Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:369

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
17-04-2018
Datum publicatie
18-04-2018
Zaaknummer
17/01518
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:1771
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie plv. AG. Art. 69 AWR. Bewijsklacht m.b.t. vraag of de verdachte – een rechtspersoon – in het aangiftebiljet vennootschapsbelasting een verlies op aandelen heeft opgegeven van ruim anderhalf miljoen euro. Plv. AG: het Hof heeft nagelaten een bewijsmiddel of bewijsoverweging op te nemen waaruit uitdrukkelijk blijkt hoe het voornoemde bedrag is opgebouwd. Nu het bedrag niet een (uiteindelijk) benadelingsbedrag betreft dat voor de straftoemeting in fraudezaken een maatgevende rol kan spelen, in de strafmaatoverweging niet naar het bedrag is verwezen, in cassatie niet wordt bestreden dat de bestuurder van de verdachte de geleden verliezen heeft geboekt ten laste van de verdachte en in de schriftuur een toelichting ontbreekt met betrekking tot het belang bij de betreffende klacht, stelt de plv. AG stelt zich op het standpunt dat het beroep op voet van art. 80a RO niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/01518

Zitting: 17 april 2018

Mr. D.J.M.W. Paridaens

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 12 oktober 2016 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, zittingsplaats Zwolle, wegens “opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een geldboete van € 25.000,-.

  2. Er bestaat samenhang met de zaken 17/01519 en 17/01530. Ook in deze zaken zal ik vandaag concluderen.

  3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. F.P. Slewe, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

  4. Het middel richt zich tegen de motivering van de bewezenverklaring en behelst de klacht dat er geen enkel bewijsmiddel is waaruit blijkt dat in het aangiftebiljet vennootschapsbelasting betreffende het jaar 2002 een verlies op aandelen werd opgegeven van ongeveer € 1.626.895,-.

  5. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“zij op 3 maart 2003 en/of 3 maart 2004, althans op een of meer verschillende tijdstippen in de periode maart 2003 tot en met maart 2004, in de gemeente Lelystad en/of elders in Nederland, telkens opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de vennootschapsbelasting over de jaren 2001 en/of 2002, onjuist of onvolledig heeft gedaan bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Lelystad, terwijl die feiten er telkens toe strekten dat te weinig belasting wordt geheven, hebbende die onjuistheid of onvolledigheid hierin bestaan, dat in het aangiftebiljet betreffende het jaar 2001 (zakelijk weergegeven) ten onrechte een bedrag van ongeveer Euro 56.876,-, althans een bedrag aan verlies op aandelen werd opgegeven en/of ten onrechte een negatief belastbaar bedrag of een te hoog negatief belastbaar bedrag werd vermeld, en/of in aangiftebiljet betreffende het jaar 2002 (zakelijk weergegeven) ten onrechte een bedrag van ongeveer Euro 1.626.895,-, althans een bedrag aan verlies op aandelen werd opgegeven en/of ten onrechte een negatief belastbaar bedrag of een te hoog negatief belastbaar bedrag werd vermeld.”

6. Het hof heeft onder “Overweging met betrekking tot het bewijs” – voor zover hier van belang – het volgende vastgesteld:

“Het verwijt dat [verdachte] (hierna [verdachte] ) wordt gemaakt komt er – kort gezegd – op neer dat door de bestuurder van [verdachte] , [medeverdachte 1] , ten onrechte in privé geleden verliezen op aandelentransacties zakelijk bij [verdachte] zijn geboekt en als zodanig in de aangiften vennootschapsbelasting over de jaren 2001 en 2002 zijn verwerkt, waardoor er bij [verdachte] te weinig vennootschapsbelasting is geheven.

Feiten

Op 3 maart 2003 en 3 maart 2004 zijn door de belastingdienst de aangiften Vennootschapsbelasting 2001 respectievelijk 2002 van [verdachte] ontvangen (bijlage 21b resp 21c).

De bestuurder van verdachte, medeverdachte [medeverdachte 1] (verder [medeverdachte 1] ) had in privé vanaf april 1996 een rekening-courant met beleggingsportefeuille onder nummer [001] bij [A] (hierna: het account [001] ) (bijlage 37). In 1999 is bij akte van huwelijksvoorwaarden van 29 juni 1999 het effectendepot van [medeverdachte 1] bij [A] aan diens echtgenote, [betrokkene 1] , toebedeeld (bijlage 38). Ingevolge een overeenkomst tussen [medeverdachte 1] en diens echtgenote van juli 1999 is dat effectendepot weer aan [medeverdachte 1] overgedragen, met dien verstande dat het account [001] op naam van [betrokkene 1] bleef staan in verband met eventuele aansprakelijkstelling van [medeverdachte 1] door derden (bijlage 39). Op 8 december 1999 is [medeverdachte 1] door [betrokkene 1] gemachtigd in het kader van het account [001] alle rechtshandelingen te verrichten (bijlage 40). Op 8 januari 2000 is een overeenkomst gesloten tussen [B] B.V. (nu geheten: [verdachte] , verdachte), [betrokkene 1] en [medeverdachte 1] , waarbij onder meer is bepaald dat [betrokkene 1] meewerkt aan aankoop van effecten voor rekening en risico van [B] B.V. via de op haar naam staande rekening (bijlage 41).

In maart en mei 2002 zijn door [medeverdachte 1] vanuit [verdachte] bedragen tot in totaal bijna twee miljoen euro overgeboekt naar een privé bankrekening van [betrokkene 1] . Vanaf die rekening is in juni en juli 2002 een bedrag van in totaal € 2.100.000,- op account [001] overgeboekt. [medeverdachte 1] heeft in juni en juli 2002 effecten met het geld van account [001] gekocht. In september 2002 is een rekening-courant/effectenrekening van [verdachte] bij [A] geopend onder nummer [002] (hierna: account [002] ).

Op 31 december 2002 hebben [medeverdachte 1] en [betrokkene 1] per fax (waarop achter de datum is vermeld als tijdstip: 10:42) aan [A] verzocht om aandelen uit de portefeuille van [betrokkene 1] over te boeken naar de portefeuille [verdachte] , in verband met scheiding tussen privé en zakelijk (bijlage 58). Het betreft hier 88000 effecten ING, 15000 Philips (waarvan 5000 aankoop op 9 oktober 2000), 5000 ASML en 200 contracten call ING 20 oktober 2003). Nog dezelfde dag heeft [medeverdachte 1] per fax (waarop achter de datum is vermeld als tijdstip: 10:50) verzocht om een over-/terugboeking op 2 januari 2003 van account [002] naar account [001] (bijlage 60).

Uit de fiscale opgaven van [A] over het jaar 2002 is gebleken dat [verdachte] in 2002 op account [002] geen dividend uitgekeerd heeft gekregen, terwijl [betrokkene 1] op account [001] tot een bedrag van € 75.940,33 aan (binnenlands) dividend heeft uitgekeerd gekregen. In de aangifte inkomstenbelasting van [betrokkene 1] over 2002 is een bedrag van € 20.268,- opgenomen als ingehouden Nederlandse dividendbelasting (bijlage 86); in de aangifte vennootschapsbelasting van [verdachte] over 2002 is geen dividendbelasting opgenomen als voorheffing op te betalen vennootschapsbelasting. “

7. Het moet de steller van het middel worden nagegeven dat het hof heeft nagelaten een bewijsmiddel of bewijsoverweging op te nemen waaruit uitdrukkelijk blijkt hoe het bewezenverklaarde bedrag van € 1.626.895 is opgebouwd. In de als bewijsmiddel 2 gebezigde aangifte vennootschapsbelasting 2002 van [verdachte] (hierna: de verdachte) en de daaraan gevoegde Winst en verliesrekening blijkt dat onder 19k als ‘Waarderingsvermindering van effecten’ een bedrag van € 83.014 is opgegeven voor het jaar 2002. Daarnaast is onder 20a1 een post ‘Buitengewone baten en lasten’ opgegeven ten bedrage van “- € 1.975.656”. Kennelijk heeft het hof het bedrag van € 1.626.895 zo uitgelegd dat dit bedrag ten laste van de winst van de verdachte is gebracht en dit de afwaardering ten bedrage van € 83.014 van de in 2000 aangekochte aandelen omvatte, alsmede het verlies ten bedrage van € 1.543.881 met betrekking tot de in 2002 aangeschafte aandelen die op andere wijze in de boekhouding is verwerkt.1 Daarbij wijs ik erop dat uit de overige bewijsmiddelen blijkt dat op naam van de echtgenote van de bestuurder van de verdachte aandelen zijn aangeschaft (bewijsmiddel 8), deze aandelen feitelijk toebehoorden aan de medeverdachte [medeverdachte 1] (bewijsmiddel 3, 4, 5 en 6), in 2000 aandelen Philips zijn aangeschaft (bewijsmiddel 10 en 11), in 2002 in totaal voor een bedrag van € 2.746.253 aandelen zijn aangeschaft op naam van de echtgenote van de medeverdachte [medeverdachte 1] (bewijsmiddel 8), deze echtgenote € 2.100.000 van haar privérekeningen heeft overgeboekt naar haar account bij [A] (bewijsmiddel 8), op 31 december 2002 door [medeverdachte 1] aandelen zijn overgeboekt naar de verdachte (bewijsmiddel 10), op 2 januari 2003 deze overboeking weer ongedaan is gemaakt tegen de slotkoers van 31 december 2002 (bewijsmiddel 11) en de getuige [getuige 1] , de Private Banker van [medeverdachte 1] , heeft verklaard dat hij geen weet had dat het beleggen voor rekening en risico van de verdachte plaatsvond (bewijsmiddel 3, 15 en 16).

8. De vraag die in cassatie voorligt, is of het ontbreken van een nadere motivering van het bewezenverklaarde bedrag van € 1.626.895 in dit geval tot vernietiging moet leiden. Ik meen dat dit niet het geval is. Daarvoor is allereerst van belang dat het in de bewezenverklaring opgenomen bedrag niet een (uiteindelijk) benadelingsbedrag betreft dat voor de straftoemeting in fraudezaken een maatgevende rol kan spelen.2 Vastgesteld kan worden dat in de strafmaatoverweging van het hof dan ook niet naar dit bedrag is verwezen. Verder wordt in cassatie niet bestreden dat de bestuurder van de verdachte de verliezen op de aandelen heeft geboekt ten laste van de verdachte.

9. Het voorgaande in combinatie met de omstandigheid dat in de schriftuur een toelichting ontbreekt met betrekking tot het belang bij het ingestelde beroep in cassatie en het – rechtens te respecteren – belang, brengt mee dat de aangevoerde klacht geen behandeling in cassatie rechtvaardigt, omdat de partij die het cassatieberoep instelt klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Het beroep dient daarom op voet van art. 80a RO niet-ontvankelijk te worden verklaard.

10. Deze conclusie strekt tot de niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv. AG

1 Deze uitleg vindt ook steun in de stukken van het geding in hoger beroep. Uit de Grootboekkaarten 2002 [B] BV, d.d. 31 december 2002 blijkt dat op 31 december 2002 een bedrag van € 1.543.881 o.v.v. “MEMO [A] [verdachte] via [betrokkene 1] ” als debetpost is verwerkt, welk bedrag ziet op de waardevermindering van de effecten. Deze waardevermindering betreft het geleden verlies op in 2002 aangeschafte aandelen. Het totale saldo van de betreffende grootboekrekening bedraagt € 1.908.397,-. Dit bedrag is vervolgens opgeteld bij het saldo van grootboekrekening 7001 en 7002 ad € 67.258, waarvan de totaalsom (zijnde (afgerond) € 1.975.656) als ‘Buitengewone baten en lasten’ in de Aangifte Vennootschapsbelasting 2002 in mindering is gebracht op de winst. Dit bedrag omvat derhalve de afboeking op de aandelen. Tezamen met de opgegeven ‘Waarderingsvermindering van effecten’ ten bedrage van € 83.014, is in totaal een bedrag van ongeveer € 1.626.895,- opgegeven in de Aangifte Vennootschapsbelasting 2002.

2 Vgl. de oriëntatiepunten voor straftoemeting in fraudezaken, zoals die op voorstel van de Commissie Rechtseenheid door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht zijn vastgesteld. Deze oriëntatiepunten zijn online te raadplegen via de website rechtspraak.nl.