Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:347

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-04-2018
Datum publicatie
12-04-2018
Zaaknummer
17/02912
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:844
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Transport cocaïne van Curaçao naar Nederland. Middelen m.b.t. (i) de bewijsconstructie van het Gemeenschappelijk Hof (sole or decisive; betrouwbaarheid getuigenverklaring; betekenis bij politie afgelegde verklaring medeverdachte) en (ii) de beslissing over de voorlopige hechtenis die gedurende drie dagen onrechtmatig zou zijn geweest. De AG stelt voor dat de Hoge Raad het cassatieberoep zal verwerpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/02912 A

Zitting: 10 april 2018

Mr. E.J. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het Gemeenschappelijk Hof) heeft bij strafvonnis van 16 maart 2017 met aanvulling van gronden bevestigd het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (GEA) van 30 oktober 2015 waarbij de verdachte is veroordeeld tot vier jaren gevangenisstraf met aftrek van voorarrest wegens 1: “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid, onder A van de Opiumlandsverordening 1960”, 2. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid, onder A van de Opiumlandsverordening 1960”, 3: “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid, onder C, van de Opiumlandsverordening 1960”, 4. “eendaadse samenloop van medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd, en medeplegen van een gewoonte maken van witwassen” en 5. “eendaadse samenloop van medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd, en medeplegen van een gewoonte maken van witwassen”.

  2. Er bestaat samenhang met de zaak met parketnummer 16/03298 A. Ook in die zaak zal ik vandaag concluderen.

  3. Namens de verdachte heeft mr. C. Reijntjes-Wendenburg, advocaat te Maastricht, twee middelen van cassatie voorgesteld.

  4. Het eerste middel valt uiteen in drie klachten, die alle betrekking hebben op de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde. De eerste klacht luidt dat het bewijs in overwegende mate is gebaseerd op de (politie)verklaringen van [betrokkene 1] , die, doordat zij zich nadien op een haar toekomend verschoningsrecht beriep, niet advisair kon worden ondervraagd door de verdediging, zulks zonder dat voldoende ‘counterbalancing factors’ aanwezig waren. De tweede klacht houdt in dat de in verhalende promis-trant opgestelde bewijsmotivering niet duidelijk maakt welk materiaal precies voor het bewijs is gebruikt en integendeel ernstige reden voor het vermoeden geeft dat materiaal is verwerkt dat ingevolge art. 384, derde lid, Wetboek van Strafvordering Curaçao niet gebruikt mocht worden. Volgens de derde klacht maakt de bewijsmotivering niet duidelijk in hoeverre de bewezenverklaring mede berust op de bij de eerste klacht genoemde (politie)verklaringen van [betrokkene 1] .

  5. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:

hij op 3 augustus 2013 te Curaçao tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft uitgevoerd ongeveer 587,10 gram cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in artikel 1 Opiumlandsverordening 1960.”

6. Het door het Gemeenschappelijk Hof bevestigde promisvonnis houdt aan bewijsvoering het volgende in (hier weergeven zonder voetnoten):

“4. Bewijsbeslissingen

4A. Redengevende feiten en omstandigheden

Het Gerecht komt tot bewezenverklaring van de onder 1 tot en met 5 ten laste gelegde feiten op grond van het volgende.

Algemeen

Telecomgegevens

In het onderzoek Rizinia zijn verschillende telefoonnummers naar voren gekomen. Het Gerecht schrijft de volgende telefoonnummers aan de volgende (mede)verdachten toe:

telefoonnummer [001] - medeverdachte [betrokkene 2] ; telefoonnummer [002] - medeverdachte [betrokkene 3] ; telefoonnummer + [003] - medeverdachte [medeverdachte] ;

telefoonnummer 06- [004] - medeverdachte [betrokkene 4] ; telefoonnummer [005] - medeverdachte [betrokkene 5] .

Bijnamen

In de tapgesprekken en de verklaringen van de verdachten in het onderzoek Rizina is veelvuldig gebruik gemaakt van bijnamen voor verschillende verdachten. Het Gerecht stelt vast dat met na te noemen, en in de bewijsmiddelen vermelde, bijnamen steeds de volgende personen worden bedoeld:

[verdachte] - verdachte [verdachte] (hierna ook: [verdachte] );

[betrokkene 2] - [betrokkene 2] ;

[medeverdachte] - [medeverdachte] ;

[betrokkene 5] - medeverdachte [betrokkene 5] ;

[betrokkene 6] - wijlen [betrokkene 6] ;

[betrokkene 7] - wijlen [betrokkene 7] .

[-]

Feit 2 (zaaksdossier 4, medepleqen uitvoer van 587.10 gram cocaïne op 3 augustus 2013)

Op 4 augustus 2013 arriveert [betrokkene 5] met een vlucht vanuit Curaçao in Nederland. [betrokkene 5] wordt aangehouden. Bij haar worden verschillende duwersbollen aangetroffen die zij inwendig vervoerde. De inhoud van de bollen is gewogen en onderzocht. Het betreft ongeveer 587,10 gram van een materiaal bevattende cocaïne.

[betrokkene 5] verklaart dat ze samen met haar moeder, [betrokkene 1] (hierna ook: [betrokkene 1] ), cocaïne naar Nederland zou brengen. De drugs waren van [verdachte] . Het drugstransport was voor [verdachte] . Op de dag van vertrek, 3 augustus 2013, hebben ze [betrokkene 2] ontmoet. [betrokkene 2] had hen gevraagd of ze er klaar voor waren. [betrokkene 2] heeft de drugs aan [betrokkene 1] gegeven. [betrokkene 5] heeft contact met [betrokkene 2] gehad over aan wie zij de drugs in Nederland moest geven.

[betrokkene 1] wordt op 3 augustus 2013 aangehouden in verband met een andere zaak. Ze is op dat moment samen met [betrokkene 5] onderweg naar Nederland en voert inwendig een hoeveelheid cocaïne met zich. Ze weet dat haar dochter ook verdovende middelen bij zich heeft. [betrokkene 1] verklaart dat [betrokkene 2] de drugs voor haar heeft geregeld. [betrokkene 2] en [betrokkene 1] hebben hierover op 31 juli 2013 telefonisch contact gehad. Die dag heeft [betrokkene 1] omstreeks 20:58 uur met [betrokkene 2] gebeld. [betrokkene 2] zegt: Ik heb de dingen thuis. [betrokkene 1] zegt: De dingen van Sinterklaas? Ze spreken af elkaar te ontmoeten. [betrokkene 2] verklaart dat met de dingen van Sinterklaas pakketten cocaïne wordt bedoeld. Sint-Nicolaas was een codewoord, versluierde taal. Het gesprek gaat over twee pakketten cocaïne. [betrokkene 2] bevestigt dat hij de pakketten drugs aan [betrokkene 1] heeft gegeven. Ze moest ze meenemen naar Nederland, aldus [betrokkene 2] . [betrokkene 1] verklaart dat met Sinterklaas “ [verdachte] ” wordt bedoeld. Volgens [betrokkene 1] noemt [betrokkene 2] hem [verdachte] . [betrokkene 5] weet dat [betrokkene 1] [verdachte] Sinterklaas noemt. Zijzelf noemt hem gewoon [verdachte] . Ze bedoelt hiermee [verdachte] .

De dag waarop [betrokkene 5] en [betrokkene 1] samen naar Nederland zouden reizen, 3 augustus 2013, vinden verschillende telefooncontacten plaats tussen verschillende personen. Zo belt [betrokkene 1] omstreeks 14:35 uur naar [betrokkene 2] . [betrokkene 1] zegt dat [verdachte] op een man in Nederland moet drukken. Ze bedoelt hiermee dat die man een gedeelte van de drugs bij haar moest komen kopen.

Ongeveer een half uur later, omstreeks 15:10 uur, belt medeverdachte [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3] ) naar een Nederlands telefoonnummer en zegt tegen een man dat hij de vriend van [medeverdachte] is en hij naar zijn app moet kijken. Op de achtergrond is de stem van een andere man te horen. De verbalisant hoort dat [verdachte] op de achtergrond [betrokkene 3] instructies geeft wat hij moet zeggen. Hij herkent de stem van [verdachte] aan zijn manier van spreken. Ook de stem van [betrokkene 3] wordt herkend. De tolk herkent de stem van de man die belt eveneens als die van [betrokkene 3] en de stem van degene die [betrokkene 3] instructies geeft als die van [verdachte] . [betrokkene 4] verklaart dat hij degene is met wie [betrokkene 3] omstreeks 15:10 uur belt. [betrokkene 4] luister naar het opgenomen tapgesprek en verklaart dat hij [verdachte] op de achtergrond hoort. Hij herkent de stem van [verdachte] . [verdachte] heeft hem gebeld en gezegd dat [betrokkene 1] met haar dochter naar Nederland zou komen. [verdachte] vroeg of [betrokkene 4] hen zou ophalen op Schiphol. Sinds de zaak van […] gebeurd is hoort [betrokkene 4] hem meestal op de achtergrond. Daarvoor belde hij gewoon. Hij bedoelt [verdachte] . [betrokkene 4] is een keer gepakt met drugs van [verdachte] . [verdachte] had hem de drugs zelf gegeven. Het betrof bolletjes.

Omstreeks 15:12 uur belt [betrokkene 5] met [betrokkene 2] en zegt dat de politie haar moeder heeft meegenomen en dat zij zelf wel in het vliegtuig is gestapt. Vervolgens wordt [betrokkene 5] omstreeks 15.15 uur gebeld door het telefoonnummer van [betrokkene 3] . Aan de stem is te horen dat [betrokkene 2] aan de andere kant van de lijn met [betrokkene 5] aan het praten is. [betrokkene 2] vraagt aan [betrokkene 5] “of zij doorgaat”. Hij zegt dat hij later zal zien hoe het is verlopen. Twee minuten later, omstreeks 15:17 uur, ontvangt [betrokkene 5] een sms van het mobiele telefoonnummer van [betrokkene 3] met als inhoud een Nederlands telefoonnummer, dat zij moet bellen bij aankomst. Het betreft het nummer van [betrokkene 4] .

Daarna wordt [betrokkene 5] nog driemaal gebeld door [betrokkene 3] . In het eerste gesprek omstreeks 15:19 uur is op de achtergrond de stem van [verdachte] te horen, terwijl hij tweemaal iets tegen [betrokkene 3] zegt. Om 15:41 uur belt [betrokkene 3] weer naar [betrokkene 5] . [betrokkene 3] vraagt aan [betrokkene 5] hoe ze gekleed is. Op de achtergrond is de stem van [verdachte] hoorbaar, die iets onverstaanbaars tegen [betrokkene 3] zegt. Om 15:45 uur belt [betrokkene 3] naar [betrokkene 5] . Op de achtergrond is de stem van [verdachte] te horen, die iets onverstaanbaars tegen [betrokkene 3] zegt om door te geven aan [betrokkene 5] ( [betrokkene 5] ). De stem van [verdachte] is herkend aan zijn intonatie en zijn manier van spreken. Ook de stemmen van [betrokkene 3] en [betrokkene 5] zijn herkend.

Omstreeks 15:47 uur belt [betrokkene 3] met een onbekend gebleven man met een Nederlands telefoonnummer ( [006] ). Het gesprek wordt verbroken. De man belt omstreeks 15:48 uur terug naar het nummer van [betrokkene 3] . [verdachte] maakt gebruik van de telefoon van [betrokkene 3] . De man zegt: “Ik kan ook die dingen van jullie gaan nemen” en “hij heeft mij gezegd om de ding voor hem aan de andere kant te gaan nemen en wanneer hij aankomt praten we hier buiten”. [verdachte] zegt: “Morgen moet je die boodschap doen, en nu dat was zodat je je vriend een boodschap geeft zoals je die dag deed een beetje meer, begrijp je?”.

Bewijsoverwegingen

Het Gerecht gebruikt de verklaringen die medeverdachte [betrokkene 2] als verdachte heeft afgelegd - en dus niet zijn getuigenverklaring - voor het bewijs. [betrokkene 2] heeft in eerste instantie, als verdachte, verklaard dat hij “het” voor Sint Niklaas heeft gedaan en dat hij in verband met zijn veiligheid niet wil zeggen wie hij is. Vervolgens heeft [betrokkene 2] , als verdachte, verklaard dat hij gehoord heeft dat Sinterklaas is aangehouden. Hij verklaart: “Ik word er moe van. Hij zit in de verste cel bij mij vandaan”. Uit deze verklaringen, in samenhang met de verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 5] bezien, wordt afgeleid dat [betrokkene 2] met Sinterklaas verdachte [verdachte] bedoelt. Het Gerecht acht deze verklaring betrouwbaar, omdat zowel [betrokkene 2] als [verdachte] op dat moment gedetineerd waren te Barber en [betrokkene 2] na genoemde verklaring emotioneel werd en tranen in zijn ogen kreeg. Met het openbaar ministerie acht het Gerecht dit gedrag passen bij een verdachte die een medeverdachte belast. Het Gerecht acht de latere verklaring van [betrokkene 2] dat met Sinterklaas niet [verdachte] wordt bedoeld, daarentegen onbetrouwbaar, omdat [betrokkene 2] dit voor het eerst kort na de aanhouding van [verdachte] heeft verklaard, terwijl daartoe geen aanleiding bestond anders dan deze aanhouding, en hij niet concreet en verifieerbaar aangeeft wie dan wel met Sinterklaas wordt bedoeld.

Het Gerecht acht de voor het bewijs gebruikte verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 5] , anders dan de raadsvrouw, betrouwbaar, omdat deze door andere bewijsmiddelen worden ondersteund. Medeverdachte [betrokkene 2] bevestigt immers dat hij de cocaïne aan [betrokkene 1] heeft geleverd en dat met Sinterklaas [verdachte] wordt bedoeld. Bovendien volgt uit de afgeluisterde gesprekken, zoals [betrokkene 1] en [betrokkene 5] ook verklaren, dat [verdachte] erbij betrokken is.

De verklaring van [betrokkene 4] wordt eveneens als bewijs gebruikt. De verklaring is, anders dan de raadsvrouw betoogt, specifiek en concreet en daarmee betrouwbaar. Bovendien vindt zijn verklaring steun in andere bewijsmiddelen, waaronder de sms van 15:17 uur, waarin het telefoonnummer van [betrokkene 4] naar [betrokkene 5] wordt gestuurd als zijnde het nummer dat zij bij aankomst in Nederland moet bellen, en de daarna gevoerde telefoongesprekken.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat op 3 augustus 2013, de dag dat [betrokkene 5] cocaïne naar Nederland heeft getransporteerd, veelvuldig telefooncontact plaatsvindt tussen [betrokkene 1] , [betrokkene 5] , [betrokkene 3] en [betrokkene 2] . [verdachte] is daarbij op de achtergrond en eenmaal (om 15:48 uur) als gesprekspartner betrokken. Anders dan de raadsvrouw acht het Gerecht de conclusie van de verbalisanten dat [verdachte] tijdens de aangehaalde gesprekken op de achtergrond instructies influistert, een terechte. De waarnemingen van de verbalisanten vinden steun in de verklaringen van [betrokkene 4] en [medeverdachte] . Zij weten uit ervaring dat [verdachte] tijdens telefoongesprekken op de achtergrond instructies influistert. [medeverdachte] verklaart bovendien dat [verdachte] alles achter de schermen organiseert en aanstuurt. [verdachte] heeft [medeverdachte] diverse keren instructies gegeven dat hij andere personen voor hem op zijn telefoon moest bellen, aldus [medeverdachte] .

In de tapgesprekken wordt gebruik gemaakt van versluierde taal. In het gesprek dat [verdachte] zelf om 15:48 uur met de onbekend gebleven man voert, wordt ook versluierde taal gebezigd. Gesproken wordt over “die dingen”, “de ding”, “de boodschap” en “de andere kant”. Het is een feit van algemene bekendheid dat betrokkenen bij de handel in cocaïne zich in telefoongesprekken veelal bedienen van versluierde taal. Nu [betrokkene 2] de cocaïne aan [betrokkene 1] en [betrokkene 5] heeft geleverd voor [verdachte] , [verdachte] in drugs handelt (zie de feiten 1 en 3) en voor het versluierd taalgebruik geen andere verklaring is gegeven of aannemelijk geworden, komt het Gerecht tot de slotsom dat de telefoongesprekken betrekking hebben op het cocaïnetransport door [betrokkene 5] . [verdachte] heeft zelf (omstreeks 15.48 uur) contact met (een tussenpersoon van) de afnemer van de cocaïne in Nederland. Het betoog van de raadsvrouw dat [betrokkene 1] het transport zelf heeft geregeld, gaat derhalve niet op.

Het Gerecht acht, de tapgesprekken en verklaringen in onderling verband en samenhang bezien, bewezen dat sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking tussen [verdachte] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] , gericht op de uitvoer van ongeveer 587,1 gram cocaïne. [verdachte] heeft - zo blijkt uit de verklaringen van [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 4] en [medeverdachte] in samenhang bezien met de tapgesprekken - een leidende rol gehad in het geheel. Zijn bijdrage is zowel intellectueel als materieel van groot gewicht. Hij is derhalve als medepleger aan te merken.”

7. Voorts heeft het Gemeenschappelijk Hof in zijn strafvonnis het volgende overwogen:

“Aanvullende bewijsoverwegingen

[-]

Feit 2 (zaaksdossier 4. medeplegen uitvoer van 587,10 gram cocaïne op 3 augustus 2013

Schending van het ondervragingsrecht

De raadsvrouw heeft bepleit dat het ondervragingsrecht is geschonden aangezien de verdediging de getuige [betrokkene 1] wiens eerder afgelegde verklaringen voor het bewijs zijn gebezigd niet adequaat heeft kunnen ondervragen, omdat zij tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris een beroep heeft gedaan op haar verschoningsrecht, aldus de raadsvrouw.

Het Hof stelt het navolgende vast. [betrokkene 1] is op 21 februari 2017 door de rechter-commissaris als getuige gehoord. Uit het proces-verbaal van dit verhoor blijkt dat [betrokkene 1] een beroep heeft gedaan op haar verschoningsrecht met betrekking tot de door de rechter-commissaris gestelde schriftelijke vragen van de raadsvrouw. Naar het oordeel van het Hof maakt dit op zichzelf legitiem gedane beroep op het verschoningsrecht de ondervraging door de verdediging nutteloos. In zoverre is er sprake van een schending van het ondervragingsrecht. Dit leidt echter niet tot de door de verdediging gewenste bewijsuitsluiting van de eerder door de getuige afgelegde verklaring nu deze steun vindt in de overige bewijsmiddelen.

Verklaring [betrokkene 1]

De raadsvrouw heeft bepleit dat [betrokkene 1] over het gebeuren wisselende verklaringen heeft afgelegd, waardoor haar verklaringen als leugenachtig en onbetrouwbaar dienen te worden aangemerkt.

Het Hof deelt dit standpunt niet en oordeelt als volgt. De verklaring van [betrokkene 1] komt op hoofdpunten overeen met de verklaring van [betrokkene 5] en [betrokkene 2] voor wat betreft de uitvoer naar Nederland van de bollen gevuld met cocaïne op 3/4 augustus 2013, het telefonisch contact met [betrokkene 2] voorafgaand aan de uitvoer van de bollen gevuld met cocaïne en het voorafgaand aan de uitvoer door [betrokkene 1] in ontvangst nemen van de drugs uit handen van [betrokkene 2] . Daarbij komt dat uit de verklaring van [betrokkene 1] , [betrokkene 5] en [betrokkene 2] in voldoende mate is gebleken dat de drugs van Sinterklaas waren en dat met Sinterklaas, de verdachte, wordt bedoeld. Gelet op het voorgaande acht het Hof de verklaring van [betrokkene 1] betrouwbaar en geloofwaardig en aldus bruikbaar voor het bewijs.”

8. Het Gemeenschappelijk Hof is kennelijk tot deze aanvullende bewijsoverweging gekomen naar aanleiding van hetgeen de raadsvrouw op de terechtzitting van 23 februari 2017 in dupliek ter aanvulling heeft aangevoerd. Want in de 45 pagina’s tellende pleitnota met producties wordt met geen enkel woord gerept over – kort gezegd – de schending van het ondervragingsrecht in het verband van de solely or decisive rule en de counterbalancing factors. In de pleitnota wordt met betrekking tot [betrokkene 1] slechts (i) een tweetal verklaringen van haar voor een deel herhaald (p. 35) en (ii) betoogd dat zij wisselend heeft verklaard (p. 36) en op zichzelf en alleen voor zichzelf werkt (p. 38). Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 23 februari 2017 heeft de raadsvrouw daaraan in dupliek enkel het volgende toegevoegd:

“De raadsvrouw heeft - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd:

[betrokkene 1] heeft bij de rechter-commissaris een beroep gedaan op haar verschoningsrecht. Zij heeft op de vragen van de verdediging geen antwoord gegeven. Haar eerder afgelegde verklaringen zijn daardoor niet verifieerbaar. Hierdoor kan worden gesteld dat de ondervragingsrecht van de verdediging is geschaad.”

9. In de toelichting op het middel wordt nu uitvoerig en onder verwijzing naar Straatsburgse rechtspraak (o.m. ‘Al-Khawaja en Tahery/Verenigd Koninkrijk’ en ‘Rosin/Estland’) en het daarop betrekking hebbende toetsingskader (stappentoets) betoogd dat het (overige) bewijsmateriaal voor het daderschap van de verdachte als bedoeld in feit 2 ‘circumstantial’ is en pas betekenis krijgt door de verklaring van [betrokkene 1] , dat de conclusie geen andere kan zijn dan dat de bewezenverklaring van feit 2 in overwegende mate op de verklaring van [betrokkene 1] rust, dat die verklaring dus decisive is en dat het antwoord op de (volgende) vraag of er ‘sufficient counterbalancing factors’ waren, alleen maar ontkennend kan zijn, en dat derhalve de door het hof gebezigde bewijsconstructie “niet door de beugel kan”, reden waarom de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde niet in stand kan blijven en – zo voegt de steller van het middel er maar meteen aan toe – als gevolg daarvan ook de bewezenverklaringen van feit 1 en feit 3 geen stand kunnen houden.

10. Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat hetgeen de steller van het middel nu te berde brengt, een vorm is van doorpleiten.1 Enkele opmerkingen die door de raadsvrouw op de terechtzitting van 23 februari 2017 naar voren zijn gebracht, worden nu in cassatie aangegrepen om een uitvoerig betoog te houden over de sole or decisive rechtspraak. Blijkens het zittingsverbaal in hoger beroep is dit allemaal tegenover het Gemeenschappelijk Hof niet aangevoerd.

11. Dit opgemerkt hebbende, wijs ik wat het bewijs van het onder 2 tenlastegelegde betreft, op het volgende. Blijkens de bewijsconstructie was [betrokkene 1] samen met haar dochter [betrokkene 5] als drugskoerier op weg naar Nederland. [betrokkene 1] werd op de dag van vertrek, terwijl zij inwendig cocaïne met zich voerde, in Curaçao aangehouden voor een andere zaak. Haar dochter [betrokkene 5] kwam wel aan boord van de vlucht, maar werd op Schiphol aangehouden. Bij haar is in totaal 600 gram cocaïne aangetroffen, die zij inwendig in verschillende duwersbollen had vervoerd. [betrokkene 5] verklaart dat zij samen met haar moeder, [betrokkene 1] , cocaïne naar Nederland zou brengen, dat deze drugs van [verdachte] waren, dat het drugstransport voor [verdachte] was, dat [betrokkene 1] de drugs op de dag van vertrek had gekregen van [betrokkene 2] en dat [betrokkene 5] met [betrokkene 2] contact had gehad over de vraag aan wie zij de drugs in Nederland moest geven. Mij dunkt dat de verklaring van [betrokkene 1] zeker niet sole or decisive is, maar voldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal – de verklaringen van haar dochter [betrokkene 5] , die (evenzeer, en misschien nog wel meer) als de dragende kern van de bewijsconstructie van het Gemeenschappelijk Hof zou kunnen worden aangemerkt, de verklaring van [betrokkene 2] , de verklaring van [medeverdachte] , de afgeluisterde telefoongesprekken en de stemherkenning door de tolk – en dat haar verklaring, ook al is zij niet effectief door de verdediging ondervraagd kunnen worden, kan worden gebruikt voor het bewijs dat de verdachte, ook wel [verdachte] en Sinterklaas genoemd, bij het onderhavige transport betrokken was. Voorts geeft het oordeel van het Gemeenschappelijk Hof dat de verklaringen van [betrokkene 1] betrouwbaar en bruikbaar zijn voor het bewijs geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is, zeker gezien het weinige dat daaromtrent ter terechtzitting in hoger beroep van 23 februari 2017 door de verdediging is gesteld, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Ik merk daarbij op dat de verdediging, van wie (ook) in dit opzicht de nodige initiatieven mag worden verwacht, er kennelijk geen behoefte aan heeft gehad om nog het verzoek te doen tot het oproepen en horen van [betrokkene 1] als getuige voor de terechtzitting van het Gemeenschappelijk Hof.

12. Op grond van het voorgaande treft de eerste klacht geen doel, en de derde klacht evenmin nu de bewijsvoering met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde duidelijk is en daaruit precies blijkt wat de rol is die de verklaring van [betrokkene 1] daarin inneemt.

13. Dan de tweede klacht. Volgens de toelichting op het middel zou het Gemeenschappelijk Hof, door het vonnis te bevestigen, ten onrechte tot het bewijs hebben gebezigd de verklaring van [betrokkene 2] die deze als verdachte bij de politie heeft afgelegd, en niet de verklaring die hij als getuige heeft afgelegd. Dat zou in strijd zijn met art. 384, derde lid, Wetboek van Strafvordering van Curaçao, luidend: “Zijn opgaven kunnen alleen te zijnen aanzien gelden.”2 Deze bepaling is nagenoeg identiek aan art. 341, derde lid, Sv. Met opgaven wordt daar gedoeld op de verklaring die de verdachte op de terechtzitting aflegt. Het is déze verklaring die in beginsel niet tegen een medeverdachte mag worden gebruikt, en dan nog onder de mits dat de medeverdachte samen met de verdachte op dezelfde aanklacht in dezelfde instantie tegelijk in gevoegde zaken terechtstaat.3 Dat geldt ook voor art. 384, derde lid, Wetboek van Strafvordering Curaçao, gelezen in samenhang met het eerste lid en het tweede lid (die gelijkluidend zijn aan art. 341, eerste en tweede lid Sv). De verklaring van [betrokkene 2] , als verdachte bij de politie afgelegd, maakt ‘gewoon’ deel uit van de processtukken in deze zaak en kon derhalve door het Gemeenschappelijk Hof voor het bewijs worden gebruikt. Ook de tweede klacht mist doel.

14. Mitsdien behoeft geen bespreking de stelling aan het slot van de toelichting op het middel, dat wanneer de bewezenverklaring van feit 2 geen stand houdt, dientengevolge ook de bewezenverklaringen van de feiten 1, 3 en 4 sneuvelen.

15. Het eerste middel faalt in alle onderdelen.

16. Het tweede middel klaagt in de kern dat het Gemeenschappelijk Hof aan de door hem geconstateerde tijdelijk onrechtmatige voorlopige hechtenis gedurende drie dagen niet een andere sanctie dan de enkele vaststelling daarvan heeft verbonden.

17. Het Gemeenschappelijk Hof heeft in het strafvonnis onder meer het volgende overwogen:

Onrechtmatige vrijheidsberoving

De raadsvrouw heeft betoogd dat de verdachte vanaf 28 maart 2016 zonder een geldige titel heeft vastgezeten vanwege het verstrijken van de termijn van vijf maanden als bedoeld in artikel 108 lid 3 Sv. Hierdoor is er sprake van een onherstelbare normschending ingevolge artikel 413 Sv. Derhalve dient de verdachte onmiddellijk in vrijheid te worden gesteld dan wel dient een forse strafvermindering te volgen.

Het Hof heeft eerder in zijn beschikking van 15 april 2016 onder 3.2 vastgesteld dat het bevel gevangenhouding van 17 november 2015 op 28 maart 2016 was afgelopen. Het Hof overwoog daarbij dat dit geen gevolgen kon hebben voor de voortduring van de voorlopige hechtenis na de genomen beslissing ter terechtzitting van 31 maart 2016. Dat de verdachte van 28 maart 2016 tot 31 maart 2016 zonder titel in voorlopige hechtenis heeft verbleven betekent een normschending ingevolge artikel 413 Sv aldus het Hof in zijn beschikking van 15 april 2016. Dit Hof zal echter geen gevolgen verbinden aan de geconstateerde normschending nu niet is gebleken dat de verdachte anders dan dat hij drie dagen zonder geldige titel heeft vastgezeten enig ander nadeel heeft ondervonden van deze normschending. Daarbij overweegt het Hof dat de door de verdachte ondergane voorlopige hechtenis wordt afgetrokken van de opgelegde gevangenisstraf van vier jaren. Voorts ziet het Hof geen aanleiding om terug te komen op eerdere beslissingen van het Hof waar het de voortduring van de voorlopige hechtenis betreft en wijst het verzoek tot onmiddellijke invrijheidstelling af.”

18. Het bestreden oordeel van het Gemeenschappelijk Hof is onjuist noch onbegrijpelijk, waarbij ik in aanmerking neem dat het heeft overwogen dat de ondergane voorlopige hechtenis, waaronder de bedoelde drie dagen, wordt afgetrokken van de opgelegde gevangenisstraf van vier jaren.

19. Het tweede middel faalt.

20. Beide middelen falen en kunnen mijns inziens beide worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

21. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

22. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, achtste druk 2015, p. 207 e.v.

2 Landsverordening van de 5e november 1996 houdende vaststelling van een nieuw Wetboek van Strafvordering.

3 Zie Dubelaar, T&C Strafvordering, art. 341, aant. 6.