Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:361

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
17-04-2018
Datum publicatie
18-04-2018
Zaaknummer
16/03373
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:789
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie
-
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/03373

Zitting: 17 april 2018

Mr. D.J.M.W. Paridaens

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 20 mei 2016 door het gerechtshof Den Haag wegens 1. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met een proeftijd van 2 jaren.

  2. Er bestaat samenhang met de zaak 16/02820.1 Ook in deze zaak zal ik vandaag concluderen.

3. Namens de verdachte heeft mr. P.M. Rombouts, advocaat te Amsterdam, beroep in cassatie ingesteld. Bij schriftuur zijn twee middelen van cassatie voorgesteld.2

4. Het eerste middel valt in drie deelklachten uiteen. Geklaagd wordt dat het oordeel van het hof dat sprake was van hennepteelt onvoldoende is gemotiveerd. Daarnaast wordt geklaagd dat de bewezenverklaring ten aanzien van het medeplegen ontoereikend is gemotiveerd. Tot slot bevat het middel de klacht dat de bewezen verklaarde pleegperiode niet uit de bewijsmiddelen blijkt.

5. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat: 3

“hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2009 tot en met 19 mei 2011 te Breda, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft geteeld een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II”.

6. Deze bewezenverklaring steunt op 16 bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de aanvulling verkort arrest. Deze bewijsmiddelen houden, samengevat en voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in.

- Op 19 mei 2011 vond een doorzoeking plaats in een woning aan de [a-straat 1] in Breda (bewijsmiddel 1);

- In een slaapkamer in de woning, in een schuur in de tuin en in de garage werden materialen voor een hennepkwekerij aangetroffen en in beslag genomen (bewijsmiddel 1 en 3);

- In het verslag van het fraudeonderzoek door Enexis B.V. wordt vermeld dat de aangetroffen sporen op de apparatuur doen vermoeden dat er sprake is van tenminste vier eerdere oogsten (bewijsmiddel 2);

- In de 3e slaapkamer op de 1e verdieping en op de overloop/zolder werden sporen aangetroffen die gerelateerd kunnen worden aan hennepteelt. In het toilet wordt waargenomen dat er enkele boorgaten in het plafond zaten en dat de luchtafvoer niet was voorzien van een rooster. Een eerder aanwezig verlaagd plafond was verwijderd (bewijsmiddel 1);

- In de garage, op traptreden en op zolder worden restanten van hennep/THC aangetroffen (bewijsmiddel 1 en 4);

- In de woning is illegaal stroom afgenomen (bewijsmiddel 1, 2 en 13);

- In de schuur worden twee paar geelwitte rubber handschoenen aangetroffen. Na bemonstering van de binnenzijde van deze handschoenen is het onderzoeksmateriaal onderworpen aan DNA-onderzoek. Daaruit is gebleken dat het celmateriaal aangetroffen op de binnenzijde van één paar van de handschoenen afkomstig kan zijn van [betrokkene 1] en dat het celmateriaal aangetroffen op de binnenzijde van het andere paar handschoenen afkomstig kan zijn van [medeverdachte 2] . In beide gevallen is sprake van een matchkans van kleiner dan 1 op 1 miljard. Verder levert een sigarettenpeuk, die is gevonden in de 3e slaapkamer op de eerste etage, na een vergelijkend onderzoek een match op met het DNA-profiel van de verdachte (bewijsmiddel 5, 6 en 7);

- De woning aan de [a-straat 1] in Breda werd blijkens de huurovereenkomst door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] gehuurd, maar werd enkel door [betrokkene 1] bewoond. [betrokkene 2] was in de bewezenverklaarde periode woonachtig in Zwijndrecht, samen met de verdachte en hun beider kind. (bewijsmiddel 1, 9, 10, 11 en 12);

- De verdachte was bevriend met [betrokkene 1] en kwam wel eens in een woning aan de [a-straat 1] in Breda (bewijsmiddel 11, 12 en 13);

- Op 17 januari 2011 wordt de verdachte met een onbekende persoon (NN1) in Zwijndrecht geobserveerd. Vervolgens zijn deze personen gezien bij een growshop in Etten-Leur en parkeren zij later de auto op de Somenweide in Breda. De personen lopen op een pleintje gelegen tussen de Oppermoeren, Raaimoeren en Noortberghmoeren in Breda en lopen ongeveer drie kwartier later weer terug naar de auto (bewijsmiddel 16);

- Op 1 april 2011 is een ovc-gesprek opgenomen tussen de verdachte en [medeverdachte 2] in de auto. Gesproken wordt over aarde, over kweeklicht, over hoeveel dagen ze staan en dat een gebroken raampje misschien gemaakt kan worden door [betrokkene 3] , maar dat er een “klein probleempje” is als deze persoon naar het toilet gaat omdat er een kabel over het plafond loopt. De verdachte was ten tijde van dit gesprek in de omgeving van Breda (bewijsmiddel 14 en 15).

7. De aanvulling verkort arrest bevat de volgende nadere bewijsoverweging:

“In de woning aan de [a-straat 1] te Breda is op 19 mei 2011 een hennepkwekerij aangetroffen. Het huurcontract voor deze woning stond op naam van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , de partner van de verdachte. [betrokkene 2] was in de bewezenverklaarde periode woonachtig in Zwijndrecht, samen met de verdachte en hun beider kind. [betrokkene 1] woonde wel daadwerkelijk in deze woning in Breda. Hij paste op de woning. Hij heeft ook het loodje van elektriciteitsmeter verwijderd. Uit de aangetroffen dna-sporen in de rubberen handschoenen, van [betrokkene 1] en [medeverdachte 2] leidt het hof af dat zij beiden daadwerkelijk werkzaamheden ten behoeve van het kweken van hennep verricht hebben. [medeverdachte 2] beschikte over de sleutels van de woning en had aldus te allen tijde toegang tot deze woning. In kamer 3 is een peuk aangetroffen met daarop dna van de verdachte. In deze kamer is op enig moment ook hennep gekweekt. Ook uit het als bewijsmiddel weergegeven OVC gesprek tussen verdachte en [medeverdachte 2] , alsmede de observatie d.d. 17 januari 2011 leidt het hof af dat de verdachte tezamen en in vereniging met [medeverdachte 2] en met [betrokkene 1] , werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van de kwekerij. Hierbij is sprake geweest van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking, waarbij de intellectuele en/of materiele bijdrage aan het delict van ieder van de drie verdachten van voldoende gewicht is om de gevolgtrekking 'medeplegen' te kunnen dragen (HR 2.12.2014, ECLI:NL:HR:2014:3474).

Periode

Uit de onder bewijsmiddel 2 en 3 weergegeven omstandigheden, leidt het hof af dat er in de periode voorafgaand aan de datum 19 mei 2011 hennep in de woning gekweekt is. Het hof wijst daarbij nog op het gegeven dat in de woning hennepafval is aangetroffen en voor het knippen gebruikte schaartjes. De omstandigheid dat de potjes niet schoon waren, betekent dat deze niet zo gekocht zijn, ook niet tweedehands.”

Hennepteelt

8. De eerste deelklacht betreft de motivering dat sprake was van hennepteelt. Het hof is ervan uitgegaan dat er in de bewezenverklaarde periode een hennepkwekerij aanwezig was in een woning aan de [a-straat 1] in Breda. Dat oordeel acht ik geenszins onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat er op het perceel hennepmaterialen en -resten zijn aangetroffen, er illegaal stroom is afgetapt en er diverse aanwijzingen voor eerdere hennepoogsten zijn geconstateerd (zie de bewijsmiddelen 1 tot en met 3). Daarbij wijs ik erop dat het hof het verweer dat de aangetroffen sporen verklaard kunnen worden doordat sprake was van tweedehands materialen als niet aannemelijk terzijde heeft geschoven, aangezien er hennepafval en voor het knippen gebruikte schaartjes zijn aangetroffen en de potjes voor de hennepplanten niet schoon waren. Voor het overige stuit de betreffende klacht af op de selectie- en waarderingsvrijheid van de feitenrechter om van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat hem uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Deze klacht faalt.

Bewezenverklaarde periode

9. Voor zover geklaagd wordt over de lengte van de bewezenverklaarde periode (van 1 januari 2009 tot en met 19 mei 2011) merk ik op dat een pleegperiode niet inhoudt dat de verdachte zich gedurende die hele tijd schuldig heeft gemaakt aan de bewezenverklaarde feiten.4 Bovendien gaat de steller van het middel eraan voorbij dat bewezen is verklaard dat de verdachte “op tijdstippen in de periode van 1 januari 2009 tot en met 19 mei 2011” (en derhalve niet in de gehele pleegperiode) de hem verweten handelingen heeft verricht. De vastgestelde pleegperiode is ook niet onbegrijpelijk, aangezien het hof in zijn nadere bewijsoverweging heeft aangegeven de pleegperiode te hebben ontleend aan de bewijsmiddelen 2 en 3. Uit bewijsmiddel 2 blijkt dat op 19 mei 2011 onderzoek heeft plaatsgevonden op het adres [a-straat 1] in Breda en dat er aan de hand van indicatoren namens Enexis B.V. is vastgesteld dat er ten minste vier eerdere hennepoogsten zijn geweest. Voorts kon het hof er gelet op de bewijsmiddelen 11 en 12 vanuit gaan dat medepleger [betrokkene 1] tijdens de gehele bewezenverklaarde periode in de woning aan de [a-straat 1] in Breda woonde. Ook deze klacht faalt.

Medeplegen

10. Voor de beoordeling van de derde deelklacht over de motivering van het medeplegen, dient vooropgesteld te worden dat voor de bewezenverklaring en kwalificatie van medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. De bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict moet daarbij van voldoende gewicht zijn. Een en ander brengt mee dat indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan of het helpen bij de vlucht), op de rechter de taak rust om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering – dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging – dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel over de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip, waarbij aangetekend kan worden dat aan het niet distantiëren op zichzelf geen grote betekenis toekomt. Het gaat er immers, aldus de Hoge Raad, om dat de verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict.5

11. Het hof heeft – anders dan de rechtbank en in afwijking van de gevorderde vrijspraak door de advocaat-generaal bij het hof – geoordeeld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk telen van hennep in Breda. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat in de woning aan de [a-straat 1] in Breda hennep is geteeld. Het hof wijst erop dat een peuk met DNA van de verdachte is aangetroffen in een kamer waarin op enig moment hennep is gekweekt. Naast de aangetroffen DNA-sporen in twee rubberen handschoenen van [betrokkene 1] en [medeverdachte 2] zou ook uit het tot het bewijs gebezigde ovc-gesprek tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] van 1 april 2011 en de observatie van 17 januari 2011 blijken dat de verdachte tezamen en in vereniging met de medeverdachten [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van de kwekerij. Sprake zou zijn geweest van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking, waarbij de intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van ieder van de drie verdachten van voldoende gewicht is om de gevolgtrekking 'medeplegen' te kunnen dragen.

12. In het licht van hetgeen ik hiervoor onder randnummer 10. heb opgemerkt, rijst de vraag of het medeplegen voldoende is gemotiveerd. De omstandigheid dat een peuk met DNA-materiaal dat overeenkomt met het DNA-profiel van de verdachte is aangetroffen in een kamer waarin op enig moment hennep is gekweekt, is mogelijk redengevend om de wetenschap bij de verdachte van de hennepteelt in de woning aan te nemen, maar hieruit blijkt niet dat de verdachte de hennepteelt gezamenlijk heeft uitgevoerd en zeker niet dat deze bijdrage van voldoende gewicht is. Een dergelijke bijdrage kan ook niet zonder meer worden afgeleid – al dan niet in samenhang met de sigarettenpeuk – uit het OVC-gesprek en de observatie. Zonder nadere motivering, is onduidelijk welke redengevende feiten en omstandigheden het hof uit deze bewijsmiddelen heeft afgeleid. Indien het hof het oog heeft gehad op het aanleveren van goederen van een growshop, dan merk ik op dat dergelijke gedragingen een faciliterend karakter hebben en niet zonder meer als een bijdrage van voldoende gewicht kan worden beschouwd. Nu ook anderszins niet blijkt van enige vorm van gezamenlijk uitvoeren van de hennepteelt, is het bewezen verklaarde medeplegen niet toereikend gemotiveerd.

13. Het middel slaagt voor zover wordt geklaagd over de motivering van het medeplegen. Hoewel het tweede middel in principe geen bespreking meer behoeft, bespreek ik het hierna kort.

14. Het tweede middel klaagt dat het hof verzuimd heeft te reageren op een voorwaardelijk getuigenverzoek.

15. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 19 april 2016 houdt over het in het middel genoemde getuigenverzoek het volgende in:

“De raadsvrouw deelt mede dat de verdediging zich wenst aan te sluiten bij de getuigenverzoeken die zijn gedaan in de zaak van de medeverdachte [medeverdachte 2] .”

16. Geconstateerd kan worden dat de bestreden uitspraak geen beslissing inhoudt over enig getuigenverzoek. Kennelijk heeft het hof de mededeling van de raadsvrouw op de terechtzitting van 19 april 2016 niet opgevat als een getuigenverzoek als bedoeld in art. 315 Sv in verbinding met art. 328 Sv (en art. 415 Sv). Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat bepaalde eisen worden gesteld aan getuigenverzoeken om een responsieplicht te scheppen.6 De mededeling van de raadsvrouw dat zij zich ‘wenst aan te sluiten bij de getuigenverzoeken die zijn gedaan in de zaak van de medeverdachte [medeverdachte 2] ’ is onvoldoende specifiek nu uit die mededeling niet blijkt om welke getuigen het precies gaat. Ten overvloede wijs ik erop dat ook als het hof het verzoek wel had moeten opvatten als een getuigenverzoek als bedoeld in art. 315 Sv in verbinding met art. 328 Sv (en art. 415 Sv), het middel eveneens niet tot cassatie kan leiden. Het (in de samenhangende zaak [medeverdachte 2] (rolnummer 16/02820) als enige overgebleven) getuigenverzoek was er – blijkens het strafdossier – op gericht om aan te tonen dat er geen hennepplantage aanwezig was in de woning aan de [a-straat 1] . Zoals ik eerder al heb aangegeven, is het oordeel van het hof dat er sprake was van een hennepplantage niet onbegrijpelijk. Daarvan uitgaande, heeft het hof het verzoek kennelijk (en niet onbegrijpelijk) niet noodzakelijk geacht voor zijn te nemen beslissingen.7

17. Het middel faalt.

18. Het eerste middel slaagt. Het tweede middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

19. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

20. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 1. tenlastegelegde en de opgelegde straf, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv. AG

1 Het cassatieberoep in de samenhangende zaak met rolnummer 16/02753 ( [A] ) is bij akte tijdig ingetrokken.

2 Nadat de raadsman met een beroep op art. 4.8.2 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden tijdig en schriftelijk om een aanvulling van de processtukken met stukken uit de zaak van de medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verzocht, is hij voor een afschrift van deze stukken verwezen naar mr. Malewitcz, advocaat van deze medeverdachte, en is hem door de rolraadsheer een nadere termijn verleend voor het wijzigen of aanvullen van de schriftuur dan wel het intrekken van middelen. Binnen die termijn is een aanvullende toelichting op het eerder ingediende tweede middel binnengekomen.

3 De verdachte is vrijgesproken van (het medeplegen van) diefstal van elektriciteit.

4 HR 2 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3728, NJ 2002/536.

5 Zie met name HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390; HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718, NJ 2015/395 en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316, NJ 2016/411.

6 Zie nader G. Pesselse & J.H.B. Bemelmans, ‘De geldigheid van getuigenverzoeken’, DD 2017/61.

7 Vgl. HR 15 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:409.