Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:372

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
17-04-2018
Datum publicatie
20-04-2018
Zaaknummer
17/00086
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:890
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie plv. AG. Verdachte betreft politieman die bij alcoholcontrole heeft geschoten op een kort daarvoor op verdenking van rijden onder invloed aangehouden bestuurder. Drie middelen. Twee falende klachten inzake uitdrukkelijk onderbouwde standpunten over (1) betrouwbaarheid verklaringen van getuige en (2) gerechtvaardigd gebruik dienstwapen/ onjuiste interpretatie van “redelijk vermoeden van schuld”. Derde middel klaagt tevergeefs over ’s hofs verwerping van beroep op putatief noodweer. Strekt tot verwerping van het beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/00086

Zitting: 17 april 2018

Mr. D.J.M.W Paridaens

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 3 oktober 2016 de verdachte veroordeeld ter zake van ‘poging tot doodslag’ tot een gevangenisstraf van één maand en een taakstraf voor de duur van 240 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 dagen hechtenis.

  2. Namens de verdachte is cassatie ingesteld en heeft mr. G.G.J. Knoops, advocaat te Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Voor zover in de toelichting op de middelen wordt gewezen op en geciteerd uit de door de advocaat-generaal in hoger beroep aangedragen standpunten (als ware die van de verdediging), wordt daar in het navolgende geen acht op geslagen.

  4. De verdachte in deze zaak heeft in de uitoefening van zijn functie als politieagent gebruik gemaakt van zijn dienstwapen. Hij heeft tijdens een alcoholcontrole die hij samen met zijn collega [verbalisant 1] uitvoerde driemaal geschoten op de bestuurder van een personenauto die even daarvoor was aangehouden op verdenking van rijden onder invloed, maar die probeerde weg te rijden.

  5. Het eerste middel klaagt dat het hof is afgeweken van het door de verdediging naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunt met betrekking tot de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de verklaringen van de getuige [verbalisant 1] , zonder daarvoor een toereikende motivering te geven.

  6. De verdediging heeft ter terechtzitting bij het hof, voor zover relevant voor de bespreking van het middel, het volgende aangevoerd:

“3.1. Moment van eerste schot

14. Op het moment dat [verdachte] het eerste schot afvuurde, was de auto in beweging gekomen en stond [verbalisant 1] nog voor de auto. [verdachte] realiseerde zich op dat moment dat zijn partner in gevaar was en heeft gehandeld:

"Ik weet dat [verbalisant 1] in beweging kwam en wegsprong. Ik heb het beeld voor mij dat zij met gespreide handen op borsthoogte voor zich achteruit sprong. Dat afwerende gebaar kan zijn; weg van de fiets, of weg van de motorkap. Tegelijkertijd kwam ik in actie. Om de auto te laten stoppen moest ik de bestuurder stoppen. Dat deed ik omdat [verbalisant 1] in gevaar was en er ook gevaar voor andere burgers zou kunnen ontstaan."

15. Ze stonden voor het stoplicht links voorgesorteerd. De rechterbaan werd geblokkeerd door de agente. Doordat [verbalisant 1] daar stond, kon niet worden ingeparkeerd, noch worden weggereden. Door de auto naar rechts te manoeuvreren heeft de bestuurder willens en wetens in willen rijden op de agente die daar stond.

16. [betrokkene 1] , één van de inzittenden in de auto, heeft ook verklaard dat [verbalisant 1] nog voor de auto was ten tijde van het eerste schot:

"Ik heb de vrouwelijke agente niet precies zien bewegen, maar ik zag op dat moment dat zij met haar fiets was verplaatst en dat zij op dat moment vóór de auto in de rechter rijstrook stond. Zoals de politieagent stond opgesteld, blokkeerde zij de rechter rijstrook. Vervolgens hoorde en zag ik met een luide knal de ruit van het linker voorportier kapot gaan. Wij reden juist op dat moment van de linker naar de rechter rijstrook toe en onze auto maakte een hoek van tussen de 45 en 60 graden.

17. [betrokkene 2] heeft dit tevens bevestigd:

"Op het moment dat ik de knal hoorde en zag dat de ruit kapot ging, zag ik de vrouwelijke politieagent nog schuin voor de auto van [verdachte] staan. Ik had daarvoor gezien dat zij in de rijrichting van de auto was meebewogen. Juist op het moment dat ik de knal hoorde zag ik dat zij naar achteren bewoog, dus bij de auto vandaan. Vanaf dat moment ben ik weggedoken achter de rechter voorstoel en heb ik dus niets meer gezien."

18. [betrokkene 3] , een taxichauffeur die het gehele incident heeft waargenomen, heeft tevens verklaard dat de vrouwelijke politieagente nog voor de auto stond toen deze naar voren begon te bewegen:

"Vervolgens, kennelijk omdat de doorgang door die agente geblokkeerd werd, zag ik dat die Seat weer een stukje naar achteren reed. Hierna reed die bestuurder weer naar voren, weer met een ruk naar rechts, zodat hij met één wiel op het trottoir terecht kwam. Ik had de indruk dat hij met de bocht mee naar rechts wilde gaan. Op dat moment dat die Seat dat ging doen, zag ik dat de agente haar fiets losliet, en hem liet vallen aan de voorzijde van de Seat. Op dat moment zag ik dat de mannelijke agent een pistool in zijn hand had, ik hoorde dat hij weer "stop, stop" schreeuwde naar die bestuurder. Ik zag dat hij naast de linker portier van die bestuurder liep en ik hoorde een schot.”

19. Alleen [verbalisant 1] heeft verklaard dat het eerste schot pas werd gelost nadat zij was weggesprongen van voor de auto. De getuigen hebben echter in overeenstemming met [verdachte] verklaard dat [verbalisant 1] zich nog voor de auto bevond toen het eerste schot werd gelost, hetgeen derhalve aannemelijk is geworden. Met name nu wij kunnen aantonen dat [verbalisant 1] verschillende verklaringen heeft afgelegd en niet consistent is geweest in haar verklaringen.”

(…)

26. Dat er sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding blijkt uit de verklaringen van de betrokkenen.

27. [verdachte] heeft hierover het volgende verklaard:

"Op het moment dat de auto weer naar voren reed, zag ik dat [verbalisant 1] , die met haar fiets voor de auto stond, in gevaar kwam. [verbalisant 1] stond op handafstand voor de auto en ik zag dat de auto naar voren reed in haar richting. Ik zag dat zij en haar fiets voor de auto waren."

(...)

"Tegelijkertijd kwam ik in actie. Om de auto te laten stoppen moest ik de bestuurder stoppen. Dat deed ik omdat [verbalisant 1] in gevaar was en er ook gevaar voor andere burgers zou kunnen ontstaan.

V: Wat was het gevaar voor [verbalisant 1] ?

A: Dat [verbalisant 1] zou worden aangereden door de vooruitrijdende Seat en onder de auto zou komen. "

28. Bij de rechter-commissaris heeft [verdachte] verklaard dat hij heeft gehandeld omdat hij bang was dat [verbalisant 1] ernstig gewond zou raken als hij niet zou handelen. Door het directe gevaar van de auto die op zijn collega inreed, voelde hij zich genoodzaakt om te schieten.

29. [verbalisant 1] heeft gelijk na het incident aangifte gedaan tegen [betrokkene 4] voor poging tot doodslag. Zij heeft toen verklaard dat zij, indien zij niet was weggekomen van voor de auto, zeker gewond was geraakt:

"V: Wat had er gebeurd als je niet weg had kunnen springen?

A: Dan was ik op z'n minst gewond geraakt. Ik was op het moment niet echt bang maar besef wel wat er had kunnen gebeuren. Ik wil daar niet aan denken.”

30. Zowel [betrokkene 1] als [betrokkene 2] hebben verklaard dat [verbalisant 1] zich nog voor de auto bevond toen het eerste schot werd gelost. [betrokkene 2] heeft verklaard dat [verbalisant 1] zeker geraakt kon worden door de auto:

"V: Was het mogelijk dat de vrouwelijke politieagente geraakt zou worden?

A: Natuurlijk was dat mogelijk, want zij stond voor de auto. Ik zag dat AH om de politieagente heen wilde sturen. (...).”

(…)” 1

7. Het proces-verbaal van de terechtzitting bij het hof d.d. 5 september 2016 vermeldt, voor zover relevant voor de bespreking van het middel, het volgende:

“(…)

Dat het lossen van het eerste schot en het inrijden op [verbalisant 1] samenvielen blijkt ook uit de verklaring van de getuige [betrokkene 5] . Daarnaast illustreert de reconstructie dat het aannemelijk is dat [verbalisant 1] nog voor de auto stond ten tijde van het eerste schot, nu zij alleen bezig was met het voertuig en de fiets, zij geen zicht op het gebeuren had, zij bepaalde stukken kwijt is en zij geraakt was door het feit dat er op haar was ingereden. In het psychologisch onderzoek Pro Justitia staat op pagina 9 opgenomen dat mijn cliënt heeft gezegd dat [verbalisant 1] bevroor en dit past in het beeld dat [verbalisant 1] tijdens de reconstructie oproept.

(…)”

8. Het hof heeft, voor zover relevant voor de bespreking van het middel, het volgende overwogen:

“Feiten en omstandigheden

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep is door de verdediging en het Openbaar Ministerie veel naar voren gebracht met betrekking tot de vraag waar [verbalisant 1] zich bevond op het moment dat de verdachte het eerste schot loste. Zowel de verdediging als het Openbaar Ministerie hebben geconcludeerd dat aannemelijk is dat [verbalisant 1] zich nog voor de auto bevond en dat zij op dat moment een reëel risico liep overreden of in ieder geval aangereden te zullen worden. De verklaringen van de verdachte, [verbalisant 1] en de diverse getuigen zijn op dit punt niet eenduidig. Nu deze feitelijke omstandigheden van groot belang zijn voor de beantwoording van de vraag of sprake was van een noodweersituatie, zal het hof eerst dienen vast te stellen van welke feiten en omstandigheden het uitgaat. Voor de volledigheid zullen daarbij eerst de omstandigheden worden geschetst die niet ter discussie hebben gestaan en waarvan het hof op basis van de bewijsmiddelen, zoals deze zijn gebleken ter terechtzitting, uit zal gaan.

(…)

De vraag die zich aandient, is op welk moment de verdachte het eerste schot heeft gelost en vooral waar [verbalisant 1] zich op dat moment bevond: nog in een situatie dat de auto haar fiets raakte of inmiddels niet meer. De verdediging en de advocaat-generaal achten aannemelijk dat op het moment dat de verdachte het eerste schot loste richting [betrokkene 4] , [verbalisant 1] zich nog bevond in de situatie dat de verdachte met zijn auto tegen haar fiets aanreed. Zij hebben hiertoe aangevoerd dat niet alleen de verdachte dit (herhaaldelijk en ook ter terechtzitting in hoger beroep) heeft verklaard, maar dat ook de getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (inzittenden van de auto) en de taxichauffeur [betrokkene 3] aldus hebben verklaard. Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Anders dan de verdediging en de advocaat-generaal stelt het hof vast dat uit de verklaring van getuige [betrokkene 3] van 29 augustus 2012 niet valt af te leiden dat [verbalisant 1] zich nog met haar fiets voor de auto bevond tijdens het eerste schot. Integendeel, uit deze verklaring is eerder af te leiden dat [verbalisant 1] zich inmiddels in veiligheid had gebracht, door haar fiets te laten vallen. Ook merkt [betrokkene 3] op dat in zijn ogen de vrouwelijke agent (naar het hof begrijpt [verbalisant 1] ) naar zijn idee niet in gevaar is geweest.

Ten aanzien van de getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] overweegt het hof dat door de verdediging en de advocaat- generaal (kennelijk) wordt verwezen naar hun tweede verklaring van 30 augustus 2012 respectievelijk 3 september 2012. Op voorhand merkt het hof op dat de beide getuigen aanzienlijke hoeveelheden alcohol hadden genuttigd, hetgeen hun waarneming er niet betrouwbaarder op maakt. Ten aanzien van deze verklaring van [betrokkene 1] overweegt het hof dat deze beperkt van waarde is, nu deze getuige heeft verklaard überhaupt niet te hebben waargenomen dat de fiets is geraakt. Reeds op grond hiervan, was voor hem kennelijk niet te beoordelen of het schot plaatsvond nadat [verbalisant 1] zichzelf, door haar fiets weg te duwen en zelf naar achteren te springen, in veiligheid had gesteld of niet. Het hof is van oordeel dat in de verklaring van [betrokkene 2] geen ondubbelzinnig antwoord besloten ligt op de vraag of het eerste schot reeds viel op het moment dat er nog contact was tussen de auto en de fiets. Immers, deze getuige heeft verklaard dat toen ze de eerste knal hoorde, ze zag dat [verbalisant 1] zich naar achteren bewoog, dus bij de auto vandaan. Dit geeft geen uitsluitsel over de bedoelde vraag.

Het hof is op basis van het voorgaande van oordeel dat de verklaringen van [betrokkene 3] , [betrokkene 1] en [betrokkene 2] niet de aannemelijkheid van de lezing van de verdachte ondersteunen, namelijk dat [verbalisant 1] zich ten tijde van het eerste schot met haar fiets voor de auto en in een gevaarlijke situatie bevond. Het hof heeft op basis van het dossier ook niet kunnen concluderen dat er andere getuigen zijn die ondubbelzinnig de lezing van verdachte kunnen onderstrepen.

Tegenover de lezing van de verdachte staan de verklaringen van [verbalisant 1] zelf, die tegenover de Rijksrecherche, de rechter-commissaris, de raadsheer- commissaris en tijdens de reconstructie in de kern steeds heeft aangegeven dat zij zichzelf al in veiligheid had gebracht voordat het eerste schot werd gelost. Het hof hecht veel waarde aan de verklaringen van [verbalisant 1] en wel om de navolgende redenen.

[verbalisant 1] is een ervaren professional die sinds 2004 werkzaam is bij de politie en al vaker soortgelijke incidenten heeft meegemaakt. [verbalisant 1] stond op een plaats waar zij het gebeuren goed kon overzien. Zij verklaart over haar waarnemingen reeds enkele uren na het incident, te weten op 24 augustus 2012 om 14:15 uur bij de Rijksrecherche. In alle daaropvolgende verklaringen, waarvan de laatste nog op 8 januari 2016 door de raadsheer-commissaris is afgenomen, heeft [verbalisant 1] consistent verklaard over de toedracht en het verloop van het schietincident. Voorts is niet gebleken dat [verbalisant 1] enig belang had om anders te verklaren dan zij heeft gedaan. Sterker nog, haar verklaringen zijn eerder belastend voor een directe collega met wie zij ten tijde van het schietincident al langere tijd een goede samenwerking had.

De lezing van [verbalisant 1] wordt voorts niet alleen ondersteund door de eerder genoemde getuigenverklaring van [betrokkene 3] , maar tevens door het proces-verbaal van bevindingen van 24 augustus 2012, dat is opgemaakt door [verbalisant 1] en de verdachte. In dit proces-verbaal heeft de verdachte zelf opgeschreven dat hij zag dat zijn collega achteruit sprong om zichzelf in veiligheid te brengen en hij hierop (cursivering hof) geweld heeft aangewend richting [betrokkene 4] . De verdachte is over de bewoordingen van dit proces-verbaal ter terechtzitting bevraagd, aangezien deze zin en het gebruik van het woord “hierop” de indruk wekt dat ook hij heeft gezien dat zijn collega in veiligheid was voordat hij geweld aanwendde. De verdachte heeft beaamd dat de woordkeuze deze indruk kan wekken. Hij heeft echter aangegeven dat het proces-verbaal in samenspraak met een derde, die overigens niet wordt vermeld in het proces-verbaal, is opgemaakt en dat de bewoordingen feitelijk door deze derde zijn gekozen. Ook heeft de verdachte aangegeven dat het doel van het proces-verbaal was een eerste indruk van het incident te schetsen en dat het niet is opgesteld om de volgorde van handelen precies te beschrijven. Gelet op de ervaring van de verdachte als opsporingsambtenaar en de waarde die gehecht mag worden aan op ambtseed opgemaakte processenverbaal, acht het hof deze uitleg echter niet overtuigend.

Gelet op het hiervoor overwogene gaat het hof bij het vaststellen van de feiten en omstandigheden uit van de verklaring van [verbalisant 1] en gaat het hof er derhalve vanuit dat het eerste schot pas door de verdachte is gelost, nadat [verbalisant 1] haar fiets al had weggeduwd en zichzelf in veiligheid had gebracht. De verdachte is vervolgens achter haar langs gelopen en heeft toen het eerste schot op [betrokkene 4] gelost.” 2

9. Wil het namens de verdediging ingenomen standpunt de in cassatie te toetsen verplichting tot beantwoording scheppen, dan moet dat standpunt duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van de feitenrechter naar voren zijn gebracht.3 Omtrent de aan de mate van motivering in de uitspraak te stellen eisen komt onder meer betekenis toe aan de inhoud en indringendheid van de aangevoerde argumenten.4 Met enige welwillendheid ontwaar ik in het voorgaande een namens de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inzake de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige [verbalisant 1] . In de toelichting op het middel wordt betoogd dat het hof, in het licht van de overige getuigenverklaringen, de reconstructie en het forensische onderzoek, niet begrijpelijk heeft geoordeeld dat de verklaringen van de getuige [verbalisant 1] geloofwaardiger zijn dan die van de verdachte.

10. Ik deel dit standpunt niet. Het hof heeft gezien het voorgaande uitgebreid en niet onbegrijpelijk gemotiveerd waarom het de verklaringen van de getuige [verbalisant 1] inzake haar positie op het moment dat het eerste schot werd gelost aannemelijker acht dan de lezing van de verdachte dat [verbalisant 1] zich op dat moment nog in een gevaarlijke situatie bevond. Zo overweegt het hof onder andere dat het de waarnemingen van de getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] minder aannemelijk acht door de aanzienlijke hoeveelheden alcohol die zij hadden genuttigd en dat [betrokkene 1] überhaupt niet heeft waargenomen dat de fiets van [verbalisant 1] door de auto is geraakt. Voorts ligt in de verklaring van [betrokkene 2] volgens het hof ‘geen ondubbelzinnig antwoord besloten’ op de vraag of [verbalisant 1] zich tijdens het eerste schot in een gevaarlijke situatie bevond. De verklaringen van de getuige [verbalisant 1] acht het hof wel aannemelijk, aangezien zij ‘een ervaren professional´ is die al vaker soortgelijke incidenten heeft meegemaakt en consequent heeft verklaard dat zij – kort gezegd – zichzelf al in veiligheid had gebracht op het moment dat het eerste schot werd gelost. Het hof ziet geen reden waarom zij enig belang had om anders te verklaren dan zij heeft gedaan, immers haar verklaringen zijn belastend voor een directe collega waar zij ten tijde van het schietincident al langere tijd een goede samenwerking mee had. Aldus heeft het hof ten aanzien van het door de verdediging naar voren gebrachte standpunt de redenen opgegeven, als bedoeld in art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv, die ertoe hebben geleid dat het dit standpunt niet heeft aanvaard. Voor zover het middel klaagt dat het hof niet is ingegaan op de verklaring van de getuige [betrokkene 5] miskent de steller van het middel dat de motiveringsplicht van art. 359, tweede lid, Sv niet zover gaat dat bij de verwerping daarvan op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan.5

11. Het eerste middel faalt.

12. Het tweede middel klaagt dat het hof ten onrechte (en niet begrijpelijk) is afgeweken van het door de verdediging naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de verdachte, op grond van artikel 8 van de Politiewet 1993, uitgewerkt in artikel 7 van de Ambtsinstructie, in de gegeven situatie gebruik mocht maken van zijn dienstwapen en derhalve een beroep kon doen op art. 42 Sr, waarbij het hof voorts een rechtens onjuiste interpretatie van het element “redelijk vermoeden” heeft gehanteerd.

13. De verdediging heeft ter terechtzitting bij het Hof bepleit dat de verdachte aan de voorwaarden als gesteld in de Ambtsinstructie heeft voldaan en derhalve gebruik mocht maken van zijn vuurwapen om [betrokkene 4] aan te houden. De verdediging voerde hiertoe aan – kort samengevat – dat er sprake was van een voltooide poging tot doodslag, [betrokkene 4] zijn identiteit niet kon worden vastgesteld, [betrokkene 4] een gevaar bleek voor de rechtsorde, de verdachte slechts gericht op de schouder van [betrokkene 4] heeft geschoten zodat geen onschuldige derden konden worden geraakt en pas heeft geschoten nadat hij een minder ingrijpende methode had toegepast.6

14. Het hof heeft, voor zover relevant voor de bespreking van het middel, het volgende overwogen:

“Artikel 7 van de Ambtsinstructie (feit begaan ter uitvoering van een wettelijk voorschrift)

Voorts is bepleit dat de verdachte heeft voldaan aan artikel 7 van de Ambtsinstructie en hij derhalve gebruik mocht maken van zijn vuurwapen om [betrokkene 4] aan te houden. Nu de verdachte gehandeld heeft ter uitvoering van een wettelijk voorschrift, is het primair en subsidiair ten laste gelegde niet strafbaar en dient de verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aldus de advocaat-generaal en de verdediging.

Van belang zijn hier de volgende wettelijke bepalingen, zoals deze golden ten tijde van het tenlastegelegde.

Artikel 8, eerste lid, van de Politiewet 1993, luidende:

"De ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak is bevoegd in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening geweld te gebruiken, wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik van geweld verbonden gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt. Aan het gebruik van geweld gaat zo mogelijk een waarschuwing vooraf."

Artikel 8, vijfde lid, van de Politiewet 1993, luidende:

"De uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, dient in verhouding tot het beoogde doel redelijk en gematigd te zijn."

Artikel 9, eerste lid, van de Politiewet 1993, luidende:

"Bij algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt, in overeenstemming met Onze Minister van Defensie voor zover het de Koninklijke marechaussee betreft, een ambtsinstructie voor de politie en voor de Koninklijke marechaussee vastgesteld.”

Artikel 9, derde lid, van de Politiewet 1993, luidende:

"In de ambtsinstructie worden regels gegeven ter uitvoering van de artikelen 7 en 8."

Artikel 7, eerste lid, van de Ambtsinstructie, luidende, voor zover van belang:

“Het gebruik van een vuurwapen, niet zijnde een vuurwapen waarmee automatisch vuur of lange afstandsprecisievuur kan worden afgegeven, is slechts geoorloofd:

a. (...)

b. om een persoon aan te houden die zich aan zijn aanhouding, voorgeleiding of andere rechtmatige vrijheidsbeneming tracht te onttrekken of heeft onttrokken, en die wordt verdacht, van of is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf

1°. waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, en

2°. dat een ernstige aantasting vormt van de lichamelijke integriteit of de persoonlijke levenssfeer, of

3°. dat door zijn gevolg bedreigend voor de samenleving is of kan zijn.

c. (...)

d. (...)"

Artikel 7, vierde lid, van de Ambtsinstructie, luidende:

"Onder het plegen van een misdrijf, bedoeld in het eerste lid, onder b, worden mede begrepen de poging en de deelnemingsvormen, bedoeld in de artikelen 47 en 49 van het Wetboek van Strafrecht."

Artikel 7 van de Ambtsinstructie beschrijft de situaties waarin een politieambtenaar over mag gaan tot het gebruik van zijn vuurwapen. Bij zijn handelen dient de politieambtenaar evenwel ook te voldoen aan de eisen die de (destijds geldende) Politiewet 1993 hieraan stelt, meer specifiek de eisen zoals neergelegd in artikel 8, eerste en vijfde lid, van de Politiewet 1993. Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Vast staat dat [betrokkene 4] , nadat hij was aangehouden voor rijden onder invloed, heeft getracht weg te rijden. Hierbij heeft hij met zijn auto kracht gezet tegen de fiets van de collega van de verdachte, terwijl hem duidelijk te kennen was gegeven dat hij moest stoppen. Naar eigen zeggen heeft de verdachte vervolgens drie keer geschoten op de bestuurder, [betrokkene 4] , teneinde hem ook aan te kunnen houden voor een poging tot doodslag op [verbalisant 1] .

Het hof is van oordeel dat onder de gegeven omstandigheden geen sprake was van een redelijk vermoeden dat [betrokkene 4] zich schuldig had gemaakt aan een poging tot doodslag. De verdachte is een ervaren politieambtenaar. Van hem mag gevergd worden dat hij ook in stressvolle situaties scherp blijft waarnemen wat er om hem heen gebeurt. De verdachte stond ten tijde van de confrontatie tussen (de auto van [betrokkene 4] ) en zijn collega [verbalisant 1] op korte afstand van het gebeuren. Niet gebleken is dat hij in zijn waarneming van de situatie werd gehinderd. Ook voor de verdachte moet het dus helder zijn geweest dat het gevaar dat uitging van het duwen van de auto (dat is iets anders dan het inrijden op een agent met hoge snelheid) tegen de fiets onder de gegeven omstandigheden relatief beperkt was. Derhalve kan niet worden gesproken van een redelijk vermoeden van schuld aan een zwaar delict als poging tot doodslag op [verbalisant 1] . Nu niet aannemelijk is geworden dat sprake was van een verdenking van een strafbaar feit waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, is aldus niet voldaan aan de voorwaarden als gesteld in artikel 7 van de Ambtsinstructie als hierboven weergegeven. Het beroep op de Ambtsinstructie dient dan ook te worden afgewezen.

Gelet hierop behoeft de stelling dat de verdachte heeft voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit, zoals neergelegd in artikel 8, eerste en vijfde lid, van de Politiewet 1993, geen bespreking meer.

Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte zijn bevoegdheid om geweld te gebruiken, welke bevoegdheid hem uit hoofde van zijn functie toekwam op grond van artikel 8 van de Politiewet 1993, uitgewerkt in artikel 7 van de Ambtsinstructie, heeft overschreden en hij om die reden geen beroep kan doen op de strafuitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 42 van het Wetboek van Strafrecht.

(…)” 7

15. Het middel klaagt dat het hof zijn afwijkende beslissing op het namens de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt onvoldoende heeft gemotiveerd door slechts in te gaan op de positie van de verdachte als politieagent en geen van de andere aangedragen feiten en omstandigheden te bespreken. Ten aanzien van de poging doodslag waren er voldoende indicaties voor een ‘redelijk vermoeden van schuld’ aan een poging tot doodslag waardoor ’s hofs oordeel hieromtrent niet begrijpelijk is te achten, aldus het middel.

16. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Het antwoord op de vraag of sprake is van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit als bedoeld in art. 27, eerste lid, Sv hangt sterk af van de feitelijke omstandigheden van het geval. Het artikel vereist dat dit vermoeden redelijk en gebaseerd op objectiveerbare feiten en omstandigheden is.8 Of sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit wordt in belangrijke mate overgelaten aan de beoordelingsvrijheid van de rechter.9 Ten aanzien van uitdrukkelijk onderbouwde standpunten merkte ik bij de bespreking van het eerste middel al op dat omtrent de aan de mate van motivering in de uitspraak te stellen eisen betekenis toe komt aan de inhoud en indringendheid van de aangevoerde argumenten.10 De nadere motivering kan overigens soms al besloten liggen in de door de rechter gebezigde, voor de verwerping van het standpunt relevante bewijsmiddelen en/of aanvullende bewijsmotivering.11

17. Terug naar het onderhavige geval. Volgens het hof was er onder de gegeven omstandigheden geen sprake van een redelijk vermoeden van schuld aan een poging tot doodslag door [betrokkene 4] op [verbalisant 1] . Het hof overweegt daartoe onder meer dat de verdachte een ervaren politieambtenaar is van wie ook in stressvolle situaties gevergd mag worden dat hij scherp blijft waarnemen wat er om hem heen gebeurt. Die waarneming heeft volgens het hof in het onderhavige geval ongehinderd plaats kunnen vinden en het had de verdachte op moeten vallen dat het gevaar dat uitging van het duwen van de auto van [betrokkene 4] tegen de fiets van [verbalisant 1] relatief beperkt was. Van een redelijk vermoeden van schuld aan een poging tot doodslag door [betrokkene 4] op [verbalisant 1] kan dan ook niet worden gesproken, aldus het hof. Het hof overweegt voorts dat het gevolg daarvan is dat, in afwijking van het standpunt van de verdediging, aan de voorwaarden als gesteld in de Ambtsinstructie niet is voldaan. Immers, van een verdenking van een strafbaar feit waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, was geen sprake. Gelet hierop behoefde de stelling dat de verdachte heeft voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit (als bedoeld in art. 8, eerste en vijfde lid, Politiewet 1993) volgens het hof geen bespreking meer.

18. Het oordeel van het hof dat geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan een poging tot doodslag van [betrokkene 4] op [verbalisant 1] , waardoor de verdachte geen beroep kan doen op de strafuitsluitingsgrond als bedoeld in art. 42 Sr, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Hiermee is het hof weliswaar afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging, maar dit oordeel is gezien al het voorgaande niet-onbegrijpelijk gemotiveerd. Ik merk daarbij nogmaals op dat de door art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv voorgeschreven motiveringsplicht niet zover gaat dat bij de niet-aanvaarding van een dergelijk standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan.

19. Het tweede middel faalt ook.

20. In het derde middel wordt aangevoerd dat het hof het beroep op putatief noodweer ten onrechte, althans onvoldoende of niet begrijpelijk gemotiveerd, heeft verworpen.

21. Het in hoger beroep gevoerde verweer aangaande het eerste schot luidt als volgt (dikgedrukt in het origineel):

“3.3.PUTATIEF NOODWEER

50. Onder putatief noodweer wordt verstaan het geval dat een persoon abusievelijk in de veronderstelling leeft zich te moeten verdedigen dan wel zich te mogen verdedigen: het (dreigende) gevaar is ingebeeld of er bestaat een onjuiste opvatting over de uitleg van de noodweerregelgeving.

51. In eerste aanleg heeft de verdediging aangevoerd dat er in de onderliggende zaak sprake is van putatief noodweer en dat [verdachte] om deze reden moet worden vrijgesproken. Het OM had tevens vrijspraak gevorderd op grond van putatief noodweer.

52. De rechtbank heeft in eerste aanleg het volgende overwogen omtrent het verweer van de verdediging op dat punt:

"Van putatief noodweer is sprake wanneer men verschoonbaar dwaalt over het bestaan van een noodweersituatie. Iemand kan een beroep op putatief noodweer doen als omstandigheden aannemelijk zijn geworden die hem redelijkerwijs aanleiding konden geven te veronderstellen dat hij zelf of een ander wordt aangevallen. De vraag is of de gemiddelde burger, geplaatst in de situatie van de aanvaller, ook in de veronderstelling heeft verkeerd dat hij werd aangevallen of dreigde te worden aangevallen. In dit geval betekent dit dat moet worden beoordeeld of een andere politieman, met een gelijke ervaringen opleiding als de verdachte, eveneens in de veronderstelling zou hebben verkeerd dat hij werd aangevallen. In dat kader komt betekenis toe aan de zogenaamde Garantenstellung. Op grond van deze Garantenstellung kunnen aan politieambtenaren op grond van hun beroep, opleiding en training andere eisen worden gesteld dan aan een normale burger. Van een politieambtenaar kan worden gevergd dat hij in precaire situaties meer dan een gewone burger zelfbeheersing en tactisch inzicht heeft en in het geval van een confrontatie met een verdachte niet te snel naar zijn dienstwapen zal grijpen. Er mag van hem verwacht worden dat hij in staat blijft afgewogen beslissingen te nemen."

53. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat aan [verdachte] geen beroep op putatief noodweer toekomt.

54. Het feit dat [betrokkene 4] richting [verbalisant 1] is gereden, is aannemelijk gemaakt door middel van de verklaringen van [betrokkene 2] , [betrokkene 1] , [betrokkene 4] , [verdachte] , [verbalisant 1] én [betrokkene 3] . De vraag voor de toepasselijkheid van putatief noodweer is echter of een andere politieagent, dit net als [verdachte] zou hebben gezien als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.

55. Indien een andere politieagent in dezelfde situatie dezelfde beslissing zal hebben genomen tot handelen, en van mening was dat er sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan zou aan [verdachte] een beroep op putatief noodweer doen toekomen.

56. [verdachte] was ten tijde van het incident van oordeel dat er sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Dit blijkt uit zijn verklaringen en ook uit zijn handelen. Hij heeft gelijk na het incident bij een collega aangegeven dat hij heeft gehandeld om zijn partner te beschermen, en heeft dit in alle verhoren sindsdien herhaald.

57. Aan [verdachte] komt een beroep op putatief noodweer toe omdat hij van mening was dat zijn collega werd aangevallen. Indien Uw Hof oordeelt dat [verbalisant 1] niet in een daadwerkelijk gevaar was, omdat de auto geen hoge snelheid had of omdat [betrokkene 4] om haar heen trachtte te rijden, verandert dit nog niet dat [verdachte] wel was overtuigd van het feit dat [verbalisant 1] in gevaar was.

58. Daarnaast zou een andere politieagent wel degelijk in dezelfde situatie hetzelfde hebben gehandeld. Politieagenten worden namelijk opgeleid om te handelen als iemand of hijzelf in gevaar komt.

59. Tevens blijkt dat zijn werkgever, het gehele politiekorps, nog steeds achter het handelen van [verdachte] staat, zelfs na de veroordeling door de rechtbank. Zo is [verdachte] in actieve dienst gehouden. Dit blijkt tevens uit het Pro Justitia rapport dat is opgesteld door dr. Offermans en dr. Oudejans. [verdachte] heeft sinds het incident - zelfs nooit in zijn carrière - een dag werk gemist, zelfs niet ondanks de enorme druk die deze zaak op hem legt.

60. Het feit dat zijn werkgever, het politiekorps, nog steeds vierkant achter [verdachte] staat, en achter zijn handelen, zou als indicatie moeten gelden dat zij van mening zijn dat een andere politieagent op dezelfde wijze zou hebben gehandeld in de onderliggende situatie. Anders zou men hem onmiddellijk hebben doen schorsen, hangende de gerechtelijke procedures.

61. Derhalve komt [verdachte] een beroep op putatief noodweer wel degelijk toe ten aanzien van het eerste schot.

3.4.

Conclusie

62. Ten aanzien van het eerste schot, komt [verdachte] een beroep op noodweer toe nu hij heeft gehandeld om zijn partner te beschermen. Indien Uw Hof van mening zou zijn dat er geen concreet gevaar is geweest, komt aan [verdachte] een beroep op putatief noodweer toe.

(…). 12

22. Het in hoger beroep gevoerde verweer in verband met het tweede en derde schot luidt als volgt (dikgedrukt in het origineel):

“4.3. PUTATIEF NOODWEER

77. Indien Uw Hof van mening zou zijn dat er geen objectiveerbare dreiging was ten tijde van het tweede en derde schot, stelt de verdediging dat [verdachte] heeft gehandeld omdat hij verschoonbaar heeft gedwaald over het bestaan van een noodweersituatie.

78. Ten tijde van het schieten was [verdachte] ervan overtuigd en had hij wetenschap (door de uitkomst van de blaastest) dat [betrokkene 4] op dat moment een gevaar bleek te zijn voor de andere weggebruikers. Hij was zich ervan bewust dat [betrokkene 4] veel te veel alcohol had gedronken om een auto te mogen besturen en zich op de weg te begeven en alsmede zich geconfronteerd zag met het feit dat [betrokkene 4] op dat moment [verbalisant 1] had aangereden. Dit gecombineerd met zijn kennis van ongelukken die kunnen gebeuren als een persoon onder invloed gaat rijden, zorgde ervoor dat [verdachte] overtuigd was van het feit dat hij op dat moment moest ingrijpen. Voorzitter, een overlevings- en beschermingsdrang en geen "schrik" zoals de rechtbank overweegt!

79. Het is aannemelijk dat een andere politieagent op gelijke wijze had gehandeld als [verdachte] . [verdachte] heeft eerst getracht om [betrokkene 4] op een andere wijze aan te houden en tot stoppen te dwingen, maar toen dit onmogelijk bleek, heeft hij pas gebruik gemaakt van zijn vuurwapen (zie hieronder). In alle redelijkheid kan ook niet worden bedacht welke handelingen [verdachte] had moeten verrichten om [betrokkene 4] te kunnen bewegen uit de auto te stappen en zich te onderwerpen aan de opdracht die hij van de agent kreeg.

Ter vergelijking:

80. In een zaak met vele overeenkomsten met de onderliggende zaak werden op 5 augustus 2015 twee politieagenten ontslagen van alle rechtsvervolging omdat zij een beroep konden doen op putatief noodweer. In deze zaak hebben de agenten besloten om gebruik te maken van hun vuurwapen omdat een verdachte niet naar vermaningen om te stoppen luisterde en over een wapen leek te beschikken.

81. Hoewel de rechtbank van mening was dat aan de twee politieagenten geen beroep op noodweer toekwam, oordeelde de rechtbank wel dat het een verschoonbare dwaling betrof ten aanzien van het verkeren in een noodsituatie:

"Vorenstaande omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, waarbij de optelsom van gebeurtenissen evolueerde naar een mogelijke situatie van onmiddellijk dreigend gevaar voor een wederrechtelijke aanranding van derden, leidt tot het oordeel van de rechtbank dat NN01 redelijkerwijs kon en mocht menen dat [slachtoffer] tegengehouden moest worden."

82. Er waren in die zaak ook geen andere reële mogelijkheden om de verdachte aan te houden met gebruikmaking van een ander middel, zoals een wapenstok of pepperspray of met fysiek geweld.

83. In beide zaken - de onderliggende zaak en de bovenstaande zaak van 5 augustus 2015 - kan worden gesteld dat gezien alle omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, mocht worden aangenomen dat de verdachte met gebruik van vuurwapengeweld moest worden aangehouden.

4.4.

Conclusie

84. De verdediging is van mening dat aan [verdachte] ten aanzien van het tweede en derde schot een beroep op noodweer toekomt. Indien Uw Hof de visie van de verdediging hierin niet volgt en van mening is dat er geen concreet gevaar zou zijn geweest, komt aan [verdachte] een beroep op putatief noodweer toe.

85. Ten overvloede: Dit verweer wordt versterkt door twee andere argumenten:

1. Tijdens het verhoor van [verbalisant 1] bij de raadsheer-commissaris op 8 januari jl., verklaarde zij onder meer het volgende:

"Mr. Knoops vraagt in hoeverre dit soort situaties wordt getraind in de opleiding. Niet. U zegt mij dat ik zojuist wel verklaarde mijn fiets op een bepaalde manier neer te zetten. Dit is mijn manier hoe ik mijn fiets in een situatie neerzet, dat doe ik ook bij een lopende verdachte. Er is geen specifieke training voor dit soort situaties hoe je met de fiets omgaat en hoe je meeloopt met een auto die wegrijdt. Dat trainen we echt niet. Je leert alleen dat je je fiets ertussen moet plaatsen."

Voorzitter, dit betekent dat het begrip "Garantenstellung" niet opgaat ten nadele van cliënt.

2. In de Pro Justitia rapportage van dr. Offermans is op p. 26 het volgende te lezen:

"Daarbij dient tevens gememoreerd te worden dat de situatie van het onderhavige ten laste gelegde, ook voor een goed opgeleide en vrij ervaren politieambtenaar, er een was van extreme spanning, waarbij wel in te schatten viel dat de collega van betrokkene, [verbalisant 1] , gevaar liep, maar de ernst van dit gevaar maar moeilijk goed in beeld te krijgen was, getuige de uiteenlopende uitspraken hierover van betrokkene, [verbalisant 1] en anderen.

(…)" 13

23. Het hof heeft, voor zover relevant voor de bespreking van het middel, het volgende overwogen:

“Het beroep op (putatief) noodweer

Schot 1

(…)

Voorts heeft zowel de verdediging als de advocaat-generaal zich ten aanzien van het eerste schot op het standpunt gesteld dat de verdachte een beroep op putatief noodweer toekomt.

Voor een geldig beroep op putatief noodweer moet er sprake zijn van verontschuldigbare dwaling aan de kant van de verdachte. De verdachte kon niet alleen, maar mocht ook redelijkerwijs menen dat hij zichzelf of een ander moest verdedigen op de wijze zoals hij heeft gedaan, omdat hij verontschuldigbaar zich het dreigende gevaar heeft ingebeeld dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld.

De enkele stelling van de verdediging dat de verdachte meende dat [verbalisant 1] nog in gevaar verkeerde toen de verdachte het eerste schot loste, is onvoldoende om een beroep op putatief noodweer te doen slagen. Het gaat bij een beoordeling van het beroep op putatief noodweer in dit geval om het perspectief van een redelijk handelende, in een vergelijkbare situatie als de verdachte verkerende, politieambtenaar. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte niet verontschuldigbaar gedwaald omtrent het dreigende gevaar voor [verbalisant 1] . Het hof overweegt hieromtrent dat de verdachte ten tijde van het incident goed zicht had op [verbalisant 1] en bovendien eerst achter haar langs is gerend waarna hij begon met schieten. Van de verdachte, als politieambtenaar, mocht verwacht worden dat hij ondanks de hectiek van het moment, de situatie voldoende kon overzien en daarmee niet redelijkerwijs heeft kunnen menen dat de gevaarlijke situatie voor [verbalisant 1] op het moment dat de verdachte het eerste schot loste, nog bestond.

het beroep op putatief noodweer wordt mitsdien verworpen.

Schoten 2 en 3

(…)

De verdediging heeft voorts gesteld dat de verdachte verschoonbaar heeft gedwaald over het bestaan van een noodweersituatie, omdat hij zijn kennis omtrent de beschonken staat van de bestuurder en van het feit dat [betrokkene 4] op dat moment [verbalisant 1] had aangereden, combineerde met zijn kennis van ongelukken die kunnen gebeuren wanneer een dergelijke bestuurder deel neemt aan het verkeer. Het hof is van oordeel dat hiermee niet aannemelijk is geworden dat de verdachte verschoonbaar heeft gedwaald ten aanzien van het bestaan van een noodweersituatie. Ook hier geldt dat een redelijk handelende, in een vergelijke situatie verkerende, politieambtenaar naar het oordeel van het hof de situatie anders had ingeschat dan de verdachte, nu het gevaar voor [verbalisant 1] en andere verkeersdeelnemers vanuit dat perspectief en naar die maatstaf beperkt is geweest.

Het beroep op putatief noodweer wordt eveneens verworpen.

(…)” 14

24. Van putatief noodweer(exces) is sprake wanneer men verschoonbaar dwaalt ten aanzien van de strafuitsluitingsgrond noodweer(exces).15 De verdachte mocht in zo’n geval in de foutieve veronderstelling verkeren dat hij zich in een noodweersituatie bevond. Over de vraag of de rechter bij zijn beoordeling van een dergelijk verweer een ex ante (subjectief inzicht van de dader) of ex post (de objectieve werkelijkheid) toets moet aanleggen, bestaat in de doctrine geen eenstemmigheid. In het algemeen wordt aangenomen dat de rechter in zo’n geval tot uitgangspunt moet nemen welke voorstelling de dader zich redelijkerwijs mocht maken van de situatie waar hij in verkeerde.16 Hoewel een beroep op (putatief) noodweer(exces) door politieagenten niet is uitgesloten, is het in dat geval wel minder snel aannemelijk dat de verdachte – gelet op zijn training en vaardigheden – zijn zelfcontrole heeft verloren als gevolg van een door de aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging.17

25. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat ‘een andere politieagent hetzelfde zou hebben gehandeld’ als de verdachte, nu twee ervaren politieagenten, te weten [betrokkene 5] en [verbalisant 1] , na het incident hebben gemeld dat door [betrokkene 4] een poging doodslag was gepleegd. Ook was het handelen van de verdachte proportioneel. Dit laatste blijkt volgens de steller van het middel uit de verklaring van politieagent [betrokkene 5] . Het hof heeft onvoldoende gemotiveerd gerespondeerd op deze argumenten van de verdediging, aldus het middel.

26. ’s Hofs oordeel luidt dat de verdachte niet verschoonbaar heeft gedwaald ten aanzien van de door hem veronderstelde noodsituatie. Bij de beoordeling of in onderhavig geval sprake is van putatief noodweer gaat het volgens het hof ‘om het perspectief van een redelijk handelende, in een vergelijkbare situatie als verdachte verkerende politieambtenaar’. In dat licht overweegt het hof onder meer dat de verdachte tijdens het incident goed zicht had op [verbalisant 1] en eerst achter haar langs is gerend waarna hij begon met schieten. Van hem als politieambtenaar mag worden verwacht dat hij niet redelijkerwijs heeft kunnen menen dat de gevaarlijke situatie voor [verbalisant 1] nog bestond op het moment dat hij schoot, aldus het hof. Dit oordeel getuigt – onder meer gezien hetgeen ik onder 24. besprak – geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend en niet onbegrijpelijk gemotiveerd. Het middel faalt in zoverre.

27. Het middel klaagt voorts dat het hof bij de beoordeling van genoemd verweer ten onrechte heeft verzuimd om aan te geven of hij een ex post of ex ante toets heeft aangelegd. Het middel stelt dat het hof kennelijk (ten onrechte) een ex post toets heeft aangelegd en daardoor een te limitatieve uitleg heeft gegeven aan het begrip ‘verschoonbare dwaling’. Gezien hetgeen ik onder 24. heb besproken, berust die klacht op een onjuiste rechtsopvatting. Immers, het criterium bij de beoordeling van een dergelijk verweer luidt dat de rechter toetst welke voorstelling de verdachte zich redelijkerwijs mocht maken van de situatie waar hij in verkeerde. Dat heeft het hof gezien zijn motivering ook gedaan. Deze deelklacht faalt.

28. Ten aanzien van ‘s hofs overweging dat hij ‘er niet aan (twijfelt dat) – mede gelet op het gesprek dat met de verdachte is gevoerd ter terechtzitting in hoger beroep – de verdachte oprechte de intentie heeft gehad het goede te doen’ klaagt het middel dat die overweging strijdig is met de afwijzing van het beroep van de verdachte op putatief noodweer. Immers, het hof erkent zodoende dat de verdachte de situatie in had mogen schatten zoals hij heeft gedaan, aldus het middel. Ook deze deelklacht kan niet slagen. Voor een geslaagd beroep op putatief noodweer moet komen vast te staan dat de verdachte verschoonbaar heeft gedwaald ten aanzien van de door hem veronderstelde noodweersituatie. Het middel miskent dat goede intenties een dwaling niet noodzakelijkerwijs verschoonbaar maken. Het gaat er bij die beoordeling om welke voorstelling de dader zich redelijkerwijs mocht maken van de situatie waar hij in verkeerde. Het hof overweegt daartoe onder ander dat ‘van de verdachte, als politieambtenaar, mocht worden verwacht dat hij ondanks de hectiek van het moment, de situatie voldoende kon voorzien en daarmee niet redelijkerwijs heeft kunnen menen dat de gevaarlijke situatie voor [verbalisant 1] op het moment dat de verdachte het eerste schot loste, nog bestond’. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting is niet onbegrijpelijk gemotiveerd.

29. Het derde middel faalt in alle onderdelen.

30. De middelen falen en kunnen worden afgedaan op de voet van art. 81 RO.

31. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven

32. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

plv. AG

1 Zie: pleitnotities d.d. 5 september 2016, p. 5 – 10.

2 Zie: arrest van het hof Den Haag d.d. 3 oktober 2016, p. 6 – 10.

3 Zie: A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 225 – 226.

4 Zie onder andere HR 4 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:238, NJ 2014/279 m.nt. T.M. Schalken, r.o. 2.3.

5 Zie HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393, m.nt. Buruma, r.o. 3.8.4 onder d.

6 Zie: pleitnotities d.d. 5 september 2016, hoofdstuk IV, p. 23 – 37.

7 Zie: arrest van het hof Den Haag d.d. 3 oktober 2016, p. 12 – 14.

8 Zie onder ondere HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL3530, r.o. 4.3.

9 Zie C.P.M. Cleiren, (red.), Tekst & Commentaar Strafvordering, Deventer: Wolters Kluwer 2017, art. 27 Sv, aant. 3 onder b.

10 Zie onder andere HR 4 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:238, NJ 2014/279 m.nt. T.M. Schalken, r.o. 2.3.

11 Zie: A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 226.

12 Zie: pleitnota d.d. 5 september 2016, p. 14 – 17.

13 Zie: pleitnota d.d. 5 september 2016, p. 20 – 23.

14 Zie: arrest van het hof Den Haag d.d. 3 oktober 2016, p. 10 – 12.

15 Zie J. de Hullu, Materieel Strafrecht, Deventer: Kluwer 2009, p. 323.

16 Zie J.M. Ten Voorde, Tekst & Commentaar Strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer, art. 41 Sr, aant. 10 (online, laatst bijgewerkt op 1 september 2017).

17 Zie: R. ter Haar, ‘Het ‘politiedelict’ art. 372 Sr in relatie tot noodweer(exces)’, TPWS 2017/9, onder 4.