Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:342

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-04-2018
Datum publicatie
12-04-2018
Zaaknummer
17/01892
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:1942
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie PG. Veroordeling wegens mensenhandel. Afwijzing door het hof van herhaalde verzoeken om de aangever ter zitting te horen. Tekort in het doorvoeren van een door het hof toegezegde compensatie voor het niet ter zitting horen van de gevraagde getuige. De PG stelt zich op het standpunt dat de Hoge Raad het arrest van het hof gedeeltelijk dient te vernietigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/01892

Zitting: 10 april 2018

Mr. J. Silvis

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 29 juli 2017 door het Gerechtshof Amsterdam wegens 1. “de voortgezette handeling van mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” en “de voortgezette handeling van mensenhandel” en 2. “diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder haar bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, en tot een taakstraf voor de duur van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek. Het hof heeft voorts de vordering van de benadeelde partij toegewezen zoals in het arrest vermeld en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

  2. Er bestaat samenhang met de zaken 16/04661, 17/01883 en 17/01888. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. S.J. van der Woude, advocaat te Amsterdam, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld.

  4. Het eerste middel bevat de klacht dat het hof de verzoeken tot het horen ter terechtzitting van aangever [betrokkene 1] ten onrechte heeft afgewezen, althans heeft afgewezen op gronden die deze afwijzing niet kunnen dragen.

  5. [betrokkene 1] is in maart 2012 drie keer in aanwezigheid van de verdediging door de rechter-commissaris gehoord. Op de regiezitting van 4 juni 2012 in eerste aanleg heeft de raadsman van verdachte zich aangesloten bij de onderzoekwensen van de raadslieden van de medeverdachten, waaronder het verzoek om aangever [betrokkene 1] ter zitting te horen. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen en deze afwijzing als volgt gemotiveerd:

“dat ook het verzoek tot het horen van de aangever [betrokkene 1] wordt afgewezen. Redengevend hiervoor is dat [betrokkene 1] onder ede langdurig door de rechter-commissaris is verhoord. Van dit verhoor is een zeer nauwkeurig verslag opgemaakt. Gegeven de motivering van de raadslieden ziet de rechtbank geen meerwaarde in het ter terechtzitting wederom horen van deze aangever. Dat de aangever wisselende verklaringen heeft afgelegd, zoals ook door de officier van justitie is geconstateerd, is een gegeven, maar evenmin een reden de aangever wederom te horen;”

6. In hoger beroep heeft de raadsman van verdachte in de appelschriftuur verzocht om aangever [betrokkene 1] ter zitting van het hof te horen. Op de regiezitting van 23 mei 2014 heeft het hof dit verzoek afgewezen met de volgende motivering:

“Het verzoek tot het horen van aangever [betrokkene 1] als getuige op de terechtzitting (van de inhoudelijke behandeling) wordt afgewezen. [betrokkene 1] is reeds drie maal bij de rechter-commissaris in aanwezigheid van de verdediging gehoord.

Nu de raadslieden niet hebben onderbouwd welke nadere vragen zij willen stellen aan de getuige, en het slechts gaat om de betrouwbaarheid van de getuige en de indruk die de getuige achterlaat bij het hof, overweegt het hof dat, gelet op het tijdsverloop sinds de ten laste gelegde feiten, de indruk die aangever nu zou maken op het hof onvoldoende informatie kan geven over de betrouwbaarheid van de verklaringen die de aangever destijds heeft afgelegd en ook onvoldoende informatie kan verschaffen over de persoon die de aangever destijds was. Hieruit volgt dat de noodzaak [betrokkene 1] wederom als getuige te horen ontbreekt en het verzoek mitsdien wordt afgewezen.”

7. Op de volgende regiezitting van het hof van 12 en 17 december 2014 wordt wederom verzocht om [betrokkene 1] te horen. Het hof wijst ook dit verzoek af:

“Het verzoek tot het al dan niet ter terechtzitting horen van [betrokkene 1] wordt afgewezen. Het hof toetst dit verzoek aan het noodzaakscriterium, nu [betrokkene 1] reeds eerder in aanwezigheid van de raadslieden is gehoord. Voor zover ter onderbouwing van het verzoek is aangevoerd dat het van belang is dat het hof zichzelf een indruk van (de persoon van) [betrokkene 1] vormt, verwijst het hof daarvoor naar hetgeen het hof dienaangaande op 23 mei 2014 reeds heeft overwogen. Met de raadslieden is het hof van oordeel dat de in het geding gebrachte verklaring van [betrokkene 2] als een novum kan gelden, waarbij deze verklaring volgens de verdediging - zo begrijpt het hof - met name van belang is met het oog op het beoordelen van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 1] . Gelet op het voorgaande is het verzoek tot het horen van [betrokkene 2] als getuige door het hof toegewezen. Het hof is van oordeel dat de noodzaak tot het daarnaast nogmaals horen van [betrokkene 1] ontbreekt, nu de waarnemingen van [betrokkene 2] die mogelijk een bijdrage kunnen leveren aan de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 1] , genoegzaam in het verhoor van [betrokkene 2] aan de orde kunnen worden gesteld. Nu het hof tot het oordeel komt dat geen noodzaak bestaat tot het opnieuw horen van de getuige [betrokkene 1] , behoeven het eventuele gevaar van een verhoor voor de gezondheid van deze getuige en de in dat verband door de raadslieden gedane verzoeken, geen bespreking.”

8. Ter zitting in hoger beroep van 21 september 2015 verzoekt de raadsman van verdachte andermaal om [betrokkene 1] te horen; hij voert daartoe het volgende aan:

“Ook ik verzoek [betrokkene 1] als getuige te horen. Dit verzoek komt, ook indien het noodzaakcriterium wordt toegepast, voor toewijzing in aanmerking. Ik wil [betrokkene 1] confronteren met de uitkomst van de verhoren van de raadsheer-commissaris, het gokken, het Mahjong spelen en hetgeen [betrokkene 8] over het zoeken van een echtgenote heeft verklaard.”

9. Het hof heeft dit verzoek als volgt afgewezen:

“het verzoek [betrokkene 1] als getuige te horen, wordt afgewezen nu de noodzaak daartoe niet bestaat op grond van het navolgende. Het verzoek berust op de stelling dat de door de raadsheer- commissaris gehoorde getuigen ontlastend hebben verklaard en de verklaring van [betrokkene 1] niet ondersteunen. De verdediging wenst [betrokkene 1] hiermee te confronteren teneinde diens betrouwbaarheid (nader) te kunnen (doen) toetsen. Het is aan hof de betrouwbaarheid van verklaringen te oordelen en te beslissen aan welke verklaring(en) al dan niet geloof wordt gehecht. Het hof acht zich in dit verband voldoende geïnformeerd, onder andere doordat [betrokkene 1] meermalen bij de rechter-commissaris (in bijzijn van de raadslieden) is gehoord, zodat hij niet opnieuw hoeft te worden gehoord. Voor zover het verzoek [betrokkene 1] te horen, berust op de vraagtekens die zijn te plaatsen bij de op 22 mei 2008 uitgevoerde controle van de inspectie SZW, overweegt het hof dat het enkele feit [betrokkene 1] toen geen melding heeft gemaakt van zijn vermeende uitbuiting onvoldoende is om de noodzaak tot het horen van [betrokkene 1] aan te nemen;”

10. Ter terechtzitting van het hof van 11 juli 2016 sluit de raadsman van verdachte zich aan bij het verzoek van de raadsman van medeverdachte [medeverdachte 4] om [betrokkene 1] als getuige ter zitting op te roepen. Het hof wijst ook dit verzoek af:

“Na onderbreking voor beraad in raadkamer deelt de voorzitter als beslissing en motivering van het hof mede dat het herhaald verzoek tot het oproepen van [betrokkene 1] als getuige wordt afgewezen, nu gelet op hetgeen de raadsman ter onderbouwing van zijn verzoek naar voren heeft gebracht de noodzaak om deze getuige opnieuw te horen niet is gebleken.
Eenzelfde verzoek is reeds op 21 september 2015 door het hof afgewezen op de gronden zoals vermeld in het proces-verbaal van die terechtzitting (pagina 10, vierde gedachtestreepje).
Dat nadien nog drie getuigen door de raadsheer-commissaris zijn géhoord in verband met de op 22 mei 2008 uitgevoerde controle door de arbeidsinspectie in restaurant [A] , waar [betrokkene 1] op dat moment werkzaam was, noopt op zichzelf beschouwd er niet zonder meer toe aangever [betrokkene 1] nogmaals te horen. Nu uit die verhoren ook geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren zijn gekomen ontbreekt ook overigens de noodzaak voor toewijzing van het verzoek.”

11. Hoewel de raadsman van verdachte verder geen verzoek tot het horen van [betrokkene 1] heeft gedaan, overweegt het hof in zijn arrest dat de raadsman opnieuw heeft verzocht [betrokkene 1] nogmaals te horen en blijft het bij zijn eerdere afwijzende beslissing1:

“De raadsman heeft opnieuw verzocht [betrokkene 1] nogmaals te horen en daarbij geen andere onderbouwing gegeven dan de gronden die reeds ter terechtzitting in hoger beroep van 11 juli 2016, toen hetzelfde verzoek door de raadsman is gedaan, zijn aangevoerd. Gelet op de onderbouwing van het verzoek en nu de raadsman geen nieuwe omstandigheden heeft aangevoerd, blijft het hof bij de op 11 juli 2016 ten aanzien van dit verzoek genomen afwijzende beslissing.”

12. De Hoge Raad heeft in een overzichtsarrest van 1 juli 20142 inzake het op verzoek van de verdediging oproepen en horen van getuigen ter terechtzitting onder meer overwogen dat het hof, in het geval de berechting in eerste aanleg op tegenspraak heeft plaatsgevonden en de getuige ter terechtzitting in eerste aanleg dan wel door de rechter-commissaris is gehoord, de oproeping van een bij appelschriftuur opgegeven getuige kan weigeren als het hof het horen van de getuige ter terechtzitting niet “noodzakelijk” oordeelt. De maatstaf is in zo’n geval dus de noodzakelijkheid.

13. Ik meen dat het hof bij de afwijzing van de verzoeken steeds de juiste maatstaf heeft gehanteerd.

14. In zijn arrest van 1 juli 2014 heeft de Hoge Raad ten aanzien van het noodzakelijkheidscriterium overwogen (r.o. 2.8 en 2.9) dat dit verband houdt met de taak en de verantwoordelijkheid van de strafrechter voor de volledigheid van het onderzoek van de zaak. Vanuit deze gezichtshoek is bij de beoordeling van een gemotiveerd, duidelijk en stellig verzoek van de verdediging aan de rechter om ambtshalve gebruik te maken van zijn bevoegdheid om zelf getuigen op te roepen, slechts van belang of hij het horen van die getuigen noodzakelijk acht met het oog op de volledigheid van het onderzoek. Dit betekent dat zo een verzoek kan worden afgewezen op de grond dat de rechter zich door het verhandelde ter zitting voldoende ingelicht acht en hem dus de noodzakelijkheid van het gevraagde verhoor niet is gebleken. Omtrent de gevallen en de mate waarin een afwijzing nader dient te worden gemotiveerd, zijn wegens de vele, uiteenlopende situaties die zich kunnen voordoen, geen algemene regels te geven, ook niet omtrent de vraag of onder bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld bij onvoorziene ontwikkelingen, eisen van een eerlijke procesvoering zich verzetten tegen een afwijzing. Wel zijn daarbij de aard van het onderwerp waarover de getuige zou kunnen verklaren van belang alsmede de indringendheid van de door de verdediging aangevoerde argumenten om hem te horen. Bij de beoordeling van de afwijzing van een verzoek tot het oproepen van getuigen gaat het in cassatie om de vraag of de beslissing begrijpelijk is in het licht van enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen.

15. In twee overzichtsarresten van 4 juli 20173 is de Hoge Raad in een nadere beschouwing ingegaan op de eisen die gesteld kunnen worden aan de onderbouwing van verzoeken tot het oproepen en horen van getuigen en de beoordeling van dergelijke verzoeken door de rechter. Uitgangspunt bij het gebruik van een getuigenverklaring voor het bewijs is dat dit gebruik mogelijk is voor zover het in art. 6 EVRM bedoelde recht van de verdachte op een eerlijk proces gewaarborgd is. De Hoge Raad betrekt hierbij de recente rechtspraak van het EHRM waarin ter zake van het ondervragingsrecht de nadruk ligt op de toetsing van de “overall fairness of the trial”. In dit licht dient een tot de zittingsrechter gericht verzoek tot het oproepen en het horen van getuigen door de verdediging te worden gemotiveerd teneinde de rechter in staat te stellen de relevantie van het verzoek in het licht van de toepasselijke wettelijke voorschriften te beoordelen. Deze motivering dient ten aanzien van iedere opgegeven getuige een toelichting te omvatten waarom het horen van deze getuige van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van de art. 348 en 350 Sv te nemen beslissing. Art. 6 lid 3 onder d EVRM verzet zich niet ertegen dat deze eis aan de onderbouwing van zo een verzoek wordt gesteld, evenmin als de rechtspraak van het EHRM omtrent het ondervragingsrecht. Onder andere in zijn uitspraak van 9 mei 2017 (Poropat tegen Slovenië) heeft het EHRM dienaangaande overwogen: “the defendant must, in addition, support his or her request by explaining why it is important for the witnesses concerned to be heard and their evidence must be necessary for the establishment of the truth”.4
Of een verzoek tot het horen van getuigen naar behoren is onderbouwd alsook of het dient te worden toegewezen, zal de rechter in het licht van alle omstandigheden van het geval – en met inachtneming van het toepasselijke criterium – moeten beoordelen. De rechter dient, indien hij een verzoek afwijst, de feitelijke en/of juridische gronden waarop die afwijzing berust, in het proces-verbaal van de terechtzitting dan wel de uitspraak op te nemen. De rechterlijke motiveringsplicht steunt mede op art. 6 EVRM.5

16. Op de terechtzitting van 23 mei 2014 heeft het hof voor de eerste keer het verzoek om [betrokkene 1] te horen afgewezen. Het hof onderbouwt die afwijzing op de gronden dat [betrokkene 1] reeds drie maal bij de rechter-commissaris is gehoord in aanwezigheid van de verdediging, de verdediging niet heeft onderbouwd welke vragen zij gesteld wil zien aan [betrokkene 1] , en het slechts gaat om de betrouwbaarheid van de getuige en de indruk die de getuige achterlaat bij het hof. Ten aanzien van deze laatste grond overweegt het hof dat, gelet op het tijdsverloop sinds de ten laste gelegde feiten, de indruk die aangever nu zou maken op het hof onvoldoende informatie kan geven over de betrouwbaarheid van de verklaringen die de aangever destijds heeft afgelegd en ook onvoldoende informatie kan verschaffen over de persoon die de aangever destijds was. Hieruit volgt, aldus het hof dat de noodzaak om [betrokkene 1] wederom te horen ontbreekt en het verzoek wordt afgewezen.

17. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 23 mei 2014 heeft de raadsman ter zitting medegedeeld dat aangever [betrokkene 1] op de terechtzitting in hoger beroep gehoord dient te worden nu de raadsman het van belang acht dat het hof kennis neemt van de wijze waarop aangever overkomt. Het beeld dat het openbaar ministerie van hem heeft geschetst kan op die manier worden rechtgezet.

18. In het licht van hetgeen is aangevoerd door de raadsman, met name waar deze als grond voor het verzoek aanvoert het van belang te achten dat het hof kennis neemt van de wijze waarop aangever overkomt, acht ik de afwijzing van het verzoek door het hof niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

19. Ter zitting van het hof van 12 december 2014 verzoekt de raadsman wederom aangever [betrokkene 1] te horen. Hij voert hiertoe aan:

“”Ook ik verzoek de aangever [betrokkene 1] nader als getuige te (doen) horen. Volgens de wet hebben we te maken met het noodzakelijkheidscriterium. Het EVRM kent dit criterium niet; het gaat erom of er een belang is een getuige te horen. In dit geval zijn er nieuwe ontwikkelingen die de aangifte van [betrokkene 1] ter discussie stellen. Nu de zaak alleen om de verklaring van [betrokkene 1] draait, is het noodzakelijk hem nader als getuige te horen en het onmiddellijkheidsbeginsel brengt met zich dat dit verhoor ter terechtzitting dient te plaats te vinden. Het is van belang dat het hof het gedrag en de ‘bodylanguage’ van [betrokkene 1] zelf waarneemt. De enige grond om het getuigenverhoor te weigeren, is het ernstig in het gedrang komen van de gezondheid van [betrokkene 1] en die grond haal ik niet uit de door de advocaat-generaal overgelegde stukken van de psychiater, de internist en de cardioloog.”

20. Gelet op de onderbouwing van het verzoek door de raadsman acht ik de afwijzing van het verzoek door het hof niet onbegrijpelijk. Voor zover het verzoek gericht was op de eigen waarneming door het hof van het gedrag en de ‘bodylanguage’ van [betrokkene 1] , betreft het inderdaad een herhaling van het eerder door het hof afgewezen verzoek. Ten aanzien van de nieuwe ontwikkelingen, bestaande uit de in het geding gebrachte verklaring van [betrokkene 2] , acht ik de overweging van het hof dat deze verklaring met name van belang is met het oog op het beoordelen van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 1] en dat de waarnemingen van [betrokkene 2] die mogelijk een bijdrage kunnen leveren aan de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 1] , genoegzaam in het verhoor van [betrokkene 2] aan de orde kunnen worden gesteld, zodat de noodzaak van het opnieuw horen van [betrokkene 1] ontbreekt, niet onbegrijpelijk. De reikwijdte van het novum in de door [betrokkene 2] ondertekende verklaring zal immers in eerste instantie bij [betrokkene 2] moeten worden getoetst. Het hof heeft in deze overwegingen ook duidelijk de gronden aangegeven waarop de afwijzing berust. Daarnaast geeft het oordeel van het hof dat nu er naar zijn oordeel geen noodzaak bestaat voor het opnieuw horen van [betrokkene 1] , het eventuele gevaar van een verhoor voor diens gezondheid en de in dat verband door de raadslieden gedane verzoeken, geen bespreking behoeft, geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting.

21. Op de zitting van het hof van 21 september 2015 volgt wederom een verzoek van de verdediging om [betrokkene 1] als getuige te horen. De raadsman wil [betrokkene 1] confronteren met discrepanties tussen diens verklaringen en de verklaringen van getuigen in hoger beroep.

22. Het hof heeft ook dit verzoek afgewezen. De gevolgtrekking van het hof dat de verdediging [betrokkene 1] wenst te confronteren met ontlastende verklaringen van getuigen teneinde diens betrouwbaarheid (nader) te kunnen (doen) toetsen acht ik niet onbegrijpelijk, nu dit vanaf het eerste verzoek om [betrokkene 1] te horen in hoger beroep als grond is aangevoerd. De overweging van het hof dat het aan het hof is om de betrouwbaarheid van verklaringen te [be]oordelen en te beslissen aan welke verklaring(en) al dan niet geloof wordt gehecht acht ik niet onjuist. Het hof heeft ook de grond aangegeven waarom het zich in dit verband voldoende geïnformeerd acht.6

23. Ter zitting van het hof van 11 juli 2016 heeft de raadsman zich aangesloten bij het verzoek tot het horen van aangever [betrokkene 1] van de raadsman van de medeverdachte [medeverdachte 4] . De raadsman van medeverdachte [medeverdachte 4] heeft dit verzoek toegelicht aan de hand van zijn pleitnotities. De raadsman voert aan dat het, voor het aan het licht brengen van wat er werkelijk is gebeurd, het naar zijn inzicht noodzakelijk is dat [betrokkene 1] geconfronteerd wordt met de verklaringen van de getuigen die op verschillende punten afwijken van de verklaringen van [betrokkene 1] . Het belang [betrokkene 1] als getuige te horen ziet, aldus die pleitnotities, niet alleen op het beproeven van de onbetrouwbaarheid van [betrokkene 1] , maar ook het beproeven van de betrouwbaarheid van de andere getuigen die iets anders zeggen dan [betrokkene 1] . Daarnaast is het horen van [betrokkene 1] op de zitting van belang opdat de raadsheren zelf kunnen waarnemen hoe assertief en zelfbepalend [betrokkene 1] is. Ook indachtig het onmiddellijkheidsbeginsel zou het van grote toegevoegde waarde voor de zaak zijn als [betrokkene 1] werd gehoord.

24. Het hof wijst dit verzoek af, nu gelet op wat de raadsman ter onderbouwing van zijn verzoek naar voren heeft gebracht, de noodzaak om deze getuige opnieuw te horen niet is gebleken. Het hof wijst er daarbij op dat eenzelfde verzoek reeds op 21 september 2015 door het hof is afgewezen op de gronden zoals vermeld in het proces-verbaal van die terechtzitting. Het hof overweegt verder dat weliswaar nadien nog drie getuigen door de raadsheer-commissaris zijn gehoord in verband met de op 22 mei 2008 uitgevoerde controle door de arbeidsinspectie in restaurant [A] , waar [betrokkene 1] op dat moment werkzaam was, maar dat dit op zichzelf beschouwd er niet zonder meer toe noopt aangever [betrokkene 1] nogmaals te horen. Deze overweging acht ik reeds niet onbegrijpelijk nu [A] het restaurant was van de medeverdachte [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [betrokkene 3] , waar [betrokkene 1] werkte voordat hij bij verdachte en medeverdachte [medeverdachte 4] in hun restaurants kwam werken. Daar komt nog bij dat het hof voorts overweegt dat uit die verhoren ook geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren zijn gekomen, waardoor ook overigens de noodzaak voor de toewijzing van het verzoek ontbreekt.

25. Rest de vraag of “the overall fairness of the trial” in het geding is door de afwijzing van de verzoeken door het hof, hetgeen in de kern wordt aangevoerd in de toelichting op het middel.. Naar mijn mening heeft het hof de juiste maatstaf gehanteerd en is de afwijzing van de getuige op zichzelf genomen niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Ook is het hof in zijn arrest voldoende gemotiveerd ingegaan op de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 1] . Daarbij heeft het hof in het arrest overwogen dat reden bestaat de verschillende verklaringen van [betrokkene 1] met terughoudendheid te bezien, nu deze op onderdelen – met name wat betreft zijn werktijden – niet eenduidig en consistent zijn, en dat niet kan worden uitgesloten dat het belang van het verkrijgen van een verblijfsvergunning een rol heeft gespeeld bij de beslissing tot het doen van aangifte. Mij is tegen die achtergrond onvoldoende duidelijk waarom het hof dan toch de verklaring in bewijsmiddel 21 blijkens gebruik kennelijk betrouwbaar acht voor zover inhoudende “Op 16 maart 2009 ben ik begonnen in het restaurant (…). Ik werkte daar zeven dagen in de week van 11 uur s morgens tot drie uur s nachts.” Die verklaring gaat over de werktijden, ten aanzien waarvan volgens het hof terughoudendheid gepast is. Weliswaar kan in de andere bewijsmiddelen steun gevonden worden voor zeer lange werktijden van [betrokkene 1] , maar niet in de mate als in bewijsmiddel 21 is aangegeven. Hierdoor komt de argumentatie van het hof voor de afwijzing van de gevraagde getuige die uiteindelijk mede berust op een zelfstandige toetsing door het hof van zijn betrouwbaarheid en de in verband daarmee door het hof zelf geboden geachte terughoudendheid van gebruik van diens verklaringen onder druk te staan. Ik zie het daardoor optredende consistentieprobleem niet slechts als een aspect van de bewijsconstructie waarover niet is geklaagd, maar als een tekort in het doorvoeren van een toegezegde compensatie voor het niet ter zitting horen van de gevraagde getuige.

26. Het middel slaagt derhalve.

27. Het tweede middel klaagt dat het hof heeft verzuimd om de schriftelijke pleitnotities van mr. Van den Munckhof met de motivering van diens verzoek om aangever [betrokkene 1] ter zitting op te roepen en te ondervragen, aan het proces-verbaal van de zitting van 11 juni 2016 te (doen) hechten. Nu de raadsman van verdachte zich met de kennelijke toestemming van de voorzitter van het hof bij dit verzoek had aangesloten, kan in cassatie niet meer worden nagegaan wat ten grondslag lag aan dit mede namens verdachte gedane verzoek om aangever [betrokkene 1] ter terechtzitting te horen.

28. Uit de administratie bij de Hoge Raad blijkt dat de griffie de pleitnotities van mr. Van den Munckhof op 19 juni 2017 aan de steller van het middel heeft toegestuurd. Hiermee komt het belang aan dit middel te ontvallen.

29. Ik acht het middel niet ontvankelijk bij gebrek aan belang.

30. Het derde middel klaagt over de onder 2 bewezenverklaarde diefstal. Uit de bewijsmiddelen kan niet blijken a) dat het steeds verdachte was die de bedragen tot een totaal van bijna 14.800 euro heeft weggenomen door middel van de bankpas van [betrokkene 1] en b) dat verdachte zich de betreffende bedragen wederrechtelijk heeft toegeëigend, dit mede in het licht van de verklaring en het verweer van verdachte dat de betalingen van de bankrekening van [betrokkene 1] strekten tot afbetaling van de schuld die hij aan verdachte had in verband met het spelen van Mahjong.

31. Het middel is in hoge mate gebaseerd op betwisting van waarderingen van feitelijke aard waarvoor in cassatie geen plaats is en kan worden afgedaan met een aan artikel 81 RO ontleende motivering.

32. Het middel faalt.

33. Het vierde middel klaagt over het oordeel van het hof dat de redelijke termijn niet overschreden is.

34. Blijkens het proces-verbaal van de zitting van 14 juli 2016 heeft de raadsman van verdachte ten aanzien van de redelijke termijn het volgende aangevoerd:

“”Met betrekking tot de hoogte van de straf merk ik nog op dat in deze zaak de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 van het EVRM is geschonden, hetgeen ertoe dient te leiden dat de straf in hoger beroep lager dient uit te vallen dan in eerste aanleg. De strafzaak duurt nu bijna acht jaar. Welk redelijk strafdoel is nu nog gediend bij een hogere voorwaardelijke straf, zoals door de advocaat-generaal geëist, gelet op het feit dat zij een voorwaardelijk deel eist, zodat de tenuitvoerlegging tot een langere vrijheidsbeneming leidt. Gelet op de fraude oriëntatiepunten zou bij een benadelingsbedrag met deze hoogte een taakstraf een passende bestraffing zijn. Naar mijn mening is hier sprake van een ordinair vermogensdelict, niet meer dan dat.”

35. Het hof heeft ten aanzien van dit verweer het volgende overwogen en beslist:

“Met betrekking tot het recht van de verdachte op behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof als volgt.

Op 23 augustus 2010 is de verdachte Hu door politie aangehouden en in verzekering gesteld, zijnde het moment waaraan zij in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen haar strafvervolging zal worden ingesteld. Op grond van het tijdsverloop tussen dat moment, de veroordeling in eerste aanleg op 18 maart 2013 en de uiteindelijke behandeling van de strafzaak in hoger beroep op 15 juli 2016, mede gelet op de ingewikkeldheid van het onderzoek waarbij meerdere verdachten waren betrokken en het grote aantal getuigen dat zowel in eerste aanleg als in hoger beroep op verzoek van de verdediging is gehoord, is het hof van oordeel dat de behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden. Anders dan de raadsman heeft bepleit is derhalve geen sprake van schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM.

Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf zijn zouden naar het oordeel van het hof in beginsel een passende sanctie zijn geweest wanneer het hof tot een integrale bewezenverklaring was gekomen Nu het hof de verdachte echter zal vrijspreken van een deel van het onder 1 ten laste gelegde feit, waardoor de ten laste gelegde periode van mensenhandel aanzienlijk wordt bekort, acht het hof, mede gelet op het opgetreden tijdsverloop sinds de feiten werden gepleegd in 2009, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf, alsmede een taakstraf van aanzienlijke duur, passend.”

36. Ik stel voorop dat het oordeel van de feitenrechter inzake de redelijke termijn in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst, in die zin dat de Hoge Raad alleen kan onderzoeken of het oordeel niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van alle omstandigheden van het geval. Van onbegrijpelijkheid zal overigens niet licht sprake zijn omdat een dergelijk oordeel sterk verweven pleegt te zijn met waarderingen van feitelijke aard die zich onttrekken aan een beoordeling in cassatie. De redelijkheid van de duur van een zaak is afhankelijk van onder meer de ingewikkeldheid van de zaak, waaronder begrepen de gelijktijdige berechting van zaken tegen medeverdachten en de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop. Tot dit laatste kan bijvoorbeeld het doen van verzoeken door de verdediging die leiden tot vertraging in de afdoening van de zaak worden gerekend.7

37. Gelet hierop geeft het oordeel van het hof geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting en is het, in aanmerking genomen dat het hof de ingewikkeldheid van het onderzoek waarbij meerdere verdachten waren betrokken en het grote aantal getuigen dat zowel in eerste aanleg als in hoger beroep op verzoek van de verdediging is gehoord bij zijn oordeel heeft betrokken, evenmin onbegrijpelijk. Ik merk daarbij op dat het hof het tijdsverloop overigens heeft meegewogen bij de op te leggen straf.

38. Het middel faalt derhalve.

39. Het eerste middel slaagt, het tweede middel acht ik niet-ontvankelijk, en het derde en vierde middel falen. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

40. Met betrekking tot de vernietiging waartoe ik hieronder concludeer merk ik op dat de Hoge Raad kan bepalen dat het deel van de vordering benadeelde partij dat ziet op de materiële schade, welk deel door het hof is toegewezen tot een bedrag van 13.648,18 euro, en dat in relatie staat tot feit 2, buiten de voorgestelde verwijzingsopdracht valt.

41. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor wat betreft de beslissingen van het hof ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging, en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Waarschijnlijk bedoelt het hof hier het door de raadsman van medeverdachte [medeverdachte 4] bij pleidooi herhaalde verzoek om [betrokkene 1] te horen. Anders dan bij het eerdere verzoek van die raadsman ter zitting van het hof van 11 juli 2016, blijkt niet dat de raadsman van verdachte zich ook bij dit verzoek heeft aangesloten. Blijkens het proces-verbaal van de zitting van 14 juli 2016 heeft de raadsman van verdachte slechts naar voren gebracht “Ik vind het een gemiste kans dat het hof het verzoek om [betrokkene 1] als getuige ter terechtzitting te horen telkens heeft afgewezen, waardoor uw hof zich nu slechts een “papieren beeld” kan vormen van aangever in kwestie, wiens verklaringen centraal staan in deze zaak”.

2 HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, m.nt M.J. Borgers.

3 HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015, NJ 2017/440 en HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1219, NJ 2017/441, m.nt T. Kooijmans.

4 EHRM 9 mei 2017, nr. 21668/12 (Poropat tegen Slovenië), par. 42.

5 EHRM 9 mei 2017, nr. 21668/12 (Poropat tegen Slovenië), par. 42: “Thus, when the applicant has made a request to call witnesses which is not vexatious, and which is sufficiently reasoned, relevant to the subject matter of the accusation and could arguably have strengthened the position of the defence or even led to the applicant’s acquittal, the domestic authorities must provide relevant reasons for dismissing such a request.

6 Anders dan in de zaak die geleid heeft tot HR 12 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3123, NJ 2018/20; het hof volstond in die zaak met de overweging: “Het hof acht zich – onder verwijzing naar de jurisprudentie op dit punt – gelet op het verhandelde ter terechtzitting voldoende ingelicht en is de noodzakelijkheid van het gevraagde (doen) horen van getuigen niet gebleken”.

7 Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358.