Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:371

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
06-03-2018
Datum publicatie
18-04-2018
Zaaknummer
16/05443
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:626
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Betekening inleidende dagvaarding, art. 588.1.b.3 Sv. Is het bij het eerste politieverhoor opgegeven verblijfadres van verdachte achterhaald door latere opgave ander adres en daaropvolgende vermelding "Vertrokken Onbekend Waarheen"? Inleidende dagvaarding is tevergeefs aangeboden op door verdachte opgegeven postadres van Leger des Heils en vervolgens uitgereikt aan griffier, omdat van verdachte geen woon- of verblijfplaats bekend is. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2002:AD5163 m.b.t. omstandigheden waaronder kan worden aangenomen dat van verdachte geen feitelijke woon- of verblijfplaats bekend is. In de bestreden uitspraak ligt als ’s Hofs oordeel besloten dat de inleidende dagvaarding rechtsgeldig is betekend. In aanmerking genomen dat in de ID-staat SKDB het adres A is vermeld als laatst opgegeven woon- of verblijfplaats met als datum registratie 2 juni 2014 en gelet op het feit dat verdachte bij gelegenheid van zijn eerste verhoor door de politie op 9 november 2013 weliswaar het adres B heeft opgegeven als verblijfadres, maar daarbij vermeld heeft dat hij binnenkort een aantal bezichtigingen heeft, heeft het Hof kennelijk geoordeeld dat dit door verdachte opgegeven adres niet meer behoefde te worden aangemerkt als een uit de stukken blijkend adres dat redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van verdachte zou kunnen gelden, nu het was achterhaald door latere opgave, die door het Hof kennelijk is opgevat als door verdachte zelf gedaan te weten door opgave van adres A en de daaropvolgende vermelding "Vertrokken Onbekend Waarheen". Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk (vgl. ECLI:NL:HR:2017:2405). HR verwijst de zaak naar de rolzitting opdat AG zich alsnog kan uitlaten over voorgestelde middelen voor het overige. CAG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/05443

Zitting: 6 maart 2018

Mr. P.C. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij verstek gewezen arrest van 25 juli 2016 door het hof Amsterdam wegens “diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak”, veroordeeld tot een taakstraf van 120 (honderdtwintig) uren, subsidiair 60 (zestig) dagen hechtenis.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld door de verdachte en mr. E.M. Witjens, advocaat te 's-Gravenhage, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel bevat een tweetal onderdelen. In de eerste plaats klaagt het middel (onderdeel a) dat het oordeel van het hof dat de betekening van de inleidende dagvaarding rechtsgeldig heeft plaatsgevonden onjuist is althans onbegrijpelijk en/of ontoereikend is gemotiveerd. Voorts klaagt het middel (onderdeel b) dat het hof ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig is betekend.

  4. Ik stel allereerst voorop dat in cassatie niet met vrucht kan worden geklaagd over de wijze waarop de dagvaarding is betekend indien de verdachte of zijn raadsman in de gelegenheid is geweest de desbetreffende klacht aan de feitenrechter voor te leggen en hij van die gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt.1 Nu zowel het vonnis in eerste aanleg als het bestreden arrest bij verstek is gewezen, kan de verdachte in zijn klacht worden ontvangen.2

5. Met betrekking tot de klacht over de betekening van de inleidende dagvaarding (onderdeel a) is het volgende van belang. Bij de aan de Hoge Raad op de voet van art. 434, eerste lid, Sv toegezonden stukken bevinden zich:

- Een kopie van een akte van uitreiking waaruit blijkt dat de (post)bezorger op 2 september 2015 de brief (dagvaarding) niet heeft uitgereikt op het adres Spoordreef 14b Almere met als (aangevinkte) reden dat geadresseerde niet (meer) woont op het vermelde adres en voorts dat de bezorger aldaar een afhaalbericht heeft achtergelaten;

- Een kopie van een akte van uitreiking met als adresvermelding Spoordreef 14b 1315 GN Almere waarin is aangevinkt dat de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde niet bekend is en met als op 14 september 2015 gedateerde verklaring van een medewerker van het openbaar ministerie dat de gerechtelijke brief is uitgereikt aan de griffier alsmede dat op grond van art. 588a Sv een afschrift van de gerechtelijke brief is verzonden aan het door de geadresseerde opgegeven adres.

- Een uitdraai ID-staat SKDB van 14 september 2015 waaruit blijkt dat verdachte niet is gedetineerd en dat verdachte:

- vanaf 8 november 2012 stond ingeschreven op het adres Spoordreef 14B, 1315 GN Almere.

- vanaf 29 januari 2014 stond ingeschreven op het adres [adres A] Almere.

- vanaf 16 oktober 2014 niet langer op een adres in Nederland stond ingeschreven.

6. Uit de gedingstukken blijkt voorts dat de verdachte tijdens zijn eerste verhoor door de politie op 9 november 2013 aan de verhorende ambtenaar de volgende adresgegevens heeft verstrekt:

“V – vraag/opmerking verbalisant

A – antwoord/reactie verdachte

(…)

V: Eerst wat algemene vragen. Op welk adres sta je ingeschreven?

A: Spoordreef 14B, 1315GN Almere, dat is een postadres van het Leger des Heils.

V: Sinds wanneer sta je daar ingeschreven?

A: Al een tijdje, meer dan 8 maanden.

V: Op welk adres verblijf je?

A: [adres B] , [postcode] Almere.”

7. Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen uit het Wetboek van Strafvordering van belang:

Artikel 588

1. De uitreiking geschiedt:

a. aan hem wie in Nederland in verband met de strafzaak waarop de uit te reiken gerechtelijke mededeling betrekking heeft rechtens zijn vrijheid is ontnomen en aan hem wie in Nederland in andere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen rechtens zijn vrijheid is ontnomen: in persoon;

b. aan alle anderen: in persoon of indien betekening in persoon niet is voorgeschreven en de mededeling in Nederland wordt aangeboden:

1°. aan het adres waar de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, dan wel,

2°. indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, aan de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde, dan wel,

3°. indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen noch een feitelijke woon- of verblijfplaats van hem bekend is, aan de griffier van de rechtbank van het arrondissement waar de zaak zal dienen of laatstelijk heeft gediend.

2. (…).

3. Indien in het geval bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 1° of 2°,

a. de geadresseerde niet wordt aangetroffen, geschiedt de uitreiking aan degene die zich op dat adres bevindt en die zich bereid verklaart het stuk onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen;

b. niemand wordt aangetroffen, geschiedt de uitreiking aan de geadresseerde of aan een door deze gemachtigde op de plaats die vermeld wordt in een schriftelijk bericht dat op het in de mededeling vermelde adres wordt achtergelaten. Uitreiking aan een door de geadresseerde schriftelijk gemachtigde geldt als betekening in persoon;

c. geen uitreiking heeft kunnen geschieden, wordt de mededeling teruggezonden aan de autoriteit van welke zij is uitgegaan. Indien blijkt dat de geadresseerde op de dag van aanbieding en tenminste vijf dagen nadien als ingezetene in de basisregistratie personen was ingeschreven op het in de mededeling vermelde adres, wordt de mededeling vervolgens uitgereikt aan de griffier van de rechtbank van het arrondissement waar de zaak zal dienen of laatstelijk heeft gediend. Het openbaar ministerie zendt alsdan een afschrift van de mededeling onverwijld toe aan dat adres, van welk feit aantekening wordt gedaan op de akte van uitreiking, bedoeld in artikel 589.

8. Uit de ID-staat SKDB van 14 september 2015 volgt dat ten tijde van de betekening van de inleidende dagvaarding verdachte niet was gedetineerd en dat hij niet als ingezetene stond ingeschreven in de basisregistratie personen (BRP). Gelet op art. 588, eerste lid, sub b, onderdeel 2, Sv had de uitreiking van de dagvaarding moeten geschieden aan de woon- of verblijfplaats van verdachte. Onbekendheid van een feitelijke woon- of verblijfplaats kan niet worden aangenomen, indien niet is getracht de uitreiking van de dagvaarding te doen plaatsvinden op een uit de stukken van het geding blijkend – voor de hand liggend en niet door een latere opgave achterhaald – adres dat redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte zou kunnen gelden.3

9. Nu de verdachte ten tijde van zijn eerste verhoor als verblijfadres heeft opgegeven het adres [adres B] , [postcode] Almere, moet de uitreiking van de inleidende dagvaarding op voornoemd adres geschieden.4 Het is nu de vraag of uit de stukken van het geding kan blijken dat dit is geschied. In de akte bij de op 14 september 2015 uitgereikte dagvaarding is, zoals reeds naar voren kwam, vermeld dat een afschrift van de gerechtelijke brief op grond van art. 588a Sv is verzonden aan het door geadresseerde opgegeven adres. Voorts is vermeld dat de geadresseerde bij zijn eerste verhoor een adres heeft opgegeven. Gelet op de samenhang tussen beide mededelingen kan ervan worden uitgegaan dat een afschrift van de gerechtelijke brief is verzonden naar het adres [adres B] Almere.5 Kennelijk is getracht te voldoen aan het voorschrift van art. 588a, eerste lid onder a, Sv teneinde te voorkomen dat de behandeling van de zaak zou moeten worden aangehouden, terwijl overigens niet is gebleken dat verdachte dit adres heeft opgegeven als adres waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. Een dergelijke toezending van een afschrift van het gerechtelijke stuk is echter geen geldige uitreiking van de dagvaarding als bedoeld in art. 588, eerste lid, onder b, sub 2, Sv.6

10. Verdachte heeft tijdens het eerste verhoor niet alleen meegedeeld dat hij verbleef op het adres aan de [adres B] , maar ook dat hij toen stond ingeschreven op het adres aan de Spoordreef. Dat laatste was ten tijde van het verhoor in 2013 in overeenstemming met de ID-staat SKDB. Per 29 januari 2014 wijzigde de inschrijving in het GBA in: [adres A] Almere, terwijl die inschrijving al weer ruim voor de uitreiking was vervallen. Uit het arrest van het hof blijkt niet of het hof aan deze wijziging nog enige betekenis heeft toegekend. Ik stel vast dat deze wijziging mijns inziens geen betekenis heeft. Wijziging van het inschrijvingsadres door een ander adres in de ID-staat SKDB dat ten tijde van uitreiking niet meer actueel is, achterhaalt de opgave van een verblijfadres niet.

11. De slotsom is dat het in het bestreden arrest besloten liggende oordeel van het hof dat de inleidende dagvaarding rechtsgeldig is betekend, niet naar de eis der wet met redenen omkleed.7 De Hoge Raad kan de inleidende dagvaarding om doelmatigheidsredenen nietig verklaren.

12. Het middel is in zoverre dus terecht voorgesteld. Het voorgaande brengt mee dat de in het eerste middel onder b geformuleerde klacht en het tweede middel geen bespreking behoeven.

13. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, behoudens voor zover daarbij het vonnis van de Rechtbank Haarlem is vernietigd, en tot nietigverklaring van de inleidende dagvaarding.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317; HR 5 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8360, NJ 2007/339; HR 18 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY5363.

2 Zie ook A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer 2015, p. 233.

3 HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317; HR 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7945; HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2405.

4 Vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317. Zie hierover tevens J.M. Reijntjes, De dagvaarding in strafzaken, tweede druk, Deventer: Kluwer 2011, p. 49-50.

5 Al blijft enige onzekerheid hierover wel in stand, omdat op de akte van uitreiking weliswaar is aangekruist dat een afschrift van de gerechtelijke brief is verzonden aan het adres dat de verdachte heeft opgegeven bij gelegenheid van zijn eerste verhoor in de desbetreffende strafzaak, maar is op de akte van uitreiking niet ingevuld welk adres dat is.

6 Het verschil tussen uitreiking in persoon en toezending van een afschrift van het gerechtelijk stuk maakt nogal wat uit, nu de wetgever ook andere consequenties heeft verbonden aan de betekening in persoon, bijvoorbeeld voor de vraag of er van mag worden uitgegaan dat verdachte op de hoogte is van de terechtzitting en het vonnis. Zie daarover J.M. Reijntjes, De dagvaarding in strafzaken, tweede druk, Deventer: Kluwer 2011, p. 40. Voorts kan worden gewezen op de wetsgeschiedenis bij de totstandkoming van art. 588a Sv waarin toezending (en dus geen uitreiking in persoon) is voorgeschreven. Voornoemde bepaling heeft slechts een aanvullende betekenis: in aanvulling op de betekening aan het GBA-adres van verdachte dan wel de woon- of verblijfplaats van verdachte, kan een afschrift worden verzonden aan een door de verdachte opgegeven adres (Kamerstukken II 2004/05, 29805, 3, p. 12). Dat uitreiking op het verkeerde adres en vervolgens toezending op het juiste adres geen behoorlijke dagvaarding van de verdachte oplevert en aldus niet kon worden volstaan met slechts toezending op het juiste adres, volgt ook uit HR 26 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3631, NJ 2007/367.

7 HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317 m.nt. Schalken; HR 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7945.