Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:38

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
05-01-2018
Datum publicatie
09-03-2018
Zaaknummer
17/01937
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:312, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Kinder- en partneralimentatie. Vaststelling behoefte. Door hof gehanteerde referentieperiode van 1 jaar. Toepassing ‘hofnorm’.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 17/01937

mr. F.F. Langemeijer

Zitting: 5 januari 2018

Conclusie inzake:

[de man]

tegen

[de vrouw]

In deze alimentatiezaak gaat het om de vaststelling van de behoefte van de kinderen en van de vrouw. Het cassatiemiddel van de man klaagt over de gehanteerde referentieperiode voor de bepaling van het gezinsinkomen en over toepassing van de zgn. ‘hofnorm’.

1 Feiten en procesverloop

1.1

Verzoeker tot cassatie (hierna: de man) en verweerster in cassatie (hierna: de vrouw) zijn in 1999 met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk zijn geboren de minderjarige kinderen [kind 1] op [geboortedatum] 2003 en [kind 2] op [geboortedatum] 2006. Het huwelijk is op 29 maart 2016 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 28 oktober 2015.

1.2

De man heeft zich op 26 maart 2015 gewend tot de rechtbank Limburg met een verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen. Tot die nevenvoorzieningen behoorde de vaststelling van een bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen en van een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw. Na herhaalde wijziging van zijn verzoek heeft de man verzocht de kinderalimentatie te bepalen op € 163,- per kind per maand en zijn verzoek om vaststelling van een partneralimentatie ingetrokken.1

1.3

De vrouw heeft verweer gevoerd wat betreft de gevraagde nevenvoorzieningen. Bij wege van zelfstandig verzoek heeft de vrouw, voor zover in cassatie van belang, verzocht de door de man verschuldigde kinderalimentatie te bepalen op € 386,38 per kind per maand en de bijdrage in haar levensonderhoud te bepalen op € 2.728,-- bruto per maand.

1.4

Bij (tussen)beschikking van 28 oktober 2015 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en bepaald dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw zullen hebben. De rechtbank besliste dat bij de bepaling van de behoefte van de kinderen dient te worden uitgegaan van het gezinsinkomen in 2014:

“2.7.3 (…) Volgens de man moet aansluiting worden gezocht bij het netto-besteedbaar gezinsinkomen van 2013, nu partijen in mei 2014 feitelijk uit elkaar zijn gegaan.

Volgens de vrouw moet aansluiting worden gezocht bij 2014. In de zomer en het najaar van 2014 heeft het gezin nog veel dingen samen gedaan. In februari 2015 is de mediation hervat en toen is de man definitief vertrokken.

Gelet op de door de man overgelegde facturen vanaf mei 2014 tot en met mei 2015 van De Witte Vennen, is de rechtbank van oordeel dat er van uit mag worden gegaan dat de man de echtelijke woning in mei 2014 heeft verlaten. Onbetwist is echter dat partijen nog relatietherapie hebben gevolgd en gezamenlijk dingen hebben ondernomen als gezin. Zijdens de man is gesteld dat vanaf januari 2015 een zorgregeling liep. Gelet op dit alles ziet de rechtbank aanleiding om het netto-gezinsinkomen van 2014 als uitgangspunt te nemen voor de bepaling van de behoefte van de kinderen, nu partijen toen ook nog gezamenlijk de kosten droegen.”

Dit leidde tot een behoefte van € 718,- per kind per maand. De rechtbank heeft de verdere beslissing aangehouden en partijen in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 inzake het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop (ECLI:NL:HR:2015:3011).

1.5

Bij beschikking van 1 december 2015 heeft de rechtbank de door de man te betalen kinderalimentatie berekend op € 473,- per kind per maand (rov. 2.4.1 - 2.4.12). De rechtbank beoordeelde vervolgens het verzoek van de vrouw tot bepaling van een partneralimentatie (rov. 2.5.1 - 2.5.13). Op het punt van de behoefte van de vrouw aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud overwoog de rechtbank:

“2.5.4. De rechtbank relateert de behoefte van de vrouw aan het besteedbaar gezinsinkomen tijdens het huwelijk. Als overwogen in de beschikking van 28 oktober 2015 gaat de rechtbank uit van hetgeen de vrouw heeft gesteld, derhalve een bedrag van € 6.204,00. Daarop komen de kosten van de minderjarigen van in totaal € 1.436,00 per maand in mindering. Dan resteert € 4.768,00 per maand ter besteding voor de man en de vrouw. Aangezien de splitsing van één huishouden in twee huishoudens extra kosten meebrengt, acht de rechtbank het redelijk de behoefte van de vrouw op 60% van het gezinsinkomen te bepalen. De rechtbank berekent de behoefte van de vrouw dan ook op € 2.860,00 netto per maand. Daarop komt het eigen inkomen van de vrouw in mindering. Voor het eigen inkomen van de vrouw gaat de rechtbank uit van hetgeen zij (kan) verdient(en) uit de winst uit onderneming, zijnde een bedrag van € 1.223,00 per maand, alsmede het deel van het kindgebondenbudget dat niet tot haar aandeel voor de kosten van de kinderen behoort. De vrouw ontvangt een kindgebondenbudget van € 425,00 per maand, terwijl haar aandeel € 195,00 bedraagt. De rechtbank neemt derhalve nog een bedrag van (425- 195) € 230,00 aan inkomsten mee. Aldus komt het eigen inkomen van de vrouw op (1223 + 230) een bedrag van € 1.453,00. De aanvullende behoefte van de vrouw komt hiermee op (2860 - 1453) € 1.407,00 netto en omgerekend € 2.110,00 bruto per maand.”

De rechtbank berekende de partneralimentatie op € 1.383,- per maand. De ingangsdatum van de kinderalimentatie en partneralimentatie werd gesteld op de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. In het dictum heeft de rechtbank overeenkomstig het voorgaande beslist.

1.6

De man heeft tegen deze beschikkingen hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch en zijn verzoeken gewijzigd. Op haar beurt heeft de vrouw incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.7

Bij beschikking van 19 januari 2017 (ECLI:NL:GHSHE:2017:2017:150)2 heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, de beschikking van 1 december 2015 vernietigd, behoudens de beslissing over de proceskosten, en in zoverre opnieuw rechtdoende, de door de man te betalen kinderalimentatie bepaald op € 463,- per kind per maand met ingang van 29 maart 2016 (datum inschrijving echtscheidingsbeschikking), wat betreft de nog niet verschenen termijnen bij vooruitbetaling te voldoen, en de partneralimentatie bepaald op € 1.704,- per maand met ingang van 29 maart 2016 en op € 1.742,- per maand met ingang van 29 maart 2017.

1.8

De man heeft tegen deze beschikking - tijdig - beroep in cassatie ingesteld.3 De vrouw heeft verweer gevoerd.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het middel omvat, naast een inleiding en een samenvatting van het procesverloop, een drietal klachten over de wijze waarop de behoefte is bepaald. Ter inleiding merk ik het volgende op.

2.2

In de toelichting op de klachten is onder meer HR 19 december 2003 (ECLI:NL:HR:2003:AM2379)4 aangehaald. In die beschikking heeft de Hoge Raad enkele uitgangspunten geformuleerd voor de bepaling van de behoefte aan partneralimentatie. Daarvan zijn van belang voor deze zaak:

“3.4 (…) De rechter moet immers bij het bepalen van de mede aan de welstand gerelateerde behoefte rekening houden met alle relevante omstandigheden. Dit betekent dat de rechter zowel in aanmerking zal moeten nemen wat de inkomsten tijdens de laatste jaren van het huwelijk zijn geweest als een globaal inzicht zal moeten hebben in het uitgavenpatroon in dezelfde periode om daaruit te kunnen afleiden in welke welstand partijen hebben geleefd. (…) De behoefte zal daarnaast zo veel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud door de rechter worden bepaald. In hoeverre de vaste lasten en de overige, globaal te schatten, uitgaven of reserveringen voor te verwachten lasten van de onderhoudsgerechtigde redelijk zijn, zal mede beoordeeld moeten worden naar de mate van welstand zoals deze door de rechter op vorenbedoelde wijze is vastgesteld.(…)” 5

De Hoge Raad heeft niet nader omlijnd welk tijdvak als “de laatste jaren van het huwelijk” is te beschouwen: gaat het steeds om meerdere jaren, en geldt als ‘peildatum’ de ontbinding van het huwelijk dan wel de verbreking van de samenwoning? In de zaak die leidde tot HR 9 oktober 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BI9288)6 leefden partijen ongeveer vier jaar gescheiden voordat hun huwelijk werd ontbonden. In cassatie werd toen geklaagd dat het hof bij de bepaling van de behoefte van de vrouw, wat betreft de gezinsinkomsten, uitsluitend de laatste jaren van de samenwoning en niet mede de laatste jaren van het huwelijk in aanmerking had genomen. De Hoge Raad verwierp deze klacht:

“3.3 (…) Bij de vaststelling van het niveau waarop de vrouw na beëindiging van het huwelijk wat de kosten van levensonderhoud betreft in redelijkheid aanspraak kan maken, heeft het hof ten aanzien van de in aanmerking te nemen inkomsten het in de gegeven omstandigheden redelijk geacht uit te gaan van de gezinsinkomsten ten tijde van de daadwerkelijke huwelijkse samenleving. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het behoefde ook geen nadere motivering.”7

Ook in HR 23 april 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BL7642)8 werd geklaagd dat het hof bij de bepaling van het gezinsinkomen de laatste jaren van de samenwoning en niet de laatste jaren van het huwelijk als peildatum had genomen. Partijen leefden vijf jaar gescheiden voordat het huwelijk werd ontbonden. Onder verwijzing naar HR 9 oktober 2009 beoordeelde A-G Rank-Berenschot de klacht als ongegrond:

“2.4 (…) Het hof heeft zijn oordeel nader gemotiveerd met de omstandigheden dat 1) partijen in de jaren na 2001 een gescheiden huishouding voerden, 2) de man aan de vrouw in die periode alimentatie betaalde en 3) niet is gebleken van de intentie tot herstel van de huwelijksband, alles tegen de achtergrond van 4) een verzochte en reeds uitgesproken, maar slechts met het oog op een te treffen minnelijke regeling niet ingeschreven echtscheiding. De aangevoerde omstandigheden, die alle onderstrepen dat het huwelijk nog slechts een formaliteit was terwijl partijen materieel al vanaf oktober 2001 gescheiden waren, zijn, anders dan in het cassatieverzoekschrift wordt gesteld, niet ongeschikt of anderszins ontoereikend om 's hofs oordeel te kunnen dragen.”

De Hoge Raad verwierp vervolgens het cassatieberoep met toepassing van artikel 81 RO.

2.3

De behoefte aan kinderalimentatie wordt mede bepaald aan de hand van de welstand van de ouders.9 In HR 24 april 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH3186, art. 81 RO) had het hof de behoefte aan kinderalimentatie gebaseerd op de winst van de vennootschap onder firma van de ouders over 2005. Het cassatiemiddel betoogde dat het hof had moeten uitgaan van het gezinsinkomen ten tijde van het feitelijk uiteengaan van de ouders medio 2006. A-G Wuisman besprak de klacht in een breder kader:

“2.2.3 (…) Zoals hierboven al vermeld, heeft het vaststellen van de behoefte van een kind in het kader van de bepaling van de voor het kind verschuldigde alimentatie betrekking op zijn welvaartsniveau vóór het uiteengaan van de ouders en steekt daarachter het oogmerk om dat welvaartsniveau zoveel mogelijk te behouden. Het gezinsinkomen op het tijdstip dat de ouders uit elkaar gaan, hoeft geen goede indicator voor dat welvaartsniveau te zijn. Dat inkomen kan op dat tijdstip als gevolg van een toevalligheid veel hoger of lager zijn dan overigens gebruikelijk is, waardoor het inkomen van dat moment in onvoldoende verband staat met het welvaartsniveau van het betrokken kind. Omdat het welvaartsniveau veelal de resultante zal zijn van een inkomen over een langere periode, lijkt het beter om in beginsel uit te gaan van een gezinsinkomen op een moment gelegen in een periode voorafgaande aan het uit elkaar gaan van de ouders, waarin zich geen grote veranderingen ten aanzien van dat inkomen hebben voorgedaan. Welke periode voorafgaande aan het uit elkaar gaan van de ouders dan verder het meest geëigend is, zal van de verdere omstandigheden van het geval afhangen. Van belang zal zijn of zich schommelingen in het gezinsinkomen hebben voorgedaan en, zo ja, wanneer, in welke mate en voor welke duur zij zijn opgetreden. Dit alles staat ter beoordeling van de feitenrechter.

2.2.4 (…)

Het hof beschouwt het jaar 2005 kennelijk als de te dezen geëigende periode. Dat baseert het hof hierop, dat partijen in juli 2006 gescheiden zijn gaan leven, de vrouw op dat moment de werkzaamheden voor de VOF heeft gestaakt en haar inkomsten uit de snel daarna gevonden baan niet in gezinsverband zijn genoten. In deze in 2006 opgetreden aanzienlijke veranderingen in het gezinsinkomen heeft het hof aanleiding kunnen vinden om voor de behoefte (het welvaartsniveau) van [het kind] het einde van het jaar 2005 en de in dat jaar binnen het verband van de VOF gemaakte winst van meer betekenis te achten.”

2.4

Uit het voorgaande leid ik af dat de feitenrechter ruimte heeft om, aan de hand van de omstandigheden van het geval, te beoordelen of een bepaald tijdvak in “de laatste jaren van het huwelijk” wel of niet voldoende representatief is om als referentieperiode voor de bepaling van het netto-gezinsinkomen te dienen. Als referentieperiode kan onder omstandigheden zelfs het inkomen over één enkel jaar worden gebruikt, zo lijkt uit HR 24 april 2009 te kunnen worden opgemaakt.10 De referentieperiode kan gelegen zijn vóór de beëindiging van de samenwoning (het moment dat doorgaans wordt beschouwd als het feitelijk einde van het huwelijk), maar een ander tijdvak is mogelijk. Aan het vaststellen en wegen van door partijen met het oog op de bepaling van een onderhoudsbijdrage aangevoerde feiten en omstandigheden kunnen geen hoge motiveringseisen worden gesteld. Wel dient de alimentatierechter inzicht in zijn gedachtegang te geven.11

2.5

Waar het in kaart brengen van de tijdens de referentieperiode genoten inkomsten relatief weinig moeite kost bij vaste inkomstenbronnen, ligt dat anders bij het uitgavenpatroon in een verstreken periode. De praktijk leert dat het bijhouden van de bestedingen vaak achterwege blijft zolang de relatie goed is. In verband hiermee is in de praktijk voor de bepaling van de behoefte aan partneralimentatie een vuistregel ontwikkeld, aangeduid als de ‘hofnorm’ of ‘60%-norm’. Deze houdt in dat wordt gekeken naar het netto gezinsinkomen van partijen vóór het uiteengaan, waarbij de kosten van de kinderen worden afgetrokken. 60% van het overblijvende bedrag wordt dan als behoefte berekend.12 Indien de behoefte in geschil is, staat toepassing van een dergelijke vuistregel op gespannen voet met het door de Hoge Raad verlangde maatwerk. De Hoge Raad oordeelde in zijn beschikking van 3 september 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BM7050)13:

“3.4 (…) Door 60% van het vroegere netto gezinsinkomen als (enige) maatstaf te hanteren, heeft het hof miskend dat de behoefte aan alimentatie moet worden bepaald met inachtneming van alle door partijen aangevoerde relevante omstandigheden (…).”

In zijn beschikking van 6 juni 2014 (ECLI:NL:HR:2014:1336) heeft de Hoge Raad de toepassing van de vuistregel eveneens afgewezen:

“3.5.2 (…) Die behoefte dient immers zoveel mogelijk te worden bepaald aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud (…).”

2.6

Klacht I betreft de bepaling van de behoefte van de kinderen. Het hof overwoog in de bestreden beschikking:

“3.8. De behoefte van de kinderen is tussen partijen in hoger beroep in geschil.

De rechtbank heeft die behoefte vastgesteld op een bedrag van € 718,- per kind per maand. De rechtbank heeft bij de berekening van de behoefte van de kinderen aansluiting gezocht bij het netto gezinsinkomen over 2014.

3.9.

De man heeft daartegen een aantal grieven aangevoerd. Hij stelt zich op het standpunt dat uitgegaan dient te worden van het netto gezinsinkomen over de periode 2010 - 2013, nu partijen in mei 2014 feitelijk uit elkaar zijn gegaan. In de periode 2010 - 2013 bedroeg het netto besteedbaar inkomen van de man gemiddeld € 4.298,- per maand, terwijl het inkomen van de vrouw te verwaarlozen was. Aan de hand van de toepasselijke tabel en de leeftijd van de kinderen bedraagt de behoefte van de kinderen dan € 493,- per kind per maand.

De vrouw is van mening dat de rechtbank de behoefte van de kinderen op juiste wijze heeft berekend.

3.10.

Evenals de rechtbank ziet het hof aanleiding om het netto besteedbaar gezinsinkomen van 2014 als uitgangspunt te nemen voor de bepaling van de behoefte van de kinderen. Weliswaar staat vast dat de man in mei 2014 een woning op een bungalowpark heeft gehuurd, maar het hof acht dit onvoldoende om aan te nemen dat de samenleving van partijen toen volledig tot een einde is gekomen. Het hof neemt daartoe in overweging dat de man niet heeft betwist dat partijen in 2014 nog samen op vakantie zijn gegaan en diverse uitstapjes met het gezin hebben gemaakt. Verder staat vast dat partijen in de tweede helft van 2014 een relatietherapie hebben gevolgd. De man heeft zijn stelling dat deze therapie niet op continuering van de relatie was gericht tegenover de gemotiveerde betwisting van die stelling door de vrouw niet aannemelijk gemaakt. De man heeft tevens niet, althans onvoldoende gemotiveerd, betwist de stelling van de vrouw dat partijen tot en met eind maart 2015 een gezamenlijke financiële huishouding hebben gevoerd.

De vrouw heeft in eerste aanleg gesteld dat het netto besteedbaar gezinsinkomen in 2014 € 6.204,- per maand bedroeg, te weten een NBI14 van € 5.236,- per maand van de man en een NBI van € 968,- per maand van de vrouw. De grief van de man dat de rechtbank als uitgangspunt voor het inkomen van de vrouw ten onrechte een bedrag van € 15.000,- per jaar als winst uit onderneming in aanmerking heeft genomen, berust op een onjuiste lezing van de beschikking van de rechtbank van 28 oktober 2015. Immers, de rechtbank is bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen van de vrouw in 2014 niet uitgegaan van een bedrag van € 15.000,- per jaar als winst uit onderneming, maar van een bedrag van € 11.803,- (productie 3 in eerste aanleg van de vrouw). Voor het overige heeft de man het door de vrouw gestelde netto besteedbaar gezinsinkomen over 2014 niet betwist, zodat ook het hof van dit bedrag zal uitgaan.

Aan de hand van de toepasselijke tabel en de leeftijd van de kinderen stelt het hof, evenals de rechtbank, de behoefte van de kinderen vast op een bedrag van € 1.435,- per maand in totaal, derhalve ongeveer € 718,- per kind per maand. Per 1 januari 2016 bedraagt de naar analogie van artikel 1:402a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek geïndexeerde behoefte van de kinderen € 1.465,- per maand in totaal, derhalve ongeveer € 733,- per kind per maand.”

2.7

De klacht houdt in dat het hof bij de bepaling van de behoefte van de kinderen in rov. 3.9 - 3.10 ten onrechte, althans zonder toereikende motivering, (alleen) het netto besteedbaar gezinsinkomen van 2014 tot uitgangspunt heeft genomen. De man heeft betoogd dat het hof behoorde uit te gaan van het inkomen over de jaren 2010 - 2013. Hieraan heeft hij niet alleen ten grondslag gelegd dat partijen in mei 2014 gescheiden zijn gaan leven, maar ook dat het niet redelijk is om rekening te houden met het in 2014 verworven netto-inkomen van de vrouw: na het opzeggen van haar baan in juni 2010 heeft zij geen inkomen gehad totdat zij in oktober 2013 een eenmanszaak heeft opgericht waarmee zij in 2014 echt van start is gegaan. 15 Volgens de man is het hof alleen op het eerste argument ingegaan en heeft het hof zijn tweede argument onbesproken gelaten, althans zonder toereikende motivering verworpen. Deze tekortkoming werkt volgens de klacht door bij de bepaling van de behoefte van de vrouw (in rov. 3.22 - 3.30 en 3.34).

2.8

Voor zover de man aanvoert dat het hof een te beperkte uitleg heeft gegeven aan de grief dat bij het vaststellen van de behoefte uitgegaan dient te worden van het gezinsinkomen over 2010 - 2013, faalt klacht I omdat zij feitelijke grondslag mist. In rov. 3.9 heeft het hof bij het samenvatten van deze grief niet alleen vermeld dat volgens de man partijen in mei 2014 feitelijk uit elkaar zijn gegaan, maar ook dat in 2010 - 2013 het netto besteedbaar inkomen van de man gemiddeld € 4.298,- per maand bedroeg terwijl het inkomen van de vrouw te verwaarlozen was. Daaruit valt op te maken dat het hof heeft onderkend dat de grief mede was gebaseerd op het betoog dat de vrouw vanaf 2010 geen eigen inkomen had totdat zij in 2014 winst met haar nieuwe onderneming genereerde en dat de man het niet redelijk acht dat bij het vaststellen van de behoefte met dit inkomen rekening wordt gehouden.

2.9

De verwerping van deze grief heeft het hof in rov. 3.10 gemotiveerd als volgt. Dat de man in mei 2014 een woning in een bungalowpark heeft gehuurd is onvoldoende om aan te nemen dat de samenleving van partijen toen volledig is beëindigd: partijen zijn in 2014 nog samen op vakantie gegaan en hebben diverse uitstapjes met het gezin gemaakt, in de tweede helft van 2014 hebben partijen een relatietherapie gevolgd die gericht was op continuering van de relatie en tot en met eind maart 2015 hebben partijen een gezamenlijke financiële huishouding gevoerd. Op grond van deze - in cassatie niet bestreden - vaststellingen heeft het hof de rechtbank gevolgd in haar beslissing om bij de bepaling van de behoefte van de kinderen uit te gaan van het netto besteedbaar gezinsinkomen over 2014: het jaar voorafgaand aan het volledig verbreken van het huwelijk. De stelling dat de vrouw in 2014 voor het eerst een inkomen uit haar onderneming verwierf (in rov. 3.10 vastgesteld op € 11.803 per jaar) heeft het hof kennelijk van onvoldoende gewicht geacht om uit te gaan van het gezinsinkomen over 2010 - 2013. In de gedachtegang van het hof was de huwelijksband in 2014 nog niet volledig verbroken en kon dit inkomen dus bijdragen aan het welstandsniveau van partijen. Daarbij merk ik op dat de man in hoger beroep niet (met zoveel woorden) had betoogd dat het meetellen van het inkomen van de vrouw een niet representatief beeld geeft van het gezinsinkomen. Het betoog van de man hield in dat hij het meetellen “niet redelijk” acht.16 Tegen de achtergrond van hetgeen in de alinea’s 2.2 - 2.4 hiervoor is opgemerkt, getuigt het oordeel van het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het evenmin onbegrijpelijk. Hierop stuit klacht I af.

2.10

Klacht II is gericht tegen de bepaling van de behoefte van de vrouw aan partneralimentatie. Het hof overwoog:

“3.22. Partijen zijn het niet eens over de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw en de mate waarin zij daarin door middel van eigen inkomsten kan voorzien.

De man voert het volgende aan. De rechtbank heeft ten onrechte de behoefte van de vrouw volgens de zogenaamde hofformule vastgesteld. De behoefte van de vrouw is maximaal het bedrag volgens de hofnorm, maar haar feitelijke behoefte gedurende de periode 2010-2013 bedraagt € 1.400,- netto per maand op basis van de werkelijke uitgaven van partijen. De vrouw heeft nagelaten haar feitelijke behoefte met verificatoire bescheiden te onderbouwen.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat bij de bepaling van haar behoefte aansluiting moet worden gezocht bij de hofformule, zodat de behoefte € 2.860,- netto per maand bedraagt en , zo begrijpt het hof, ter illustratie van haar behoefte beroept zij zich op een door haar overgelegde behoeftelijst die zelfs op een hoger bedrag, namelijk netto € 3.785,55 per maand uitkomt.

3.23.

Het hof is van oordeel dat de man onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw in het onderhavige geval niet volgens de hofnorm zou kunnen worden vastgesteld. Het hof acht in dat verband de door de man gegeven begroting van de behoefte van de vrouw op € 1.400,-- per maand niet realistisch, mede gelet op de welstand van partijen tijdens het huwelijk en de duur van het huwelijk. Zo begroot de man de post vakantie op een bedrag van € 27,24 per maand, hetgeen zonder nadere toelichting die door de man niet is gegeven, niet aannemelijk is voor een gezin waar de man alleen reeds een inkomen geniet van meer dan € 100.000,- per jaar. De man heeft tegenover de betwisting van de vrouw de behoefte als door hem begroot onvoldoende onderbouwd. Anderzijds komt de door de vrouw geproduceerde behoeftelijst het hof bovenmatig voor en heeft ook zij de door haar gestelde behoefte onvoldoende onderbouwd tegenover de betwisting door de man. In aanmerking nemende de stellingen van partijen terzake, acht het hof het, alles overziende, redelijk en billijk om evenals de rechtbank de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw te begroten op € 2.860,- netto per maand.

Per 1 januari 2016 bedraagt de naar analogie van artikel 1:402a lid 1 BW geïndexeerde huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw € 2.920,- netto per maand.

3.24.

Tussen partijen is voorts in geschil in hoeverre de vrouw geheel of gedeeltelijk in haar behoefte kan voorzien door middel van eigen werkzaamheden.

Zoals het hof met betrekking tot de kinderalimentatie reeds heeft overwogen kan van de vrouw thans in redelijkheid niet worden verwacht dat zij zich een hoger inkomen verwerft dan de winst uit onderneming van € 17.211,- per jaar die het hof in het voorgaande als uitgangspunt heeft genomen.

Dit laat overigens onverlet dat de vrouw zich steeds naar vermogen dient te blijven inspannen om zoveel mogelijk in haar eigen financiële behoefte te voorzien.

3.25.

Gelet op het voorgaande is de behoefte van de vrouw aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud voldoende aannemelijk geworden.

In het voorgaande heeft het hof het totale eigen NBI van de vrouw berekend op € 1.826,- netto per maand. Van dit inkomen dient de vrouw met een bedrag van € 174,- per maand bij te dragen in de kosten van de kinderen, zodat voor de vrouw zelf feitelijk een besteedbaar inkomen resteert van € 1.652,- netto per maand. De aanvullende behoefte van de vrouw bedraagt aldus (€ 2.920 minus € 1.652) € 1.268,- netto per maand ofwel, gelet op de overige inkomsten van de vrouw en de daaraan verbonden fiscaliteiten, € 1.742,- bruto per maand.”

2.11

Met klacht II voert de man hiertegen aan, samengevat17:

1) dat het hof in rov. 3.23 miskent dat het op de weg van de onderhoudsgerechtigde ligt, de behoefte aan een onderhoudsbijdrage aan te tonen of aannemelijk te maken;

2) dat het hof in rov. 3.22 het standpunt van de man onjuist heeft weergegeven, nu het hof geen onderscheid maakt tussen zijn primaire en subsidiaire standpunt over toepassing van de ‘hofnorm’;

3) dat de oordelen in rov. 3.23 (a) dat de man “de behoefte van de vrouw (zoals door haar gesteld) onvoldoende heeft betwist” en (b) dat de man de door hem gestelde behoefte onvoldoende heeft onderbouwd, zonder nadere motivering onbegrijpelijk zijn;

4) dat het oordeel dat redelijk en billijk is de behoefte van de vrouw te begroten op € 2.860,- niet naar behoren is gemotiveerd;

5) dat indien het hof de ‘hofnorm’ heeft toegepast, dit in strijd is met de rechtspraak van de Hoge Raad.

2.12

Ingevolge het toepasselijke procesreglement18 wordt in procedures tussen (gewezen) echtgenoten waarin een uitkering tot levensonderhoud is verzocht en waarin de behoefte of de draagkracht wordt betwist, van beide partijen verwacht dat zij voorafgaand aan de mondelinge behandeling bepaalde financiële gegevens aan de rechter overleggen. De rechter mag vervolgens de alimentatie vaststellen op basis van zelfstandig onderzoek19. Het hof overweegt dat de man de door hem begrote behoefte onvoldoende heeft onderbouwd tegenover de betwisting daarvan door de vrouw. Het hof overweegt anderzijds dat de vrouw de door haar gestelde behoefte onvoldoende heeft onderbouwd tegenover de betwisting daarvan door de man. Deze constateringen betekenden niet dat het hof geen alimentatie kon vaststellen. Zij ontsloegen het hof immers niet van zijn verplichting om aan de hand van de beschikbare informatie zelf vast te stellen of de vrouw in aanmerking komt voor een uitkering tot levensonderhoud ten laste van de man en, zo ja, tot welk bedrag. De eerstgenoemde klacht stuit hierop af.

2.13

Ter toelichting op de tweede klacht voert de man aan dat hij zich in het beroepschrift (alinea’s 28-33) primair op het standpunt heeft gesteld dat de ‘hofnorm’ niet kan worden toegepast. Subsidiair had hij gesteld dat de rechtbank bij toepassing van de ‘hofnorm’ is uitgegaan van een onjuist netto besteedbaar gezinsinkomen en dat de behoefte maximaal € 1.987,20 bedraagt20. Volgens de man blijkt uit zijn verweerschrift tegen het incidenteel appel (alinea 21) dat hij dit primaire standpunt heeft gehandhaafd. Echter, ook zonder het gebruik van de woorden ‘primair’ en ‘subsidiair’, blijkt uit de samenvatting van het standpunt van de man in rov. 3.22 en de bespreking daarvan in rov. 3.23 genoegzaam, dat het hof heeft onderkend dat de man primair van mening was dat de ‘hofnorm’ niet moet worden toegepast. De tweede klacht faalt daarom.

2.14

De man betoogt ter toelichting op de derde klacht dat hij de door hem gestelde behoefte (van de vrouw) heeft gemotiveerd en gespecificeerd en dat hij de door de vrouw gestelde behoefte gemotiveerd heeft weerlegd. Hij verwijst naar het verweerschrift tegen het incidenteel appel, alinea’s 18-20, 22-23, prod. 11 daarbij, alsmede naar de pleitnota in hoger beroep, alinea’s 8-9.

2.15

Naar vaste rechtspraak kunnen geen hoge motiveringseisen worden gesteld aan beslissingen die uitsluitend betreffen het vaststellen en wegen van de door partijen met het oog op hun draagkracht en behoefte naar voren gebrachte omstandigheden. Het hof overwoog in dit verband dat de begroting van de behoefte van de vrouw op € 1.400,- niet realistisch is, mede gelet op de welstand en de duur van het huwelijk. Ter illustratie overwoog het hof daarbij - in cassatie onbestreden - dat de begroting van de post vakantie op € 27,24 bij gemis van een nadere toelichting niet aannemelijk is voor een gezin waarvan de man alleen reeds een inkomen geniet van meer dan € 100.000,- per jaar.21 Daarmee heeft het hof voldoende inzicht gegeven in zijn redenering op dit punt.

Verder heeft het hof in rov. 3.23 niet geoordeeld dat de man de door de vrouw gestelde (werkelijke) behoefte onvoldoende heeft betwist. Integendeel, het hof is juist van oordeel dat de man die voldoende had betwist. De slotsom is dat de derde klacht faalt.

2.16

Wat betreft de overige klachten: in rov. 3.23 oordeelde het hof enerzijds dat de door de man opgestelde begroting van de behoefte van de vrouw (€ 1.400,-) onvoldoende is onderbouwd tegenover de betwisting daarvan. Anderzijds overwoog het hof dat de door de vrouw opgestelde begroting van haar werkelijke behoefte (€ 3.785,55) onvoldoende is onderbouwd tegenover de betwisting door de man. Volgens het hof was de begroting van de man niet realistisch en was de door de vrouw overgelegde behoeftenlijst bovenmatig. Om deze impasse te doorbreken, achtte het hof het redelijk en billijk om, in navolging van de rechtbank, de behoefte van de vrouw te begroten op € 2.860,-. Dat betekent dat het hof, evenals de rechtbank, de ‘hofnorm’ heeft toegepast, maar niet als uitgangspunt.22 Door terug te vallen op de ‘hofnorm’, slechts daar waar bepaling van de werkelijke behoefte van de vrouw op grond van het partijdebat niet mogelijk bleek, heeft het hof niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. In de hiervoor onder 2.5 besproken beschikking van 3 september 2010 heeft de Hoge Raad zich gekeerd tegen toepassing van de ‘hofnorm’ als enige maatstaf. Die situatie doet zich hier niet voor, nu het hof blijkens rov. 3.23 eerst heeft geprobeerd de behoefte aan de hand van concrete gegevens en omstandigheden van het geval te berekenen. Eerst toen gebleken was dat dit niet lukte, is het hof teruggevallen op de ‘hofnorm’. Bovendien heeft de Hoge Raad in de beschikking van 6 juni 2014 overwogen dat de behoefte “zoveel mogelijk” aan de hand van concrete gegevens moet worden bepaald. Zo beschouwd, heeft het hof de behoeftebepaling voldoende inzichtelijk gemaakt. Op dit een en ander stranden de vierde en vijfde klacht.

2.17

Klacht III bouwt slechts voort op de voorafgaande klachten en deelt het lot daarvan.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

plv.

1 Zie de brief van de advocaat van de man aan de rechtbank van 27 augustus 2015.

2 EB 2017/34, RFR 2017/59.

3 De man heeft in alinea 1.3 van het cassatierekest een voorbehoud gemaakt tot aanvulling van de cassatieklachten na ontvangst van het proces-verbaal van de zitting van het hof op 8 december 2016. Hij heeft van dit voorbehoud geen gebruik gemaakt.

4 NJ 2004/140, FJR 2004/39.

5 In enkele latere beschikkingen heeft de Hoge Raad deze uitgangspunten herhaald: HR 3 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM7050, NJ 2010/473, rov. 3.4; HR 6 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1336, NJ 2014/298, rov. 3.4.

6 NJ 2009/489, RFR 2009/132, FJR 2010/26.

7 Zie ook de conclusie voor deze beschikking van A-G Huydecoper, alinea’s 9-13.

8 RvdW 2010/565, RFR 2010/82.

9 Het Rapport alimentatienormen (www.rechtspraak.nl) bevat richtlijnen voor de bepaling van de behoefte aan kinderalimentatie waarbij wordt aangeknoopt bij de leeftijd van het kind, het aantal kinderen in het gezin en het netto besteedbare gezinsinkomen van beide ouders tijdens het huwelijk dan wel het na het huwelijk boven dat gezinsinkomen gestegen netto-inkomen van de alimentatieplichtige ouder.

10 Kanttekeningen hierbij maakten: M. van Yperen-Groenleer, Het effect van tijdsverloop op behoefte en behoeftigheid, EB 2014/34, en M.A. Baeten, Verbleken van behoefte of hogere eisen aan de verdiencapaciteit, REP 2016/3. Vgl. HR 6 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1336, NJ 2014/298, reeds aangehaald, rov. 3.5.1.

11 Zie Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-II 2016/638.

12 Zie het Rapport alimentatienormen, versie januari 2017, blz. 13. Zie ook M.L.C.C. de Bruijn-Lückers, Alimentatieverplichtingen (2017), blz. 35, S.F.M. Wortmann, GS Personen- en familierecht, art. 1:157 BW, aant. 8, Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-II 2016/643.

13 NJ 2010/473, RFR 2010/121, FJR 2011, 32 m.nt. I.J. Pieters.

14 De afkorting staat voor: netto besteedbaar inkomen.

15 Het middel verwijst in dit verband naar blz. 5 van het proces-verbaal van 7 september 2015, alinea’s 20-22 van het appelrekest, alinea’s 17-18 van het verweerschrift incidenteel hoger beroep en alinea’s 6-7 van de pleitnota van de man in hoger beroep.

16 Vgl. HR 6 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1336, NJ 2014/298, rov. 3.5.1 alsmede alinea’s 2.21-2.25 van de conclusie voor dit arrest.

17 Zie het cassatierekest, blz. 42 – 44.

18 In dit geval: Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven (zoals geldend in 2017), te raadplegen via rechtspraak.nl, art. 2.1.2.

19 Vgl. HR 11 december 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC2264, NJ 1988/348 (kopje). Vgl. alinea 2.11 van de conclusie voor HR 27 april 2007 (art. 81 RO), ECLI:NL:HR:2007:BA0387, RvdW 2007/466. Zie ook Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-II 2016/646: “De rechter heeft een zelfstandige taak bij het vaststellen van de financiële middelen waarover de alimentatieplichtige kan beschikken. De rechter is in hoge mate vrij en mag rekening houden met alles wat deze rechtens en feitelijk ter beschikking staat en ook wat deze zich redelijkerwijs in de naaste toekomst kan verwerven.”

20 In alinea 23 van het verweerschrift tegen het incidenteel appel stelde de man dat de behoefte van de vrouw circa € 1.400,- per maand bedraagt.

21 In rov. 3.16 en 3.27 is het hof uitgegaan van een bruto jaarinkomen van de man van € 122.536,- over 2016. De rechtbank is in de beschikking van 1 december 2015 bij de bepaling van de kinderalimentatie en de partneralimentatie in rov. 2.4.5 resp. 2.5.6 uitgegaan van een jaarinkomen van de man van € 113.455,-.

22 Zie rov. 2.5.4 van de beschikking van de rechtbank van 1 december 2015.