Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:365

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
17-04-2018
Datum publicatie
18-04-2018
Zaaknummer
16/06128
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:891
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie plv. AG. Bewijsklacht mishandeling en klacht betreffende het gebruik van een verklaring van een (beperkt) anoniem gebleven getuige voor het bewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/06128

Zitting: 17 april 2018

Mr. D.J.M.W. Paridaens

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 23 november 2016 het vonnis van de rechtbank Den Haag van 22 februari 2016 bevestigd, met verbetering van de gronden. De rechtbank Den Haag heeft de verdachte wegens “mishandeling”, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft de rechtbank beslist op de vordering van de benadeelde partij en in dat verband een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals bij het vonnis is bepaald.

  2. Namens de verdachte is cassatieberoep ingesteld. Hiertoe heeft mr. L.E.G. van der Hut, advocaat te 's-Gravenhage, twee middelen van cassatie voorgesteld. Bij akte van 28 juni 2017 is namens de verdachte het cassatieberoep partieel ingetrokken, voor zover dit de beslissing tot vrijspraak van het primair en het primair impliciet subsidiair ten laste gelegde betrof.1

3. Het eerste middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, althans onbegrijpelijk, althans ontoereikend is gemotiveerd, omdat niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat het slachtoffer pijn heeft ondervonden.

4. Ten laste van de verdachte is het volgende bewezenverklaard dat:

“hij op 4 juli 2014 te 's-Gravenhage opzettelijk als bestuurder van een personenauto tegen [betrokkene 1] is aangereden, als gevolg waarvan [betrokkene 1] werd geraakt door verdachtes auto, waardoor [betrokkene 1] pijn heeft ondervonden.”

5. Het (promis)vonnis van de rechtbank houdt – voor zover relevant – het volgende in (met vernummering van de voetnoten):

3. Bewijsoverwegingen2

3.1 Inleiding

Verdachte en aangever [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) waren op 4 juli 2014 in Den Haag samen met de getuige [getuige 1] (hierna: [getuige 1]) boodschappen gaan doen. Op de terugweg is er in de auto (een grijze Peugeot 206 van de broer van verdachte) een discussie ontstaan tussen verdachte en [betrokkene 1]. Deze discussie heeft ertoe geleid dat vervolgens een vechtpartij tussen verdachte en [betrokkene 1] op straat bij de woning van verdachte (gelegen aan het Randveen) heeft plaatsgevonden, waarbij zowel verdachte als [betrokkene 1] letsel hebben opgelopen. [betrokkene 1] is vervolgens weglopen/weggerend en verdachte is in

zijn auto weggereden. Kort daarna werd [betrokkene 1] liggend op het trottoir van de Groenezijde aangetroffen. Hij vertelde dat hij daar van achteren opzettelijk door de door verdachte bestuurde grijze Peugeot 206 was aangereden.

(…)

3.4 Het oordeel van de rechtbank

(…)

De rechtbank concludeert dan ook, op basis van genoemde verklaringen van aangever, [getuige 1] en de anonieme getuige, alsmede de verklaring van de broer van aangever en wat verdachte daarover gezegd heeft, dat er een opzettelijke aanrijding heeft plaatsgevonden tussen de door verdachte bestuurde auto en [betrokkene 1], welke aanrijding een zodanige klap heeft opgeleverd dat die hoorbaar was voor zowel de anonieme getuige die zich op dat het moment in haar nabijgelegen woning bevond waarvan de deur openstond, als voor Haiyouli die zich eveneens op enige afstand moet hebben bevonden. Dat aangever daarbij van achteren tegen de knieholtes aangereden en vervolgens op de grond is terechtgekomen staat, gelet op de verklaringen van de getuigen, naar het oordeel van de rechtbank eveneens buiten gerede twijfel vast.

Deze conclusie wordt niet anders na lezing van het rapport van de verkeersongevallendienst, waarin staat dat het zeer onwaarschijnlijk is dat met de Peugeot waarin verdachte reed een persoon is aangereden, omdat er minimaal recente sporen zijn aangetroffen en er geen sporen van huid- of kledingweefsel zijn aangetroffen op de motorkap van de auto. Nu dit onderzoek eerst op 6 juli (dat wil zeggen twee dagen na het incident) heeft plaatsgevonden, valt niet uit te sluiten dat (eventuele) sporen reeds daarom niet meer zichtbaar waren op de auto. Dit maakt dat naar het oordeel van de rechtbank de vergaande conclusie die de opstellers hebben getrokken, niet gerechtvaardigd is. Wel leidt de rechtbank uit dit rapport af dat de snelheid van de auto ten tijde van de aanrijding kennelijk niet zodanig is geweest dat er ten gevolge van de aanraking met aangever deuken of krassen zijn achtergebleven op de auto.

(…)

De rechtbank is voorts met de raadsman van oordeel dat er te veel onduidelijkheid bestaat over de snelheid waarmee verdachte zou hebben gereden en de wijze waarop aangever door de auto die door verdachte werd bestuurd is geraakt. Nu niet uitgesloten kan worden dat het letsel dat naderhand bij aangever is geconstateerd, het gevolg is geweest van de vechtpartij met verdachte die vóór de aanrijding had plaatsgevonden, biedt dat letsel in dit verband geen aanknopingspunten. De rechtbank zal daarom verdachte ook vrijspreken van de (primair, plv. AG) impliciet subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling.

De rechtbank acht wel bewezen dat verdachte het aan hem subsidiair is tenlastegelegd, te weten mishandeling, heeft begaan. Naar algemene ervaringsregels kan immers geconcludeerd worden dat een dergelijke aanrijding van een auto met een persoon - op zijn minst genomen — pijn veroorzaakt bij de persoon die wordt aangereden.”

6. Het hof heeft overwogen dat de behandeling van de zaak in hoger beroep het hof niet heeft gebracht tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van de eerste rechter en heeft het vonnis bevestigd en op enkele – voor de beoordeling van het middel niet relevante - punten verbeterd gelezen.

7. Het middel klaagt dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat het slachtoffer pijn heeft ondervonden. Voor zover deze klacht ziet op de door de rechtbank gebezigde bewijsvoering miskent de steller van het middel dat de rechtbank voor de bewijsvoering van de bewezenverklaarde pijn gebruik heeft gemaakt van een feit van algemene bekendheid en dat een dergelijk feit, gelet op art. 339, tweede lid, Sv, geen nadere bewijsvoering behoeft.

8. Voor zover is beoogd te klagen dat de motivering van het oordeel van de rechtbank, inhoudende dat bij een dergelijke aanrijding algemene ervaringsregels leren dat het slachtoffer op zijn minst genomen pijn heeft ondervonden, onbegrijpelijk is, kan het ook niet slagen. De rechtbank heeft immers vastgesteld dat het slachtoffer van achteren tegen de knieholtes door een auto is aangereden en vervolgens op de grond is terechtgekomen en dat de aanrijding een zodanige klap heeft opgeleverd dat die voor anderen op enige afstand hoorbaar was.3 Weliswaar gaat de rechtbank ervan uit dat de snelheid van de auto ten tijde van de aanrijding kennelijk niet zodanig is geweest dat er ten gevolge van de aanraking met het slachtoffer deuken of krassen zijn achtergebleven op de auto, maar dit maakt naar het mij voorkomt het oordeel dat naar algemene ervaringsregels bij een aanrijding, zoals hiervoor beschreven, het slachtoffer pijn bekomt niet onjuist of onbegrijpelijk.

9. Het eerste middel faalt.

10. Het tweede middel behelst de klacht dat het hof verzuimd heeft in het bijzonder de redenen op te geven waarom het voor de bewijsvoering gebruik heeft gemaakt van de verklaring van een (beperkt) anoniem gebleven getuige.

11. Bij de beoordeling van het middel kan het volgende worden vooropgesteld. Art. 190, derde lid, Sv biedt de rechter-commissaris de mogelijkheid te bepalen dat het vragen naar de persoonsgegevens van de getuige achterwege zal worden gelaten, indien er gegrond vermoeden bestaat dat de getuige in verband met het afleggen van zijn verklaring overlast zal ondervinden of in de uitoefening van zijn werk zal worden belemmerd. Art. 360, eerste en vierde lid, Sv, dat ingevolge art. 415 Sv eveneens in hoger beroep toepasselijk is, bepaalt dat het vonnis op straffe van nietigheid van het gebruik van een bewijsmiddel houdende de verklaring van de getuige verhoord op de wijze als voorzien in art. 190, derde lid, Sv in het bijzonder de reden vermeld. Uit de motivering van de rechter dient allereerst de reden voor toekenning van de beperkte anonimiteit te blijken. Voorts zal uit de motivering moeten blijken dat de toekenning van de beperkte anonimiteit geen afbreuk heeft gedaan aan het ondervragingsrecht van de verdediging.4 Dit verzuim hoeft echter niet tot cassatie te leiden indien, gelet op de inhoud van de overige door de feitenrechter gebezigde bewijsmiddelen, de bewezenverklaring van het tenlastegelegde ook met weglating van de (beperkt) anonieme getuigenverklaring, toereikend is gemotiveerd.5

12. De rechtbank heeft in haar door het hof bevestigde vonnis gebruik gemaakt van een verklaring die een getuige bij de rechter-commissaris heeft afgelegd. Die verklaring houdt in dat zij op 4 juli 2014 in haar woning aan de Noorderzijde in Den Haag was en dat zij vanaf haar balkon twee mensen hard hoorde praten. Een aantal minuten later hoorde zij, nadat zij haar woning weer binnen was gegaan, een doffe klap en geschreeuw. Direct daarna hoorde zij iemand roepen: ‘Hij heeft mij aangereden’. Zij zag vanaf haar balkon een man op straat liggen. Op hetzelfde moment zag zij een auto wegrijden. Ook heeft de getuige verklaard dat zij een geluid hoorde dat past bij een aanrijding met een auto tegen een persoon.6 Voor het bewijs hiervan is een proces-verbaal van verhoor anonieme getuige van 6 oktober 2014 gebezigd houdende de verklaring van een getuige die bij de rechter-commissaris is verhoord op de wijze voorzien in art. 190, derde lid, Sv.7 Noch uit het vonnis van de rechtbank, noch uit het arrest van het hof, blijkt echter in het bijzonder de redenen die hebben geleid tot het bezigen van die verklaring. Gelet op hetgeen onder 11. is vooropgesteld is niet aan de motiveringsplicht van art. 360, eerste lid, Sv voldaan. In zoverre slaagt het middel. Dit hoeft in dit geval echter niet tot cassatie te leiden. De verklaring van de anonieme getuige houdt - in de kern - in dat zij een doffe klap hoorde, zij het slachtoffer op de grond zag liggen en een auto weg zag rijden. Naast deze verklaring heeft de rechtbank ook verklaringen van de aangever, de getuige [getuige 1] en de broer van aangever, [betrokkene 2] gebruikt. In het vonnis is immers het volgende overwogen:

“Aangever [betrokkene 1] heeft in zijn aangifte verklaard dat hij vlakbij bij het huis van verdachte had gevochten met verdachte en dat zij uit elkaar waren gehaald door [getuige 1]. Aangever is vervolgens weggerend en de Groenezijde in gerend. Ter hoogte van de kruising met de Noorderzijde hoorde hij motorlawaai achter zich. Aangever zag verdachte in de grijze Peugeot 206 op hem af rijden. Verdachte heeft hem toen niet kunnen aanrijden, omdat er een geparkeerde auto tussen hen in stond. Aangever zag dat verdachte vervolgens de Noorderzijde in reed en daar keerde. Aangever ging op de stoep van de Groenezijde lopen en hoorde weer motorlawaai achter zich. Hij voelde vervolgens dat hij van achter werd aangereden door verdachte, waarna hij op de motorkap viel en vervolgens van de auto af rolde.8 Tijdens een verhoor bij de rechter-commissaris is aangever bij deze verklaring gebleven.9

Getuige [getuige 1] heeft bij de politie verklaard dat hij samen met verdachte en aangever was en dat er een vechtpartij tussen hen heeft plaatsgevonden. Na de vechtpartij zag hij aangever wegvluchten en is hij achter hem aangelopen. Hij is aangever even uit het zicht verloren omdat deze de hoek om ging. Op dat moment hoorde hij een klap en een fractie later zag hij aangever op de grond liggen. Ook zag hij verdachte in de grijze Peugeot 206 wegrijden van de plaats waar aangever lag.10 Bij de rechter-commissaris heeft [getuige 1] verklaard dat hij bij de politie naar waarheid heeft verklaard, de verklaring voor hij tekende heeft gelezen en dat het klopte wat er stond. Hij kon zich bij de rechter-commissaris echter niet meer herinneren een klap te hebben gehoord. Wel herinnerde hij zich dat hij, toen hij aangever op straat zag liggen direct naar de politie was gerend, omdat aangever hulp nodig had.11

(….)

De broer van aangever, [betrokkene 2]12, heeft verklaard dat hij van aangever had gehoord dat hij was aangereden door verdachte en dat hij daarna telefonisch met verdachte heeft gesproken. Verdachte zou in dit gesprek tegen hem hebben gezegd: ‘Sorry, ik heb het verkloot, ik heb het verkankerd. Ik heb hem aangereden.’ Daarnaast heeft getuige verklaard dat verdachte meerdere malen zijn verontschuldiging heeft aangeboden. De getuige heeft dit één en ander bevestigd in zijn verklaring tegenover de rechter-commissaris.13 Verdachte heeft tegenvoer de politie14 en tegenover de rechter-commissaris15 bevestigd dat hij een telefoongesprek met deze broer had gevoerd en tegenover de politie heeft hij voorts bevestigd dat hij in dat gesprek “sorry” heeft gezegd.”

13. De door de rechtbank gebezigde verklaringen van de aangever, de getuige [getuige 1] en de broer van aangever, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang bezien, bevatten een weergave van de aanrijding en de gehoorde klap,16 het type auto en dat verdachte daarin wegreed en het aantreffen van de aangever op de grond. Die verklaringen beschrijven de aanrijding en de situatie nadien meer uitvoerig dan dat uit de verklaring van de anoniem gebleven getuige blijkt. Derhalve is de bewezenverklaring, ook met weglating van de verklaring van de (beperkt) anonieme getuige, toereikend gemotiveerd.17 Ten overvloede merk ik op dat de verdediging bij de rechter-commissaris in staat is gesteld de (beperkt) anonieme getuige te horen, waardoor in het onderhavige geval niet aan het ondervragingsrecht tekort is gedaan.

14. Het tweede middel faalt.

15. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, Wet RO ontleende overweging.

16. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

17. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv. AG

1 Dit is een toegestane beperking van het cassatieberoep. Vlg. A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Kluwer 2015, p. 77. Ik merk op dat de akte niet geheel strookt met de gegeven volmacht tot partiële intrekking van het cassatieberoep. Immers, de akte betreft de “beslissing tot vrijspraak van het primair en impliciet subsidiair ten laste gelegde (poging tot doodslag respectievelijk poging tot zware mishandeling)” en de volmacht betreft de “beslissing tot vrijspraak van het primair en primair, impliciet subsidiair, ten laste gelegde (poging tot doodslag respectievelijk poging tot zware mishandeling).” Per abuis is in de intrekkingsakte de tweede vermelding van “primair” niet opgenomen. Een dergelijke fout komt in beginsel voor rekening van de griffie. Vlg. HR 1 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR2337.

2 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtenaren). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2014140934, van de politie eenheid Den Haag, district Den Haag / Loosduinen - Laak - E, bureau Beresteinlaan, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 108).

3 Voor een bewezenverklaring van mishandeling is het overigens niet zonder meer noodzakelijk dat het voertuig de meer kwetsbare verkeersdeelnemer daadwerkelijk heeft geraakt. Vlg. in dit verband HR 31 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7955.

4 HR 12 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG6608, NJ 2009/23 en HR 23 september 1997, ECLI:NL:HR:ZD0799, NJ 1998, 135 en Kamerstukken II, 1991-1992, 22483, nr. 3, p. 36–39. Zie eveneens de in de toelichting op het middel genoemde uitspraak HR 4 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:230, met betrekking tot het gebruik van verklaring van met codenummers aangeduide opsporingsambtenaren.

5 Vlg. HR 20 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:244 en de daaraan voorafgaande conclusie van mijn ambtgenoot Harteveld (ECLI:NL:PHR:2018:23). In dat geval ging het om een verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt, als bedoeld in art. 344a, derde lid, Sv.

6 Proces-verbaal van verhoor anonieme getuige, afgelegd bij de rechter-commissaris d.d. 6 oktober 2014, punt 3 en punt 14.

7 Uit de zich in cassatie bevindende stukken blijkt dat de rechter-commissaris de getuige inderdaad heeft aangemerkt als een (beperkt) anonieme getuige in de zin van art. 190, derde lid, Sv.

8 Proces-verbaal van aangifte, p. 17-19.

9 Proces-verbaal verhoor [betrokkene 1], afgelegd bij de rechter-commissaris d.d. 6 oktober 2014.

10 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1], p. 41-42.

11 Proces-verbaal verhoor [getuige 1], afgelegde bij de rechter-commissaris d.d. 6 oktober 2014 punten 4, 6, 26 en 36.

12 Proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 2], p. 43-44.

13 Proces-verbaal verhoor van getuige [betrokkene 2], afgelegde bij de rechter-commissaris d.d. 6 oktober 2014, punten 4 en 5.

14 Proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte], blz. 66.

15 Proces-verbaal verhoor inbewaringstelling, punt 8.

16 Opgemerkt zij dat de rechtbank blijkens haar vaststellingen uitgaat van de verklaring van getuige Haiyouli bij de politie.

17 HR 20 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:244 en de daaraan voorafgaande conclusie van mijn ambtgenoot Harteveld (ECLI:NL:PHR:2018:23). Zie ook HR 28 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:526 en de daaraan voorafgaande conclusie van mijn ambtgenoot Vegter (ECLI:NL:PHR:2017:196).