Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:351

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
06-03-2018
Datum publicatie
17-04-2018
Zaaknummer
16/03451
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:609
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Mishandeling door huisbaas begeleid wonen traject tegen lichaam te slaan. Afwijzing ttz. in h.b. gedaan verzoek tot horen aangever A en getuige B als getuige op de grond dat noodzaak niet is gebleken. Niet nader onderbouwde afwijzing Hof begrijpelijk i.h.l.v. summiere onderbouwing verzoek? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2018:72 m.b.t. de beoordeling door de rechter van de onderbouwing van getuigenverzoeken, de (omvang van de) motiveringsverplichting die geldt bij de afwijzing daarvan en de toetsing in cassatie. Het op de tz. in h.b. gedane verzoek van de verdediging strekt ertoe onder meer A en B als getuige te horen mede in het licht van de verklaring van de op die tz. gehoorde getuige C. Het Hof heeft het verzoek tot het horen van A en B op die tz. afgewezen op de enkele grond dat de noodzaak tot het horen van deze getuigen niet is gebleken. Mede in aanmerking genomen de inhoud van de verklaring van C en voorts hetgeen door de verdediging aan dat verzoek ten grondslag is gelegd, is dat oordeel niet z.m. begrijpelijk. Het middel slaagt in zoverre. CAG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/03451

Zitting: 6 maart 2018

Mr. D.J.C. Aben

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. De verdachte is bij arrest van 16 december 2015 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens 1. en 2. “mishandeling”, en 3. “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht”, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van dertig uren, subsidiair vijftien dagen hechtenis, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Ook heeft het hof de vordering van de benadeelde partij, ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde, toegewezen tot het bedrag van € 200,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door vier dagen hechtenis, en heeft het hof aan de toegewezen vordering de schadevergoedingsmaatregel van art. 36f Sr verbonden.

2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, het ter terechtzitting gedane verzoek tot oproeping van de getuigen [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] heeft afgewezen.

4. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 2 december 2015 houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“De raadsman voert aan, zakelijk weergegeven:

Het hof heeft de getuige nu gehoord. De getuige is bij haar verklaring gebleven en heeft anders verklaard dan andere getuigen. Het is noodzakelijk dat nu goed wordt uitgezocht wat de waarheid is. Ik verzoek het hof daarom [betrokkene 1] en [betrokkene 2] alsnog te horen als getuige. Ik heb de nodige vragen aan deze getuigen en verzoek het hof de zaak daartoe te verwijzen naar de raadsheer-commissaris. Ik verzoek het hof [betrokkene 3] eveneens te horen als getuige. Cliënt zegt dat de beschuldiging van [betrokkene 3] niet klopt.

De advocaat-generaal reageert, zakelijk weergegeven:

Het is een lastige situatie. Door het horen van de meegebrachte getuige creëer je bijna een situatie waarin andere getuigen moeten worden gehoord. Ik twijfel behoorlijk aan de verklaring die [betrokkene 4] hier vandaag als getuige heeft afgelegd. Er is genoeg bewijs aanwezig voor het duwen. Dat is ook wat de getuige [betrokkene 4] heeft verklaard, dat er is geduwd door de verdachte. Ik vorder dat het hof de verzoeken van de verdediging afwijst.

De raadsman voert aan, zakelijk weergegeven:

Het noodzaakcriterium is van toepassing op mijn verzoek tot het horen van getuigen. Ik verwijs naar het proefschrift van De Wilde.

Het Europees Hof kent dit criterium niet. De vraag is: is het van belang voor de zaak. De getuige [betrokkene 4] sprak over een duwende beweging. Dat levert nog geen mishandeling op.

Het hof onderbreekt het onderzoek ter terechtzitting gedurende korte tijd om zich te beraden over de standpunten van de advocaat-generaal en de verdediging, waarna het onderzoek wordt hervat en de voorzitter de beslissing van het hof meedeelt, zakelijk weergegeven:

Ten aanzien van het verzoek van de verdediging om [betrokkene 3] als getuige te horen is het noodzaakcriterium van toepassing. Daaraan toetsend, wijst het hof dit verzoek af omdat niet de noodzaak tot het horen van deze getuige is gebleken. De getuige [betrokkene 4] heeft over dat feit niet verklaard vandaag.

Zij heeft wèl verklaard over het incident tussen de verdachte en [betrokkene 1] .

Ten aanzien van het verzoek van de verdediging om [betrokkene 1] en [betrokkene 2] als getuige te horen is eveneens het noodzaakcriterium van toepassing. Daaraan toetsend, wijst het hof dit verzoek af omdat niet de noodzaak tot het horen van deze getuigen is gebleken ”

5. Het verzoek tot het oproepen van [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] als getuigen betreft een verzoek als bedoeld in art. 328 Sv, in verbinding met art. 331 Sv, om toepassing te geven aan art. 315 Sv. Deze bepalingen zijn in hoger beroep van overeenkomstige toepassing. Dit verzoek is gedaan na hervatting van het onderzoek ter terechtzitting waarin eerder een afwijzende beslissing op een verzoek tot oproeping van getuigen is gegeven. De maatstaf bij de beoordeling van zo’n (hernieuwd) verzoek is het noodzakelijkheidscriterium.1

6. Over dit criterium meer in het algemeen het volgende. Naar aanleiding van een gemotiveerd, duidelijk en stellig verzoek van de verdediging aan de rechter om gebruik te maken van zijn bevoegdheid om getuigen op te roepen, zal de rechter moeten beoordelen of hij het horen van die getuigen noodzakelijk acht met het oog op de volledigheid van het onderzoek. Dit verzoek kan worden afgewezen op de grond dat de rechter zich door het verhandelde ter terechtzitting voldoende ingelicht acht en hem dus de noodzakelijkheid van het gevraagde verhoor niet is gebleken.2 Omtrent de gevallen en de mate waarin een afwijzing nader dient te worden gemotiveerd, zijn wegens de vele, uiteenlopende situaties die zich kunnen voordoen, geen algemene regels te geven. Wel zijn daarbij de aard van het onderwerp waarover de getuige zou kunnen verklaren van belang alsmede de indringendheid van de door de verdediging aangevoerde argumenten om hem te horen.3

7. In de hiervoor onder paragraaf 4 weergegeven beslissing van het hof ligt besloten dat het hof zich door het verhandelde ter terechtzitting voldoende ingelicht heeft geacht en de noodzakelijkheid van de gevraagde verhoren niet aan het hof is gebleken. Door aldus te oordelen heeft het hof de juiste maatstaf aangelegd.

8. Bij de beoordeling in cassatie van de afwijzing van een getuigenverzoek gaat het vervolgens om de vraag of die rechterlijke beslissing begrijpelijk is in het licht van – als waren het communicerende vaten – enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen.4 Bij die beoordeling kan ook het procesverloop van belang zijn, zoals het stadium waarin het verzoek is gedaan. De motivering van het verzoek zal ten aanzien van iedere van de door de verdediging opgegeven getuige een toelichting moeten omvatten over waarom het horen van deze getuige van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van de art. 348 en 350 Sv te nemen beslissing.5

9. In het licht hiervan is ’s hofs beslissing tot afwijzing van het verzoek tot het oproepen van [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] als getuigen niet onbegrijpelijk. Ik wijs erop dat het verzoek pas in een laat stadium is gedaan (in hoger beroep, op de terechtzitting), terwijl de motivering van het verzoek tot het horen van de drie getuigen niets meer inhoudt dan dat de meegebrachte getuige [betrokkene 4] anders heeft verklaard dan deze getuigen en dat de verdachte heeft verklaard dat de beschuldiging van [betrokkene 3] “niet klopt”.

10. Het eerste middel kan niet tot cassatie leiden.

11. Het tweede middel komt met diverse klachten op tegen de bewijsvoering en met name het gebruik van de verklaringen van de genoemde getuigen.

12. Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezenverklaard dat:

“1. hij omstreeks 30 juni 2014 te Emmer-Compascuum, in de gemeente Emmen, opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [betrokkene 3] , met kracht tegen diens borst heeft geduwd, waardoor deze pijn heeft ondervonden.

2. hij omstreeks 30 juni 2014 te Emmer-Compascuum, in de gemeente Emmen, opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [betrokkene 1] , tegen diens lichaam heeft geslagen, waardoor deze pijn heeft ondervonden.

3. hij omstreeks 30 juni 2014 te Emmer-Compascuum, in de gemeente Emmen, [betrokkene 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend die [betrokkene 3] de woorden toegevoegd dat hij, verdachte, er voor zou zorgen dat die [betrokkene 3] doodgemaakt zou worden.”

13. Deze bewezenverklaringen steunen op de volgende bewijsmiddelen:

“Feiten 1, 2 & 3 –

Het is een feit van algemene bekendheid dat Emmer-Compascuum behoort tot de gemeente Emmen.

Feiten 1 & 3 -

1. Een proces-verbaal van aangifte, op ambtsbelofte opgemaakt op 1 juli 2014 door [verbalisant 4] , agent van de politie Noord-Nederland, opgenomen in een dossier van de politie Noord-Nederland met het registratienummer PL032V-2014051464 Z en sluitingsdatum 2 juli 2014, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

als verklaring van [betrokkene 3] :

Ik doe aangifte van mishandeling en bedreiging.

Op 29 juni 2014 zag ik dat [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte, [verdachte] ) naar mij liep en ik hoorde dat hij zei dat hij er voor zou zorgen dat ik dood zou worden gemaakt.

Ik zag dat [verdachte] vlak voor mij stond op een afstand van minder dan een meter. Ik voelde een eerste klap tegen mijn borst. Ik zag dat hij dit met zijn rechterhand deed. Vanaf het moment dat ik de klap kreeg tot het moment dat ik naar [betrokkene 5] en [betrokkene 6] ben gelopen heb ik nog twee keer een klap tegen mijn borst gevoeld. Ik heb pijn op de borst.

2. Een proces-verbaal van verhoor getuige, op ambtseed opgemaakt op 1 juli 2014 door [verbalisant 5] , brigadier van de politie Noord-Nederland, opgenomen in het hierboven onder 1 genoemde dossier van de politie Noord-Nederland, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

als verklaring van [betrokkene 5] :

Op 29 juni 2014 was ik in mijn woning in Emmer-Compascuum. Ik zag dat [betrokkene 3] op zijn inrit stond en dat [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte, [verdachte] ) vlak voor hem stond.

Ik zag dat hij (het hof begrijpt: de verdachte, [verdachte] ) herhaaldelijk met een krachtige beweging [betrokkene 3] met een hand tegen zijn borst van zich wegduwde. Dat duwen ging gepaard met veel verbaal geweld.

3. Een proces-verbaal van verhoor getuige, op ambtseed opgemaakt op 2 juli 2014 door [verbalisant 5] , voornoemd, opgenomen in het hierboven onder 1 genoemde dossier van de politie Noord-Nederland , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

als verklaring van [betrokkene 6] :

Op 29 juni 2014 was ik bij mijn woning in Emmer-Compascuum. Ik zag dat [betrokkene 5] en [betrokkene 3] in conflict waren met een mij onbekende man (het hof begrijpt: de verdachte, [verdachte] ). De man gedroeg zich verbaal erg agressief op dat moment. Ik hoorde hem schreeuwen en zag ook dat hij [betrokkene 3] een paar keer behoorlijk stevig duwde. Ook riep hij dat hij [betrokkene 3] dood zou maken.

4. Een proces-verbaal van verhoor verdachte, op ambtsbelofte opgemaakt op 30 juni 2014 door [verbalisant 2] , hoofdagent van de politie Noord-Nederland, en [verbalisant 3] , brigadier van de politie Noord-Nederland, opgenomen in het hierboven onder 1 genoemde dossier van de politie Noord-Nederland, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

als verklaring van de verdachte:

Op 29 juni 2014 heb ik [betrokkene 3] weggeduwd. Ik deed dit met beide handen.

Feit 2 -

I. Een proces-verbaal van aangifte, op ambtsbelofte opgemaakt op 30 juni 2014 door [verbalisant 1] , hoofdagent van de politie Noord-Nederland, opgenomen in het hierboven onder 1 genoemde dossier van de politie Noord-Nederland , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

als relaas van de verbalisant:

Op 30 juni 2014 kwam ik ter plaatse van het misdrijf in Emmer-Compascuum bij [betrokkene 1] .

als verklaring van [betrokkene 1] :

Ik kwam op 29 juni 2014 thuis. Ik hoorde toen dat [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte, [verdachte] ) er ook was. Hij werd gelijk agressief en duwde mij weg. Ik zag en voelde dat hij mij met zijn rechterhand tegen mijn linker schouder of bovenarm sloeg. Ik voelde de klap goed, ik voelde pijn. Ik heb toen mijn voet opgeheven en toen sprong [betrokkene 2] , die er ook was, er tussen. Ik doe aangifte van mishandeling.

II. Een proces-verbaal van verhoor getuige, op ambtsbelofte opgemaakt op 30 juni 2014 door [verbalisant 2] voornoemd en [verbalisant 3] voornoemd, opgenomen in het hierboven onder 1 genoemde dossier van de politie Noord-Nederland , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

als verklaring van [betrokkene 2] :

Ik zag gisteren in de woning van [betrokkene 1] in Emmer-Compascuum dat [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte, [verdachte] ) als het ware explodeerde toen hij [betrokkene 1] zag. Ik zag dat [verdachte] [betrokkene 1] een harde duw gaf. Ik zag dat [betrokkene 1] in onbalans raakte door deze duw en zich door een stap terug te doen in evenwicht moest houden. Ik zag dat [betrokkene 1] zijn handen omhoog deed om zich te beschermen en dat hij zijn voet omhoog tilde om zich te verweren. Ik ben er direct tussen gaan staan.

III. Een proces-verbaal van verhoor verdachte, op ambtsbelofte opgemaakt op 30 juni 2014 door [verbalisant 2] voornoemd en [verbalisant 3] voornoemd, opgenomen in het hierboven onder 1 genoemde dossier van de politie Noord-Nederland , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

als verklaring van de verdachte:

Mijn roepnaam is [verdachte] .

Ik woon in Emmer-Compascuum in de woning van [betrokkene 1] .

Ik heb [betrokkene 1] gisteren (het hof begrijpt: op 29 juni 2014) aangesproken. Dit gesprek liep niet goed. Op dat moment was [betrokkene 2] , een medebewoner (het hof begrijpt: [betrokkene 2] ), ook bij mij op de kamer. [betrokkene 2] is tussen [betrokkene 1] en mij in gaan staan.”

14. Voorts heeft het hof (mede) naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep door de verdediging is aangevoerd met betrekking tot het bewijs van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde nog het volgende overwogen:

“Het hof is van oordeel dat het door de verdachte en de verdediging gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen en acht de andersluidende lezing van de feiten door de verdachte niet aannemelijk geworden.

De verdediging heeft met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde aangevoerd dat het enkele geven van een duw geen mishandeling oplevert. Dit verweer wordt ontkracht door de inhoud van de bewijsmiddelen. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de door de verdachte toegebrachte duw dusdanig krachtig was dat deze pijn bij aangever heeft veroorzaakt. Dat levert mishandeling op.

De verdediging heeft ter zitting met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde aangevoerd dat het bewijs voor dit feit enkel is gebaseerd op hetgeen aangever [betrokkene 1] en de getuige [betrokkene 2] erover hebben verklaard bij de politie. Nu de verdediging niet in de gelegenheid is gesteld deze beide personen als getuige te horen, is volgens Europees recht geen bewezenverklaring mogelijk van het onder 2 ten laste gelegde, aldus de verdediging.

Het hof stelt vast dat het ondervragingsrecht van de verdachte en de verdediging geen absoluut recht is, dat van de verdediging mag worden verlangd deugdelijk te onderbouwen op grond waarvan het ondervragingsrecht ten aanzien van de door de verdediging bedoelde getuigen wordt ingeroepen en dat een dergelijke onderbouwing niet door de verdediging is gegeven ter terechtzitting van het hof van 2 december 2015.

Het hof stelt daarnaast vast dat hier geen sprake is van een situatie waarin het doorslaggevende bewijs berust op de verklaring van één betrokkene.

Op grond van het bovenstaande verwerpt het hof de gevoerde bewijsverweren.”

15. Met betrekking tot het ondervragingsrecht en het (getuigen)bewijs van het onder 2 ten laste gelegde heeft het hof het volgende overwogen:

“De verdediging heeft ter zitting met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde aangevoerd dat het bewijs voor dit feit enkel is gebaseerd op hetgeen aangever [betrokkene 1] en de getuige [betrokkene 2] erover hebben verklaard bij de politie. Nu de verdediging niet in de gelegenheid is gesteld deze beide personen als getuige te horen, is volgens Europees recht geen bewezenverklaring mogelijk van het onder 2 ten laste gelegde, aldus de verdediging.

Het hof stelt vast dat het ondervragingsrecht van de verdachte en de verdediging geen absoluut recht is, dat van de verdediging mag worden verlangd deugdelijk te onderbouwen op grond waarvan het ondervragingsrecht ten aanzien van de door de verdediging bedoelde getuigen wordt ingeroepen en dat een dergelijke onderbouwing niet door de verdediging is gegeven ter terechtzitting van het hof van 2 december 2015.

Het hof stelt daarnaast vast dat hier geen sprake is van een situatie waarin het doorslaggevende bewijs berust op de verklaring van één betrokkene.”

16. Het middel behelst allereerst de klacht dat de bewijsmiddelen voor feit 1 geen blijk geven van een causaal verband tussen de met kracht gegeven duw tegen de borst van [betrokkene 3] en de door [betrokkene 3] ondervonden pijn. Aan de verklaring van [betrokkene 3] (bewijsmiddel 1) kan dit verband volgens de steller van het middel niet worden ontleend.

17. Kennelijk heeft het hof het onderwerpelijke causale verband afgeleid uit de aangifte van [betrokkene 3] (bewijsmiddel 1), waarin de bewering “Ik heb pijn op de borst”, direct volgt op de beschrijving van de drie door de verdachte gegeven klappen tegen de borst van [betrokkene 3] .6 Ik acht die gevolgtrekking geenszins onbegrijpelijk. Dat er twee dagen zijn gelegen tussen de geweldpleging (29 juni 2014) en de mededeling van [betrokkene 3] omtrent de pijn op de borst (1 juli 2014) doet daaraan allerminst af.

19. Voorts klaagt het middel dat voor het bewijs van de bewezenverklaring van feit 2, gebruik is gemaakt van twee onderling tegenstrijdige bewijsmiddelen.

20. De klacht doelt op de verklaring van [betrokkene 1] (bewijsmiddel I), onder meer inhoudende dat hij zag en voelde dat de verdachte met zijn rechterhand tegen zijn linkerschouder of bovenarm sloeg, en de verklaring van [betrokkene 2] (bewijsmiddel II), onder meer inhoudende dat de verdachte [betrokkene 1] een harde duw gaf. Hierdoor zou, volgens de steller van het middel, de bewezenverklaring van feit 2, specifiek het gedeelte waarin staat dat de verdachte [betrokkene 1] mishandelend tegen diens lichaam heeft geslagen, berusten op tegenstrijdige bewijsmiddelen.

21. Het gedeelte van de bewezenverklaring waarin is opgenomen dat de verdachte [betrokkene 1] (mishandelend) tegen diens lichaam heeft geslagen, heeft het hof kennelijk aan de verklaring van [betrokkene 1] (bewijsmiddel I) ontleend. De verklaring van [betrokkene 2] is niet onverenigbaar met de verklaring van [betrokkene 1] . Sterker nog, ook [betrokkene 1] beschrijft dat de verdachte heeft geduwd (“Hij werd gelijk agressief en duwde mij weg.”).

22. De laatste klacht van het middel staat in nauw verband met de door mij al besproken klacht van het eerste middel. De onderhavige klacht houdt in dat de processen-verbaal7 van de verklaringen van de getuigen [betrokkene 3] , [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , in strijd met het ondervragingsrecht van art. 6, derde lid aanhef en onder d, EVRM, door het hof tot bewijs zijn gebezigd.

23. In de toelichting op het middel8 wordt als uitgangspunt genomen dat al het bewijs tegen de verdachte met het oog op tegenspraak in zijn aanwezigheid op een openbare zitting moet worden geproduceerd, en dat uitzonderingen hierop niet zijn toegelaten zonder aan de verdediging voldoende gelegenheid te bieden de getuigen à charge te ondervragen.9 De steller van het middel verwijst in dit verband naar uitspraken van het EHRM in de zaken Al‑Khawaja en Tahery tegen Verenigd Koninkrijk10 en Schatschaschwili tegen Duitsland.11 De toets of de veroordeling mag steunen op de verklaring van een getuige die niet door de verdediging is kunnen worden ondervraagd wordt door het EHRM geplaatst in de sleutel van een beslismodel dat uiteenvalt in de volgende drie deelvragen: (1) was er een goede reden voor het niet-ondervragen van de getuige ter terechtzitting?, (2) vormen de verklaringen van de niet-ondervraagde getuige het enige of beslissende bewijsmateriaal?, en, zo ja: (3) waren er voldoende compenserende factoren aanwezig, inclusief mogelijkheden om de betrouwbaarheid van de verklaring te beoordelen?

24. Volgens de steller van het middel is de veroordeling in strijd met art. 6 EVRM doordat het hof de verklaringen van de niet-ondervraagde getuigen [betrokkene 3] , [betrokkene 1] en [betrokkene 2] heeft gebruikt voor het bewijs van mishandeling en bedreiging, zonder (voldoende) steunbewijs of compenserende factoren.

25. Bij de beoordeling van klachten over een beperking van het ondervragingsrecht ligt de nadruk op de toetsing van de "overall fairness of the trial".12 Kortom, beslissend is of het strafproces als geheel beschouwd eerlijk is verlopen. Daarvan kan de balans uiteindelijk eerst achteraf worden opgemaakt.13 Bij deze toetsing dient het door het EHRM uiteengezette beslismodel in aanmerking te worden genomen.

26. Wat betreft het bewezen verklaarde onder 1 (mishandeling van [betrokkene 3] ) en 3 (bedreiging van [betrokkene 3] ) vindt de aangifte van de niet-ondervraagde getuige [betrokkene 3] – op de door de verdachte betwiste onderdelen ervan – steun in de verklaringen van getuigen van wie de ondervraging niet is verzocht. Als gevolg daarvan berust de veroordeling ter zake van feit 1 en feit 3 niet solely or to a decisive degree op de aangifte van [betrokkene 3] . Vooropgesteld, de door de verdediging betrokken stelling dat een duw geen mishandeling kan opleveren, is in haar algemeenheid onjuist. Of een duw kwalificeert als mishandeling hangt immers af van de kracht (en de intentie) waarmee die duw is gegeven en van het resultaat van die duw, zoals (maar niet beperkt tot) de als zodanig ondervonden kwetsbaarheid van het lichaamsdeel waartegen de met die duw gepaard gaande kracht is uitgeoefend.14 Welnu, niet alleen [betrokkene 3] (bewijsmiddel 1), maar ook de getuigen [betrokkene 5] (bewijsmiddel 2) en [betrokkene 6] (bewijsmiddel 3) verklaren op dit punt dat de verdachte [betrokkene 3] : “herhaaldelijk met een krachtige beweging van zich wegduwde”, respectievelijk “een paar keer behoorlijk stevig duwde”. Gevoegd bij de aanmerkelijke kans op pijn na een krachtige beweging c.q. een behoorlijk stevige duw, acht ik voldoende steunbewijs aanwezig voor de betwiste onderdelen van de aangifte van [betrokkene 3] ter zake van mishandeling (feit 1). Voor zijn aangifte van een doodsbedreiging (feit 3) gelden soortgelijke overwegingen. [betrokkene 5] maakt in dit verband melding van “veel verbaal geweld”, terwijl [betrokkene 6] verdachte’s uitlatingen omschrijft als “dat hij [betrokkene 3] [ [betrokkene 3] , D.A.] dood zou maken”.

Wat daarenboven meeweegt is de onderbouwing van het getuigenverzoek en de procesfase waarin dit getuigenverzoek is gedaan. Op die aan het getuigenverzoek klevende aspecten kom ik hieronder separaat terug.

27. Er is weinig twijfel over dat de bewezenverklaring van het feit onder 2 (de mishandeling van [betrokkene 1] ) wél solely or to a decisive degree berust op – betwiste onderdelen van – de verklaringen van de niet-ondervraagde getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . Dat naar ’s hofs oordeel “geen sprake is van een situatie waarin het doorslaggevende bewijs berust op de verklaring van één betrokkene”, zou als overweging adequaat kunnen zijn in respons op een ‘unus testis’-verweer, maar zij komt mij in dit verband niet relevant voor. Niettemin, indien thans de balans wordt opgemaakt blijkt dat het hof voor het niet-ondervragen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] wel degelijk enige compensatie heeft geboden, namelijk in de vorm van het verhoor van de meegebrachte getuige [betrokkene 4] . Daardoor heeft de verdediging zichzelf immers munitie kunnen verschaffen voor een betwisting van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] .

28. Cruciaal is naar mijn inzicht het volgende. Zowel de toepasselijke regelgeving als de jurisprudentie van de Hoge Raad wijst uit dat een verzoek tot het horen van getuigen door de rechter met meer coulance moet worden tegemoet getreden indien en voor zover het verzoek tijdig is gedaan en is voorzien van een deugdelijke motivering. En hoewel een beoordeling van de tijdigheid en deugdelijkheid van het getuigenverzoek in het door het EHRM ontworpen beslismodel niet met zoveel woorden tot uitdrukking is gebracht, en in de jurisprudentie van het EHRM minder nadruk krijgt dan in die van de Hoge Raad, zal ook het EHRM niet snel een schending van het ondervragingsrecht aannemen ingeval de verdediging heeft nagelaten een deugdelijk getuigenverzoek te doen,15 waaronder m.i. begrepen een tijdig getuigenverzoek. In dat geval heeft de verdediging de nationale rechtsmiddelen immers niet uitgeput. Het maakt nogal wat uit of de verdediging een verzoek tot het horen van belastende getuigen schriftelijk en gemotiveerd heeft gedaan voorafgaand aan het onderzoek ter terechtzitting, dan wel – zoals thans – bij wijze van ‘nabrander’ op de terechtzitting (in hoger beroep) op een moment dat de sluiting van het eindonderzoek nabij is en met een motivering die (zoals gezegd) niets meer om het lijf heeft dan de mededeling dat [betrokkene 4] “anders heeft verklaard” dan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , en dat de beschuldiging van [betrokkene 3] (volgens de verdachte) “niet klopt”.

29. Alles overziend kan m.i. niet worden volgehouden dat het ondervragingsrecht is geschonden. Beslissend is het ontbreken van een deugdelijke motivering van het getuigenverzoek. Voor de onderhavige klacht betekent dit dat het bezigen tot bewijs van de processen-verbaal van de niet ter terechtzitting ondervraagde getuigen [betrokkene 3] , [betrokkene 1] en [betrokkene 2] niet onverenigbaar is met art. 6 EVRM, en met name niet met art. 6, derde lid onder d, EVRM.

30. Ook het tweede middel faalt. Beide voorgestelde middelen kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging.

31. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

32. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 1 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, r.o. 2.61 en 2.65.

2 HR 1 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, r.o. 2.8.

3 HR 1 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, r.o. 2.9.

4 HR 1 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, r.o. 2.76. Zie ook: HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1219, r.o. 3.8.2.

5 HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1219, r.o. 3.6.

6 In eerste aanleg heeft de politierechter in de aantekening van het mondelinge vonnis in het proces-verbaal van 8 december 2014 als de aangifte van [betrokkene 3] opgenomen: “Tijdens zijn [verdachte’s, D.A.] gesprek voelde ik een eerste klap tegen mijn borst. Ik zag dat hij [verdachte, D.A.] dit met zijn rechterhand deed. Vanaf het moment dat ik de tweede klap kreeg tot het moment dat ik naar [betrokkene 5] en [betrokkene 6] ben gelopen, heb ik nog twee keer een klap tegen mijn borst gevoeld. Ik heb alleen nog wat pijn op de borst, maar verder geen blijvende schade.” Ook in deze onderdelen van de aangifte staat niet letterlijk dat de pijn op de borst het gevolg is van de drie klappen tegen de borst, maar ik acht de gevolgtrekking (van de politierechter) dat er een causaal verband bestaat tussen de drie klappen en de pijn allerminst onbegrijpelijk. Dat verband is door de aangever zelf in elk geval wél gelegd, anders vallen deze mededelingen niet goed te begrijpen.

7 De schriftuur heeft het over “proces-verbaal” waar kennelijk, gezien de verdere toelichting van de klacht, processen-verbaal (meervoud) wordt bedoeld.

8 De klacht wordt in de toelichting op het tweede middel wel uitdrukkelijk voorgedragen, maar de onderbouwing ervan wordt in de schriftuur voornamelijk in de toelichting op het eerste middel gegeven. Ik bespreek de klacht meer uitgebreid hier, nu ik deze in het bijzonder relevant acht voor de beoordeling van het tweede middel.

9 Zie onder meer EHRM 19 juli 2012, nr. 26171/07, § 38 (Hümmer v. Germany).

10 EHRM 15 december 2011, nr. 26766/05.

11 EHRM 15 december 2015, nr. 9154/10, onder § 101 e.v.

12 Zie wat betreft het oordeel van de Hoge Raad hierover het (nieuwe) overzichtsarrest van HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015, waarvan de steller van het middel bij het formuleren van de klacht uiteraard nog geen kennis had kunnen nemen.

13 HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015, r.o. 3.5 e.v.

14 Bovendien kan een duw die niet rechtstreeks pijn of letsel teweegbrengt toch indirect pijn of letsel veroorzaken, bijvoorbeeld doordat het slachtoffer door de duw pijnlijk ten val komt c.q. doordat het slachtoffer ergens tegenaan wordt geduwd, als gevolg waarvan een verwonding ontstaat. Die situatie is thans niet aan de orde.

15 Vgl. B. de Wilde, Stille getuigen. Het recht belastende getuigen in strafzaken te ondervragen (diss. Amsterdam VU), Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 602.