Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:358

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
06-03-2018
Datum publicatie
18-04-2018
Zaaknummer
17/03665
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:623
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Poging tot moord in Zwolle door terwijl verdachte in de richting van slachtoffer fietst twee keer van dichtbij met een vuurwapen op de borststreek van slachtoffer te schieten. Middelen over 1. betrouwbaarheid van belastende getuigen die hun verklaring later hebben ingetrokken 2. bewijsminimum van art. 342.2 Sv en 3. voorbedachte raad. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/03665

Zitting: 6 maart 2018

Mr. W.H. Vellinga

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij arrest van 20 juni 2017 onder aanvulling en verbetering van gronden bevestigd het vonnis van de Rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 17 december 2015, waarbij de verdachte wegens primair “Poging tot moord” is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren en waarbij de in beslag genomen munitie is onttrokken aan het verkeer en de gevangenneming van de verdachte is bevolen.

  2. Namens de verdachte hebben mrs. G.G.J. Knoops en E. Vogelvang, advocaten te Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel klaagt dat het hof de bewezenverklaring ten onrechte heeft gebaseerd op eerdere belastende verklaringen van twee getuigen, aangezien deze verklaringen bij de rechter-commissaris alsmede bij de raadsheer-commissaris en ter terechtzitting bij de rechtbank door de getuigen zijn ingetrokken, onder opgave van redenen waarom zij nu anders verklaarden, terwijl het hof op ongenoegzame gronden heeft geoordeeld dat de eerdere verklaringen van deze getuigen als betrouwbaar dienen te worden aangemerkt.

  4. De rechtbank heeft in het door het hof bevestigde vonnis ten laste van verdachte onder primair bewezenverklaard dat:

“hij op 20 maart 2015 te Zwolle ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven,

- (op de fiets) met een vuurwapen naar die [slachtoffer] is toegekomen/ gegaan/ gereden en

- (vervolgens) op korte afstand, meermalen, in (de richting van) de borststreek van die [slachtoffer] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”

5. Deze bewezenverklaring berust op onder meer de volgende bewijsmiddelen - met inbegrip van de hier niet vermelde voetnoten -:

“Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 20 maart 2015, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangever [slachtoffer] :

Ik doe aangifte van poging moord dan wel poging doodslag.

Op vrijdag 20 maart 2015 was ik bij Domino's pizzeria in Holtenbroek. (..) Ik was daar met mijn neef [betrokkene 1] in de auto van zijn schoonvader. (..) Ergens tussen 20:30 en 20:45 reden we naar mijn huis aan de [a-straat] in Zwolle. [betrokkene 1] reed en ik zat ernaast met eten en cola. Hij remde bij de drempel vlakbij mijn huis. Ik pakte mijn eten en drinken en stapte uit. Ik gaf [betrokkene 1] nog een hand of boks. Ik stond net buiten de auto. Ik zag [verdachte] op een soort donkerkleurige omafiets uit een voetgangers pad komen fietsen. Dit is waar men de kinderen ophaalt bij kinderdagopvang [A] . Ik wilde hem nog begroeten en riep: H?.

Ik zag en hoorde een knal en het vuur. Net als in een film zag ik vuur vanuit de loop komen. Ik liet mijn cola en eten vallen en wilde wegdraaien. Ik voelde druk op mijn borst. Ik zag en hoorde dat hij heel snel daarna weer schoot en voelde pijn in mijn biceps van mijn rechterarm. [verdachte] fietste gelijk door. Hij schoot terwijl hij fietste. Hij was ongeveer anderhalve meter tot twee meter van mij vandaan op dat moment. Ik zag daarna dat mijn neef uit de auto stapte en schreeuwde: [verdachte] Klootzak!. Ik wilde achter hem aan, maar zakte in elkaar. Daarna stapten we in de auto en bracht [betrokkene 1] mij naar het ziekenhuis.

[verdachte] droeg op dat moment een zwarte jas met capuchon. Hij droeg de capuchon over zijn hoofd, maar ik herkende hem aan zijn gezicht. Hij droeg een donkere broek en donkere schoenen. Ik zag niks lichts. Ik denk daarom ook dat hij handschoenen droeg. Dit, terwijl de straatverlichting daar goed is. Ik zag dat [verdachte] met zijn rechterhand schoot met een soort 9mm pistool zoals dat van de politie. Ik zag dat deze donker van kleur was.

Een proces-verbaal van verhoor van aangever [slachtoffer] d.d. 9 april 2015, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangever [slachtoffer] :

(0: [slachtoffer] . Ik wil je nog een keer nader horen over het schietincident van vrijdagavond 20 maart. Je bent toen de zaterdag gehoord door mijn collega die je aangifte heeft opgenomen. Je weet dat de verdachte vast zit. Die blijft voorlopig ook wel zitten. Ik heb nog wat aanvullende vragen op je aangifte. (..) Ik neem nu eerst nog even met jou je aangifte door omdat je die nog niet getekend had. (ik verbalisant lees de aangifte voor aan aangever)

(V: Klopt dit verhaal met hoe jij het toen hebt verteld?)

Ja.

(0: Aangever ondertekent zijn aangifte.) (..)

(V: Op welke moment zag jij de schutter voor het eerst?)

Vlak nadat ik uit de auto was gestapt. Ik had net het portier dicht gedaan. (..)

(V: Hoe vaak heeft de schutter geschoten? Hij heeft je twee keer geraakt heb ik begrepen maar hoeveel schoten heb je gehoord?)

Ik zag hem aan komen vanuit dat paadje. Op dat moment reed [verdachte] net weg. Ik wilde eerst de kruising over maar ik herkende [verdachte] op de fiets en ik keek hem in zijn gezicht, ik was vlak voor hem, ik denk 1,5 meter. Ik lette dus ook niet op zijn handen. Ik zei iets van He! maar hij zei niets terug. Ik hoorde een knal en ik voelde meteen druk op mijn borst. Op dat moment zag ik dat hij een pistool in zijn rechter hand had. Hij wees daarmee ook iets vooruit in mijn richting. Meteen daar achteraan kwam een tweede schot, ik draaide al iets weg en die tweede raakte mij in mijn rechter arm. (..)

(V: Je zegt in je aangifte dat je de schutter herkende als [verdachte] . Waarom ben je daar zo zeker van?)

Ik ken hem al vanaf jong. Ik kende hem al als klein jongetje. Ik was ook bevriend met zijn broer.

(V: [betrokkene 1] heeft hem ook herkend want je verklaarde dat hij [verdachte] nog nariep met zijn naam. Is het niet zo dat jij [verdachte] hebt herkend doordat [betrokkene 1] zijn naam riep?

(Nee, zeker niet.)(..)

(V: Hoe is jouw relatie met [verdachte] altijd geweest?)

Gewoon goed, ik heb 1 keer ruzie met hem gehad.

(V: Wat voor conflicten hebben jullie gehad?)

Die ene keer was dat hij mij vals had beschuldigd dat ik hem zou hebben geslagen. Maar ik ben daarvoor vrijgesproken. Dat was de enige keer. Het is wel bijgelegd zodat we elkaar weer normaal begroetten.(..)

(V: Hoe vaak had je [verdachte] gezien in de laatste weken voor het schietincident?)

A: Af en toe wel eens als ik naar huis reed, dan zag ik hem wel eens in de auto. Dan groette hij ook wel. Ik had hem niet gesproken. Ik heb niets om met hem te bespreken.

Een proces-verbaal van verhoor van getuige [betrokkene 1] d.d. 20 maart 2015, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van getuige [betrokkene 1] :

Ik ben getuige geweest van een schietincident vanavond, omstreeks 20:30 uur, waarbij mijn neefje [slachtoffer] , is neergeschoten door de mij bekende [verdachte] . (..) Het schietincident heeft plaatsgevonden op de kruising Bachlaan met de Frobergerstraat te Zwolle, te weten bij het pleintje van de basisschool De Toonladder. Ik zal in deze verklaring mijn neefje gewoon [slachtoffer] noemen.

Over het verloop van de avond kan ik u het volgende verklaren.

Ik was vanavond, rond 20.00 uur, in de pizzeria “Domino’s”, gevestigd in het winkelcentrum Bachplein te Zwolle. Ik was daar samen met [slachtoffer] . (..) Toen we de pizza op hadden zijn we weggereden. Ik wilde [slachtoffer] bij zijn huis afzetten aan de [a-straat 1] .(.) Gekomen bij de kruising Bachlaan—Frobergerstraat zette ik de auto stil precies op de drempel van de kruising, met de voorzijde in de richting van de Lassuslaan. Ik zet [slachtoffer] wel vaker af en dan altijd op deze plek. [slachtoffer] stapte uit (..) [slachtoffer] liep vervolgens achter de auto langs en was voornemens de kruising over te steken. Ik trok toen langzaam met de auto op.

Op dat moment zie ik van rechts een jongen op een fiets het park uitkomen vanaf de basisschool De Toonladder. Ik zag meteen dat het [verdachte] was. Ik ken [verdachte] goed van gezicht. [verdachte] fietste over de stoep in de richting van [slachtoffer] . Ik zag dat [verdachte] met zijn linkerhand aan het stuur zat en zijn rechterhand onder zijn jas bij zijn middel hield. Toen ik half van de drempel af reed hoorde ik 4 á 5 harde knallen. Ik dacht dat dit vuurwerk was. Tegelijkertijd realiseerde ik mij dat er iets niet goed was. Ik ben meteen gestopt en uitgestapt.

Ik zag meteen dat [verdachte] hard wegfietste over de stoep van de Bachlaan in de richting van het winkelcentrum. Ik zag dat [slachtoffer] op mij afrende en naar mij riep: ‘Het was [verdachte] , het was [verdachte] , hij heeft mij neergeschoten! Ik ben geraakt in mijn arm en mijn borst!” Ik zag dat hij bloed had op zijn borst net boven z'n hart. Ik heb meteen tegen hem gezegd dat hij in de auto moest gaan zitten. Ik zag dat [slachtoffer] in de auto ging zitten op de passagiersstoel. Ik ben hierop meteen naar het ziekenhuis gereden.

Onderweg naar het ziekenhuis heb ik 112 gebeld en gepraat met de politie. Ook praatte ik met [slachtoffer] zodat hij bij zou blijven. Ik heb hem ook gevraagd waarom [verdachte] dit zou doen. [slachtoffer] antwoordde mij dat hij dit echt niet wist. (..) Ik ben vreselijk geschrokken van de hele situatie. [slachtoffer] had makkelijk dood kunnen zijn.

Een proces-verbaal van verhoor van getuige [betrokkene 1] d.d. 8 april 2015, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van getuige [betrokkene 1] :

(V: Je vertelde dat je net weg wilde rijden, al langzaam optrok, toen je zag dat die jongen op de fiets de bosjes uit kwam bij die school. Hoe zag je die jongen?)

Ik stopte net voor/op de drempel van die kruising. [slachtoffer] stapte uit en liep rechts achterom de auto naar zijn huis, dat wilde hij. Ik begon net weg te rijden toen ik in een flits in mijn rechter ooghoek iemand de bosjes uit komen, ik keek en ik zag dat het [verdachte] was. Er ging me geen lampje branden, want ik wist niet dat er iets tussen hen was. Ik lette ook niet echt op hem, ik verwachtte niet dat er iets zou gebeuren. Ik reed verder en toen hoorde ik geknal. Ik zag iets van rook en geflits in mijn binnenspiegel. (..) Ik dacht dat [verdachte] met vuurwerk naar [slachtoffer] gooide. Ik zag [slachtoffer] een beweging maken. Ik stopte en ben meteen uitgestapt, ik was net de drempel af aan de andere kant. Ik stapte uit en liep op [slachtoffer] af. Ik zag [verdachte] weg fietsen. Ik zag dat hij 1 hand in zijn jas had en 1 hand aan zijn stuur. (..)

(V: Op welk moment herkende je hem als [verdachte] ?)

Meteen toen ik hem zag. Ik ken hem van kinds af aan. Ik ken zijn hele familie. Ik ben met ze opgegroeid.

(V: Waaraan herkende je [verdachte] ?)

Ik ken hem omdat ik hem ken. Hij had een capuchon op waarmee hij zich wilde verschuilen maar ik herkende hem zeker.

(V: Hoe was [verdachte] gekleed?)

Zwarte jas met capuchon, zwarte fiets, volgens mij omafiets.

(V: Had hij nog iets, geheel of gedeeltelijk, voor zijn gezicht gedaan?)

Nee.

(V: Durf jij voor 100% zeker te zeggen dat het [verdachte] was?)

Ja. Wel duizend procent.

(V: Wat voor wapen heb je gezien?)

Ik zag alleen een flits. Ik zag alleen dat hij zijn hand voor zijn buik toen hij wegfietste. Ik heb het moment dat hij uit die bosjes kwam nog steeds voor mijn ogen, ik zie dat moment elke keer terug. Ik ben er nog steeds angstig voor.

(V: Hoeveel knallen heb je nu gehoord?)

Een stuk of 4? Zeker 3-4.

(V: Volgens het verslag van mijn collega die jou in het ziekenhuis sprak had je het daar over twee knallen. Toen je ‘s avonds in het politiebureau werd gehoord zei je dat je 4 a 5 knallen had gehoord. Hoeveel waren het er nou?)

(..) Ik heb er ongeveer 4 gehoord. (..) Ik heb flitsen gezien maar ik weet niet hoe veel. (..)

(V: Wat weet je over de contacten tussen [slachtoffer] en [verdachte] in het verleden?)

Ze zijn met elkaar opgegroeid. [slachtoffer] was beste kameraadjes met de broer van [verdachte] . (..)

(V: Hoe lang ken je [verdachte] al?)

Vanaf dat hij een klein jongetje was. (..)

(V: Hoe is jouw contact met [verdachte] altijd geweest?)

Goed. Netjes.(..)

(0: Ik vraag je dit zo met nadruk omdat er verder geen andere getuigen zijn die de schutter daar hebben herkend. [slachtoffer] en jij zijn familie van elkaar. Het zou in theorie dus zo kunnen zijn dat je de naam [verdachte] noemt om [slachtoffer] te helpen, dat jij ons de naam [verdachte] noemt omdat [slachtoffer] die naar, tegen jou zei daar op straat. V: Snap je wat ik bedoel te zeggen?)

Ja, ik herkende hem al toen ik hem die eerste keer zag. Toen ik uitstapte, bevestigde [slachtoffer] het ook nog een keer.”

6. De rechtbank heeft met betrekking tot de betrouwbaarheid van de voor het bewijs gebezigde verklaringen van [slachtoffer] en [betrokkene 1] overwogen:

“Betrouwbaarheid getuigenverklaringen [slachtoffer] en [betrokkene 1]

De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden is de vraag of de verklaringen van [slachtoffer] en [betrokkene 1] zoals deze bij de politie zijn afgelegd betrouwbaar zijn en of de verklaringen zoals deze bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting zijn afgelegd betrouwbaar zijn.

Aangever [slachtoffer] heeft op 20 maart 2015 tegenover de politie - voor zover van belang ten aanzien van de herkenning van de schutter - het volgende verklaard:

Ik stond net buiten de auto. Ik zag [verdachte] op een soort donkerkleurige omafiets uit een voetgangers pad komen fietsen. Ik wilde hem nog begroeten en riep: H?. Ik zag en hoorde een knal en het vuur. Ik zag en hoorde dat hij heel snel daarna weer schoot en voelde pijn in mijn biceps van mijn rechterarm. [verdachte] fietste gelijk door. Hij schoot terwijl hij fietste. Hij was ongeveer anderhalve meter tot twee meter van mij vandaan op dat moment. Ik zag daarna dat mijn neef uit de auto stapte en schreeuwde: [verdachte] Klootzak!.

[verdachte] droeg op dat moment een zwarte jas met capuchon. Hij droeg de capuchon over zijn hoofd, maar ik herkende hem aan zijn gezicht. Ik zag dat [verdachte] met zijn rechterhand schoot met een soort 9mm pistool zoals dat van de politie.

Aangever [slachtoffer] is op 9 april 2015 nogmaals door de politie gehoord en heeft tijdens dit verhoor aangegeven dat de door hem gedane aangifte op 20 maart 2015 klopte waarna aangever de aangifte heeft ondertekend.

Op 9 april 2015 heeft [slachtoffer] - voor zover van belang ten aanzien (het moment) van de herkenning van de schutter - het volgende verklaard:

Vlak nadat ik uit de auto was gestapt [zag ik [verdachte] voor het eerst]. Ik zag hem aan komen vanuit dat paadje. Op dat moment reed [verdachte] net weg. Ik wilde eerst de kruising over, maar ik herkende [verdachte] op de fiets en ik keek hem in zijn gezicht, ik was vlak voor hem, ik denk 1,5 meter. Ik zei iets van He! maar hij zei niets terug. Ik hoorde een knal en ik voelde meteen druk op mijn borst.

(V: Je zegt in je aangifte dat je de schutter herkende als [verdachte] . Waarom ben je daar zo zeker van?)

Ik ken hem al vanaf jong. Ik kende hem al als klein jongetje. Ik was ook bevriend met zijn broer.

(V: [betrokkene 1] heeft hem ook herkend want je verklaarde dat hij [verdachte] nog nariep met zijn naam. (Is het niet zo dat jij [verdachte] hebt herkend doordat [betrokkene 1] zijn naam riep?)

Nee, zeker niet.

Getuige [betrokkene 1] heeft op 20 maart 2015 tegenover de politie - voor zover van belang ten aanzien van de herkenning van de schutter - het volgende verklaard:

Ik ben getuige geweest van een schietincident vanavond, omstreeks 20:30 uur, waarbij mijn neefje [slachtoffer] , is neergeschoten door de mij bekende [verdachte] . [slachtoffer] stapte uit. Op dat moment zie ik van rechts een jongen op een fiets het park uitkomen vanaf de basisschool De Toonladder. Ik zag meteen dat het [verdachte] was. Ik ken [verdachte] goed van gezicht. [verdachte] fietste over de stoep in de richting van [slachtoffer] . Ik zag dat [verdachte] met zijn linkerhand aan het stuur zat en zijn rechterhand onder zijn jas bij zijn middel hield. Toen ik half van de drempel af reed hoorde ik 4 à 5 harde knallen. Ik ben meteen gestopt en uitgestapt. Ik zag meteen dat [verdachte] hard wegfietste over de stoep van de Bachlaan in de richting van het winkelcentrum. Ik zag dat [slachtoffer] op mij afrende en naar mij riep: “Het was [verdachte] , het was [verdachte] , hij heeft mij neergeschoten! Ik ben geraakt in mijn arm en mijn borst!” Onderweg naar het ziekenhuis heb ik 112 gebeld en gepraat met de politie. Ook praatte ik met [slachtoffer] zodat hij bij zou blijven. Ik heb hem ook gevraagd waarom [verdachte] dit zou doen. [slachtoffer] antwoordde mij dat hij dit echt niet wist.

Getuige [betrokkene 1] heeft op 8 april 2015 aanvullend tegenover de politie - voor zover van belang ten aanzien van de herkenning van de schutter - het volgende verklaard:

(V: Op welk moment herkende je hem als [verdachte] ?)

Meteen toen ik hem zag. Ik ken hem van kinds af aan. Ik ken zijn hele familie. Ik ben met ze opgegroeid.

(V: Waaraan herkende je [verdachte] ?)

Ik ken hem omdat ik hem ken. Hij had een capuchon op waarmee hij zich wilde verschuilen maar ik herkende hem zeker.

(V: Hoe was [verdachte] gekleed?)

Zwarte jas met capuchon, zwarte fiets, volgens mij omafiets.

(V: Durf jij voor 100% zeker te zeggen dat het [verdachte] was?)

Ja. Wel duizend procent.

(V: Hoe lang ken je [verdachte] al?)

Vanaf dat hij een klein jongetje was. Ja, ik herkende hem al toen ik hem die eerste keer zag. Toen ik uitstapte, bevestigde [slachtoffer] het ook nog een keer.

Aangever [slachtoffer] heeft op 23 september 2015 tegenover de rechter-commissaris - voor zover van belang ten aanzien van de herkenning van de schutter - het volgende verklaard:

Maar ik moet nu zeggen dat ik steeds meer ga twijfelen of [verdachte] het wel is die het gedaan heeft. Ik zie geen reden waarom [verdachte] op mij zou hebben geschoten. Op het moment dat ik verklaarde bij de politie twijfelde ik niet aan het feit of het [verdachte] was. In het verleden heb ik een keer een akkefietje met hem gehad. Verder niet.

U houdt mij voor dat ik twee weken later in mijn verklaring bij de politie ook de naam van [verdachte] heb genoemd. Dat klopt. Ik hield voet bij stuk. Ik heb er met mijn vader, mijn psychiater en mijn advocaat over gesproken.

U vraagt mij nogmaals waarom ik op 20 maart 2015 heb gezegd dat [verdachte] op mij heeft geschoten. Ik was heel stellig in mijn herkenning, maar nu u mij daarnaar vraagt is het eerder een conclusie van mij geweest dat de schutter [verdachte] was. De persoon die schoot leek namelijk op hem en omdat ik in het verleden een probleem met hem had gehad, dacht ik dat de schutter [verdachte] moest zijn.

Toen ik met mijn neef in de auto zat, op weg naar het ziekenhuis, heb ik tegen hem gezegd “het was [verdachte] , het was [verdachte] ”. Verder hebben wij in de auto niet gesproken.

Getuige [betrokkene 1] heeft op 23 september 2015 tegenover de rechter-commissaris - voor zover van belang ten aanzien van de herkenning van de schutter - het volgende verklaard:

U vraagt mij of ik blijf bij mijn verklaring. Ik twijfel nu.

Toen ik wegreed, zag ik iemand uit de bosjes fietsen. Ik heb verklaard op 20 maart 2015 dat het [verdachte] was. Het was donker. Ik zat in de auto. Ik heb grote twijfels. Ik weet het niet meer zeker.

Een tijdje geleden heb ik hierover gesproken met [slachtoffer] . Ik heb hem gevraagd of het [verdachte] wel geweest is die heeft geschoten. [slachtoffer] had daarover ook zijn twijfels. Het kan zijn dat [verdachte] het heeft gedaan, maar het lijkt mij sterk.

Toen [slachtoffer] bij mij in de auto stapte om naar het ziekenhuis te gaan, zei hij tegen mij dat hij dacht dat het [verdachte] was. Op dat moment bevestigde hij voor mij dat het [verdachte] was die op hem had geschoten. Ik twijfel nu of [verdachte] de schutter is geweest. Ik zou ook niet weten waarom hij op [slachtoffer] zou hebben geschoten. Ik zie daarvoor geen aanleiding.

U houdt mij voor dat ik op 8 april ook nog heel stellig heb verklaard dat het ging om [verdachte] . Ik weet het niet meer. [slachtoffer] bevestigde mij toen hij in de auto stapte, dat het ging om [verdachte] . Daarom wist ik zeker dat het [verdachte] was.

Ik heb later met [slachtoffer] gesproken en hij wist het toen ook niet zeker. Wij zien geen aanleiding waarom [verdachte] op [slachtoffer] zou hebben geschoten. Het ging die avond allemaal heel snel. Ik weet het nu niet zeker meer. Ik was zo zeker omdat [slachtoffer] zei dat het [verdachte] was.

Aangever [slachtoffer] heeft ter terechtzitting d.d. 3 december 2015 - voor zover van belang ten aanzien van de herkenning van de schutter - het volgende verklaard:

Ik blijf bij mijn verklaring zoals ik deze heb afgelegd bij de rechter-commissaris. Dat ik op 20 maart 2015 heb verklaard dat de schutter [verdachte] was, was een conclusie van mij. Ik had namelijk een akkefietje met hem gehad en ik heb toen de conclusie getrokken dat [verdachte] de schutter was geweest. Ik ben gaan twijfelen dat het [verdachte] is geweest. Ik heb hierover gesproken met mijn psychiater. Twee weken na het incident ben ik in behandeling gegaan bij de psychiater. Na enkele weken behandeling ben ik gaan twijfelen. Ik heb mijn twijfels besproken met mijn psychiater en daarna met mijn vader. Ik kan mij niet herinneren dat ik met mijn neef over mijn twijfels heb gesproken.

Toen ik op 20 maart 2015 bij mijn neef in de auto stapte zei ik dat het [verdachte] was geweest.

Ik kan mij niet meer herinneren dat mijn neef uit de auto is gestapt en heeft geroepen ‘ [verdachte] klootzak’.

Mij wordt voorgehouden dat ik heb verklaard dat ik heb gezien dat het [verdachte] was en mij wordt gevraagd of ik [verdachte] heb gezien.

Nee, ik heb hem niet gezien.

[betrokkene 1] heeft ter terechtzitting d.d. 3 december 2015 - voor zover van belang ten aanzien van de herkenning van de schutter - het volgende verklaard:

Tijdens het schietincident met mijn neefje op 20 maart 2015 zat ik in mijn auto. Ik dacht dat het [verdachte] was, maar dat blijkt niet zo te zijn. Ik ben niet uitgestapt toen ik zag dat [slachtoffer] een beweging maakte. [slachtoffer] stapte in mijn auto en ik heb hem naar het ziekenhuis gebracht. [slachtoffer] was beschoten en zei in de auto tegen mij ‘ik dacht dat het [verdachte] was’. Maar dat blijkt niet zo te zijn. Ik heb iemand op de fiets gezien, maar ik kon niet zien dat het [verdachte] was.

Bij het afleggen van mijn verklaring bij de politie twijfelde ik al, maar ik werd bevestigd door [slachtoffer] . Bij het afleggen van mijn verklaring bij de politie op 8 april 2015 twijfelde ik ook. Dat ik mijn twijfels had, heb ik met [slachtoffer] besproken. Daar ging wel 2 of 2,5 maanden overheen. Dat was voordat wij de uitnodiging ontvingen voor het verhoor bij de rechter-commissaris. Ook na het verhoor bij de rechter-commissaris heb ik met [slachtoffer] gesproken over mijn twijfels.

De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer] en [betrokkene 1] bij de politieverhoren hebben verklaard dat [verdachte] de schutter was en dat zij bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting hebben verklaard dat zij twijfelen of verdachte de schutter is geweest.

De rechtbank acht de verklaringen van [slachtoffer] en [betrokkene 1] zoals zij deze bij de politie hebben afgelegd geloofwaardig. Deze politieverklaringen zijn zowel chronologisch als feitelijk op essentiële punten consistent. Dat [slachtoffer] en [betrokkene 1] een half jaar later verklaren dat zij twijfelen aan de inhoud van de door hen bij de politie afgelegde verklaringen acht de rechtbank niet geloofwaardig.

Hiertoe is het voor de rechtbank voor de betrouwbaarheid ten aanzien van de herkenning van de schutter van belang dat [slachtoffer] en [betrokkene 1] op 20 maart 2015 - dezelfde avond als het incident en dus zeer kort erna - door de politie zijn gehoord en daarbij onafhankelijk van elkaar en stellig hebben verklaard dat [verdachte] de schutter was.

Vervolgens zijn [slachtoffer] en [betrokkene 1] wederom door de politie gehoord op 8, respectievelijk 9 april 2015 en zijn zij beiden gebleven bij hun eerder afgelegde verklaringen dat [verdachte] de schutter was. Nimmer - ook niet na doorvragen van de politie - hebben zij bij de politie verklaard dat zij twijfels hebben over de herkenning van de schutter. Sterker nog, als de politie als mogelijk alternatief schetst of het zo kan zijn dat aangever [verdachte] herkent doordat [betrokkene 1] zijn naam riep, antwoord aangever “zeker niet”. En, als de politie getuige [betrokkene 1] vraagt of hij wel voor 100% durft te zeggen dat het [verdachte] was, antwoord de getuige: “Ja, wel duizend procent.”

De rechtbank neemt hierbij in overweging dat zowel [slachtoffer] als [betrokkene 1] heel stellig zijn bij de politie dat [verdachte] de schutter was omdat zij de schutter in het gezicht hadden gezien en dat zij de hun bekende [verdachte] herkenden. [slachtoffer] heeft verklaard dat hij verdachte herkende en hem daarom groette en dat hij niet twijfelde dat het verdachte was, omdat hij verdachte al van jongs af aan kende en een broertje van zijn vriend was. Daarbij was de afstand tussen [slachtoffer] en verdachte maar 1,5 tot 2 meter. Ondanks dat de schutter een zwarte capuchon over zijn hoofd droeg, herkende [slachtoffer] [verdachte] aan zijn gezicht.

[betrokkene 1] heeft verklaard dat hij bij het wegrijden een jongen op een fiets ziet aankomen, die hij meteen herkende als [verdachte] . Hij heeft verklaard dat hij [verdachte] goed van gezicht herkent, omdat hij met hem als kind is opgegroeid.

Zijn latere afgelegde verklaring ter terechtzitting dat hij ten tijde van het afleggen van deze verklaring bij de politie al twijfelde of [verdachte] de schutter was, acht de rechtbank niet geloofwaardig.

Daarnaast acht de rechtbank het voor de betrouwbaarheid van de herkenning van belang dat, blijkens het zich bij de processtukken bevindende proces-verbaal van bevindingen, getuige [betrokkene 1] tijdens de rit naar het ziekenhuis 112 heeft gebeld en in dat (blijkens het woordelijk uitgewerkte telefoongesprek) direct heeft gezegd dat [verdachte] (fonetisch) de schutter op de fiets was en daarbij zei “Ik heb hem gezien, ik heb gezien wie het is.” Daarnaast volgt uit de getuigenverklaring van de vader van [slachtoffer] dat getuige [betrokkene 1] kort na het incident hem gebeld heeft en gelijk zei dat [verdachte] zijn zoon had beschoten.

De verklaringen van [slachtoffer] en [betrokkene 1] afgelegd bij de rechter-commissaris op 23 september 2015 inhoudende dat zij twijfelen dat verdachte de schutter was acht de rechtbank, in het licht van wat hiervoor is overwogen over de politieverklaringen niet geloofwaardig. Datzelfde geldt voor de verklaringen afgelegd ter terechtzitting. Beide getuigen hadden ter terechtzitting niet alleen een defensieve houding, maar hebben ook tegenstrijdig verklaard over de vraag of zij onderling hebben gesproken over hun twijfels of verdachte wel de schutter was. [betrokkene 1] heeft verklaard dat dit wel het geval is en [slachtoffer] heeft verklaard dat hij alleen met zijn psychiater en zijn vader heeft gesproken over zijn twijfels ten aanzien van de identiteit van de schutter. Getuige [betrokkene 1] heeft daaraan toegevoegd dat hij al tijdens het verhoor bij de politie op 8 april 2015 twijfelde of [verdachte] de schutter was. Gezien het antwoord van de getuige op de vraag van de politie of hij met 100% zekerheid durfde te zeggen dat [verdachte] de schutter was, namelijk “wel duizend procent”, acht de rechtbank de daarover ter terechtzitting afgelegde verklaring ongeloofwaardig. Ook hebben beiden bij de politie verklaard dat [betrokkene 1] kort na het incident uit de auto is gestapt, terwijl zij nu allebei verklaren dat dat niet het geval was. Daartoe overweegt de rechtbank dat verklaringen afgelegd kort na een gebeurtenis over het algemeen betrouwbaarder zijn dan verklaringen afgelegd na verloop van tijd, omdat herinneringen na verloop van tijd vervagen en worden beïnvloed doordat over het voorval wordt gesproken met en door anderen.

Concluderend is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer] en [betrokkene 1] , zoals zij die hebben afgelegd bij de politie bruikbaar zijn voor het bewijs en dat deze geloofwaardig en betrouwbaar zijn. Op grond van deze verklaringen is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte op 20 maart 2015 de schutter is geweest.”

7. Het hof heeft deze overwegingen overgenomen en met betrekking tot de betrouwbaarheid van de bewuste verklaringen voorts overwogen:

Betrouwbaarheid politieverklaringen van slachtoffer [slachtoffer] en getuige [betrokkene 1]

Ook in hoger beroep is door de verdediging bepleit de, belastende, politieverklaringen van slachtoffer [slachtoffer] en getuige [betrokkene 1] niet voor het bewijs te bezigen omdat deze onvoldoende betrouwbaar zijn. Dat verweer wordt echter ook in hoger beroep gepasseerd.

[slachtoffer] en [betrokkene 1] zijn in hoger beroep opgeroepen om als getuige ter terechtzitting een verklaring af te leggen. Ter terechtzitting van 30 mei 2017 zijn beide getuigen, gevolg gevend aan de oproep, verschenen, maar hebben zij beiden geweigerd te verklaren. Als reden werd opgegeven dat zij vreesden (alsnog) voor meineed, gepleegd ter terechtzitting van de rechtbank, vervolgd te zullen worden. Omdat zij meenden als verdachte van meineed te worden aangemerkt namen zij beiden het standpunt in zich als verdachte te mogen beroepen op het recht geen antwoord te geven op vragen.

Ter terechtzitting van 30 mei 2017 is namens het openbaar ministerie uitdrukkelijk te kennen gegeven dat beide getuigen niet vervolgd zijn of zullen worden voor eventuele ter zitting van de rechtbank gepleegde meineed. Desondanks hebben beide getuigen geweigerd te antwoorden. Iedere verdere motivering voor die houding ontbrak. Daarop is de gijzeling van beide getuigen bevolen. Twee dagen later, op 1 juni 2017, zijn beide getuigen door de voorzitter als gedelegeerd raadsheer-commissaris, gehoord. De getuigen hebben toen hun weigerachtige houding laten varen en een verklaring afgelegd. Waren de getuigen ter terechtzitting van de rechtbank van 3 december 2015 al intensief ondervraagd over de reden waarom zij aanvankelijk (bij de politie, tot tweemaal toe) zo zeker waren van het feit dat verdachte de schutter was maar zij later (bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting van de rechtbank) hebben verklaard te twijfelen aan de juistheid van hun waarneming, bij de (gedelegeerd) raadsheer-commissaris is dat punt opnieuw aan de orde geweest. Ook toen hebben beide getuigen echter een verre van oprechte indruk gemaakt. De strekking van hun beider toen afgelegde verklaring is dat ze zich simpelweg vergist hebben. Wat [betrokkene 1] betreft komt daarbij dat hij stelt zijn wetenschap slechts aan [slachtoffer] te hebben ontleend. De stelligheid waarmee ieder van hen, tot tweemaal toe, bij de politie verdachte als schutter genoemd heeft laat zich echter met een dergelijke, verder in het geheel niet uitgewerkte, verklaring niet rijmen. De bij de politie door [betrokkene 1] afgelegde verklaringen bevatten bovendien zeer uitdrukkelijk als zodanig benoemde eigen waarnemingen van [betrokkene 1] . Uit niets blijkt in die verklaringen dat hij de naam van verdachte slechts genoemd heeft omdat [slachtoffer] die noemde. Noch het verhoor van de getuigen ter terechtzitting van de rechtbank noch hun verhoor ten overstaan van de (gedelegeerd) raadsheer-commissaris heeft het motief van de getuigen om later (bij rechter-commissaris en rechtbank) te verklaren zoals zij gedaan hebben bloot kunnen leggen. Dat is onbevredigend te noemen, maar neemt niet weg dat het hof, gelijk de rechtbank, de vier door de getuigen bij de rechter afgelegde verklaringen als volledig onbetrouwbaar terzijde schuift.

Van de kant van de verdachte is evenmin een reden aangereikt om over de bij de rechter afgelegde getuigenverklaringen anders te oordelen. Een geverifieerd of verifieerbaar alibi van verdachte ontbreekt.

Voor het bewijs zijn daarom door de rechtbank terecht de door de getuigen [slachtoffer] en [betrokkene 1] bij de politie afgelegde verklaringen gebruikt. De aan die beslissing ten grondslag gelegde overwegingen zijn juist.”

8. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat de motivering van de verwerping van het beroep op onbetrouwbaarheid van de voor het bewijs gebezigde, tegenover de politie afgelegde verklaringen van [slachtoffer] en [betrokkene 1] ontoereikend is, omdat die verwerping louter berust op de stelligheid van die verklaringen, terwijl de getuigen anders dan de Hoge Raad in een geval als het onderhavige eist, niet ter terechtzitting in hoger beroep zijn gehoord.

9. Ik begin met de vraag of de getuigen ter terechtzitting in hoger beroep hadden moeten worden gehoord.

10. In zijn arrest van 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015, NJ 2017/440 m.nt. T. Kooijmans, overwoog de Hoge Raad onder meer:

“3.9. Zoals onder 3.5 is opgemerkt, neemt de nationale rechter reeds tijdens de behandeling van de strafzaak beslissingen omtrent het oproepen en het horen van getuigen. Dat laat onverlet dat hij voordat hij uitspraak doet, zich ervan dient te vergewissen dat de procedure in haar geheel voldoet aan het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Zo nodig zal hij hetzij ambtshalve - op de voet van art. 315, eerste lid, Sv dan wel art. 346, eerste en tweede lid, of art. 347, eerste lid, Sv - alsnog overgaan tot het oproepen en het horen van (een) getuige(n), hetzij bij zijn beslissing omtrent de bewezenverklaring onder ogen moeten zien of en zo ja, welke gevolgen moeten worden verbonden aan de omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van de mogelijkheid om de relevante getuige(n) in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen.”

11. In HR 1 februari 1994, ECLI:NL:HR:1994:AB7528, NJ 1994/427 m.nt. G.J.M. Corstens beschreef de Hoge Raad een geval waarin de rechter getuigen ter terechtzitting dient te horen:

“(iii-1) Afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals de aard van de zaak en de omstandigheid of en in hoeverre het telastegelegde feit door de verdachte wordt ontkend, kunnen beginselen van behoorlijke procesorde meebrengen dat het openbaar ministerie bepaalde personen als getuige ter terechtzitting dient te dagvaarden of op te roepen dan wel dat de rechter zodanige dagvaarding of oproeping ambtshalve dient te bevelen bij gebreke waarvan processen-verbaal voor zover inhoudende de door die personen in het opsporingsonderzoek afgelegde verklaringen niet tot het bewijs kunnen worden gebezigd.

(iii-2) Het onder (iii-1) overwogene zal in ieder geval gelden indien een ambtsedig proces-verbaal, inhoudend een in het opsporingsonderzoek afgelegde belastende verklaring van een persoon, het enige bewijsmiddel is waaruit verdachtes betrokkenheid bij het telastegelegde feit rechtstreeks kan volgen en die persoon nadien door een rechter is gehoord en ten overstaan van deze die verklaring heeft ingetrokken of een op essentiële punten ontlastende nadere verklaring heeft afgelegd, dan wel heeft geweigerd te verklaren omtrent de feiten en omstandigheden waarover hij eerder verklaard heeft. Indien dit is geschied ter gelegenheid van een verhoor van de bedoelde persoon door de rechter-commissaris behoort deze persoon ter terechtzitting in eerste aanleg en in geval van appel ook ter terechtzitting in hoger beroep als getuige te worden gedagvaard of opgeroepen, opdat de rechter zich door eigen waarneming van de getuige een oordeel zal kunnen vormen omtrent de betrouwbaarheid van diens verklaringen dan wel omtrent de redenen van diens weigering aldaar een verklaring af te leggen. Bedoelde persoon zal eveneens ter terechtzitting in hoger beroep als getuige moeten worden opgeroepen indien hij ter terechtzitting in eerste aanleg voor het eerst is teruggekomen op zijn eerder in het voorbereidend onderzoek afgelegde verklaring dan wel heeft geweigerd een verklaring af te leggen.

(iii-3) Indien in de onder (iii-2) omschreven gevallen een getuige, die ter terechtzitting is opgeroepen, hetzij aldaar verschijnt, hetzij aldaar niet verschijnt en verdere oproeping zinloos is gebleken, staat het de rechter vrij de in het opsporingsonderzoek afgelegde verklaring voor het bewijs te bezigen.”

12. In HR 6 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4834, NJ 2006/333 heeft de Hoge Raad nog eens overwogen dat hij geen aanleiding ziet op deze rechtspraak terug te komen.1 Deze houdt overigens niet in dat de getuige na oproeping ter terechtzitting verschijnt en daar een verklaring aflegt. De rechter kan volstaan met het oproepen van de getuige.2

13. Ter zijde wijs ik nog op EHRM 29 juni 2017, Appl. No. 63446/13 (Lorefice v. Italie), EHRC 2017/185, par. 36-47. Daarin werd geoordeeld dat de rechter in hoger beroep de getuigen ter terechtzitting in hoger beroep dient te horen wanneer - anders dan in het zich in casu voordoende geval - de rechter in hoger beroep na vrijspraak van de verdachte in eerste aanleg tot een veroordeling komt omdat hij anders dan de rechter in eerste aanleg de getuigenverklaringen wel geloofwaardig acht.

14. In het onderhavige geval zijn de getuigen [slachtoffer] en [betrokkene 1] na het afleggen van de voor het bewijs gebezigde, tegenover de politie afgelegde verklaringen in eerste aanleg gehoord door de rechter-commissaris en ter terechtzitting. Zij hebben toen hun twijfel uitgesproken over de juistheid van de door hen bij de politie afgelegde verklaringen, in het bijzonder voor wat betreft de herkenning van de verdachte als de schutter. In hoger beroep zijn de getuigen ter terechtzitting van 30 mei 2017 verschenen maar hebben zij geweigerd aldaar een verklaring af te leggen omdat zij vreesden voor meineed te worden vervolgd. Nadat zij op bevel van het hof zijn gegijzeld, hebben zij op 1 juni 2017 tegenover een door het hof uit zijn midden benoemde raadsheer-commissaris (art. 420 Sv) elk een verklaring afgelegd. De strekking van hun beider toen afgelegde verklaringen was dat ze zich ten aanzien van de identiteit van de schutter vergist hadden. De getuige [betrokkene 1] voegde daaraan toe dat hij zijn wetenschap slechts aan [slachtoffer] zou hebben ontleend. Ter terechtzitting van 6 juni 2017 heeft verdachtes raadsman de betrouwbaarheid van de tegenover de politie afgelegde verklaringen van [slachtoffer] en [betrokkene 1] betwist.

15. De vraag is nu of het hof, toen de getuigen na in gijzeling te zijn genomen bereid bleken te verklaren, de getuigen ter terechtzitting had moeten horen en niet had kunnen volstaan met horen door een uit zijn midden benoemde raadsheer-commissaris. Mijns inziens dient deze vraag ontkennend te worden beantwoord. Daarbij neem ik het volgende in aanmerking.

16. De getuigen zijn nadat zij tegenover de rechter-commissaris hun twijfel hadden uitgesproken over de juistheid van hun tegenover de politie afgelegde verklaringen ter terechtzitting in eerste aanleg gehoord. Vervolgens zijn zij opnieuw ter terechtzitting in hoger beroep verschenen. Daar weigerden zij uit vrees te worden vervolgd voor meineed een verklaring af te leggen. Zij volhardden in die weigering ondanks de mededeling van de advocaat-generaal dat zij niet waren vervolgd voor eventuele meineed ter terechtzitting van de rechtbank en daarvoor ook niet worden vervolgd.

17. Het hof had binnen de grenzen van de hiervoor beschreven rechtspraak in die weigering kunnen berusten (zie hiervoor onder 12). Het heeft zich door de getuigen niet laten ringeloren maar op een ter terechtzitting van 30 mei 2017 gedaan verzoek van de advocaat-generaal een ultiem middel, gijzeling, ingezet om hen tot verklaren te bewegen. Daarbij gaf verdachtes raadsman het hof in overweging de getuigen dan door een raadsheer-commissaris te laten horen met de aantekening dat hij geen bezwaar had tegen horen door een raadsheer-commissaris, die deel uitmaakte van de kamer van het hof die de onderhavige zaak behandelde.3 Vervolgens hebben de getuigen tegenover de door het hof uit zijn midden benoemde raadsheer-commissaris op 1 juni 2017 een verklaring afgelegd. Ter terechtzitting in hoger beroep van 6 juni 2017 heeft verdachtes raadsman vervolgens de betrouwbaarheid van de door de getuigen tegenover de politie afgelegde verklaringen uitgebreid betwist zonder daarbij te vragen de getuigen - die nu kennelijk wel bereid waren te verklaren - ter terechtzitting in hoger beroep ten overstaan van het hof te horen.

18. Nu het hof niet door middel van gijzeling de weigering van de getuigen te verklaren had behoeven te doorbreken, het hof dit niettemin heeft gedaan, de getuigen hebben verklaard en verdachtes raadsman de voorkeur heeft gegeven aan horen door een raadsheer-commissaris, was het met het oog op de mogelijkheid dat in geval de getuigen ter terechtzitting in hoger beroep zouden zijn gehoord alle rechters zich door eigen waarneming van de getuigen een oordeel konden vormen over de betrouwbaarheid van de verklaringen van die getuigen, niet noodzakelijk dat de getuigen, nadat zij een verklaring tegenover de raadsheer-commissaris hadden afgelegd, alsnog ter terechtzitting in hoger beroep werden gehoord.

19. De klacht dat de motivering van de verwerping van het beroep op onbetrouwbaarheid van de voor het bewijs gebezigde, tegenover de politie afgelegde verklaringen van [slachtoffer] en [betrokkene 1] ontoereikend is omdat die verwerping louter berust op de stelligheid van die verklaringen, mist feitelijke grondslag. Het hof heeft het beroepen vonnis immers bevestigd met enige aanvulling en verbetering van gronden terwijl de rechtbank over de betrouwbaarheid van de tegenover de politie afgelegde verklaringen heeft overwogen dat deze zowel chronologisch als feitelijk op essentiële punten consistent waren, dat [slachtoffer] en [betrokkene 1] op 20 maart 2015 - de avond van het incident en dus zeer kort erna - door de politie zijn gehoord en daarbij onafhankelijk van elkaar hebben verklaard dat [verdachte] de schutter was, dat getuige [betrokkene 1] tijdens de rit naar het ziekenhuis 112 heeft gebeld en in dat (blijkens het woordelijk uitgewerkte) telefoongesprek direct heeft gezegd dat [verdachte] (fonetisch) de schutter op de fiets was en daarbij zei “Ik heb hem gezien, ik heb gezien wie het is.”, dat de getuige [betrokkene 1] kort na het incident met de vader van [slachtoffer] heeft gebeld en gelijk heeft gezegd dat [verdachte] zijn zoon had beschoten, alsmede dat beide getuigen ter terechtzitting tegenstrijdig hebben verklaard over de vraag of zij onderling hebben gesproken over hun twijfels of verdachte wel de schutter was.

20. Anders dan in de toelichting op het middel wordt gesteld, behoefde het hof niet te motiveren waarom het de observatie dat de getuigen ter gelegenheid van het horen door de raadsheer-commissaris een verre van oprechte indruk maakten, bij zijn oordeel over de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuigen heeft meegewogen. Die observatie behoeft, anders dan in de toelichting op het middel tot uitgangspunt wordt genomen, niet louter of in overwegende mate te zijn gebaseerd op de observatie van de raadsheer-commissaris, maar kan ook geheel of in overwegende mate berusten op de voorgeschiedenis van het afleggen van die verklaringen alsmede op de inhoud van de tegenover de raadsheer-commissaris afgelegde verklaringen. Bovendien, zo het al louter om de observatie van de raadsheer-commissaris zou gaan, is door de wetgever als voordeel gezien van de mogelijkheid een raadsheer-commissaris te benoemen uit de leden van het hof die de zaak berechten, dat zo de bij het verhoor verkregen kennis optimaal bij de berechting kan worden betrokken zonder dat rechten van partijen daardoor verkort worden.4 Daarmee valt niet te rijmen dat in zijn algemeenheid uitdrukkelijk moet worden gemotiveerd waarom van de verkregen kennis gebruik wordt gemaakt.

21. Het middel faalt.

22. Het tweede middel klaagt dat het hof het bepaalde in art. 342 lid 2 Sv heeft miskend omdat de verklaring van de getuige [betrokkene 1] niet kan worden gezien als een onafhankelijke verklaring nu hij bij de rechter-commissaris en de raadsheer-commissaris heeft verklaard dat hij de verdachte niet zelf heeft gezien maar alleen heeft gehoord van het slachtoffer dat de verdachte de dader zou zijn.

23. Het hof heeft over het beroep op het bepaalde in art. 342 lid 2 Sv overwogen:

Unus testis

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de verklaringen die [slachtoffer] bij de politie heeft afgelegd in voldoende mate worden gesteund door de onafhankelijke en uit eigen waarneming afgelegde verklaringen van de getuige [betrokkene 1] , zodat geen sprake is van een zogenoemde 'unus-testis-situatie'.”

24. Voorts is van belang dat de rechtbank in het door het hof bevestigde vonnis heeft overwogen dat zij de verklaringen van [slachtoffer] en [betrokkene 1] , afgelegd bij de rechter-commissaris op 23 september 2015 en inhoudende dat zij er aan twijfelen dat de verdachte de schutter was, alsmede de verklaringen ter terechtzitting van de rechtbank niet geloofwaardig acht, terwijl het hof heeft overwogen dat het de vier door de getuigen bij de rechter afgelegde verklaringen als volledig onbetrouwbaar terzijde schuift.

25. Een en ander betekent dat de stelling dat de verklaring van de getuige [betrokkene 1] niet kan worden gezien als een onafhankelijke verklaring feitelijke grondslag mist.

26. Het middel faalt.

27. Het derde middel houdt in dat de bewezenverklaarde voorbedachte raad onvoldoende is gemotiveerd omdat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte voldoende gelegenheid heeft gehad om rekenschap af te leggen over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad.

28. Met betrekking tot het bewijs van de voorbedachte raad heeft de rechtbank in het door het hof bevestigde vonnis overwogen:

“Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel “met voorbedachten rade” moet komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of op het genomen besluit om het slachtoffer van het leven te beroven. Daarnaast moet verdachte de gelegenheid hebben gehad om na te denken over de betekenis van de gevolgen van zijn voorgenomen daad en om zich daarvan rekenschap te geven. Ook moet vast komen te staan dat verdachte niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.

Het gaat bij de beantwoording van de vraag of sprake is van voorbedachte raad bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval. De vaststelling dat verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechtbank er niet van te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen sommige omstandigheden de rechtbank uiteindelijk tot het oordeel brengen dat verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Om te kunnen beoordelen of verdachte op 20 maart 2015 gehandeld heeft met voorbedachte raad, moet de rechtbank de vraag beantwoorden of er een moment is geweest voorafgaand aan het schietincident, waarop voor verdachte voldoende tijd voor beraad en gelegenheid voor bezinning heeft bestaan. Deze vraag moet naar het oordeel van de rechtbank bevestigend worden beantwoord.

Op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen kan worden geconcludeerd dat verdachte op 20 maart 2015 omstreeks 20.30 uur op een omafïets op [slachtoffer] is afgereden en op korte afstand twee keer met een vuurwapen heeft geschoten.

Verdachte heeft daarmee voldoende tijd gehad voor bezinning, namelijk vanaf het moment dat hij in de buurt van de woning van [slachtoffer] heeft staan wachten totdat [slachtoffer] thuis zou komen, maar in elk geval vanaf het moment dat verdachte op zijn fiets richting [slachtoffer] fietste. Hij heeft aldus gelegenheid gehad om zich te beraden over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad, waaronder de aanmerkelijke kans dat als verdachte op [slachtoffer] zou schieten, [slachtoffer] daardoor zou overlijden.

Van contra-indicaties zoals hiervoor bedoeld is de rechtbank niet gebleken.”

29. In aanvulling hierop en verbetering hiervan heeft het hof met betrekking tot het bewijs van de voorbedachte raad overwogen:

Voorbedachten rade

De verdediging heeft aangevoerd dat voorbedachte raad niet bewijsbaar is.

Het feit dat verdachte vrijwel onmiddellijk na het uitstappen van het slachtoffer vanuit de bosjes met een pistool in zijn hand naar hem is toe gefietst en vanaf korte afstand vrijwel onmiddellijk het vuur heeft geopend op het slachtoffer maakt dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte het slachtoffer heeft staan opwachten met de bedoeling onmiddellijk op hem te schieten zodra hij daadwerkelijk thuis zou komen. Gedurende dat wachten op het slachtoffer heeft verdachte voldoende gelegenheid gehad zich te beraden op de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Van contra-indicaties, die tot een ander oordeel zouden moeten leiden, is niet gebleken. De verdediging heeft nog wel aangevoerd dat niet valt uit te sluiten dat verdachte in een opwelling gehandeld heeft, maar het gaat er niet om of iets al dan niet kan worden uitgesloten. Het gaat erom of er een concrete aanwijzing is dat daadwerkelijk van een opwelling sprake was. Enige feitelijke onderbouwing daarvan is door de verdediging niet aangereikt en daarvan blijkt evenmin uit het dossier.”

30. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat contra-indicaties enkel kunnen worden aangenomen als het een concrete aanwijzing betreft en dat het enkel niet kunnen uitsluiten hiervan, niet voldoende is.

31. In zijn arrest van 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963, NJ 2014/156 m.nt. B.F. Keulen, overwoog de Hoge Raad met betrekking tot voorbedachte raad:

“3.3. Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven (vgl. HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342, NJ 2012/518).

3.4. De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat ingeval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven (vgl. het overleg en nadenken dat in de wetsgeschiedenis is geplaatst tegenover de ogenblikkelijke gemoedsopwelling). Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs, zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen inzicht geven in hetgeen voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit. Daarbij verdient opmerking dat de enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, niet toereikend is om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachte raad.”

32. Het oordeel van het hof begrijp ik aldus dat het enkele opperen van een mogelijke contra-indicatie dan wel het verweer dat de bewijsmiddelen een contra-indicatie in de door de Hoge Raad bedoelde zin niet uitsluiten, niet een beroep vormen op een contra-indicatie als door de Hoge Raad bedoeld. Dat oordeel geeft niet blijk van miskenning van de hiervoor aangehaalde overwegingen van de Hoge Raad. De voorbeelden die de Hoge Raad geeft van contra-indicaties - dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat - zijn immers steeds van concrete en niet van potentiële aard.5

33. Een beroep op contra-indicaties als door de Hoge Raad bedoeld kan tot op zekere hoogte op één lijn worden gesteld met een beroep op een alternatief scenario: een dergelijke contra-indicatie kan aan het bewijs van voorbedachte raad in de weg staan, een alternatief scenario staat aan het bewijs in de weg. Bij een beroep op een alternatief scenario gaat het, zoals mijn ambtgenoot Knigge schrijft6, niet om het beroep op een theoretische mogelijkheid - om het leggen van de vinger bij een mogelijkheid die door het bewijsmateriaal niet wordt uitgesloten -, maar om de stellige bewering dat het anders is gegaan dan de tenlastelegging inhoudt. Voor een beroep op een contra-indicaties in voormelde zin ligt dit niet anders.

34. Voorts wordt in de toelichting op het middel gesteld dat de enkele aanname van het hof dat de verdachte in de buurt zou hebben staan wachten, terwijl dit door de verdediging gemotiveerd is betwist en onduidelijk is op welk bewijs deze conclusie is gebaseerd, onvoldoende is om daarop te baseren dat er sprake is van voorbedachte raad.

35. In aanmerking genomen dat het wel heel toevallig moet zijn dat de verdachte voorzien van een kennelijk schietklaar vuurwapen met zijn fiets kwam aangereden op het moment dat [slachtoffer] thuis uit de auto stapte, heeft het hof kunnen oordelen dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte het slachtoffer heeft staan opwachten met de bedoeling onmiddellijk op hem te schieten zodra hij daadwerkelijk thuis zou komen. Daarbij neem ik in aanmerking dat - zoals het hof kennelijk heeft gedaan - de verdachte geen redelijke, de redengevendheid ontzenuwende verklaring voor genoemd toeval heeft gegeven, terwijl hij, bijgestaan door een rechtsgeleerd raadsman, uit de motivering van de voorbedachte raad door de rechtbank moet hebben begrepen dat de feiten, zoals deze zijn vervat in de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen, om een dergelijke verklaring vroegen, en deze verklaring er dus ook niet was.7 In dit verband merk ik nog op dat verdachtes raadsman in hoger beroep heeft aangevoerd8 dat, hoewel in eerste instantie niet zeer aannemelijk, geenszins valt uit te sluiten dat de schutter toevalligerwijze langsfietste, [slachtoffer] zag en toen in een gemoedsopwelling heeft geschoten. Dat het daadwerkelijk zo was, wordt niet gesteld en door de verdachte ook niet verklaard.

36. Het voorgaande brengt mee dat het oordeel van het hof dat de verdachte voldoende gelegenheid heeft gehad zich te beraden op de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven omdat hij heeft staan wachten op het slachtoffer, terwijl van contra-indicaties, die tot een ander oordeel zouden moeten leiden, niet is gebleken, niet onbegrijpelijk is en geen nadere motivering behoeft. Het oordeel dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, geeft aldus in het licht van de eisen die de Hoge Raad aan het bewijs van de voorbedachte raad stelt, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is voldoende met redenen omkleed.

37. Het middel faalt.

38. Het tweede en het derde middel kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

39. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

40. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie ook HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:898, rov. 3.3.

2 G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers, Kluwer 2014, achtste druk, p. 791.

3 Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 mei 2017, p. 5.

4 Kamerstukken II 2001–2002, 28 477, nr. 3, p. 3.

5 Zo ook de voorbeelden die De Hullu geeft in zijn Materieel strafrecht, Kluwer Deventer 2015, zesde druk, p. 261.

6 Conclusie ECLI:NL:PHR:2015:169 onder 5.6 vóór HR 10 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:535.

7 Vgl. HR 3 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0733, NJ 1997/584, o.m. aangehaald in HR 28 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:3022, rov. 4.2.2.

8 Pleitnota in hoger beroep, volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 juni 2017 aldaar voorgedragen, onder nr. 35.