Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:339

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-04-2018
Datum publicatie
12-04-2018
Zaaknummer
16/04661
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:1940
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie PG. Veroordeling wegens mensenhandel. Afwijzing door het hof van herhaalde verzoeken om de aangever ter zitting te horen. Tekort in het doorvoeren van een door het hof toegezegde compensatie voor het niet ter zitting horen van de gevraagde getuige. De PG stelt zich op het standpunt dat de Hoge Raad het arrest van het hof dient te vernietigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/04661

Zitting: 10 april 2018

Mr. J. Silvis

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 29 juli 2016 door het Gerechtshof Amsterdam wegens 1. “de voortgezette handeling van mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen”, veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met aftrek. Het hof heeft voorts de vordering van de benadeelde partij toegewezen zoals in het arrest vermeld.

  2. Er bestaat samenhang met de zaken 17/01883, 17/01888 en 17/01892. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. R.J.A. van den Munckhof, advocaat te Amsterdam heeft één middel van cassatie voorgesteld.
    Mr. A. Koopsen heeft namens de benadeelde partij [betrokkene 1] één middel van cassatie voorgesteld.

Het middel van de verdachte

4. Het middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft beslist dat [betrokkene 1] niet als getuige gehoord zal worden, althans dat de beslissing van het hof onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd is.

5. [betrokkene 1] is in maart 2012 drie keer in aanwezigheid van de verdediging door de rechter-commissaris gehoord. Op de regiezitting van 4 juni 2012 in eerste aanleg heeft de raadsman van verdachte zich aangesloten bij de onderzoekwensen van de raadslieden van de medeverdachten, waaronder het verzoek om aangever [betrokkene 1] ter zitting te horen. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen en deze afwijzing als volgt gemotiveerd:

“dat ook het verzoek tot het horen van de aangever [betrokkene 1] wordt afgewezen. Redengevend hiervoor is dat [betrokkene 1] onder ede langdurig door de rechter-commissaris is verhoord. Van dit verhoor is een zeer nauwkeurig verslag opgemaakt. Gegeven de motivering van de raadslieden ziet de rechtbank geen meerwaarde in het ter terechtzitting wederom horen van deze aangever. Dat de aangever wisselende verklaringen heeft afgelegd, zoals ook door de officier van justitie is geconstateerd, is een gegeven, maar evenmin een reden de aangever wederom te horen;”

6. In hoger beroep heeft de raadsman van verdachte in de appelschriftuur verzocht om aangever [betrokkene 1] ter zitting van het hof te horen. Op de regiezitting van 23 mei 2014 heeft het hof dit verzoek afgewezen met de volgende motivering:

“Het verzoek tot het horen van aangever [betrokkene 1] als getuige op de terechtzitting (van de inhoudelijke behandeling) wordt afgewezen. [betrokkene 1] is reeds drie maal bij de rechter-commissaris in aanwezigheid van de verdediging gehoord.

Nu de raadslieden niet hebben onderbouwd welke nadere vragen zij willen stellen aan de getuige, en het slechts gaat om de betrouwbaarheid van de getuige en de indruk die de getuige achterlaat bij het hof, overweegt het hof dat, gelet op het tijdsverloop sinds de ten laste gelegde feiten, de indruk die aangever nu zou maken op het hof onvoldoende informatie kan geven over de betrouwbaarheid van de verklaringen die de aangever destijds heeft afgelegd en ook onvoldoende informatie kan verschaffen over de persoon die de aangever destijds was. Hieruit volgt dat de noodzaak [betrokkene 1] wederom als getuige te horen ontbreekt en het verzoek mitsdien wordt afgewezen.”

7. Op de volgende regiezitting van het hof van 12 en 17 december 2014 wordt wederom verzocht om [betrokkene 1] te horen. Het hof wijst ook dit verzoek af:

“Het verzoek tot het al dan niet ter terechtzitting horen van [betrokkene 1] wordt afgewezen. Het hof toetst dit verzoek aan het noodzaakscriterium, nu [betrokkene 1] reeds eerder in aanwezigheid van de raadslieden is gehoord. Voor zover ter onderbouwing van het verzoek is aangevoerd dat het van belang is dat het hof zichzelf een indruk van (de persoon van) [betrokkene 1] vormt, verwijst het hof daarvoor naar hetgeen het hof dienaangaande op 23 mei 2014 reeds heeft overwogen. Met de raadslieden is het hof van oordeel dat de in het geding gebrachte verklaring van [betrokkene 2] als een novum kan gelden, waarbij deze verklaring volgens de verdediging - zo begrijpt het hof - met name van belang is met het oog op het beoordelen van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 1] . Gelet op het voorgaande is het verzoek tot het horen van [betrokkene 2] als getuige door het hof toegewezen. Het hof is van oordeel dat de noodzaak tot het daarnaast nogmaals horen van [betrokkene 1] ontbreekt, nu de waarnemingen van [betrokkene 2] die mogelijk een bijdrage kunnen leveren aan de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 1] , genoegzaam in het verhoor van [betrokkene 2] aan de orde kunnen worden gesteld. Nu het hof tot het oordeel komt dat geen noodzaak bestaat tot het opnieuw horen van de getuige [betrokkene 1] , behoeven het eventuele gevaar van een verhoor voor de gezondheid van deze getuige en de in dat verband door de raadslieden gedane verzoeken, geen bespreking.”

8. Ter zitting in hoger beroep van 21 september 2015 verzoekt de raadsman van verdachte andermaal om [betrokkene 1] te horen; hij voert daartoe in zijn pleitnotities het volgende aan:

“4. Verzoek tot het horen van getuige [betrokkene 1]
heeft bij de rechter-commissaris een verklaring afgelegd en de raadslieden van de vijf verdachten in deze zaak hebben de getuige te dier gelegenheid vragen gesteld over de feiten zoals die hun tot dan toe bekend waren.

In toenemende mate is tijdens de verhoren in hoger beroep gebleken, dat de inhoud van de verklaringen der diverse getuigen zich niet verhoudt tot die van [betrokkene 1] verklaringen. Dergelijke discrepanties in de respectieve weergaven bestaan aangaande bijvoorbeeld, niet limitatief, de werktijden van [betrokkene 1] , de financiële bestedingsruimte van [betrokkene 1] , het kansspelgebruik door [betrokkene 1] en diens vrijheden. De verdediging is bijvoorbeeld benieuwd hoe [betrokkene 1] de automatenhal binnen kwam als hij niet de beschikking had over een identiteitsbewijs, hetgeen [betrokkene 1] zelf beweert, en hoe de verklaring van meerdere getuigen dat hij in die automatenhal geld uitgaf zich verhoudt tot [betrokkene 1] bewering dat hij niet over geld kon beschikken.

Voor het aan het licht brengen van wat er werkelijk is gebeurd, is het naar het inzicht van de verdediging noodzakelijk dat [betrokkene 1] geconfronteerd wordt met deze verklaringen. Was het er één of waren het er twee, dan zou die noodzakelijkheid er wellicht niet zijn. Het betreft evenwel, als ik het goed heb geteld en voor zover relevant, zestien inhoudelijke verhoren die alle in enigerlei mate, veelal in grote mate, afbreuk doen aan de verklaringen van [betrokkene 1] . Dat schreeuwt om een nadere toelichting.

De eerdere scrupule om [betrokkene 1] nogmaals op te roepen, zoals verwoord door het parket, was vooral ingegeven door het belang van [betrokkene 1] in diens gestelde hoedanigheid van slachtoffer. Inziens de verdediging zou inmiddels, met het oog op de getuigenverhoren in hoger beroep, het belang van niet één doch vijf verdachten om verder déchargerend bewijs beschikbaar te krijgen welk mogelijk tot vrijspraak zou leiden, zwaarder dienen te wegen dan het belang van één aangever die steeds verder het nadeel van de twijfel krijgt, om niet met een dergelijk verhoor psychologisch belast te worden. De waarheidsvinding ten aanzien van vijven betreft (zeker: inmiddels) een groter belang dan de temporele gemoedsrust van één, zeker als steeds meer aanknopingspunten zichtbaar worden voor de stelling dat de aangifte oneigenlijk was.” (gevolgd door de handgeschreven tekst voor zover te ontcijferen: + redenering raadsman [medeverdachte 1] gebeurtenissen 22 mei 2008 + het bewijs is gebaseerd op verklaring [betrokkene 1] : hoe meer die verklaring in geloofwaardigheid wordt bedreigd, des te meer reden om hem te horen)

9. Het hof heeft dit verzoek als volgt afgewezen:

“het verzoek [betrokkene 1] als getuige te horen, wordt afgewezen nu de noodzaak daartoe niet bestaat op grond van het navolgende. Het verzoek berust op de stelling dat de door de raadsheer- commissaris gehoorde getuigen ontlastend hebben verklaard en de verklaring van [betrokkene 1] niet ondersteunen. De verdediging wenst [betrokkene 1] hiermee te confronteren teneinde diens betrouwbaarheid (nader) te kunnen (doen) toetsen. Het is aan hof de betrouwbaarheid van verklaringen te oordelen en te beslissen aan welke verklaring(en) al dan niet geloof wordt gehecht. Het hof acht zich in dit verband voldoende geïnformeerd, onder andere doordat [betrokkene 1] meermalen bij de rechter-commissaris (in bijzijn van de raadslieden) is gehoord, zodat hij niet opnieuw hoeft te worden gehoord. Voor zover het verzoek [betrokkene 1] te horen, berust op de vraagtekens die zijn te plaatsen bij de op 22 mei 2008 uitgevoerde controle van de inspectie SZW, overweegt het hof dat het enkele feit [betrokkene 1] toen geen melding heeft gemaakt van zijn vermeende uitbuiting onvoldoende is om de noodzaak tot het horen van [betrokkene 1] aan te nemen;”

10. Ter terechtzitting van het hof van 11 juli 2016 verzoekt de raadsman van verdachte nog een keer om [betrokkene 1] als getuige ter zitting op te roepen. Het hof wijst ook dit verzoek af:

“Na onderbreking voor beraad in raadkamer deelt de voorzitter als beslissing en motivering van het hof mede dat het herhaald verzoek tot het oproepen van [betrokkene 1] als getuige wordt afgewezen, nu gelet op hetgeen de raadsman ter onderbouwing van zijn verzoek naar voren heeft gebracht de noodzaak om deze getuige opnieuw te horen niet is gebleken.
Eenzelfde verzoek is reeds op 21 september 2015 door het hof afgewezen op de gronden zoals vermeld in het proces-verbaal van die terechtzitting (pagina 10, vierde gedachtestreepje).
Dat nadien nog drie getuigen door de raadsheer-commissaris zijn géhoord in verband met de op 22 mei 2008 uitgevoerde controle door de arbeidsinspectie in restaurant [A] , waar [betrokkene 1] op dat moment werkzaam was, noopt op zichzelf beschouwd er niet zonder meer toe aangever [betrokkene 1] nogmaals te horen. Nu uit die verhoren ook geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren zijn gekomen ontbreekt ook overigens de noodzaak voor toewijzing van het verzoek.”

11. Tenslotte herhaalt de raadsman bij gelegenheid van zijn pleidooi ter zitting van 14 juli 2016 het verzoek om [betrokkene 1] als getuige ter zitting te horen of door een raadsheer-commissaris. Het hof blijft in zijn arrest bij zijn eerdere afwijzende beslissing:

“De raadsman heeft opnieuw verzocht [betrokkene 1] nogmaals te horen en daarbij geen andere onderbouwing gegeven dan de gronden die reeds ter terechtzitting in hoger beroep van 11 juli 2016, toen hetzelfde verzoek door de raadsman is gedaan, zijn aangevoerd. Gelet op de onderbouwing van het verzoek en nu de raadsman geen nieuwe omstandigheden heeft aangevoerd, blijft het hof bij de op 11 juli 2016 ten aanzien van dit verzoek genomen afwijzende beslissing.”

12. De Hoge Raad heeft in een overzichtsarrest van 1 juli 20141 inzake het op verzoek van de verdediging oproepen en horen van getuigen ter terechtzitting onder meer overwogen dat het hof, in het geval de berechting in eerste aanleg op tegenspraak heeft plaatsgevonden en de getuige ter terechtzitting in eerste aanleg dan wel door de rechter-commissaris is gehoord, de oproeping van een bij appelschriftuur opgegeven getuige kan weigeren als het hof het horen van de getuige ter terechtzitting niet “noodzakelijk” oordeelt. De maatstaf is in zo’n geval dus de noodzakelijkheid.

13. Ik meen dat het hof bij de afwijzing van de verzoeken telkens de juiste maatstaf heeft gehanteerd.

14. In zijn arrest van 1 juli 2014 heeft de Hoge Raad ten aanzien van het noodzakelijkheidscriterium overwogen (r.o. 2.8 en 2.9) dat dit verband houdt met de taak en de verantwoordelijkheid van de strafrechter voor de volledigheid van het onderzoek van de zaak. Vanuit deze gezichtshoek is bij de beoordeling van een gemotiveerd, duidelijk en stellig verzoek van de verdediging aan de rechter om ambtshalve gebruik te maken van zijn bevoegdheid om zelf getuigen op te roepen, slechts van belang of hij het horen van die getuigen noodzakelijk acht met het oog op de volledigheid van het onderzoek. Dit betekent dat zo een verzoek kan worden afgewezen op de grond dat de rechter zich door het verhandelde ter zitting voldoende ingelicht acht en hem dus de noodzakelijkheid van het gevraagde verhoor niet is gebleken. Omtrent de gevallen en de mate waarin een afwijzing nader dient te worden gemotiveerd, zijn wegens de vele, uiteenlopende situaties die zich kunnen voordoen, geen algemene regels te geven, ook niet omtrent de vraag of onder bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld bij onvoorziene ontwikkelingen, eisen van een eerlijke procesvoering zich verzetten tegen een afwijzing. Wel zijn daarbij de aard van het onderwerp waarover de getuige zou kunnen verklaren van belang alsmede de indringendheid van de door de verdediging aangevoerde argumenten om hem te horen. Bij de beoordeling van de afwijzing van een verzoek tot het oproepen van getuigen gaat het in cassatie om de vraag of de beslissing begrijpelijk is in het licht van enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen.

15. In twee overzichtsarresten van 4 juli 20172 is de Hoge Raad in een nadere beschouwing ingegaan op de eisen die gesteld kunnen worden aan de onderbouwing van verzoeken tot het oproepen en horen van getuigen en de beoordeling van dergelijke verzoeken door de rechter. Uitgangspunt bij het gebruik van een getuigenverklaring voor het bewijs is dat dit gebruik mogelijk is voor zover het in art. 6 EVRM bedoelde recht van de verdachte op een eerlijk proces gewaarborgd is. De Hoge Raad betrekt hierbij de recente rechtspraak van het EHRM waarin ter zake van het ondervragingsrecht de nadruk ligt op de toetsing van de “overall fairness of the trial”. In dit licht dient een tot de zittingsrechter gericht verzoek tot het oproepen en het horen van getuigen door de verdediging te worden gemotiveerd teneinde de rechter in staat te stellen de relevantie van het verzoek in het licht van de toepasselijke wettelijke voorschriften te beoordelen. Deze motivering dient ten aanzien van iedere opgegeven getuige een toelichting te omvatten waarom het horen van deze getuige van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van de art. 348 en 350 Sv te nemen beslissing. Art. 6 lid 3 onder d EVRM verzet zich niet ertegen dat deze eis aan de onderbouwing van zo een verzoek wordt gesteld, evenmin als de rechtspraak van het EHRM omtrent het ondervragingsrecht. Onder andere in zijn uitspraak van 9 mei 2017 (Poropat tegen Slovenië) heeft het EHRM dienaangaande overwogen: “the defendant must, in addition, support his or her request by explaining why it is important for the witnesses concerned to be heard and their evidence must be necessary for the establishment of the truth”.3
Of een verzoek tot het horen van getuigen naar behoren is onderbouwd alsook of het dient te worden toegewezen, zal de rechter in het licht van alle omstandigheden van het geval – en met inachtneming van het toepasselijke criterium – moeten beoordelen. De rechter dient, indien hij een verzoek afwijst, de feitelijke en/of juridische gronden waarop die afwijzing berust, in het proces-verbaal van de terechtzitting dan wel de uitspraak op te nemen. De rechterlijke motiveringsplicht steunt mede op art. 6 EVRM.4

16. Op de terechtzitting van 23 mei 2014 heeft het hof voor de eerste keer het verzoek om [betrokkene 1] te horen afgewezen. Het hof onderbouwt die afwijzing op de gronden dat [betrokkene 1] reeds drie maal bij de rechter-commissaris is gehoord in aanwezigheid van de verdediging, de verdediging niet heeft onderbouwd welke vragen zij gesteld wil zien aan [betrokkene 1] , en het slechts gaat om de betrouwbaarheid van de getuige en de indruk die de getuige achterlaat bij het hof. Ten aanzien van deze laatste grond overweegt het hof dat, gelet op het tijdsverloop sinds de ten laste gelegde feiten, de indruk die aangever nu zou maken op het hof onvoldoende informatie kan geven over de betrouwbaarheid van de verklaringen die de aangever destijds heeft afgelegd en ook onvoldoende informatie kan verschaffen over de persoon die de aangever destijds was. Hieruit volgt, aldus het hof dat de noodzaak om [betrokkene 1] wederom te horen ontbreekt en het verzoek wordt afgewezen.

17. In zijn zich onder de stukken bevindende pleitnotities schrijft de raadsman ten aanzien van het horen van aangever [betrokkene 1] : “Inzake het horen van de aangever, [betrokkene 1] , refereer ik me aan het oordeel van het Hof, zeker waar het betreft artikel 12 lid 4 van de EU-Richtlijn 2011/36”. Voorts schrijft hij dat de ratio van het verzoek het onmiddellijkheidsbeginsel is “in het licht van de schets zoals verwoord in de opgave getuigen”. Het is de bedoeling dat de raadsheren zich een oordeel kunnen vormen over de assertieve en soms sturende persoonlijkheid van [betrokkene 1] , en dit ter vergelijking met het door het openbaar ministerie geschetste beeld dat [betrokkene 1] een zielig, onwetend, mentaal kwetsbaar karakter zou hebben.

18. In het licht van hetgeen is aangevoerd door de raadsman, met name waar deze zich refereert aan het oordeel van het hof en het doel van het verzoek is om het hof “de assertieve en soms sturende persoonlijkheid” van de aangever te laten ervaren, acht ik de afwijzing van het verzoek door het hof niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

19. Ter zitting van het hof van 12 december 2014 verzoekt de raadsman wederom aangever [betrokkene 1] te horen. Voorafgaand aan de zitting heeft de raadsman in twee brieven aan de voorzitter van het hof van respectievelijk 4 november en 10 december 2014 een aantal verzoeken gedaan tot het horen van getuigen, waaronder het verzoek om [betrokkene 1] te horen. Ter zitting licht de raadsman deze verzoeken toe aan de hand van zijn pleitnotities. Ter onderbouwing van het herhaalde verzoek om [betrokkene 1] te horen voert de raadsman aan dat er kennelijk een brief van de getuige [betrokkene 2] is inhoudende dat [betrokkene 1] getuige [betrokkene 2] heeft aangezet tot het afleggen van een valse verklaring bij de rechter-commissaris. De raadsman meent dat de noodzakelijkheid van het aan het licht brengen van de waarheid gebiedt om [betrokkene 1] te horen over deze brief van [betrokkene 2] . De verdediging wil daarnaast aan [betrokkene 1] vragen welke andere getuigen hij heeft beïnvloed. De verdediging handhaaft verder haar wens om [betrokkene 1] ter zitting te horen, opdat het hof de assertieve kant van [betrokkene 1] zelf kan waarnemen.

20. Gelet op de onderbouwing van het verzoek door de raadsman, met name waar hij de door [betrokkene 2] ondertekende brief centraal stelt, acht ik de afwijzing van het verzoek door het hof niet onbegrijpelijk. Voor zover het verzoek gericht was op de eigen waarneming door het hof van het assertieve karakter van [betrokkene 1] , betreft het inderdaad een herhaling van het eerder door het hof afgewezen verzoek. Ten aanzien van de brief van [betrokkene 2] acht ik de overweging van het hof dat deze brief met name van belang is met het oog op het beoordelen van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 1] en dat de waarnemingen van [betrokkene 2] die mogelijk een bijdrage kunnen leveren aan de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 1] , genoegzaam in het verhoor van [betrokkene 2] aan de orde kunnen worden gesteld, zodat de noodzaak van het opnieuw horen van [betrokkene 1] ontbreekt, niet onbegrijpelijk. De reikwijdte van het novum in de door [betrokkene 2] ondertekende brief zal immers in eerste instantie bij [betrokkene 2] moeten worden getoetst. Het hof heeft in deze overwegingen ook duidelijk de gronden aangegeven waarop de afwijzing berust.

21. Op de zitting van het hof van 21 september 2015 volgt wederom een verzoek van de verdediging om [betrokkene 1] als getuige te horen. In de pleitnotities wordt aangevoerd dat er sprake is van meerdere discrepanties tussen de verklaringen van de getuigen in hoger beroep en de verklaringen van aangever [betrokkene 1] . Voor het aan het licht brengen van wat er werkelijk is gebeurd is het naar het inzicht van de verdediging noodzakelijk dat [betrokkene 1] geconfronteerd wordt met deze verklaringen. De raadsman verwijst daarnaast naar de redenering van de raadsman van medeverdachte [medeverdachte 1] ten aanzien van de gebeurtenissen op 22 mei 2008. [betrokkene 1] heeft verklaard dat zijn paspoort op die dag is afgenomen, maar op dezelfde dag heeft een controle in het restaurant plaatsgevonden; in dat kader moet naar het paspoort van [betrokkene 1] zijn gevraagd. De raadsman sluit zich voorts aan bij de redenering van mr. Tang, advocaat van medeverdachte [betrokkene 3] , met betrekking tot de verplichting van [betrokkene 1] om zich voor het onderzoek beschikbaar te houden op grond van de B9-verblijfsvergunning die hij heeft gekregen.

22. Het hof heeft ook dit verzoek afgewezen. De gevolgtrekking van het hof dat de verdediging [betrokkene 1] wenst te confronteren met ontlastende verklaringen van getuigen teneinde diens betrouwbaarheid (nader) te kunnen (doen) toetsen acht ik niet onbegrijpelijk, nu dit vanaf het eerste verzoek om [betrokkene 1] te horen in hoger beroep als grond is aangevoerd. De overweging van het hof dat het aan het hof is om de betrouwbaarheid van verklaringen te [be]oordelen en te beslissen aan welke verklaring(en) al dan niet geloof wordt gehecht acht ik niet onjuist. Het hof heeft ook de grond aangegeven waarom het zich in dit verband voldoende geïnformeerd acht.5

23. Ter zitting van het hof van 11 juli 2016 doet de raadsman van verdachte opnieuw een verzoek tot het horen van aangever [betrokkene 1] en licht dit verzoek toe aan de hand van zijn pleitnotities. De raadsman voert aan dat het, voor het aan het licht brengen van wat er werkelijk is gebeurd, het naar zijn inzicht noodzakelijk is dat [betrokkene 1] geconfronteerd wordt met de verklaringen van de getuigen die op verschillende punten afwijken van de verklaringen van [betrokkene 1] . Het belang [betrokkene 1] als getuige te horen ziet, aldus de pleitnotities, niet alleen op het beproeven van de onbetrouwbaarheid van [betrokkene 1] , maar ook het beproeven van de betrouwbaarheid van de andere getuigen die iets anders zeggen dan [betrokkene 1] . Daarnaast is het horen van [betrokkene 1] op de zitting van belang opdat de raadsheren zelf kunnen waarnemen hoe assertief en zelfbepalend [betrokkene 1] is. Ook indachtig het onmiddellijkheidsbeginsel zou het van grote toegevoegde waarde voor de zaak zijn als [betrokkene 1] werd gehoord.

24. Het hof wijst dit verzoek af, nu gelet op wat de raadsman ter onderbouwing van zijn verzoek naar voren heeft gebracht, de noodzaak om deze getuige opnieuw te horen niet is gebleken. Het hof wijst er daarbij op dat eenzelfde verzoek reeds op 21 september 2015 door het hof is afgewezen op de gronden zoals vermeld in het proces-verbaal van die terechtzitting. Het hof overweegt verder dat weliswaar nadien nog drie getuigen door de raadsheer-commissaris zijn gehoord in verband met de op 22 mei 2008 uitgevoerde controle door de arbeidsinspectie in restaurant [A] , waar [betrokkene 1] op dat moment werkzaam was, maar dat dit op zichzelf beschouwd er niet zonder meer toe noopt aangever [betrokkene 1] nogmaals te horen. Deze overweging acht ik reeds niet onbegrijpelijk nu [A] het restaurant was van de medeverdachte [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [betrokkene 3] , waar [betrokkene 1] werkte voordat hij bij verdachte in diens restaurants kwam werken. Daar komt nog bij dat het hof voorts overweegt dat uit die verhoren ook geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren zijn gekomen, waardoor ook overigens de noodzaak voor de toewijzing van het verzoek ontbreekt.

25. Bij pleidooi herhaalt de raadsman, met gebruikmaking van de gronden zoals verwoord in de op 11 juli overgelegde pleitnotities, het verzoek om [betrokkene 1] als getuige te horen. Het hof wijst dit verzoek in zijn arrest af overwegende dat nu gelet op de onderbouwing van het verzoek en nu de raadsman geen nieuwe omstandigheden heeft aangevoerd het hof blijft bij de op 11 juli 2016 ten aanzien van dit verzoek genomen afwijzende beslissing.

26. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de verdediging twee gronden heeft aangegeven voor het verzoek [betrokkene 1] te horen, te weten het onmiddellijkheidsbeginsel en, vanaf het verzoek gedaan op de zitting van 12 december 2014, de noodzaak [betrokkene 1] te ondervragen omtrent gedurende het hoger beroep gebleken ‘nova’. Ik merk daarbij op dat de raadsman met het onmiddellijkheidsbeginsel doelt op de mogelijkheid voor de raadsheren zich een oordeel te kunnen vormen over de assertieve en soms sturende persoonlijkheid van [betrokkene 1] , ter vergelijking met het door het openbaar ministerie geschetste beeld dat [betrokkene 1] een zielig, onwetend, mentaal kwetsbaar karakter zou hebben. Het draait om de beoordeling van de betrouwbaarheid van [betrokkene 1] .

27. Ten aanzien van die betrouwbaarheid van [betrokkene 1] heeft het hof geoordeeld dat het aan het hof is om de betrouwbaarheid van verklaringen te beoordelen en te beslissen aan welke verklaring(en) al dan niet geloof wordt gehecht. Daarbij heeft het hof ook de belangrijkste grond aangegeven waarom het zich wat betreft de betrouwbaarheid van [betrokkene 1] voldoende geïnformeerd acht, namelijk doordat [betrokkene 1] meermalen bij de rechter-commissaris (in bijzijn van de raadslieden) is gehoord.

28. Deze overwegingen van het hof acht ik op zich niet onbegrijpelijk en ik meen dat het hof zijn afwijzing toereikend heeft gemotiveerd.

29. Ten aanzien van de noodzaak om [betrokkene 1] te ondervragen over de ‘nova’ die voortgekomen zouden zijn uit de verklaringen van de getuigen bij de raadsheer-commissaris, heb ik hierboven onder 20 al aangegeven dat ik het oordeel van het hof dat de brief van [betrokkene 2] met name van belang is met het oog op het beoordelen van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 1] en dat de waarnemingen van [betrokkene 2] die mogelijk een bijdrage kunnen leveren aan de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 1] , genoegzaam in het verhoor van [betrokkene 2] aan de orde kunnen worden gesteld, zodat de noodzaak van het opnieuw horen van [betrokkene 1] ontbreekt, niet onbegrijpelijk acht. Hetzelfde geldt voor het oordeel van het hof dat er geen noodzaak is om [betrokkene 1] te horen in verband met de verklaringen van andere getuigen die op punten afwijken van de verklaringen van [betrokkene 1] . Ook hier geldt dat het verzoek om [betrokkene 1] te horen was ingegeven om diens betrouwbaarheid te toetsen. En daarover heeft het hof gezegd dat dat het zich wat betreft die betrouwbaarheid voldoende geïnformeerd achtte.

30. Rest de vraag of “the overall fairness of the trial” in het geding is door de afwijzing van de verzoeken door het hof. Naar mijn mening heeft het hof de juiste maatstaf gehanteerd en is de afwijzing van de getuige op zichzelf genomen niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Ook is het hof in zijn arrest voldoende gemotiveerd ingegaan op de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 1] . Daarbij heeft het hof in het arrest overwogen dat reden bestaat de verschillende verklaringen van [betrokkene 1] met terughoudendheid te bezien, nu deze op onderdelen – met name wat betreft zijn werktijden – niet eenduidig en consistent zijn, en dat niet kan worden uitgesloten dat het belang van het verkrijgen van een verblijfsvergunning een rol heeft gespeeld bij de beslissing tot het doen van aangifte. Mij is tegen die achtergrond onvoldoende duidelijk waarom het hof dan toch de verklaring in bewijsmiddel 21 blijkens gebruik kennelijk betrouwbaar acht voor zover inhoudende “Op 16 maart 2009 ben ik begonnen in het restaurant (…). Ik werkte daar zeven dagen in de week van 11 uur s morgens tot drie uur s nachts.” Die verklaring gaat over de werktijden, ten aanzien waarvan volgens het hof terughoudendheid gepast is. Weliswaar kan in de andere bewijsmiddelen steun gevonden worden voor zeer lange werktijden van [betrokkene 1] , maar niet in de mate als in bewijsmiddel 21 is aangegeven. Hierdoor komt de argumentatie van het hof van de afwijzing van de gevraagde getuige die uiteindelijk mede berust op een zelfstandige toetsing door het hof van zijn betrouwbaarheid en de in verband daarmee door het hof zelf geboden geachte terughoudendheid bij gebruik van diens verklaringen onder druk te staan. Ik zie het daardoor optredende consistentieprobleem niet slechts als een aspect van de bewijsconstructie waarover niet is geklaagd, maar als een tekort in het doorvoeren van een toegezegde compensatie voor het niet ter zitting horen van de gevraagde getuige.

31. Het middel slaagt derhalve.

Het middel van de benadeelde partij

32. Het middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte de vordering benadeelde partij niet-ontvankelijk heeft verklaard voor wat betreft het onderdeel van de vordering dat ziet op het deel ten aanzien waarvan het hof Amsterdam, afdeling civielrecht en belastingrecht, in zijn inmiddels onherroepelijke arrest van 15 juni 2014 [verdachte] heeft veroordeeld tot betaling aan [betrokkene 1] van een bedrag van 7.720 euro, nu dit bedrag door [betrokkene 1] aan [verdachte] onverschuldigd is betaald, althans dat het hof zijn beslissing onvoldoende heeft gemotiveerd.

33. Het hof heeft met betrekking tot de vordering benadeelde partij voor zover deze zag op het bedrag van 9.920 euro aan overboekingen aan [verdachte] in zijn arrest het volgende overwogen:

- met betrekking tot het bedrag van € 9.920.00 aan overboekingen naar [verdachte]

In het dossier bevindt zich een inmiddels onherroepelijk geworden arrest van het gerechtshof Amsterdam, afdeling civielrecht en belastingrecht, van 15 juli 2014. In dit arrest is [verdachte] veroordeeld tot betaling aan [betrokkene 1] van € 7.720,00, nu dit bedrag door [betrokkene 1] aan [verdachte] onverschuldigd is betaald.
Dit bedrag betreft blijkens dit arrest voornoemd bedrag van € 9.920,00 als hoofdsom, waarop een bedrag waarvan [betrokkene 1] heeft erkend dat hij dit van [verdachte] heeft geleend door het hof in mindering is gebracht.
Nu aldus sprake is van een onherroepelijke civielrechtelijke beslissing waarin het onderhavige onderdeel van de vordering reeds is toegewezen, heeft de benadeelde partij geen belang meer bij dit onderdeel van haar vordering in het onderhavige strafgeding. Zij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in dit onderdeel van haar vordering.”

34. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof er aan voorbij is gegaan dat namens de benadeelde partij voor het gevorderde bedrag tevens is verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en dat benadeelde dus wel degelijk belang had bij het toekennen van de vordering voor dit gedeelte en het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel voor dit bedrag, omdat daarmee is gegarandeerd dat de benadeelde partij dit bedrag ook daadwerkelijk zou ontvangen.

35. Indien over een (deel van de) vordering van de benadeelde partij door de burgerlijke rechter reeds is beslist, kan de strafrechter de benadeelde partij – in zoverre – in haar vordering niet-ontvankelijk verklaren bij gebrek aan belang.6 In dat licht geeft het oordeel van het hof geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk.

36. Dat de benadeelde partij belang zou kunnen hebben bij de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel voor het deel van de vordering waarin het hof haar niet-ontvankelijk heeft verklaard staat hier los van. Ik wijs hierbij overigens op de uitspraak van het hof in de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte 3] , waarin het hof de vordering van de benadeelde partij ook ten aanzien van de 7.720 euro heeft toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel heeft opgelegd.7 Dat zet het belang van de benadeelde partij bij de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel in deze zaak in een iets ander licht.

37. In zijn arrest van 11 oktober 2016 heeft de Hoge Raad overwogen dat de rechter, indien deze oordeelt dat voldaan is aan het vereiste ex art. 36f lid 2 Sr dat de verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, in beginsel een schadevergoedingsmaatregel kan opleggen.8 Ik merk hierbij wel op dat in de aan die uitspraak ten grondslag liggende casus de benadeelde partijen hun vordering (nog) niet aan de burgerlijk rechter hadden voorgelegd en er dus ook geen civiele uitspraak over de vorderingen beschikbaar was.

38. Het middel lijkt zich op het standpunt te stellen dat het hof, nu het niet uitdrukkelijk heeft gemotiveerd waarom het geen schadevergoedingsmaatregel heeft opgelegd voor het deel van de vordering waarover de civiele rechter reeds had beslist, de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel niet voldoende heeft gemotiveerd.

39. Namens de benadeelde partij staat op de vordering: “Ik verzoek u dit bedrag als schadevergoedingsmaatregel op te leggen”. Dit verzoek zag op het totale gevorderde bedrag van – in hoger beroep – 29.302,91 euro. Het komt mij voor dat dit in dergelijke algemene bewoordingen gestelde verzoek niet noopt tot het oordeel dat het hof gehouden zou zijn om het niet opleggen van de schadevergoedingsmaatregel voor het niet-ontvankelijk verklaarde deel van de vordering betreffende de 7.720 euro materiële schade, nader te motiveren.

40. Het hof heeft zijn beslissing om de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren voor zover deze zag op het bedrag waarover de civiele rechter onherroepelijk had beslist, naar mijn oordeel voldoende gemotiveerd. Van de in de toelichting op het middel genoemde strijd met art. 4 EVRM, art. 17 van de Mensenhandelrichtlijn en art. 16 van de Slachtofferrichtlijn is dan ook geen sprake.

41. Het middel faalt derhalve.

42. Het namens de verdachte voorgestelde middel slaagt. Het namens de benadeelde partij voorgestelde middel faalt. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

43. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, m.nt M.J. Borgers.

2 HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015, NJ 2017/440 en HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1219, NJ 2017/441, m.nt T. Kooijmans.

3 EHRM 9 mei 2017, nr. 21668/12 (Poropat tegen Slovenië), par. 42.

4 EHRM 9 mei 2017, nr. 21668/12 (Poropat tegen Slovenië), par. 42: “Thus, when the applicant has made a request to call witnesses which is not vexatious, and which is sufficiently reasoned, relevant to the subject matter of the accusation and could arguably have strengthened the position of the defence or even led to the applicant’s acquittal, the domestic authorities must provide relevant reasons for dismissing such a request.

5 Anders dan in de zaak die geleid heeft tot HR 12 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3123, NJ 2018/20; het hof volstond in die zaak met de overweging: “Het hof acht zich – onder verwijzing naar de jurisprudentie op dit punt – gelet op het verhandelde ter terechtzitting voldoende ingelicht en is de noodzakelijkheid van het gevraagde (doen) horen van getuigen niet gebleken”.

6 HR 26 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1279, NJ 2011/1056.

7 In deze samenhangende zaak nr. 17/01892 zal ik heden eveneens concluderen.

8 HR 11 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2304, NJ 2017/90 m.nt. B.F. Keulen.