Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:348

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
06-03-2018
Datum publicatie
17-04-2018
Zaaknummer
16/02200
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:606
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Voorhanden hebben ingekort luchtdrukgeweer, art. 13.1 WWM. Grondslagverlating door vrij te spreken van onderdeel tll. waarin is aangegeven op welke lijst van bijlage bij RWM luchtdrukgeweer vermeld zou zijn? HR: art. 81.1 RO. CAG: Uitleg Hof, dat passage waarvan is vrijgesproken niet als essentieel heeft beschouwd, is niet onverenigbaar met bewoordingen tll., nu Hof niet voorhanden hebben van ander wapen bewezen heeft verklaard. Hof heeft passage als nadere specificatie kunnen zien waarvan partieel kan worden vrijgesproken, waarbij kan worden aangetekend dat specificatie niet van belang is voor ex art. 348 en 350 Sv door rechter te nemen beslissingen. Daarbij is van belang dat lezing tll. Hof voor verdediging niet als verrassing kan zijn gekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/02200

Zitting: 6 maart 2018 (bij vervroeging)

Mr. B.F. Keulen

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 20 april 2016 door het Gerechtshof Den Haag wegens ‘handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie’ veroordeeld tot een geldboete van driehonderd euro, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door zes dagen hechtenis, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. R.A.J. Verploegh, advocaat te 's-Gravenhage, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel klaagt dat het hof bij de bewezenverklaring de grondslag van de tenlastelegging verlaten heeft.

  4. Aan de verdachte is bij inleidende dagvaarding ten laste gelegd dat:

‘hij op of omstreeks 11 februari 2014 te Delft (een) wapen(s) van categorie I onder 7°, te weten een pistool en/of een ingekort luchtdrukgeweer (merk Telly, kaliber 4,5 mm), zijnde (een) voorwerp(en) vermeld op lijst a of lijst b van de bij de Regeling Wapens en Munitie behorende bijlage I, voorhanden heeft gehad.’

5. De politierechter heeft de verdachte vrijgesproken van het voorhanden hebben van het in de tenlastelegging genoemde pistool. Het hof heeft de verdachte, gelet op het bepaalde in art. 404 lid 5 Sv, niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep voor zover gericht tegen die deelvrijspraak.

6. De bewezenverklaring zoals deze in ’s hofs arrest is opgenomen luidt dat:

‘hij op 11 februari 2014 te Delft een wapen van categorie I onder 7°, te weten een ingekort luchtdrukgeweer (merk Telly, kaliber 4,5 mm), voorhanden heeft gehad.’

7. Het hof heeft in het arrest een ter terechtzitting gevoerd verweer als volgt weergegeven en verworpen (met weglating van een verwijzing):

‘De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit van het voorhanden hebben van het ingekorte luchtdrukgeweer. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat, gezien de wijze waarop de tenlastelegging is geredigeerd, bewezen dient te worden dat het bij de verdachte in huis aangetroffen ingekorte luchtdrukgeweer van het merk Telly, kaliber 4,5 mm een wapen is van categorie I onder 7°, dat is vermeld op lijst a of lijst b van de bij de Regeling Wapens en Munitie behorende bijlage I. Nu het luchtdrukgeweer van het merk Telly niet op een van beide lijsten voorkomt, dient de verdachte te worden vrijgesproken.

Het hof verwerpt dit verweer.

Naar het oordeel van het hof dwingt de wijze waarop de tenlastelegging is geredigeerd niet tot de door de raadsman bedoelde lezing.

Het hof stelt vast dat de verdachte een ingekort luchtdrukgeweer voorhanden heeft gehad.

Blijkens het proces-verbaal van de materie-deskundige D.T. Ooms (…) betreft het onder de verdachte inbeslaggenomen ingekorte luchtdrukgeweer een voorwerp in de zin van artikel 2, lid 1, categorie I sub 7 van de Wet wapens en munitie, juncto artikel 3 onder c van de Regeling wapens en munitie, namelijk een luchtdrukwapen dat zodanig is gewijzigd dat het dragen ervan niet of minder zichtbaar is.’

8. De steller van het middel voert aan dat de in de tenlastelegging opgenomen zinsnede ‘zijnde (een) voorwerp(en) vermeld op lijst a of lijst b van de bij de Regeling Wapens en Munitie behorende bijlage I,’ als feitelijke aanduiding van het genoemde ingekort luchtdrukgeweer zo specifiek is, ‘dat het als onlosmakelijk onderdeel dient te worden beschouwd van (de) feitelijke omschrijving van het geweer’. Door te oordelen als het heeft gedaan zou het hof iets anders bewezen hebben verklaard dan ten laste is gelegd. De verdachte zou belang bij cassatie hebben omdat, nu het hof iets anders heeft bewezen verklaard dan ten laste is gelegd, de verdachte ‘daar tegen geen verweer heeft kunnen voeren’.

9. De volgende bepalingen, zoals deze luidden ten tijde van het ten laste gelegde, zijn van belang:

- Art. 2, eerste lid, Wet wapens en munitie:

‘1. Wapens in de zin van deze wet zijn de hieronder vermelde of overeenkomstig dit artikellid aangewezen voorwerpen, onderverdeeld in de volgende categorieën.

Categorie I

(…)

7°. andere door Onze Minister aangewezen voorwerpen die een ernstige bedreiging van personen kunnen vormen of die zodanig op een wapen gelijken, dat zij voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn.’

- Art. 13, eerste lid, Wet wapens en munitie:

‘1. Het is verboden een wapen van categorie I (…) voorhanden te hebben (…).’

- Art. 3 Regeling wapens en munitie:

‘Als voorwerpen van categorie I, onder 7°, die een ernstige bedreiging van personen kunnen vormen of die zodanig op een wapen gelijken dat zij voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn, worden aangewezen:

(…)

b. voorwerpen vermeld op lijst a of lijst b van de bij deze regeling behorende bijlage I, alsmede niet in die bijlage genoemde voorwerpen die voor wat betreft hun vorm en afmetingen daarmee een sprekende gelijkenis vertonen;

c. lucht-, gas- en veerdrukwapens die zodanig zijn gewijzigd dat het dragen niet of minder zichtbaar is;

(…)’

10. De toenmalige Minister van Justitie heeft art. 3 (oud) Regeling wapens en munitie, voor zover hier van belang, als volgt toegelicht:1

‘In artikel 3 van de regeling is uitvoering gegeven aan artikel 2, eerste lid, categorie I, onder 7°, van de wet. Artikel 3 kent allereerst twee groepen van wapens die een ernstige bedreiging van personen kunnen vormen of die zodanig op een wapen gelijken dat ze voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn. Ten eerste de wapens zoals die zijn genoemd op lijst a (namaakwapens en speelgoedvoorwerpen) of lijst b (lucht-, gas- en veerdrukwapens) van bijlage 1 bij de regeling. (…) Tenslotte kunnen via artikel 3 nog andere voorwerpen in concreto worden aangewezen. Nu een groot deel van de in de oude Regeling wapens en munitie voorkomende, thans in de wet zelf zijn genoemd, is daarvan slechts gebruik gemaakt voor lucht-, gas-, en veerdrukwapens die zodanig zijn gewijzigd dat het dragen niet of minder zichtbaar is. In het algemeen gaat het hier om wapens met afgezaagde loop, die onder meer gemakkelijk onder de kleding kunnen worden verborgen.’

11. Het in de tenlastelegging genoemde ingekort luchtdrukgeweer (merk Telly, kaliber 4,5 mm) stond niet vermeld op lijst a of b van bijlage I van de Regeling wapens en munitie,2 hetgeen kan verklaren waarom het hof van dat onderdeel van de tenlastelegging heeft vrijgesproken.

12. Van grondslagverlating is, zo wordt wel aangenomen, sprake als de rechter door het uitstrepen van passages in de tenlastelegging tot een bewezenverklaring komt die een wezenlijk ander strafrechtelijk verwijt behelst dan de tenlastelegging uitdrukte.3 Van een aanmerkelijk verschil tussen tenlastelegging en bewezenverklaring was bijvoorbeeld sprake in HR 7 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7118, NJ 2007/325 m.nt. D.H. de Jong. De verdenking betrof betrokkenheid bij een vrijheidsberoving die gepaard was gegaan met bedreiging. Deze verdenking leidde aanvankelijk tot een cumulatieve tenlastelegging, waarin de bedreiging was verwerkt in de feitelijke omschrijving van (het medeplegen van) de vrijheidsberoving en daarnaast als apart feit ten laste was gelegd. Later wijzigde de officier van justitie de tenlastelegging in die zin dat primair plegen of medeplegen van en subsidiair (medeplegen van) medeplichtigheid aan (het medeplegen van) de vrijheidsberoving werd tenlastegelegd. Het cumulatief ten laste gelegde feit, (medeplegen van) bedreiging, kwam te vervallen. Het hof kwam echter tot een bewezenverklaring die het medeplegen van medeplichtigheid aan het medeplegen van bedreiging opleverde. Dat kon door de beugel van Uw Raad:

‘Kennelijk heeft het Hof de gewijzigde tenlastelegging aldus verstaan, dat daarin aan de verdachte wordt verweten dat hij medeplichtig is geweest niet alleen aan vrijheidsberoving, maar ook aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Die uitleg is met de bewoordingen van die tenlastelegging niet onverenigbaar en moet in cassatie worden geëerbiedigd.

Van die uitleg uitgaande heeft het Hof bij de bewezenverklaring de grondslag van de tenlastelegging niet verlaten.

Aan een en ander doet niet af dat de Officier van Justitie het oorspronkelijk onder 2 tenlastegelegde feit (medeplegen van bedreiging van [slachtoffer 1]) heeft laten vervallen. Het Hof heeft blijkens de motivering van de verwerping van het beroep op niet-ontvankelijkheid van de Officier van Justitie in de vervolging niet onbegrijpelijk geoordeeld dat deze niet het verwijt van medeplichtigheid aan die bedreiging in het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde terzijde heeft willen stellen. Het Hof heeft voorts kennelijk geoordeeld dat zulks ook voor de verdediging duidelijk moet zijn geweest. Dat oordeel is evenmin onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen dat het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg inhoudt dat de raadsman aldaar bij pleidooi onder meer heeft aangevoerd: "Met betrekking tot feit 1 is er sprake van eendaadse samenloop".’

13. Ook in het onderhavige geval is de uitleg van het hof, dat de passage waarvan is vrijgesproken niet als essentieel heeft beschouwd, niet onverenigbaar met de bewoordingen van de tenlastelegging. Het hof heeft niet het voorhanden hebben van een ander wapen bewezen verklaard.4 Het gaat om hetzelfde ‘ingekort luchtdrukgeweer’. Het hof heeft enkel vrijgesproken van de passage waarin is aangegeven op welke lijst(en) van de bijlage bij de Regeling Wapens en Munitie het luchtdrukgeweer vermeld zou zijn. Het hof heeft dat naar het mij voorkomt als een nadere specificatie kunnen zien waarvan partieel kan worden vrijgesproken.5 Daarbij kan worden aangetekend dat deze specificatie (strafrechtelijk) niet van belang is voor de krachtens de artikelen 348 en 350 Sv door de rechter te nemen beslissingen (het blijft een wapen van categorie I onder 7).6 In dit verband kan worden gewezen op HR 21 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4396, waarin bewezen was verklaard dat de verdachte een wapen van categorie III, te weten een pistool, voorhanden heeft gehad. A-G Wortel concludeerde dat niet kon worden gezegd dat de bewezenverklaring, door het weglaten van merk, type, kaliber en serienummer van het wapen, een ander verwijt was gaan uitdrukken dan in de tenlastelegging besloten lag; zowel tenlastelegging als bewezenverklaring behelsden dat de verdachte een pistool, zijnde een vuurwapen van de derde categorie, voorhanden heeft gehad. Uw Raad verwierp het cassatieberoep, waarin werd geklaagd over grondslagverlating, met toepassing van art. 81 RO.7

14. Van belang is daarbij wel, zo volgt ook uit bovenstaand arrest van 7 maart 2006, of de lezing van de tenlastelegging waar het hof van uit gaat voor de verdediging als een verrassing kan zijn gekomen.8 Denkbaar is dan, dat de verdediging verweren niet heeft gevoerd die wel zouden zijn gevoerd als de verdediging geweten had dat de rechter de tenlastelegging aldus zou uitleggen. Die situatie heeft zich in deze zaak naar het mij voorkomt evenwel niet voorgedaan. Daarbij staat voorop dat het in onze wijze van procesvoering heel gebruikelijk is dat van specificaties in de tenlastelegging wordt vrijgesproken. In het onderhavige geval komt daar bij dat de raadsman van de verdachte door de berechting in eerste aanleg reeds geattendeerd was op de mogelijkheid dat van deze passage partieel kon worden vrijgesproken. De politierechter was namelijk eveneens tot een bewezenverklaring gekomen met vrijspraak van deze specificatie.

15. Uit de pleitaantekeningen die aan het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep zijn gehecht blijkt ook dat de raadsman aldaar tegen de achtergrond van de partiële vrijspraak door de politierechter verweer heeft gevoerd9 (met correctie van tikfouten):

‘De politierechter heeft gesteld dat de verwijzing naar voorwerp(en) vermeld op lijst a of lijst b van de bij de Regeling Wapens en Munitie behorende lijst 1, niet op het luchtdrukwapen slaat en aan de strafbaarheid van het voorhanden hebben van het luchtdrukgeweer niets toe- of afdoet.

Waar het echter om gaat is of de wijze waarop ten laste is gelegd zo nog wel door de beugel kan.

De eerste stelling die ik hier in neem is, dat de Officier van Justitie bij een tenlastelegging toegesneden op de Wet wapens en munitie in de tenlastelegging dient aan te geven onder welke categorie wapens deze wordt gekwalificeerd. Daar is nergens enige wettelijke bepaling voor te vinden, maar de complexheid van de wettelijke bepaling noopt ertoe om in de ten laste legging voor de verdachte voldoende duidelijk te maken, waartegen hij zich dient te verdedigen. Ook omdat een dergelijke wijze van tenlastelegging gebruik is geworden, maakt het achterwege daarvan dat de tenlastelegging nietig is.

En als dan een aanduiding in de tenlastelegging wordt gegeven, dient deze aanduiding de juiste relevante aanduiding te zijn. Door in de tenlastelegging te stellen dat sprake is van een ingekort luchtdrukgeweer (merk Telly), kaliber 4,5 mm), zijnde (een ) voorwerp(en) vermeld op lijst a of lijst b van de bij de Regeling Wapens en munitie behorende bijlage 1, voldoet de tenlastelegging niet aan de vereiste juiste duiding en is deze nietig. Als de verdachte zonder enige duiding, namelijk zoals de politierechter heeft bewezenverklaard al voldoende specifiek zou kunnen weten waartegen hij zich dient te verdedigen, maakt nu juist de verwijzing die hier is aangebracht, dat de verdachte niet meer weet waartegen hij zich dient te verdedigen en dat maakt de tenlastelegging nietig.

Uit de tenlastelegging blijkt dat de Officier van Justitie ten laste heeft gelegd het voorhanden hebben van (een) wapen(s) van categorie 1 onder 7, te weten een pistool en/of een ingekort luchtdrukgeweer (merk Telly, kaliber 4,5 mm), zijnde (een) voorwerp(en) vermeld op lijst a of lijst b van de bij de Regeling Wapens en Munitie behorende bijlage 1. De officier van Justitie heeft tevens blijkens de vordering ter terechtzitting de categorie gespecificeerd naar 1 onder 7, lijst a/b.

Door uiteindelijk bewezen te verklaren het voorhanden hebben van een wapen categorie 1 onder 7, te weten een ingekort luchtdrukgeweer (merk Telly, kaliber 4,5 mm), heeft de politierechter de grondslag van de tenlastelegging verlaten, en iets anders bewezen verklaard dan uit de ten laste legging blijkt van hetgeen de Officier heeft bedoeld ten laste te leggen.

Primair dient het te leiden tot een nietigheid van de dagvaarding

(…)

Meer subsidiair tot een gehele vrijspraak.’

16. Deze passage uit het pleidooi van de raadsman maakt duidelijk dat de verdediging erop was geattendeerd dat een partiële vrijspraak van de vermelding op de lijsten met bewezenverklaring van het voorhanden hebben van een wapen van categorie I onder 7, te weten een ingekort luchtdrukgeweer (merk Telly, kaliber 4,5 mm), tot de mogelijkheden behoorde. De raadsman heeft ook daadwerkelijk een verweer gevoerd dat op die mogelijkheid is toegesneden.10 Al met al kan niet worden gesteld dat de verdachte door de gang van zaken in zijn verdedigingsrechten is verkort.

17. Het middel faalt en kan worden verworpen met de aan art. 81 RO ontleende motivering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak zouden moeten leiden. Indien Uw Raad uitspraak zou doen na 22 april 2018 is de redelijke termijn in cassatie overschreden, maar gelet op de door het hof opgelegde geheel voorwaardelijke geldboete zou in dat geval met de constatering daarvan kunnen worden volstaan.

18. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie de toelichting bij de ingetrokken Regeling wapens en munitie van 6 december 1996 (Stcrt. 1996, nr. 245) waarnaar wordt verwezen in de toelichting bij de Regeling wapens en munitie van 4 juli 1997 (Stcrt. 1997, nr. 129). Voor de volledigheid merk ik op dat de bijlagen 1a en 1b van de Regeling per 2 juli 2014 zijn komen te vervallen (Stcrt. 2014, nr. 18098), overigens zonder dat in de tekst van art. 3 sub b van de Regeling de verwijzing naar bijlage I is geschrapt.

2 Zie lijst a (Stcrt. 1996, nr. 245) en lijst b (Stcrt. 1997, nr. 23), zoals nadien gewijzigd bij Stcrt. 1999, nr. 253, Stcrt. 2001, nr. 230 en Stcrt. 2003, nr. 15.

3 B.F. Keulen en G. Knigge, Strafprocesrecht, 13e druk, 2016, p. 429.

4 Daarvan zou sprake zijn geweest indien het hof (ook) partieel had vrijgesproken van de zinsnede ‘te weten een ingekort luchtdrukgeweer (merk Telly, kaliber 4,5 mm)’ en de bewezenverklaring betrekking zou hebben op een geheel ander wapen van categorie I onder 7° dan waarop de tenlastelegging doelt. Door gemelde zinsnede wordt het wapen waarop de tenlastelegging, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, het oog heeft immers nader bepaald en aangeduid. Vgl. HR 16 februari 1982, ECLI:NL:HR:1982:AC7515, NJ 1982/410. Zie ook HR 8 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW3694.

5 Eerder leidde een klacht tegen een partiële vrijspraak bijvoorbeeld niet tot cassatie in HR 16 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1799, NJ 2000/511. Zie voor enkele niet WWM-gerelateerde zaken: HR 5 januari 1988, ECLI:NL:HR:1988:AB8989, NJ 1988/787, HR 31 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7955, NJ 2000/737 en - voor het spiegelbeeldige geval van een slagend cassatieberoep van het openbaar ministerie tegen een algehele vrijspraak - HR 4 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4293, NJ 2012/508.

6 Dat aspect werd van belang geacht in HR 25 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0497, NJ 1997/106 m.nt. Schalken onder NJ 1997/107 (vrijspraak van ‘voor hem links’ in de zinsnede ‘voor hem links naast de weg staande boom’), HR 22 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0555, NJ 1997/124 (vrijspraak van het voorvoegsel ‘personen’ in ‘personenauto’) en HR 10 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7314, NJ 2003/633 (vrijspraak van ‘gelegen aan de Groene Hilledijk’ in de plaatsaanduiding ‘te Rotterdam, in een pand gelegen aan de Groene Hilledijk’) Zie voorts HR 15 maart 1994, ECLI:NL:HR:1994:AC4068, NJ 1994/551 m.nt. Knigge. Het speelde vermoedelijk ook in HR 15 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP9321 (vrijspraak van ‘aan hem’ in de zinsnede ‘terwijl aan hem (..) een Hinderwetvergunning (..) was verleend’). Uw Raad oordeelde dat niet van belang is aan wie de bedoelde vergunning is verleend en dat het hof gelet daarop tot een bewezenverklaring kon komen na partiële vrijspraak van ‘aan hem’. In HR 7 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6936, NJ 2012/117 was het tenlastegelegde wettelijk voorschrift ter uitvoering waarvan opsporingsambtenaren hun handelingen zouden hebben ondernomen wel essentieel. Zie ook HR 31 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT2708, NJ 2005/417. Dat de feitenrechter een grote vrijheid heeft bij de interpretatie van de tenlastelegging illustreert bijvoorbeeld ook HR 10 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU4676, NJ 2006/66.

7 Ik merk voorts op dat het hof in de voorliggende zaak blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft vastgesteld dat van het in de tenlastelegging bedoelde luchtdrukgeweer de loop was afgezaagd en het hof aldus, mede gelet op de hiervoor weergegeven toelichting op art. 3 (oud) Regeling wapens en munitie, geen blijk heeft gegeven van een onjuiste uitleg van de in de tenlastelegging gebezigde term ‘wapen van categorie I onder 7°’. In zoverre verschilt deze zaak van de zaak die aanleiding gaf tot HR 18 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AE0199, NJ 2002/327.

8 Vgl. ook G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers, 8e druk, Deventer 2014, p. 736.

9 Al bestaat enige onduidelijkheid over welke delen van de tekst de raadsman precies heeft uitgesproken. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep vermeldt: ‘De raadsman voert, overeenkomstig zijn overgelegde pleitaantekeningen, als preliminair verweer dat de inleidende dagvaarding nietig behoort te worden verklaard. (…) De raadsman voert het woord tot verdediging overeenkomstig zijn overgelegde en aan dit proces-verbaal gehechte pleitaantekeningen voor wat betreft het meer subsidiaire standpunt, te weten dat de verdachte van de gehele tenlastelegging behoort te worden vrijgesproken’. Ik begrijp hieruit dat de raadsman de hier geciteerde gedeelten van de pleitnota heeft voorgedragen. In elk geval doet de gesignaleerde onduidelijkheid niet af aan de consequenties die in de tekst aan deze passage verbonden worden.

10 Vgl. HR 9 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF8565, NJ 2003/681. Uit de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep blijkt voorts dat bij hem geen onduidelijkheid heeft bestaan omtrent hetgeen hem werd verweten; vgl. HR 10 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7314, NJ 2003/633.