Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:383

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
24-04-2018
Datum publicatie
25-04-2018
Zaaknummer
16/05600
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:946
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG over verenigbaarheid van door het hof gestelde bijzondere voorwaarde met art. 14c.2 Sr, v.zv. die bijzondere voorwaarde inhoudt dat de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen van de reclassering, ook als die aanwijzingen inhouden dat de veroordeelde zich klinisch zal laten behandelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/05600

Zitting: 24 april 2018 (bij vervroeging)

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 26 oktober 2016 door het gerechtshof Den Haag wegens “belaging” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met toepassing van algemene en bijzondere voorwaarden zoals in het arrest omschreven en een proeftijd van twee jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. M.G. van Wijk, advocaat te Amsterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel behelst de klacht dat de door het hof gestelde bijzondere voorwaarde onverenigbaar is met art. 14c, tweede lid, Sr.

  4. De bestreden uitspraak houdt ten aanzien van de opgelegde straf het volgende in:

“Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan belaging van zijn toenmalige vriendin. De verdachte heeft met zijn gedrag gevoelens van grote onveiligheid bij zijn ex-vriendin veroorzaakt, die zo erg waren dat zij zich genoodzaakt voelde samen met haar dochter te vluchten. Voorts heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 29 september 2016, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Het hof heeft bij het bepalen van de straf acht geslagen op een reclasseringsadvies van het Leger des Heils, d.d. 13 januari 2016 en een psychodiagnostisch onderzoek van Parnassia, d.d. mei/juni 2016 dat door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep aan het hof is overlegd.
Gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, die hierin naar voren zijn gekomen, met name zijn autistische stoornis en zijn psychische gesteldheid als gevolg van suïcidale en depressieve klachten waarvoor hij ten tijde van het tenlastegelegde in behandeling was, is het hof van oordeel dat de verdachte dringend verdere professionele hulp en begeleiding nodig heeft en derhalve acht het hof een onvoorwaardelijke straf niet opportuun. Het hof betrekt hierbij dat zulks ook de uitdrukkelijke ter terechtzitting in hoger beroep uitgesproken wens van het slachtoffer is. Het hof zal om die reden een na te noemen voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen en daaraan een bijzondere voorwaarde verbinden, zodat de benodigde hulp aan de verdachte kan worden geboden.
Anders dan de advocaat-generaal is het hof voorts van oordeel dat met een daaraan te verbinden voorwaardelijke straf een proeftijd van 2 jaren kan worden volstaan.
Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.
(…)

Beslissing
Het hof:
(…)


Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren of ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt voorts de volgende bijzondere voorwaarde:
- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd moet melden bij de reclassering of een door de reclassering nader te bepalen instelling, op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht en dat de veroordeelde zich voorts houdt aan de aanwijzingen van de reclassering, ook als die aanwijzingen inhouden dat de veroordeelde zich ambulant of klinisch moet laten behandelen.
(…)”

5. De door het hof gestelde voorwaarde impliceert dat het aan de reclassering wordt overgelaten te bepalen of de verdachte zich klinisch moet laten behandelen en, zo ja, voor welke duur. De rechter geeft daarmee de beslissing over vrijheidsbeneming uit handen.1 Onder vigeur van 14c, tweede lid, onder 2° (oud) Sr overwoog de Hoge Raad dat de voorwaarde tot opneming van de veroordeelde in een inrichting tot verpleging slechts kan worden gesteld voor een door de rechter te bepalen termijn. Het wettelijk systeem dat ziet op het stellen van bijzondere voorwaarden en dat voorziet in procedurele waarborgen voor de veroordeelde ten aanzien van wie het stellen van een bijzondere voorwaarde wordt overwogen, brengt mee dat de beslissing of zich de noodzaak voordoet van opneming van de veroordeelde in een inrichting ter verpleging en voor welke duur is voorbehouden aan de rechter.2 In dit verband verdient ook art. 113, derde lid, van de Grondwet vermelding. Daarin is bepaald dat een straf van vrijheidsontneming alleen door de rechterlijke macht kan worden opgelegd.

6. De hiervoor beschreven lijn in de rechtspraak had betrekking op art. 14c, tweede lid, (oud) Sr, zoals dat tot 1 april 2012 luidde.3 In art. 14c, tweede lid, onder 10° is sindsdien opgenomen dat als bijzondere voorwaarde kan worden gesteld dat de veroordeelde wordt opgenomen in een zorginstelling. De Hoge Raad heeft bij arrest van 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5449, NJ 2013, 132 overwogen dat de rechtspraak ten aanzien van art. 14c (oud) Sr ook van toepassing is op het nieuwe art. 14c Sr.4 Dit brengt mee dat de beslissing of zich de noodzaak voordoet van opneming van de veroordeelde in een zorginstelling en, zo ja, voor welke maximale duur, ook naar huidig recht aan de rechter is voorbehouden.5

7. De door het hof gestelde bijzondere voorwaarde houdt onder meer in dat de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen van de reclassering, ook als die aanwijzingen inhouden dat de veroordeelde zich ambulant of klinisch moet laten behandelen. Een klinische behandeling houdt een intramurale behandeling in die vrijheidsbeneming met zich brengt.6 Met de steller van het middel lees ik het bestreden arrest aldus, dat het hof het oog heeft gehad op een opneming in een zorginstelling en zowel de noodzaak van een dergelijke opneming als de maximale duur ervan aan de reclassering heeft overgelaten. Het hof heeft daarmee miskend dat die beslissingen zijn voorbehouden aan de rechter.7

8. Het middel slaagt. De Hoge Raad zou de zaak zelf kunnen afdoen.8

9. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de in de strafoplegging voorkomende woorden “of klinisch”, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie voor een vergelijkbare voorwaarde en een verwijzing van de Hoge Raad naar het vrijheidsbenemend karakter daarvan: HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5449, NJ 2013/132.

2 Vgl. onder meer HR 6 november 1990, NJ 1991, 274 m.nt. Mulder, HR 19 september 1994, NJB 1994, p. 562, nr. 216 en HR 17 februari 1995, DD 95.216, HR 12 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0699 en HR 30 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ0262.

3 Wet van 17 november 2011 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met wijzigingen van regeling van de voorwaardelijke veroordeling en de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling, Stb. 2011, 545 en Stb. 2011, 615.

4 Zie HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5449, NJ 2013, 132 (rov. 2.4). Vgl. ook de conclusie van mijn ambtgenoot Spronken voorafgaand aan HR 15 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2593 onder 3.9.

5 Zie nader F.W. Bleichrodt en P.C. Vegter, Sanctierecht, tweede druk, Deventer: Kluwer 2016, p. 317-318.

6 Vgl. HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5449, NJ 2013, 132 en de daaraan voorafgaande conclusie van mijn ambtgenoot Vegter, onder 6 en 7.

7 Vgl. HR 15 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2593 en de conclusie van mijn ambtgenoot Spronken voorafgaand aan dat arrest onder 3.11.

8 Overeenkomstig HR 15 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2593.