Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:366

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
17-04-2018
Datum publicatie
18-04-2018
Zaaknummer
16/06229
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:715
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie plv. AG. Eén middel. Slagende klacht dat in strijd met art. 51 (oud) Sv (thans art. 48 Sv) de raadsman geen afschrift van de dagvaarding heeft ontvangen. Strekt tot vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/06229

Zitting: 17 april 2018

Mr. D.J.M.W. Paridaens

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 3 oktober 2016 het vonnis bevestigd van de rechtbank Rotterdam van 4 februari 2016 waarbij de verdachte is veroordeeld ter zake van 1. ‘bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht’ en 2. ‘eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening’ tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken, waarvan één week voorwaardelijk, waaraan de rechtbank een proeftijd van twee jaren heeft verbonden en de algemene en bijzondere voorwaarden als in het door het hof bevestigde vonnis genoemd.

  2. Namens de verdachte heeft mr. J.J.A. Bosch, advocaat te Rotterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel klaagt dat aan de advocaat ten onrechte geen afschrift van de dagvaarding in hoger beroep is verzonden en dat hij zodoende niet op de hoogte was van de datum van de inhoudelijke behandeling in hoger beroep.

  4. Voor de beoordeling van het middel zijn de navolgende artikelen van belang:

- Art. 51 (oud) Sv1, luidende:

“Ten aanzien van de bevoegdheid van den raadsman tot de kennisneming van processtukken en het bekomen van afschrift daarvan vinden de artikelen 30 tot en met 34 overeenkomstige toepassing. Van alle stukken die ingevolge dit wetboek ter kennis van de verdachte worden gebracht ontvangt de raadsman, behoudens het bepaalde in artikel 32, tweede lid, onverwijld afschrift.”

- Art. 39 (oud) Sv2, voor zover luidende:

“1. De gekozen raadsman geeft van zijn optreden als zoodanig, wanneer de officier van justitie reeds in de zaak betrokken is, schriftelijk kennis aan den griffier. Is dat nog niet het geval, dan geeft hij van zijn optreden schriftelijk kennis aan den in de zaak betrokken hulpofficier.

(…)”

5. Artikel 39, eerste lid, (oud) Sv betreft een ordemaatregel. Het doel daarvan is ervoor te zorgen dat de bevoegde autoriteiten schriftelijk in kennis worden gesteld van het feit dat door of namens de verdachte een raadsman is gekozen en dat deze raadsman door de autoriteiten als zodanig wordt erkend en behandeld. De hier bedoelde raadsman heeft ingevolge art. 51 (oud) Sv vervolgens het recht op kennisneming en afschrift van processtukken.3 Een raadsman kan zich stellen door middel van een zogenoemde ‘stelbrief’. Dit betreft een vormvrije brief waaruit moet blijken wie zich als raadsman stelt, wie de verdachte is en in welke aangelegenheid de raadsman de verdachte bijstaat. Een dergelijke brief is echter geen noodzakelijke voorwaarde voor de toepasselijkheid van art. 51 (oud) Sv. Indien uit enig in het dossier aanwezig stuk aan de rechter of de andere justitiële autoriteiten blijkt dat de verdachte voor de desbetreffende aanleg is voorzien van rechtsbijstand door een raadsman dan behoort deze raadsman als zodanig te worden erkend.4 Uit de enkele omstandigheid dat uit de appelakte blijkt dat het rechtsmiddel namens een verdachte door een raadsman is ingesteld, kan volgens de Hoge Raad niet worden afgeleid dat die raadsman de verdachte ook bij de daaropvolgende behandeling als raadsman zal bijstaan.5 Met betrekking tot een na het instellen van het hoger beroep door een advocaat namens de verdachte op de voet van art. 410 Sv ingediende appelschriftuur kan dit anders zijn.6

6. Het in het belang van de verdachte gegeven voorschrift van art. 51 (oud) Sv wordt door de Hoge Raad van zo grote betekenis geacht dat, al is dit niet uitdrukkelijk in de wet bepaald, de niet-nakomiing ervan moet worden geacht aan een geldige behandeling van de zaak ter terechtzitting buiten tegenwoordigheid van de verdachte en diens raadsman in de weg te staan.7 Dat heeft tot gevolg dat zolang er reden bestaat te twijfelen of art. 51 (oud) Sv is nageleefd, met name indien de raadsman niet op de zitting is verschenen, de behandeling van de zaak alleen mag worden voortgezet als de rechter voor wie de zaak is aangebracht in redelijkheid mag aannemen dat de verdachte er geen prijs op heeft gesteld, hetzij ter terechtzitting te verschijnen en door zijn raadsman te worden bijgestaan, hetzij in zijn afwezigheid door zijn uitdrukkelijk gemachtigde raadsman het woord ter verdediging te laten voeren.8 Dat betekent dat de rechter (in de praktijk: de griffier) bij afwezigheid van de raadsman telefonisch contact met hem moet leggen. Als blijkt dat de raadsman niet op de hoogte is van de terechtzitting, zal het onderzoek moeten worden geschorst om hem in staat te stellen alsnog het woord tot verdediging te voeren.9 Als er voor de feitenrechter geen aanleiding was om te twijfelen, omdat door een administratieve omissie een stuk waaruit kan blijken dat de verdachte is voorzien van rechtsbijstand niet aan het dossier is toegevoegd, is er alsnog sprake van een schending van art. 51 (oud) Sv als deze omissie naderhand aan het licht komt.10

7. Terug naar het onderhavige geval. Uit de stukken die aan de Hoge Raad zijn toegezonden kan het volgende worden opgemaakt.

- Op 4 februari 2016 is de zaak tegen de verdachte in eerste aanleg door de politierechter op tegenspraak behandeld. De verdachte is ter terechtzitting bijgestaan door mr. J.J.A. Bosch. De politierechter heeft ter terechtzitting terstond mondeling uitspraak gedaan;

- op dezelfde dag heeft mr. J.J.A. Bosch ter griffie van de rechtbank verklaard door de verdachte bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd om namens de verdachte hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van de politierechter. Op grond daarvan is op 4 februari 2016 een akte instellen hoger beroep opgemaakt;

- gezien een daarop aangebrachte stempel is op 19 februari 201611 door de (griffie van de) rechtbank Rotterdam een appelschriftuur ontvangen, waaruit blijkt dat mr. J.J.A. Bosch, advocaat te Rotterdam, bepaaldelijk is gemachtigd deze schriftuur te ondertekenen en in te dienen. In een begeleidend schrijven van 17 februari 2016 heeft mr. J.J.A. Bosch, als bepaaldelijk gemachtigde, verzocht om doorgeleiding van de appelschriftuur naar het gerechtshof Den Haag;

- de verdachte is op 20 juli 2016 gedagvaard voor de inhoudelijke behandeling in hoger beroep. Die dagvaarding is op 29 juli 2016 betekend aan de griffier van de rechtbank en per gewone post aan de verdachte verzonden.12

- het proces-verbaal van de terechtzitting bij het hof van 3 oktober 2016 vermeldt dat de verdachte niet is verschenen, waarop het gerechtshof verstek verleent tegen de niet verschenen verdachte’.

8. Uit de stukken in het dossier blijkt niet dat de raadsman zich heeft gesteld door middel van een zogenoemde ‘stelbrief’ en evenmin dat een afschrift van de dagvaarding van de verdachte aan mr. J.J.A. Bosch is verzonden. Het moet er in cassatie dan ook voor worden gehouden dat beide handelingen niet zijn verricht.

9. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 3 oktober 2016 valt niet af te leiden of het hof ten tijde van de terechtzitting in hoger beroep bekend was met de in februari 2016 door de daartoe uitdrukkelijk gemachtigde mr. J.J.A. Bosch opgestelde en ingediende appelschriftuur, maar aangenomen moet worden dat deze appelschriftuur door de rechtbank bij de stukken van het geding is gevoegd en naar het hof is verzonden, zodat het hof daarvan kennis heeft kunnen nemen.13 Het hof heeft blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting daarin kennelijk geen aanleiding gezien, nadat de zaak was uitgeroepen en alvorens het onderzoek ter terechtzitting voort te zetten, zich ervan te vergewissen dat het voorschrift van artikel 51 (oud) Sv was nageleefd dan wel dat de verdachte er geen prijs op stelt hetzij ter terechtzitting te verschijnen en aldaar door zijn raadsman te worden bijgestaan hetzij in zijn afwezigheid door zijn uitdrukkelijk gemachtigde raadsman het woord ter verdediging te laten voeren. Daaruit vloeit het ernstige vermoeden voort dat ten aanzien van de dagvaarding in hoger beroep het voorschrift vervat in art. 51 (oud) Sv niet is nageleefd, hetgeen, zoals onder 6. is aangegeven, aan een geldige behandeling van de zaak ter terechtzitting buiten tegenwoordigheid van de verdachte en diens raadsman in de weg staat.

10. Het middel is terecht voorgesteld.

11. Aangezien het eerste middel slaagt, behoeven de overige twee middelen, die zien op de bij appelschriftuur gevoerde bewijs-, kwalificatie- en strafmaatverweren, geen bespreking.

12. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

13. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het hof opdat zij op het bestaande beroep opnieuw wordt behandeld.

De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv. AG

1 Zie thans artikel 48 Sv.

2 Zie thans artikel 38, vijfde lid, Sv.

3 Zie: Th. O.M. Dieben, Tekst en Commentaar Strafvordering, Deventer: Wolters Kluwer, commentaar op het huidige art. 48 Sv (online, laatst bijgewerkt op 1 juli 2017).

4 Zie: HR 18 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0648, NJ 1997/517, m.nt. T.M. Schalken, HR 19 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD2182, NJ 2001/161, HR 31 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2467, HR 11 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY4303 en HR 18 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:660.

5 Zie: HR 19 december 2000, ECLI:NL:PHR:2000:ZD2182, NJ 2001/161; HR 8 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2705, NJ 2006/107 en HR 5 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2256.

6 Zie: HR 11 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY4303, NJ 2013/30 en HR 5 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2256.

7 Vgl. HR 9 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2333 en HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1134.

8 Vgl. HR 9 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2333.

9 Zie: R. Verheul, H.Th. Pos, Verweren Strafzaken (PWS nr. 4), 2011/2.2.6 (artikel 51 Sv), (online, laatst bijgewerkt op 27 september 2011).

10 Vgl. HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1134.

11 Het jaartal is XX16 weggevallen, maar gezien de datum die op de schriftuur staat vermeld, te weten 17 februari 2016, ga ik er vanuit dat dit 2016 moet zijn.

12 Gezien de stukken is de dagvaarding op 27 september 2016 voorts naar een ander adres, te weten [a-straat 1] te Rotterdam, gestuurd. Dit adres betreft niet het kantooradres van de raadsman.

13 Vgl. HR 19 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2333.