Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:363

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
17-04-2018
Datum publicatie
18-04-2018
Zaaknummer
16/04426
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:903
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG over voorwaardelijk opzet en geestelijke stoornis en verwerping van een beroep op noodweer(exces) bij een steekpartij. De AG stelt zich op het standpunt dat de Hoge Raad het arrest van het hof dient te vernietigen omdat door een tegenstrijdigheid in de vaststelling van de feiten de verwerping van het beroep op noodweer niet begrijpelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/04426

Zitting: 17 april 2018

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 17 augustus 2016 door het gerechtshof Amsterdam wegens “poging tot doodslag”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 360 dagen, waarvan 293 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van het voorarrest als bedoeld in art. 27 lid 1 of art. 27a Sr en met algemene en bijzondere voorwaarden zoals nader in het arrest omschreven. Ook heeft het hof de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 5.155,96 en ter hoogte van dat bedrag een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

  2. Namens de verdachte heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur en bij aanvullend schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het gaat in deze zaak om het volgende. Op zaterdagavond 7 juni 2014 kreeg de politie een melding van een steekincident in Wormer, Noord-Holland. Daar aangekomen troffen de agenten op galerij van de derde verdieping van een flat een 44-jarige vrouw aan (hierna: het slachtoffer). Het slachtoffer lag op de grond en zij riep naar de agenten dat zij was gestoken door de vrouw waarnaar zij wees. Die vrouw, de verdachte, was een toentertijd 20-jarige vrouw die inwoonde in het huis van het slachtoffer. De verdachte verklaarde direct spijt te hebben, dat zij ruzie had met het slachtoffer en dat zij haar met een mes had gestoken.

De cassatiemiddelen hebben betrekking op de vraag of het hof het voorwaardelijke opzet op de poging tot doodslag, die door het hof bewezen is verklaard, uit de bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden en of de verwerping van het verweer dat er sprake was van noodweer c.q. noodweerexces voldoende is gemotiveerd.

4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“zij op 7 juni 2014 te Wormer, gemeente Wormerland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet een mes heeft gepakt en meermalen met dat mes in het bovenlichaam van [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”

5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen en een aanvullend opgenomen bewijsoverweging:

“1. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PLI 100-2014076082-1 van 8 juni 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] . (ongenummerde pagina’s)

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 8 juni 2014 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [slachtoffer] :

Hierbij wil ik graag aangifte doen van poging doodslag dat plaatsvond op 7 juni 2014 te Wormer binnen de gemeente Wormerland. [verdachte] (het hof begrijpt steeds: [verdachte] , de verdachte) woont sinds twee maanden bij mij. Om ongeveer 22:45 uur kwam [verdachte] thuis. Op een gegeven moment stuurde [verdachte] een jongen genaamd [betrokkene 1] een mailtje, met een vraag. Hierop heb ik haar moederlijk toegesproken, omdat ik vind dat zij gebruikt wordt door jongens. Hierdoor ontstond een discussie. Ze begon met deuren te smijten en tegen me te schreeuwen. Ik zag dat ze op een gegeven moment dreigend voor me kwam staan. Ik zat op dat moment nog steeds op de bank. [verdachte] liep op dat moment schreeuwend weg naar de slaapkamer. Ik ben toen achter haar aan gelopen. Toen ik in de hal stond zag ik dat [verdachte] uit haar slaapkamer kwam rennen. Ik heb mij vervolgens toen omgedraaid en liep weer naar de huiskamer. Ik voelde toen iets op mijn linker schouder. Ik voelde dat het warm werd. Ik dacht wat gebeurt mij nou en draaide me om richting [verdachte] . Ik stond toen nog steeds in de hal. Vervolgens begon [verdachte] op mij in te steken. Na twee keer steken zag ik bloed spuiten.

Het letsel wat ik aan de steekpartij heb over gehouden is:

Linker schouder voorzijde en achterzijde een steekwond.

Binnenkant en buitenkant linkerarm een steekwond.

Op mijn linker schouder aan de voorzijde is de steekwond een soort rafel. Die is ook de grootste van alle steekwonden. De andere steekwonden op mijn linkerarm zijn ongeveer twee centimeter breed. Ik weet niet precies hoe diep ze zijn. Ik weet dat ze in het ziekenhuis een gebaar maakte van ongeveer vijf centimeter.

In het ziekenhuis zeiden ze dat ik ongeveer twee liter bloed had verloren.

2. Een geschrift, zijnde een geneeskundige verklaring, van 21 augustus 2011 opgemaakt door F.W. Bloemers. (ongenummerde pagina)

Deze geneeskundige verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Medische informatie betreffende:

Achternaam : [slachtoffer]

Voornamen : [voornaam slachtoffer]

Omschrijving van het letsel.

Uitwendig waargenomen letsel: Multipele snij/steekwonden

Is er sprake van uitwendig bloedverlies? Ja

Datum waarop voornoemde persoon werd onderzocht: 8/6/14

Overige van belang zijnde informatie: de wonden zijn gehecht

Geschatte duur van de genezing: 2 weken

Bijlage ontslagbrief SRI arts

Naam: [slachtoffer]

Op 2014.06.08 zagen wij bovengenoemde patiënt op onze eerste hulp wegens steekwonden.

Anamnese: Woorden wisseling gehad met huisgenoot, deze viel haar aan met een mes.

Meerdere malen gestoken.

Lichamelijk onderzoek: E: rug: geen drukpijn midline wond: oppervlakkig

winkelhaakvormig 3 cm t.h.v. linker schouder ventraal, steekwond t.h.v. linker scapula 4 cm loopt in de diepte van 5 cm langs ribben li bovenarm: twee wonden ventrale zijde.

Conclusie/diagnose: 44 jarige dame met mulitipele steekwonden thorax en linker arm.

Behandeling/therapie op SEH: opname ter observatie Multipele hechtingen geplaatst met ethylon 4.0

3. Een proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer PLI 100-2014076082-17 van 8 juni 2014 in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4] . (ongenummerde pagina’s)

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergeven, als de op 8 juni 2011 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [verdachte] :

V: Wat kun je ons vertellen over wat er gisteren gebeurd is?

A: Rond 22:45 uur was ik binnen bij [slachtoffer] in de woning in Wormer. Ze was boos omdat er gezeik was geweest bij haar zus in huis. Ze begon toen ook tegen mij dat mijn vriend niet goed voor mij was omdat hij niets van zich liet horen. Ik heb toen gezegd dat ze daar mee moest stoppen. Ze begon toen ook tegen mij te schreeuwen. Ik heb gezegd dat ze moest stoppen met schreeuwen tegen mij. Ik draai dan door en krijg een black-out. [slachtoffer] bleef maar schreeuwen tegen mij. Ik kon dat niet meer aan. Ik draaide nu door. Ik pakte een mes. [slachtoffer] kwam op mij afgelopen en pakte mij bij mijn keel vast. Ik ben toen op haar gaan insteken. Het mes was een soort klapmes, Het handvat is wit.

V: We hebben begrepen dat je zelf ook gewond bent geraakt.

A: Ja, in mijn been. Mijn bovenbeen. Ik stak haar de eerste keer en schoot toen uit en toen kwam het mes in mijn been terecht.

4. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL 1100-2014076082-15 van 8 juni 2014 in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5] . (ongenummerde pagina’s).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Op zaterdag 7 juni 2014, omstreeks 23.40 uur, was ik, verbalisant [verbalisant 5] , in uniform gekleed en met assistentie surveillance belast voor politie eenheid Noord-Holland district Zaanstreek. Ik bevond mij samen met collega [verbalisant 6] in een opvallend dienstvoertuig op de Zaanweg te Wormerveer, gemeente Zaanstad.

Ik hoorde dat wij van de centralist van de meldkamer eenheid Noord-Holland district Zaanstreek de opdracht kregen om te rijden naar de [a-straat] te Wormer, gemeente Wormerland. Ik hoorde dat daar een steekincident had plaatsgevonden en dat de verdachte nog ter plaatse zou zijn met een mes.

Ik ben hierop samen met collega [verbalisant 6] direct richting de [a-straat] gereden. Op de [a-straat] heb ik het dienstvoertuig voor de flat geparkeerd. Ik hoorde een vrouwenstem schreeuwen. Ik hoorde deze vrouw zeggen dat wij op de derde verdieping moesten zijn. Ik zag dat de flat van de [a-straat] drie etages hoog was.

Ik ben hierop samen met collega [verbalisant 6] via het trappenhuis naar de derde verdieping gelopen. Op de derde verdieping aangekomen zag ik links een vrouw op de grond liggen. Ik zag dat er twee andere vrouwen naast de vrouw zaten. Ik zag dat deze vrouw voor perceelnummer 50 lag. Ik zag voor perceelnummer 52 veel bloedspetters op de grond liggen. Tevens zag ik dat er door dit bloed gelopen was, ik zag namelijk een voetafdruk en een afdruk van een schoen of slipper. Ik hoorde de vrouw die op de grond lag schreeuwen. Ik hoorde haar onder andere schreeuwen dat ze gestoken was en dat zij dat gedaan had. Ik zag dat de vrouw met haar rechterhand wees in de richting van perceelnummer 46. Ik zag dat voor perceelnummer 46 één vrouw en twee mannen stonden. Ik ben hierop naar de drie personen gelopen. Ik zag dat mijn collega [verbalisant 6] zich bezighield met het verlenen van eerste hulp aan de vrouw die op de grond lag. Toen ik bij de drie personen aankwam hoorde ik de vrouw zeggen dat ze spijt had. Ik heb toen direct gezegd tegen de vrouw dat zij niet tot antwoorden verplicht was.

Deze vrouw bleek later te zijn genaamd:

Naam: [verdachte]

Geboren: [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats]

Ik zag en hoorde dat de vrouw verdrietig en in paniek was. Ik zag namelijk dat de vrouw aan het huilen was en hoorde de vrouw meerdere malen zeggen: “O wat heb ik gedaan. Het spijt me zo. Het spijt me zo”.

Hierna hoorde ik [verdachte] zeggen dat ze ruzie had gehad met [slachtoffer] . Ik hoorde [verdachte] hierna zeggen dat ze [slachtoffer] met een mes gestoken had. Hierop heb ik [verdachte] om 23.45 uur aangehouden. Ik heb [verdachte] toen nogmaals verteld dat ze niet tot antwoorden verplicht was.

Ik heb toen aan [verdachte] gevraagd waar het mes nu was waar zij kort daarvoor [slachtoffer] mee gestoken had. Ik hoorde [verdachte] zeggen dat zij dit mes in een tas had gedaan en deze tas vanaf het balkon aan de achterzijde naar beneden had gegooid.

Hierop heb ik portofonisch contact gezocht met de centralist van de meldkamer. Ik heb verteld dat er vermoedelijk een plaats delict aan de achterzijde van de flat gemaakt moest worden omdat daar mogelijk een tas met een mes zou liggen.

Bewijsoverweging

Op 8 juni 2014 te 01.00 uur is door verbalisant [verbalisant 7] , als forensisch onderzoeker een forensisch onderzoek verricht in verband met een steekincident gepleegd op zaterdag 7 juni te 23:38 uur (proces-verbaal van sporenonderzoek PL 1100-2014076082-19). Het onderzoek is verricht in een flatwoning [a-straat] 46 te Wormer. [a-straat] 46 betrof een flatwoning op de derde etage.

Via het balkon was het mogelijk om naar beneden te kijken. Onderaan het flatgebouw werden in het gras diverse goederen aangetroffen. Deze goederen waren tassen met kledingstukken en medicijnen. Bij onderzoek werd er tussen de tassen en goederen een zwarte handtas aangetroffen. In de tas werd een vouwmes aangetroffen. Als bijlage bij het proces-verbaal van [verbalisant 7] is een viertal foto’s van het aangetroffen mes aangetroffen. (Fotomap vouwmes foto 1 t/m 4).

Het hof stelt aan de hand van foto 4, de als bewijsmiddel 3 opgenomen verklaring van de verdachte en het als bewijsmiddel 4 opgenomen proces-verbaal van [verbalisant 5] vast dat verdachte met het op foto 4 afgebeelde mes het slachtoffer heeft gestoken. Daarnaast stelt het hof op basis van foto 4 vast dat het om een puntig mes gaat met een wit handvat en met een snijvlak van ongeveer acht centimeter.”

6. Het eerste middel klaagt dat het bewezenverklaarde voorwaardelijk opzet niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen, althans dat het hof de verwerping van het verweer dat van dergelijk opzet geen sprake kan zijn geweest, omdat de verdachte door haar problematische verleden en door de heftige ruzie met het slachtoffer zo zeer buiten zichzelf raakte dat zij heeft gehandeld zonder de voor opzet vereiste welbewuste aanvaarding, niet toereikend heeft gemotiveerd.

6.1. Volgens het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 3 augustus 2016 heeft de raadsvrouw van de verdachte aan de hand van haar pleitnotities die aan het hof zijn overgelegd uitvoerig betoogd dat er gelet op de plaats van de verwondingen en andere omstandigheden van het geval niet kan worden aangenomen dat er sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood. Subsidiair is door de raadsvrouw het volgende aangevoerd1:

“10.Tot slot meent de verdediging dat, als al sprake zou zijn van een aanmerkelijke kans op de dood, niet kan worden gesproken van een welbewuste aanvaarding daarvan. Duidelijk is dat cliënte op het moment van de feiten hevig geëmotioneerd was. Haar problematische verleden waardoor zij onder meer PTSS heeft opgelopen, maakt dat zij beperkt belastbaar is en zich niet goed kan afgrenzen, en door de heftige ruzie met [slachtoffer] raakte zij zo zeer buiten zichzelf dat zij heeft gehandeld zonder de voor opzet vereiste welbewuste aanvaarding.

11. Op grond van het voorgaande moet geconcludeerd worden dat het (voorwaardelijk) opzet op de dood van [slachtoffer] ontbroken heeft. De verdediging verzoekt uw hof dan ook om cliënte van de onder 1 primair tenlastegelegde poging doodslag vrij te spreken.”

6.2. Het hof heeft in zijn arrest aan het opzet van de verdachte de volgende bewijsoverwegingen gewijd:

“Bewijsoverweging

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte vrijgesproken dient te worden van het primair ten laste gelegde, nu zij geen opzet, ook niet in voorwaardelijke vorm, heeft gehad op de dood van het slachtoffer. Zij heeft daartoe - kort gezegd - aangevoerd dat met het meermalen steken met een mes op de wijze zoals de verdachte heeft gedaan geen aanmerkelijke kans op de dood in het leven werd geroepen, nu uit het dossier niet volgt dat de verwondingen levensbedreigend waren en, gelet op de wondlocaties, ook niet in de buurt van vitale delen is gestoken. Indien al sprake zou zijn van een aanmerkelijke kans op de dood, dan was geen sprake van een welbewuste aanvaarding daarvan, aldus de raadsvrouw.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt hiertoe als volgt.

De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

Uit het dossier blijkt dat, terwijl de verdachte en het slachtoffer zich in een kleine ruimte bevonden en beiden hevig geëmotioneerd waren, de verdachte het slachtoffer van dichtbij viermaal met een puntig mes met een snijvlak van acht centimeter in de linkerzijde van het bovenlichaam, waar zich vitale delen bevinden, heeft gestoken. Ook is gebleken dat de verdachte met kracht heeft gestoken, nu het slachtoffer ter hoogte van het schouderblad een wond van 4 centimeter met een diepte van 5 centimeter heeft, opgelopen. Dat de verdachte daarbij onvoorzichtig handelde volgt uit feit dat zij tijdens het steken is uitgeschoten, waarbij zij ook zichzelf heeft verwond. Door op deze wijze te handelen wordt naar het oordeel van het hof een aanmerkelijke kans in het leven geroepen dat een zodanige verwonding wordt veroorzaakt dat de dood het gevolg is.

Door dit te doen heeft de verdachte, blijkens haar gedragingen, bewust deze aanmerkelijke kans aanvaard. Immers, niet is komen vast te staan dat zij van elk inzicht in de draagwijdte van haar gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan was verstoken. De omstandigheid dat dit gevolg niet is ingetreden is een gelukkige, die niet aan verdachtes handelen te danken is.”

6.3. De steller van het middel komt op tegen het oordeel van het hof dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer heeft aanvaard. Ik begrijp het middel zo dat betoogd wordt, dat anders dan bij “klassiek” opzet, bij voorwaardelijk opzet deze bewustheid niet kan worden afgeleid uit de gedragingen van de verdachte en evenmin uit de omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat de verdachte van elk inzicht in de draagwijdte van haar gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan was verstoken. Daarbij wordt de stelling geponeerd dat “tussen welbewuste aanvaarding en het niet verstoken zijn van elk inzicht […] een grijs gebied [ligt] dat zich niet zonder meer laat verenigen met een bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans”. Naar mijn mening vinden deze uitgangspunten geen steun in het recht, hetgeen ik hierna zal toelichten.

6.4. In het zogeheten HIV I-arrest2 heeft de Hoge Raad een uiteenzetting gegeven over het begrip voorwaardelijk opzet, welke nog steeds overeind staat.3 Uitgangspunt is dat voorwaardelijk opzet het welbewust aanvaarden van een aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg inhoudt. Daarnaast is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard of op de koop toe heeft genomen. Als de verdachte zich van die aanmerkelijke kans wel bewust is, maar denkt dat het gevolg zich niet zal voordoen, dan is dat niet voldoende voor het aannemen van voorwaardelijk opzet. Er moeten feitelijke aanwijzingen zijn die de stelling rechtvaardigen dat de verdachte de kans op het intreden van het gevolg ook op de één of andere manier heeft gewild of op de koop heeft toegenomen.4 Hierin onderscheidt zich voorwaardelijk opzet van bewuste schuld. Het gaat om een subjectief element, dat uit de bewijsmiddelen of de bewijsmotivering moet blijken. In sommige gevallen kunnen de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen eraan bijdragen om dit subjectieve element (het willen of op de koop toenemen) vast te stellen. Een goed voorbeeld kan worden gevonden in een arrest van de Hoge Raad uit 2004 waarin het vereiste bewustzijn inzake doodslag in het verkeer mede kon worden afgeleid uit de mededeling van de verdachte aan zijn vriendin, die naast hem zat: "Ik denk dat ik zo meteen op mijn rem moet gaan staan, doe je gordel maar om.”5 Maar ook als uit de afgelegde verklaringen geen inzicht kan worden verkregen in wat er ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, kunnen de feitelijke omstandigheden van het geval hiervoor redengevend zijn, met name als de gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht zijn op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard.

6.5. In de rechtspraak is ook aan de orde geweest in hoeverre een (tijdelijke) geestelijke stoornis bij de verdachte in de weg staat aan het aannemen van voorwaardelijk opzet. Geredeneerd kan immers worden dat bij een stoornis geen sprake kan zijn van een bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg. De Hoge Raad vaart hierin echter een zeer terughoudende koers en heeft daarbij steeds vastgehouden aan de opvatting dat stoornis en opzet weldegelijk kunnen samengaan. Al in 1963 heeft de Hoge Raad uitgemaakt dat van een bewuste aanvaarding alleen dan geen sprake kan zijn, als bij de “dader zou blijken van een zodanige ernstige geestelijke afwijking, dat aangenomen moet worden dat hij van elk inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan is verstoken”.6 Dit is inmiddels vaste rechtspraak.7 Dus alleen bij hoge uitzondering zal de stoornis aan het (voorwaardelijke) opzet van de verdachte in de weg staan.8 Zo brengt de omstandigheid dat de verdachte de vrijheid niet had om zijn wil te bepalen en keuzes te maken, nog niet mee dat bij de verdachte ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan heeft ontbroken. Ook de omstandigheid dat een verdachte gedurende de psychose ‘ontoerekeningsvatbaar’ was, sluit niet uit dat sprake is geweest van opzettelijk handelen.9 De Hullu trekt uit deze jurisprudentie de conclusie dat de lat voor het ontbreken van strafrechtelijke opzet zo hoog ligt, dat gesteld kan worden dat de invulling hiervan “weinig psychische diepgang” heeft.10 De ratio hiervan is gelegen in de eigen juridische betekenis van het begrip opzet, waardoor een dader in normatieve zin aansprakelijk wordt gehouden voor wat hij heeft aangericht, ook al lijkt dat soms ver van de psychologische werkelijkheid af te staan. Of zoals Remmelink het in een van zijn conclusies uitdrukte:

“Men dient de psychiatrische (dieptepsychologische) causaliteitsredeneringen niet gelijk te stellen met de feitenvaststelling door de strafrechter, die gebaseerd is op de verantwoordelijkheid die wij als gewone mensen tegenover elkaar in de samenleving hebben, en die wij moeten waarmaken. Zo komt een begrip als voorwaardelijke opzet in het psychiatrische vocabulair bij mijn weten niet voor.”11

Machielse wijst er in zijn commentaar op dat bij een zeker niveau van coördinatie van geestelijke en lichamelijke functies het aannemen van een minimaal besef al voor de hand ligt en een gestoord willen en/of weten niet aan het aannemen van opzet in de weg zal staan.12 Het verband tussen stoornis en handelen is dan ook vooral van betekenis bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van de in art. 39 Sr opgenomen strafuitsluitingsgrond van ontoerekeningsvatbaarheid en is in veel mindere mate een relevante factor bij de vraag naar het opzet van de verdachte.13

6.6. Gelet op het voorgaande vindt de in het middel geponeerde stelling dat “tussen welbewuste aanvaarding en het niet verstoken zijn van elk inzicht […] een grijs gebied [ligt] dat zich niet zonder meer laat verenigen met een bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans”, geen steun in het recht. Pas als de verdachte van elk inzicht in de draagwijdte van zijn of haar gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan is verstoken, kan het opzet niet worden aangenomen.

6.7. Het hof heeft het verweer dat de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet had op de dood van het slachtoffer gemotiveerd verworpen. Daarbij heeft het hof het hiervoor onder 6.4 en 6.5 genoemde toetsingskader als uitgangspunt genomen. Het hof heeft met name de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht redengevend voor het aannemen van voorwaardelijk opzet geacht. Daartoe heeft het hof vastgesteld dat de verdachte en het slachtoffer zich in een kleine ruimte bevonden, dat zij beiden hevig geëmotioneerd waren en dat het slachtoffer vervolgens door de verdachte van dichtbij viermaal in de linkerzijde van het bovenlichaam, waar zich vitale delen bevinden, is gestoken met een mes met een snijvlak van 8 centimeter. Het hof heeft daarnaast uit de diepte van de snijwond ter hoogte van het schouderblad, waarbij sprake is van een wond van 4 centimeter breed en 5 centimeter diep, afgeleid dat de verdachte met kracht heeft gestoken. Ook betrekt het hof bij zijn oordeel over het opzet de omstandigheid dat de verdachte onvoorzichtig heeft gehandeld, wat volgt uit het feit dat zij zichzelf heeft verwond tijdens het steken.

Dat het hof hieruit heeft afgeleid dat de verdachte een aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat een zodanige verwonding wordt veroorzaakt dat de dood het gevolg is, acht ik niet onbegrijpelijk. Sprake was immers van het met kracht steken in de linkerzijde van het bovenlichaam, waar zich de longen, het hart en (slag)aders bevinden, terwijl dit steken ongecontroleerd heeft plaatsgevonden.14

6.8. Daarmee heeft het hof – terecht – niet volstaan, aangezien uit de jurisprudentie volgt dat contra-indicaties deze gevolgtrekking in de weg kunnen staan. Een dergelijke contra-indicatie kan gelegen zijn in een geestelijke stoornis, waardoor het vereiste opzet kan ontbreken.15 Het hof heeft in lijn met de hiervoor onder 6.5. besproken rechtspraak van de Hoge Raad getoetst of bij de verdachte sprake was van een zodanige ernstige geestelijke afwijking, dat aangenomen moet worden dat zij van elk inzicht in de draagwijdte van haar gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan verstoken was. Dat het hof deze vraag ontkennend heeft beantwoord, vind ik niet onbegrijpelijk. De bewijsvoering berust ook op de verklaring van de verdachte dat zij op het slachtoffer is gaan insteken toen zij bij de keel werd gegrepen. Het vereiste minimale besef van wat er zich heeft afgespeeld lijkt daarmee gegeven. Hetgeen door de verdediging is aangevoerd, behelst niet meer dan dat bij de verdachte sprake was van een problematisch verleden en dat zij hevig geëmotioneerd en “zeer buiten zichzelf” was. Dit verweer brengt niet met zich mee dat het hof gehouden was zijn oordeel nader te motiveren dan dat het heeft gedaan.16 Voor een verdere toetsing is in cassatie is geen ruimte.17

6.9. Het middel faalt.

7. Het tweede middel klaagt dat het hof het beroep op noodweer dan wel noodweerexces heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen.

7.1. Het hof heeft onder het kopje “Strafbaarheid van het bewezen verklaarde en van de verdachte” het volgende overwogen:

“De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep voorts bepleit dat de verdachte uit noodweer, dan wel uit noodweerexces, heeft gehandeld en dat de verdachte van alle rechtsvervolging dient te worden ontslagen.

Op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzittingen stelt het hof omtrent de toedracht van het incident het volgende vast.

Op 7 juni 2014 bevonden de verdachte en het slachtoffer [slachtoffer] zich in de woning van het slachtoffer aan de [a-straat] te Wormer, waar zij sinds enige tijd samen verbleven. Tussen de verdachte en [slachtoffer] ontstond een conflict, waarbij over en weer werd geschreeuwd. De verdachte kon dat niet meer aan en draaide door, zo heeft zij bij de politie verklaard. In haar slaapkamer heeft zij daarop een mes uit haar tas gepakt, waarmee zij op [slachtoffer] is gaan insteken. Voorts staat vast dat [slachtoffer] op enig moment de verdachte bij haar keel heeft vastgepakt en/of weggeduwd. In het ziekenhuis bleek [slachtoffer] aan de linkerzijde van haar lichaam een viertal wonden te hebben opgelopen: een oppervlakkige wond van 3 centimeter aan de voorzijde van het lichaam ter hoogte van de schouder, een wond van 4 centimeter met een diepte van 5 centimeter ter hoogte van het schouderblad en twee wonden aan de voorzijde van haar bovenarm.

De exacte toedracht van deze confrontatie valt niet meer met zekerheid vast te stellen. De verdachte en [slachtoffer] hebben verklaard wat er volgens hen in die woning is gebeurd, maar hun verklaringen lopen op wezenlijke onderdelen uiteen en bovendien verklaren zij beiden op bepaalde punten niet consistent. Andere getuigen zijn er niet en ook kan op grond van de overige bewijsmiddelen niet vastgesteld worden welke lezing voor waar dient te worden aangenomen. Hoewel vaststaat dat [slachtoffer] de verdachte op enig moment bij haar keel heeft vastgepakt (zoals de verdachte heeft verklaard) en/of weggeduwd (zoals het slachtoffer heeft verklaard) kan niet worden vastgesteld of dit heeft plaatsgevonden direct voorafgaand aan het steken door de verdachte (zoals de verdachte heeft verklaard) of op een eerder moment tijdens het conflict (zoals het slachtoffer heeft verklaard). Het voorgaande brengt mee dat het hof in het voordeel van de verdachte op dit punt uit zal gaan van haar eigen verklaring. Het hof zal bij de beoordeling van het verweer op dit punt uitgaan van de verklaring van de verdachte bij de politie, nu het hof deze verklaring, direct na het gebeurde, het meest betrouwbaar acht.

Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte op 8 juni 2014 houdt onder meer het volgende in:

A: Ik was in mijn kamer en ik was mijn spullen aan het pakken. Ze begon toen tegen mij te schreeuwen. Mijn tas met het mes stond toen ook in mijn kamer. Daar heb ik dat mes gepakt. Toen greep [slachtoffer] mij bij mijn keel. Toen heb ik gestoken.

V: Hoe greep [slachtoffer] jou bij de keel?

A: Met één hand greep ze me bij de keel. Ik denk dat ik zelf best intimiderend was naar haar.

V: Waar was dat mes dan dat je intimiderend op haar afstapte?

A: In mijn rechterhand.

V : Hoe ging dat dan datje met dat mes op haar af stapte?

A: Gewoon, ik hield mijn arm langs mijn lichaam met de punt van het mes naar achteren, dus volgens mij zag zij dat mes dan ook niet.

V: Wat heb je gezegd toen je op haar afliep?

A: Niks. Ik zei niks.

V: Nadat je op [slachtoffer] afliep en zij pakt jou bij de keel, heb je toen nog iets gezegd?

A: Nee.

V: Wat heb je toen gedaan?

A: Toen heb ik gestoken met het mes in mijn rechterhand.

Art. 41 Sr luidt:

“1. Niet strafbaar is hij die een feit begaat, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.

2. Niet strafbaar is de overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging, indien zij het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, door de aanranding veroorzaakt."

Voor een succesvol beroep op noodweer is ten eerste vereist dat er sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het eigen lijf of een anders lijf, eerbaarheid of goed. Daarnaast dient de wijze van verdediging noodzakelijk en geboden te zijn.

Op het moment dat de verdachte met het mes begon te steken, was op grond van het vorenstaande naar het oordeel van het hof geen sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding die een handeling ter verdediging rechtvaardigde. Uit de hierboven weergegeven verklaring van de verdachte volgt immers dat de verdachte nadat zij een mes had gepakt, tijdens een hevig (tot dat moment nog verbaal uitgevochten) conflict op een intimiderende wijze op [slachtoffer] is afgestapt, waarna [slachtoffer] de verdachte met één hand bij haar keel greep. Nu [slachtoffer] zich hiermee tegen de op haar gerichte dreigende aanval van de verdachte aan het verdedigen was, was deze aanranding door [slachtoffer] naar het oordeel van het hof niet wederrechtelijk. Reeds op die grond verwerpt het hof het beroep op noodweer van verdachte.

Daarbij merkt het hof op dat voor zover al sprake zou zijn geweest van een wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer] , het in het noodweer geldende vereiste dat de gedraging is “geboden door de noodzakelijke verdediging” zowel de zogenoemde subsidiariteits- als de proportionaliteitseis tot uitdrukking worden gebracht. De proportionaliteitseis strekt ertoe om niet ook dan een gedraging straffeloos te doen zijn indien zij - als verdedigingsmiddel - niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De in dat verband - tot terughoudendheid nopende - maatstaf luidt of de gedraging als verdedigingsmiddel niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De keuze van het verdedigingsmiddel en de wijze waarop het is gebruikt, staan bij de beoordeling van de proportionaliteit centraal. Zo staat naar het oordeel van het hof het door de verdachte aan [slachtoffer] met kracht toebrengen van een viertal steekwonden in het bovenlichaam niet in verhouding met een aanval die bestaat uit het enkele vastgrijpen van de keel met één hand.

De raadsvrouw heeft ook nog een beroep gedaan op noodweerexces. Noodweerexces kan in beeld komen bij een "overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging", dus wanneer aan alle voorgaande eisen is voldaan behalve aan de proportionaliteitseis.

Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte op 8 juni 2014 houdt onder meer het volgende in:

Ze (het hof begrijpt [slachtoffer] ) begon toen ook tegen mij dat mijn vriend niet goed voor mij was omdat hij niets van zich liet horen. Ik heb toen gezegd dat ze daar mee moest stoppen.

Ik zei dat ze niet door moest gaan en dat ze moest stoppen. Ze begon toen ook tegen mij te schreeuwen. Ik heb gezegd dat ze moest stoppen met schreeuwen tegen mij. Ik kan dat namelijk niet aan. Ik draai dan door en krijg dan een black-out.

[slachtoffer] bleef maar schreeuwen tegen mij. Ik kon dat niet meer aan.

Ik draaide nu door. Ik pakte een mes.

Uit het wettelijke vereiste dat de gedraging het "onmiddellijk gevolg" moet zijn van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door een wederrechtelijke aanranding, volgt dat aannemelijk moet zijn dat de aldus veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de verweten gedraging. Niet is uitgesloten dat andere factoren mede hebben bijgedragen aan het ontstaan van die hevige gemoedsbeweging, maar aan het gevolgvereiste is niet voldaan indien de hevige gemoedsbeweging in essentie is terug te voeren op een - zoals uit de verklaring van de verdachte blijkt - eerder bestaande emotie, zoals een reeds bestaande kwaadheid jegens het slachtoffer.

Samenvattend is het hof van oordeel dat het beroep van de verdachte op noodweer wordt verworpen omdat geen sprake was van een wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer] .

Ten overvloede merkt het hof daarbij op dat naar het oordeel van het hof ook niet is voldaan aan het proportionaliteitsvereiste. Daarbij komt de verdachte geen beroep op noodweerexces toe nu de hevige gemoedsbeweging in essentie is terug te voeren op de – zoals uit de verklaring van verdachte blijkt – bestaande kwaadheid jegens het slachtoffer.

Nu er geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van het primair bewezen verklaarde dan wel de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, is zowel het feit als de verdachte strafbaar.”

7.2. Het hof heeft overwogen dat het de exacte toedracht van de confrontatie tussen het slachtoffer en de verdachte niet heeft kunnen vaststellen, met name niet “of het vastpakken bij de keel van de verdachte door het slachtoffer heeft plaatsgevonden direct voorafgaand aan het steken door de verdachte (zoals de verdachte heeft verklaard) of op een eerder moment tijdens het conflict (zoals het slachtoffer heeft verklaard)”.

7.3. Wel is door het hof als vaststaand aangenomen dat de verdachte op enig moment door het slachtoffer bij de keel is vastgehouden. Het hof heeft niet aangegeven waarop het deze aanname heeft gebaseerd, maar uit de verwijzingen in zijn overweging naar de verklaring van de verdachte en die van het slachtoffer, kan worden afgeleid dat het hof niet alleen is afgegaan op de verklaring van de verdachte die is opgenomen in bewijsmiddel 3, maar kennelijk ook op een verklaring van het slachtoffer, waarbij het hof echter niet heeft aangegeven welke verklaring dat dan is geweest.

7.4. Vervolgens heeft het hof overwogen dat het in het voordeel van de verdachte op dit punt zal uitgaan van haar eigen verklaring, waarbij het hof kiest voor de verklaring die de verdachte bij de politie heeft afgelegd op 8 juni 2014, omdat het hof deze verklaring, die direct na het gebeurde is afgelegd, het meest betrouwbaar acht. Deze verklaring is overigens door het hof niet voor het bewijs gebruikt. Uit deze verklaring leidt het hof af dat op het moment dat de verdachte begon te steken er geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de verdachte omdat de verdachte nadat zij een mes had gepakt op intimiderende wijze op het slachtoffer is afgestapt waarna het slachtoffer de verdachte ter verdediging bij de keel heeft gepakt.18

7.5. Dit oordeel van het hof is in het licht van de overige vastgestelde omstandigheden niet zonder meer begrijpelijk, met name omdat het hof voor het bewijs gebruik heeft gemaakt van een verklaring van de verdachte waarin zij verklaart: “Ik pakte een mes. [slachtoffer] kwam op mij afgelopen en pakte mij bij mijn keel vast. Ik ben toen op haar gaan insteken” (bewijsmiddel 3). Volgens deze verklaring is het het slachtoffer geweest dat op de verdachte is afgelopen en haar bij de keel heeft vastgepakt, hetgeen tegenstrijdig is met de aanname van het hof bij de verwerping van het beroep op noodweer, namelijk dat de verdachte op het slachtoffer is afgestapt.19 Kennelijk heeft het hof bij de beoordeling van de vraag, of er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de verdachte, het van betekenis geacht wie voorafgaand aan het steken met het mes op wie is afgestapt. Daaraan heeft het hof immers de conclusie verbonden dat “ [slachtoffer] zich hiermee tegen de op haar gerichte dreigende aanval van de verdachte aan het verdedigen was” en “deze aanranding door [slachtoffer] naar het oordeel van het hof niet wederrechtelijk was”. Gelet op de overige bewijsvoering, zoals hiervoor weergegeven, is het oordeel van het hof dat het de verdachte is geweest die op het slachtoffer is afgestapt niet zonder meer begrijpelijk en is in het kielzog daarvan het oordeel dat er geen sprake was van een wederrechtelijke aanranding door het slachtoffer evenmin begrijpelijk.20 Dat betekent dat het middel, voor zover het hierover klaagt21, doel treft en ik aan de bespreking van de overwegingen van het hof ten overvloede, namelijk dat ook als er sprake zou zijn geweest van een noodweersituatie, de verdachte niet proportioneel heeft gehandeld en de verwerping van het beroep op noodweerexces niet meer toekom.

8. Het middel slaagt.

9. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81, eerste lid, RO bedoelde motivering. Het tweede middel slaagt.

10. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De voetnoten zijn in dit citaat weggelaten.

2 HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, NJ 2003/552 m.nt. Buruma.

3 Zie bijv. HR 30 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:973, NJ 2017/250.

4 Zie in dit verband ook de meer diepgaande beschouwingen hierover in het proefschrift van F. de Jong, Daad-Schuld, Den Haag: Bju 2009, p. 327-350.

5 HR 20 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2526, NJ 2004/214.

6 HR 22 juli 1963, ECLI:NL:HR:1963:AB5623, NJ 1968/217 m.nt. Enschedé.

7 Zie bijv. HR 16 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK8507; HR 14 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3226, NJ 2006/448 en HR 24 november 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1410.

8 Zie HR 9 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2775, NJ 2009/157 m.nt. Schalken en HR 16 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK8507.

9 HR 9 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2775, NJ 2009/157 m.nt. Schalken (rov. 4.3.2).

10 Zie J. de Hullu, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid, Deventer: Kluwer 2015, p. 232 en 233 en A.A. van Dijk, Strafrechtelijke aansprakelijkheid heroverwogen: over opzet, schuld, schulduitsluitingsgronden en straf (diss. Groningen), Apeldoorn/Antwerpen: Maklu-Uitgevers 2008, p. 297.

11 Uit de conclusie van Remmelink voorafgaand aan HR 18 september 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC6343, NJ 1979/50 m.nt. Van Veen; zie ook De Hullu, a.w., 2015, p. 232 en 233.

12 NLR, aant. 6 bij art. 39 Sr, bijgewerkt t/m 3 juli 2017 door A.J. Machielse.

13 Vgl. HR 9 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2775, NJ 2009/157 m.nt. Schalken, rov. 4.3.3.

14 Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Machielse voorafgaand aan HR 1 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU3245 en de conclusie van mijn ambtgenoot Vegter voorafgaand aan HR 13 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:694.

15 Zie ook K. Rozemond, De methode van het materiële strafrecht, tweede druk, Nijmegen: Ars Aequi 2011, p. 84.

16 Vgl. in het kader van een beroep op een black-out bijv. HR 24 september 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9020, NJ 1986/532 m.nt. Mulder en de conclusie van mijn ambtgenoot Machielse, onder 7 voorafgaand aan HR 4 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9474, NJ 2002/603.

17 Zie HR 9 juni 1981, ECLI:NL:HR:1981:AC0902, NJ 1983/412 m.nt. Van Veen, rov. 6.

18 Daarmee heeft het hof kennelijk gedoeld op het uitgangspunt dat noodweer tegen noodweer uitgesloten is. Zie NLR, aant. 5 bij art. 41 Sr (bijgewerkt t/m 1 mei 2016 door A.J. Machielse). Er is evenwel geen wederrechtelijke aanranding wanneer de verdachte zich op zijn beurt verdedigt tegen iemand die zelf in noodweer handelt als reactie op een daarvóór gepleegde aanranding. Zie HR 4 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO4475, NJ 2011/36.

19 Daarbij wil ik terzijde nog opmerken dat het verhoor van de verdachte d.d. 8 juni 2014 in een vraag en antwoord vorm is geverbaliseerd en dat de woorden dat de verdachte op het slachtoffer is afgestapt voorkomen in de vragen die door de verbalisanten zijn gesteld zijn opgenomen, maar niet door de verdachte in de mond worden genomen. In verhoorjargon zijn dit zogenaamde “leading questions” of suggestieve vragen waarbij in de vraag informatie is opgenomen die niet noodzakelijkerwijs door de verdachte in het antwoord (bewust) wordt bevestigd of ontkend.

20 Zie bijvoorbeeld HR 27 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:120, rov. 2.5.

21 Ik geef toe dat het middel wat dit betreft niet bijzonder duidelijk is toegelicht, maar verwijs naar het gesteld onder de punten 2 en 3 van de toelichting, inhoudende dat volgens de gebezigde bewijsmiddelen de steekpartij ontstond nadat het slachtoffer de verdachte bij haar keel had gegrepen.