraagschroeven, schroefhaken, massieve klinknagels en klinkbouten, splitpennen en splitbouten, stelpennen en stelbouten, spieën, sluitringen (veerringen en andere verende sluitringen daaronder begrepen) en dergelijke artikelen, van gietijzer, van ijzer of van staal

(…)

- artikelen met schroefdraad:

7318 15 - - andere schroeven en bouten, ook indien met bijbehorende of

sluitringen:

7318 15 10 - - - schroeven, gedraaid of gedecolleteerd uit massief materiaal

en waarvan de dikte van de schacht niet meer bedraagt dan 6 mm

- - - andere:

7318 15 20 - - - - voor het bevestigen van bestanddelen van spoorbanen

- - - - andere:

- - - - - zonder kop:

(…)

- - - - - met kop:

- - - - - - met gleuf of kruisgleuf:

7318 15 51 - - - - - - - van roestvrij staal

7318 15 59 - - - - - - - - andere”

8.5

Voor indeling onder postonderverdeling 7318 15 10 moeten de bevestigingsmiddelen kunnen worden aangemerkt als ‘gedraaide’ of ‘gedecolleteerde’ schroeven. Belanghebbende stelt dat sprake is van ‘gedraaide’ schroeven. Zoals eerder opgemerkt, moeten bij de tariefindeling in beginsel de objectieve kenmerken en eigenschappen van het goed worden beoordeeld. Die beoordeling kan alleen plaatsvinden als duidelijk is om wat voor soort goederen het gaat. Het Hof heeft geen feiten vastgesteld met betrekking tot de onderhavige goederen. Onder de vaststaande feiten is over de goederen niet veel meer vermeld dan dat het gaat om ‘bevestigingsmiddelen’. Het Hof heeft onder ‘de beoordeling van het geschil’ wel vermeld dat het om spaanplaatschroeven en gipsplaatschroeven gaat en dat hij uit foto’s van de schroeven en de ter zitting op verzoek van belanghebbende vertoonde film heeft afgeleid dat door het bewegen tussen twee platen van de schroeven de schroefdraad in de schroef wordt geperst. Dit productieproces kan naar het oordeel van het Hof niet als ‘draaien’ worden aangemerkt, maar veeleer als ‘walsen’. Een usb-stick met de ter zitting getoonde film behoort tot de gedingstukken. Uit de film leid ik onder meer af dat het basismateriaal (staal, in de vorm van een schroef zonder schroefdraad met kop) tussen twee snijplaten door beweegt, waardoor de schroefdraad ontstaat. Bij dit proces draait/rolt het basismateriaal om de eigen symmetrie-as. Ook is te zien dat bij het aanbrengen van een puntje onderaan de schroef spanen vrijkomen. Belanghebbende meent – onder verwijzing naar deskundigenverklaringen – dat de bewerking als (staf)draaien kan worden beschouwd. In de procedure voor het Hof noemt de Inspecteur de bewerking ‘rollen’.

8.6

In de wettelijk bepalende bewoordingen van postonderverdeling 7318 15 10, de aantekeningen bij hoofdstuk 93 en de GS-toelichting bij post 7318 is geen definitie van de term ‘gedraaid’ of ‘draaien’ opgenomen.

8.7

De GN-toelichting op postonderverdeling 7318 15 1032 luidt als volgt:

“Als ‘gedraaid of gedecolleteerd uit massief materiaal’ worden aangemerkt artikelen die uit massieve staven, massieve profielen of massief draad door draaien zijn verkregen. Het is echter niet noodzakelijk dat de artikelen over hun gehele lengte zijn gedraaid.

Behalve het draaien mogen deze artikelen ook nog andere bewerkingen hebben ondergaan, waarbij metaal is weggenomen, bijvoorbeeld frezen, boren, ruimen en schaven. Zij mogen ook voorzien zijn van gleuven en inkepingen. Het is eveneens toegestaan dat de artikelen na het draaien oppervlaktebewegingen of –behandelingen hebben ondergaan, voor zover daardoor geen vormveranderingen zijn ontstaan en mits na deze bewerkingen of behandelingen nog kan worden vastgesteld dat deze artikelen door draaien zijn verkregen.”

8.8

Het standpunt van belanghebbende dat de betekenis van de term ‘draaien’ uit de GN-toelichting blijkt en het Hof daarom ten onrechte de GN-toelichting niet in zijn oordeel betrekt, moet worden verworpen. De GN-toelichting bevat immers geen definitie van de term ‘draaien’. Bovendien heeft het Hof de GN-toelichting op postonderverdeling 7318 15 10 onder punt 4.10 van de bestreden uitspraak geciteerd, zodat ervan kan worden uitgegaan dat het Hof kennis heeft genomen van de GN-toelichting, maar deze niet heeft meegenomen in de dragende overwegingen voor zijn oordeel dat geen sprake is van ‘draaien’ . Nu de GN-toelichting geen aanwijzingen biedt voor de uitleg van de term ‘draaien’ had het Hof ook geen dragende overwegingen aan de GN-toelichting kunnen ontlenen.

8.9

Het is vaste rechtspraak van het HvJ dat de betekenis en de draagwijdte van begrippen waarvoor het Unierecht geen definitie geeft, moeten worden bepaald in overeenstemming met hun in de omgangstaal gebruikelijke betekenis, met inachtneming van de context waarin zij worden gebruikt en de doeleinden die worden beoogd door de regeling waarvan zij deel uitmaken.33 Aan de Van Dale ontleen ik de volgende omschrijving van het werkwoord ‘draaien’ met betrekking tot harde voorwerpen:

“4 mbt. harde materialen voorwerpen daarvan maken door ze op de draaibank te laten wentelen en met een beitel die ertegen gedrukt wordt, te bewerken

• gedraaid werk

• been, ivoor, hoorn, hout, koper, koraal, metaal draaien

• in hout, been gedraaid

ook als tweede lid in samenstellingen als de volgende, waarin het eerste lid het bewerkte materiaal noemt: beendraaien, hoorndraaien, houtdraaien, ivoordraaien, koperdraaien, metaaldraaien”

8.10

Het is voorts vaste rechtspraak34 dat de in een van de taalversies van een Unierechtelijke bepaling gebruikte formulering niet als enige grondslag voor de uitlegging van die bepaling kan dienen of voorrang kan hebben boven de andere taalversies. Unierechtelijke bepalingen moeten uniform worden uitgelegd en toegepast in het licht van de tekst in alle talen van de Unie. Wanneer er verschillen zijn tussen de taalversies van een Unierechtelijke bepaling, moet bij de uitlegging van de betrokken bepaling worden gelet op de algemene opzet en de doelstelling van de regeling waarvan zij een onderdeel vormt. Ik heb hierna de Duitse, Engelse, Franse en Spaanse, Italiaanse, Estse en Letse tekstversies opgenomen van postonderverdeling 7318 15 10 (cursiveringen steeds van mij).

8.11

De Duitse tekstversie:

“7318

Schrauben, Bolzen, Muttern, Schwellenschrauben, Schraubhaken, Niete, Splinte, Keile, Unterlegscheiben (einschließlich Federringe und –scheiben) und ähnliche Waren, aus Eisen oder Stahl:

(…)

-

Waren mit Gewinde:

7318 15

- -

andere schrauben und Bolzen, auch mit dazugehörenden Muttern oder Unterlegscheiben:

7318 15 10

- - -

Schrauben, aus vollem Material gedreht, mit einer Stiftdicke von 6 mm oder weniger

8.12

De Engelse tekstversie:

“7318

Screws, bolts, nuts, coach screws, screw hooks, rivets, cotters, cotter pins, washers (including spring washers) and similar articles, of iron or steel:

(…)

-

Threaded articles:

7318 15

- -

Other screws and bolts, whether or not with their nuts or washers:

7318 15 10

- - -

Screws, turned from bars, rods, profiles, or wire, of solid section, of a shank thickness not exceeding 6 mm

8.13

De Franse tekstversie:

“7318

Vis, boulons, écrous, tire-fond, crochets à pas de vis, rivets, goupilles, chevilles, clavettes, rondelles (y compris les rondelles destinées à faire resort) et articles similaires, en fonte, fer ou acier:

(…)

-

Articles filetés:

7318 15

- -

Autres vis et boulons, même avec leurs écrous ou rondelles:

7318 15 10

- - -

Vis décolletées dans la masse, d’une épaisseur de tige n’excédant pas 6 mm

8.14

De Spaanse tekstversie:

“7318

Tornillos, pernos, tuercas, tirafondos, escarpias roscadas, remaches, pasadores, clavijas, chavetas, arandelas, incluidas las arandelas de muelle (resorte) y artículos similares, de fundición, hierro o acero:

(…)

-

Artículos roscados:

7318 15

- -

Los demás tornillos y pernos, incluso con sus tuercas y arandelas:

7318 15 10

- - -

Tornillos fabricados por torneado “a la barra”, con grueso de espiga inferior o igual a 6 mm

8.15

De Italiaanse tekstversie:

“7318

Viti, bulloni, dadi, tirafondi, ganci a vite, ribadini, copiglie, pernotti, chiavette, rondelle (comprese le rondelle destinate a funzionare da molla) ed articoli simili, di ghisa, ferro o accaio:

(…)

-

Articoli filettati:

7318 15

- -

Alter viti e bulloni, anche con i relative dadi o rondelle:

7318 15 10

- - -

Viti ottenute dalla massa su torni automatici a “décolleter” di spessore di stelo inferiore o uguale a 6 mm

8.16

De Letse tekstversie:

“7318

Dzelzs vai tērauda skrūves, bultskrūves, uzgriežņi, kokskrūves, ieskrūvējamie āķi,kniedes, ierievji, šķelttapas, paplākšņi (ieskaitot atsperplāksnes) un tamlīdzīgi izstrādājumi:

(…)

-

vītņoti izstrādājumi:

7318 15

- -

citādas skrūves un bultskrūves ar saviem uzgriežņiem un paplākšņiem vai bez

tiem:

7318 15 10

- - -

no stieņiem, šķieņi velmmiem, m vai stieples virpotas skrūves, kuru kāta diametrs

nepārsniedz 6 mm

8.17

Het Hof heeft ‘gedraaid’ gedefinieerd als “met gebruikmaking van een draaibank, door de werking waarvan materiaal wordt weggenomen”. Uit de Engelse tekstversie heeft hij afgeleid dat met ‘draaien’ wordt gedoeld op het laten ronddraaien van het basismateriaal (staven, baren, profielen of draad) op een draaibank, waarbij met een beitel het overtollige materiaal wordt afgedraaid. Dat is volgens het Hof niet hetzelfde als de door belanghebbende getoonde productiewijze waarbij de schroeven tussen twee platen worden bewogen, waardoor de schroefdraad in de schroef wordt geperst, hetgeen naar oordeel van het Hof veeleer als ‘walsen’ dient te worden gekwalificeerd.

8.18

In de hiervoor weergegeven Italiaanse tekstversie van postonderverdeling van de GN is gespecificeerd dat het ‘draaien’ plaatsvindt op een torni automatici oftewel op een draaibank. De interpretatie van het Hof is hiermee in lijn.

8.19

In de Letse tekstversie wordt met de bewoordingen šķirņu velmējumiem vai stieples virpotas skrūves aangeduid dat het moet gaan om ‘gewalste schroeven’. Nu het Hof heeft overwogen dat schroeven die door middel van ‘walsen’ worden geproduceerd niet als ‘gedraaide’ schroeven kunnen worden aangemerkt, en tevens heeft overwogen dat de productiewijze van de onderhavige bevestigingsmiddelen veeleer op ‘walsen’ lijkt, is de uitleg van de term ‘draaien’ door het Hof niet in overeenstemming met de Letse versie.

8.20

In de overige weergegeven taalversies is niet gespecificeerd of op een draaibank gefabriceerde en/of gewalste schroeven onder postonderverdeling 7318 15 10 van de GN vallen. De algemene opzet en doelstelling van de regeling zelf bieden evenmin aanknopingspunten.

8.21

Ingevolge de derde alinea van artikel 267 van het VWEU zijn de nationale rechterlijke instanties, waarvan de beslissingen niet vatbaar voor hoger beroep, gehouden zich tot het HvJ te wenden indien een vraag van uitlegging van Unierecht wordt opgeworpen in een bij hen aanhangig geschil. Het is hen slechts toegestaan van verwijzing af te zien ingeval sprake is van een acte éclairé (er bestaat vaste rechtspraak over het punt waarop het geding betrekking heeft of de opgeworpen vraag is zakelijk gelijk aan een vraag welke reeds in een gelijksoortig geval voorwerp van een prejudiciële beslissing is geweest)35 of een acte claire (de juiste toepassing van het gemeenschapsrecht is zo evident, dat redelijkerwijze geen twijfel kan bestaan over de wijze waarop de uitleggingsvraag moet worden opgelost)36.

8.22

Aangezien de vraag van uitlegging van Unierecht of bevestigingsmiddelen, die zoals in de onderhavige zaak zijn gefabriceerd op een wijze die sterk lijkt op ‘walsen’, onder postonderverdeling 7318 15 10 van de GN vallen, niet eerder in de jurisprudentie van het HvJ is beantwoord, en niet evident is hoe deze vraag moet worden beantwoord, nu de verschillende taalversies van de GN niet overeenstemmen, is naar mijn mening geen sprake van één van de in CILFIT/Ministero della Sanità genoemde excepties op de verwijzingsplicht. Mijns inziens noopt het vierde cassatiemiddel dan ook tot het voorleggen van een prejudiciële vraag van de volgende strekking aan het HvJ:

Moeten schroeven, die zijn gefabriceerd op een wijze waarbij het basismateriaal (staal, in de vorm van een schroef zonder schroefdraad met kop) tussen twee snijplaten door beweegt en daarbij om de eigen symmetrie-as draait/rolt, waardoor de schroefdraad ontstaat, welk proces gelijkenis vertoont met ‘walsen’ en waarbij geen draaibank wordt gebruikt, onder postonderverdeling 7318 15 10 van de GN worden ingedeeld, nu de Italiaanse tekstversie van die postonderverdeling het gebruik van een draaibank vereist, terwijl de Letse tekstversie van die postonderverdeling GN verlangt dat de schroeven gewalst zijn?

9 Conclusie

Ik geef de Hoge Raad in overweging het geding te schorsen en op de voet van artikel 267 VWEU het HvJ te verzoeken om prejudiciële beslissingen inzake de onder 5.35 van de bij deze conclusie behorende gemeenschappelijke bijlage en 8.22 van deze conclusie geformuleerde vragen, en iedere verdere beslissing aan te houden totdat het HvJ naar aanleiding van voormeld verzoek uitspraak heeft gedaan.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

Advocaat-Generaal

1 De inspecteur van de Belastingdienst/Douane, [P].

2 Verordening (EG) nr. 91/2009 van de Raad van 26 januari 2009 tot instelling van een antidumpingrecht op bepaalde soorten ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen van oorsprong uit de Volksrepubliek China, Pb L 29.

3 Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap, Pb L 56, laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2117/2005 van de Raad van 21 december 2005 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap, Pb L 340/17, niet meer van kracht sinds 10 januari 2010.

4 Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap, Pb L 343/51, niet meer van kracht sinds 19 juli 2016.

5 Uitvoeringsverordening (EU) 2016/278 van de Commissie van 26 februari 2016 tot intrekking van het definitieve antidumpingrecht op bepaalde soorten ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen van oorsprong uit de Volksrepubliek China, zoals uitgebreid tot bepaalde soorten uit Maleisië verzonden ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Maleisië, Pb L 52/24.

6 Voor de in deze conclusie gebruikte definities en afkortingen van begrippen verwijs ik naar de bij deze conclusie behorende gemeenschappelijke bijlage.

7 De feiten zijn ontleend aan de nader te noemen uitspraak van het Hof.

8 Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, Pb L 302.

9 Verordening (EU) 2015/476 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2015 inzake de maatregelen die de Unie kan nemen naar aanleiding van een rapport van het orgaan voor geschillenbeslechting van de WTO betreffende antidumping- en antisubsidiemaatregelen, Pb L 83/6.

10 Het beroepschrift in cassatie is op 21 april 2017 bij de Hoge Raad ingekomen.

11 Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel 1994.

12 Zie HvJ 22 oktober 1987, Foto-Frost/Hauptzollamt Lübeck-Ost, C-314/85, na conclusie A-G Mancini, ECLI:EU:C:1987:452 en onderdelen 4.1 tot en met 4.3 van de gemeenschappelijke bijlage.

13 HvJ 6 oktober 1982, CILFIT/Ministero della Sanità, C-283/81, na conclusie A-G Capotorti, ECLI:EU:C:1982:335.

14 Zie in dit verband punten 8 tot en met 10 van CILFIT/Ministero della Sanità.

15 M.W.C. Feteris, Beroep in cassatie in belastingzaken, Kluwer, Deventer, 2014, blz. 143.

16 M.W.C. Feteris, Beroep in cassatie in belastingzaken, Kluwer, Deventer, 2014, blz. 127.

17 De Inspecteur nam in hoger beroep nog het standpunt in dat van de aangiften moest worden afgeweken en dat sprake is van ‘zelftappende’ schroeven die onder postonderverdeling 7318 14 99 moeten worden ingedeeld.

18 Ik verwijs in dit kader naar artikel 20, lid 1, van het CDW.

19 Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987, Pb L 256.

20 De betreffende verordening wordt uiterlijk op 31 oktober in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt en is met ingang van 1 januari van het daaropvolgende jaar van toepassing.

21 Uitvoeringsverordening (EG) nr. 1031/2008 van de Commissie van 19 september 2008 tot wijziging van bijlage I bij Verordening 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, Pb L 291/1.

22 Uitvoeringsverordening (EG) nr. 948/2009 van de Commissie van 30 september 2009 tot wijziging van bijlage I bij Verordening 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, Pb L 287.

23 De in deze conclusie geciteerde onderdelen uit de GN zijn in beide verordeningen gelijkluidend.

24 HvJ 14 juli 2016, Sprengen/Pakweg Douane BV, C-97/15, ECLI:EU:C:2016:556, BNB 2016/204.

25 HvJ 9 juni 2016, Medical Imaging Systems GmbH (MIS), C-288/15, ECLI:EU:C:2016:424.

26 Zie onder meer HvJ 17 juli 2014, Panasonic Italia e.a., C-472/12, ECLI:EU:C:2014:2082, DR 2014/74 m.nt. Boersma, punt 36.

27 Pb L 198/3.

28 Zie artikel 3, lid 1, aanhef en onder a, van de Verordening 2658/87.

29 Zie artikel 3, lid 1, aanhef en onder b, van de Verordening 2658/87.

30 World Customs Organization, Harmonized Commodity Description and Coding System, Explanatory Notes, 2012.

31 Zie voor de vindplaats voetnoot 26.

32 Explanatory Notes to the Combined Nomenclature of the European Union, 2006/C 50/01, 28 februari 2006, blz. 292.

33 HvJ van 22 november 2012, Digitalnet, C-320/11, C-330/11, C-382/11 en C-383/11, ECLI:EU:C:2012:745, DR 2013/13* m.nt. Boersma, H&I 2013/3.17 m.nt. Ooyevaar, punt 38; HvJ 14 november 2013, SFIR e.a., C-187/12 tot en met C-189/12, ECLI:EU:C:2013:737, punt 24 en HvJ 10 maart 2005, easyCar (UK), C-336/03, na conclusie A-G Stix-Hackl, ECLI:EU:C:2005:150, punt 21.

34 HvJ 15 november 2012, Kurcums Metal, C-558/11, ECLI:EU:C:2012:721, DR 2013/24* m.nt. Van Brummelen, H&I 2014/86 m.nt. De Jonge, punt 48 en de aldaar aangehaalde rechtspraak.

35 CILFIT/Ministero della Sanità, punten 13 en 14.

36 CILFIT/Ministero della Sanità, punten 16 tot en met 20.