Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:338

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-04-2018
Datum publicatie
12-04-2018
Zaaknummer
17/03080
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:841
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Verdenking fraude met kinderopvangtoeslagen en sealbags, valsheid in gechrift t.a.v. banken en belastingdienst, gewoontewitwassen. Klachten m.b.t. het bewijs van wetenschap, opzet en deelneming aan een criminele organisatie (art. 140 Sr) en de motivering van de opgelegde straf. De AG stelt voor dat de Hoge Raad het beroep in cassatie zal verwerpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/03080

Zitting: 10 april 2018

Mr. E.J. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Bij arrest van 18 januari 2017 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, het eindvonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 1 december 2014 bevestigd voor zover daarin is bewezenverklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan – kort gezegd – 1. “medeplegen van het in een authentieke akte doen opnemen van een valse opgave, met het oogmerk om die te (doen) gebruiken, meermalen gepleegd”, 2. “medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd”, 3. “medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd”, 4. “medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd”, 5. “medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd”, 6. “medeplegen van het een gewoonte maken van het plegen van witwassen”, en 7. “als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”, met aanvulling van de gronden voor de bewezenverklaring van het laatstgenoemde feit. Het hof heeft het eindvonnis van de rechtbank voor wat betreft de strafoplegging en de beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen en de daarmee samenhangende schadevergoedingsmaatregelen vernietigd en in zoverre opnieuw rechtgedaan, in die zin dat het hof de verdachte heeft veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren. Voorts heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van de drie benadeelde partijen met oplegging van schadevergoedingsmaatregelen, een en ander als nader in het arrest omschreven.

  2. Er bestaat samenhang met de zaken 17/00367, 17/00517, 17/00518, 17/00519 en 17/03078. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.

  3. Namens de verdachte heeft mr. C.J.M. Jansen, advocaat te Tilburg, twee middelen van cassatie voorgesteld.

  4. Volgens de verdenking en de bewijsvoering van het hof draait het in deze zaak in het kort om het volgende. De verdachte vormde, hij in de hoedanigheid van leidinggever, tezamen met onder anderen zijn broer (de medeverdachte [medeverdachte 1] ) een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van verschillende misdrijven. Zo zouden zij vrouwen in seksclubs in Duitsland hebben benaderd om zich in Nederland bij gemeenten te laten inschrijven op door de organisatie opgegeven adressen. Vervolgens werd aangifte gedaan van geboortes van niet-bestaande tweelingen en werden kort daarna bij de Belastingdienst kinderopvangtoeslagen aangevraagd. De verdachte zou direct betrokken zijn bij de aangiftes van de zogenaamde geboortes en bij de aanvragen kinderopvangtoeslagen, ook trouwens met betrekking tot zijn eigen kinderen die in werkelijkheid geen kinderbijslag genoten. Diverse valse stukken, zoals facturen en jaaropgaven van kinderdagverblijven en antwoordformulieren Kinderopvangtoeslag, werden daarvoor opgemaakt en ingestuurd naar de Belastingdienst, die in totaal ruim € 800.000 aan valselijk aangevraagde kinderopvangtoeslagen heeft uitbetaald. Ook zouden de verdachte en de anderen zich bezig hebben gehouden met het in Nederland oprichten en inschrijven van schijnondernemingen door of voor enkele van de benaderde vrouwen. Ten behoeve van die ondernemingen waren bankrekeningen geopend die werden gebruikt voor het plegen van sealbag-fraude. Na bijschrijving van deze geldbedragen, in totaal afgerond € 1.4 miljoen en vóórdat de inhoud van de sealbags, die telkens niet of nauwelijks geld bleken te bevatten, door de bank geteld was, werden de bijgeschreven bedragen weer overgeboekt naar een andere rekening en/of contant opgenomen. Volgens het hof heeft de verdachte ook hierin een grote rol vervuld gezien de overboekingen en de inschrijving van beautysalon [A] bij de Kamer van Koophandel waarbij de verdachte zich voordeed als een zekere [alias verdachte] . De inkomsten van de kinderopvangtoeslagfraude en de sealbag-fraude zijn diverse malen onder regie en controle van de verdachte (en/of andere personen uit zijn omgeving) van de ene naar de andere bankrekening overgeboekt dan wel contant opgenomen en gebruikt voor de aankoop van onroerend goed, boten, auto’s en voorts voor de betaling van diverse schulden van de verdachte en personen uit zijn directe omgeving. Al met al zou het totale nadeel ruim € 2,2 miljoen bedragen.

  5. Het eerste middel komt op tegen de bevestiging van de bewezenverklaring van de rechtbank door het hof en klaagt eensdeels dat het hof hetgeen door de verdediging is aangevoerd ten aanzien van feiten 1 tot en met 7 omtrent de wetenschap, het opzet en het medeplegen aan de zijde van de verdachte onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken en anderdeels dat de door het hof gebezigde bewijsmiddelen de bewezenverklaringen ten aanzien van deze feiten niet kunnen dragen.

  6. Ten laste van de verdachte is door de rechtbank Overijssel bij eindvonnis van 1 december 2014 ( en door het hof overgenomen) bewezenverklaard dat:

“5.9 De conclusie

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen dat de verdachte het onder de feiten 1, 2 primair, 3 primair, 4, 5, 6 en 7 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 21 maart 2011 in ’s-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging met anderen, in authentieke akten, te weten geboorteakten van de gemeente ’s-Hertogenbosch telkens valselijk heeft doen opnemen dat kinderen waren geboren, een tweeling genaamd [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , van de waarheid van welk feit die akten moesten doen blijken, terwijl in werkelijkheid die kinderen niet waren geboren,

zulks telkens met het oogmerk om die akten of afschriften daarvan te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware die opgave in overeenstemming met de waarheid;

2. primair

hij in de periode van 1 januari 2008 tot en met 5 maart 2013 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, digitale aanvraagformulieren kinderopvangtoeslag, zijnde geschriften die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers hebben hij, verdachte en zijn mededader telkens valselijk en in strijd met de waarheid:

a. op aanvraagformulieren kinderopvangtoeslag, aangegeven:

- dat kinderen opvang genoten bij een geregistreerde kinderopvang en

- dat er voor die kinderen kosten werden gemaakt ten behoeve van de opvang,

zo werd voor een tweeling, genaamd [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , op tijdstippen in de periode 14 april 2011 tot en met 29 februari 2012, telkens een aanvraag voor kinderopvangtoeslag gedaan bij de Belastingdienst, in welke aanvraag stond vermeld dat gebruik werd gemaakt van kinderopvangorganisatie “ [B] ” in Den Bosch en kinderopvangorganisatie “ [C] ” te Tilburg en dat er kosten werden gemaakt ten behoeve van de opvang, terwijl in werkelijkheid die kinderen telkens niet bestonden en derhalve telkens geen opvang werd genoten bij de opgegeven geregistreerde kinderopvang en dat er voor die kinderen geen opvangkosten werden gemaakt en

b. op aanvraagformulieren kinderopvangtoeslag aangegeven dat er voor dat genoemde kind kosten werden gemaakt ten behoeve van de opvang, zo werd voor [betrokkene 3] , geboren op [geboortedatum] 2010, op tijdstippen in de periode van 31 maart 2011 tot en met 12 december 2011 bij de Belastingdienst, telkens een aanvraag voor kinderopvangtoeslag gedaan, in welke aanvraag stond vermeld dat gebruik werd gemaakt van kinderopvangorganisatie “ [D] ” te Tilburg en dat er kosten werden gemaakt ten behoeve van de opvang, terwijl in werkelijkheid door dat kind geen opvang werd genoten bij de opgegeven geregistreerde kinderopvang en dat er voor dat kind geen opvangkosten werden gemaakt,

zulks met het oogmerk om die geschriften telkens als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken;

3. primair

hij in de periode 1 januari 2006 tot en met 5 maart 2013 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen een werkgeversverklaring en een salarisstrook en een schenkingsovereenkomsten, zijnde telkens een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, te weten:

a. een schenkingsovereenkomst tussen [betrokkene 4] en hem, verdachte, gedateerd 16 november 1998 en

b. een werkgeversverklaring van [E] ten name van [medeverdachte 5] gedateerd 31 maart 2006 en

c. een salarisstrook van [E] ten name van [medeverdachte 5] over de maand maart 2006,

immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders valselijk en in strijd met de waarheid:

ad a. op die schenkingsovereenkomst vermeld dat [betrokkene 4] en [verdachte] op 16 november 1998 voor [betrokkene 5] , als adviseur, zijn verschenen en [betrokkene 4] een verzameling Terra Cotta figuren/vazen en een Terra Cotta deel van een muur aan zijn zoon, [verdachte] , zijnde verdachte, wenst te schenken, welke overeenkomst op 16 november 1998 was opgemaakt en ondertekend door [betrokkene 4] en verdachte, alsmede ondertekend door voornoemde [betrokkene 5] en voorzien van een firmastempel van Financieel Adviseur [betrokkene 5] , zulks terwijl in werkelijkheid deze schenking toen en daar in aanwezigheid van voornoemde [betrokkene 5] niet heeft plaatsgevonden en

ad b. op die werkgeversverklaring vermeld dat [medeverdachte 5] een bruto jaarsalaris ontving van € 37.800,— en een vakantietoeslag van € 3.024,—, zulks terwijl in werkelijkheid die [medeverdachte 5] niet zo’n hoog jaarsalaris en vakantietoeslag ontving en ad c. op die salarisstrook vermeld een bruto maandsalaris van € 3.150,- ten name van [medeverdachte 5] , zulks terwijl in werkelijkheid die [medeverdachte 5] niet zo’n hoog bruto maandsalaris ontving,

zulks met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken;

4.

hij in de periode van 1 januari 2008 tot en met 5 maart 2013 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door listige kunstgrepen de ABN AMRO bank heeft bewogen tot afgifte van een geldbedrag van € 104.740,-,

hebbende hij, verdachte en zijn mededader met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listig en bedrieglijk:

- de beschikking gekregen over een bankrekening en zich de beschikkingsmacht verschaft over een bankrekening, op naam van een ander dan verdachte: een ABN AMRO bankrekening met rekeningnummer [001] ten name van eenmanszaak, [F] ,

- terwijl voor die bankrekening reeds een sealbagovereenkomst en OGV overeenkomst was afgesloten en

- vervolgens voor voornoemde bankrekening telkens sealbagstortingen opgegeven en

- vervolgens telkens sealbagstortingen gedaan zonder dat de opgegeven bedragen in die sealbags zaten,

waardoor de ABN AMRO bank werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

5.

hij in de periode van 1 januari 2008 tot en met 5 maart 2013 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, telkens met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels de Belastingdienst heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag in het kader van kinderopvangtoeslag op grond van de Wet kinderopvang,

hebbende hij, verdachte en zijn mededader met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid:

- op digitale aanvraagformulieren Kinderopvangtoeslag namen van kinderen opgenomen, daarmee aangevende dat de kinderen daadwerkelijk bestonden,

- een tweeling, genaamd [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , zulks terwijl in werkelijkheid voornoemde tweeling niet bestond en

- op digitale aanvraagformulieren kinderopvangtoeslag opgenomen dat de genoemde kinderen opvang genieten bij het op die formulieren genoemde opvangadres,

- zo werd voor een tweeling, genaamd [betrokkene 1] en [betrokkene 2] tweemaal een aanvraag voor kinderopvangtoeslag gedaan in welke aanvraag stond vermeld dat gebruik werd gemaakt van kinderopvangorganisatie “ [B] ” in Den Bosch en/of kinderopvangorganisatie “ [C] ” te Tilburg en

- zo werd voor [betrokkene 3] een aanvraag voor kinderopvangtoeslag gedaan, in welke aanvraag stond vermeld dat gebruik werd gemaakt van kinderopvangorganisatie “ [D] ” te Tilburg en

- op het digitale aanvraagformulier kinderopvangtoeslag opgenomen dat ten behoeve van het aldaar genoemde kind kosten voor de kinderopvang waren gemaakt en

- zo werd voor een tweeling, genaamd [betrokkene 1] en [betrokkene 2] op de digitale aanvraagformulieren kinderopvangtoeslag opgenomen dat ten behoeve van voornoemde tweeling telkens kosten werden gemaakt ten behoeve van de opvang en

- zo werd voor [betrokkene 3] op het digitale aanvraagformulier kinderopvangtoeslag opgenomen dat ten behoeve van voornoemde [betrokkene 3] kosten werden gemaakt ten behoeve van de opvang en

- vervolgens voornoemde digitale aanvraagformulieren kinderopvangtoeslag telkens verzonden en doen toekomen aan de Belastingdienst, waardoor de Belastingdienst telkens werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

6.

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2008 tot en met 5 maart 2013 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben verdachte en zijn mededaders:

- telkens van een voorwerp, te weten goederen en geldbedragen, de herkomst verhuld, terwijl hij, verdachte en zijn mededaders wisten dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit misdrijf en

- telkens een voorwerp, te weten goederen en geldbedragen, verworven, overgedragen en omgezet, terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders wisten dat bovenomschreven voorwerp

- onmiddellijk of middellijk — afkomstig was van enig misdrijf, door - zakelijk omschreven -:

- in de periode van 1 januari 2008 tot en met 5 maart 2013 geldbedragen contant op te nemen, door telkens bij het Holland Casino te Breda en/of te Eindhoven en/of te Nijmegen en/of te Venlo geldbedragen te pinnen van bankrekeningen ten name van natuurlijke personen en eenmanszaken en

- geldbedragen over te boeken en/of over te laten boeken op bankrekeningen van andere natuurlijke personen en eenmanszaken;

- in de periode van eind 2008 tot en met 5 maart 2013 te beschikken over auto’s waarbij verdachte en zijn mededaders die auto’s hebben gefinancierd en die auto’s telkens op naam hebben gezet van anderen en/of voor die auto’s de gemaakte kosten hebben betaald;

7.

hij in de periode van 1 januari 2008 tot en met 5 maart 2013 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, die werd gevormd door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, bestaande uit:

- het meermalen plegen van valsheid in geschrifte en het meermalen gebruiken van valselijk opgemaakte geschriften (strafbaar gesteld in artikel 225 Wetboek van Strafrecht) en

- het meermalen valselijk doen opmaken van authentieke akten en het meermalen gebruiken van een valselijk opgemaakte authentieke akten (strafbaar gesteld in artikel 227 Wetboek van Strafrecht) en

- het meermalen oplichten van banken en de Belastingdienst (strafbaar gesteld in artikel 326 Wetboek van Strafrecht) en

- het plegen van gewoontewitwassen (strafbaar gesteld in artikel 420ter Wetboek van Strafrecht)

zulks terwijl hij, verdachte, medeleider van die organisatie was.”

7. Wat de bewijsvoering betreft, heeft het hof met aanvulling van een eigen bewijsoverweging ter zake van feit 7 het vonnis van de rechtbank met overneming van de bewijsmiddelen bevestigd. Het komt mij dienstig voor de bewijsconstructie hieronder (nagenoeg) integraal weer te geven. Daarna volgen de relevante passages uit de pleitnotitie van de raadsman van de verdachte, zoals op de terechtzitting van het hof van 7 december 2016 is overgelegd en aan het proces-verbaal van deze terechtzitting is gehecht.

8. De bewijsconstructie ziet er als volgt uit:

“Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

[…]

Feit 1

1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 28 april 2011, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van aangever [betrokkene 6] (G-05-01, blz. 4124, 4125):

Op 21 maart 2011 omstreeks 11:00 uur is er door een vrouw genaamd [betrokkene 7] geboren op [geboortedatum] -1986 te Braila Roemenië aangifte gedaan van de geboorte van een tweeling genaamd [betrokkene 1] en [betrokkene 2] .

Ik heb aan deze vrouw gevraagd of de man welke bij haar was, de vader was van de kinderen. Deze man gaf aan dat dat niet het geval was, maar dat hij de zaakjes voor haar regelt.

Vervolgens is er door collega [betrokkene 8] en [betrokkene 9] informatie ingewonnen bij het Jeroen Bosch ziekenhuis en bij Vivent om te achterhalen of daadwerkelijk een tweeling is geboren met de naam [achternaam betrokkene 7] . Hiervan hebben we schriftelijk bevestiging van gekregen dat dat niet het geval was. Dat er is in het Jeroen Bosch ziekenhuis geen tweeling geboren met de naam [achternaam betrokkene 7] , en geheel niet bekend zijn in het systeem.

2. Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 8 oktober 2013, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van verdachte (V-02-08, blz. 3460):

In een ander geval, het geval van [betrokkene 2] ben ik bijvoorbeeld met haar naar het gemeentehuis gegaan om geboorteaangifte te doen.

3. Het proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [betrokkene 7] , d.d. 10 april 2013, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van de medeverdachte (V-13-0, blz. 3813):

[medeverdachte 1] heeft mij in maart 2011 een keer opgehaald en naar een officiële instantie gebracht. Daar stond buiten iemand op ons te wachten. [medeverdachte 1] stelde hem voor als een vriend: [betrokkene 10] . Later begreep ik dat het zijn broer was en dat hij heel anders heet. Ik weet nu even niet hoe hij werkelijk heet. Die vriend ging mee naar binnen om stukken te tekenen. [medeverdachte 1] ging niet mee naar binnen. Ik heb toen alleen een handtekening gezet op een klein formulier, kleiner dan een A4.

Noot verbalisanten: wij tonen gehoorde documenten l-D-015-01 en l-D-015-02.

Vraag verbalisanten: Wat kunt u over deze twee documenten verklaren?

Antwoord gehoorde: U wijst mij op de namen op de formulieren: Ik zie mijn naam en geboortedatum en een handtekening die op mijn handtekening lijkt. Ik zie een naam: [betrokkene 1] ik weet niet wat dat betekent. De rechter commissaris in Roemenië heeft mij verteld over iets met tweelingen. Ik denk dat die formulieren hier iets mee te maken hebben. Als dit door mij getekend is, dan heb ik dat in een officieel gebouw gedaan. Het was een publiek gebouw met meerdere balies. [betrokkene 10] , de vriend van [medeverdachte 1] was daar dan bij.

Feiten 2 en 5

4. Geschriften, zijnde aanvragen Kinderopvangtoeslag ten name van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] d.d. 14 april 2011 (ingediend door [betrokkene 7] ), 14 november 2011 (ingediend door [betrokkene 7] ) en 29 februari 2012 (ingediend door [betrokkene 11] ) (l-D-05-03 blz. 5051, 1-D-015-09 blz. 5061 en l-D-15-11 blz. 5064).

5. Geschriften, zijnde aanvragen Kinderopvangtoeslag ten name van [betrokkene 3] d.d. 12 december 2011 (ingediend op naam van [medeverdachte 4] ) (l-D-032-01, blz. 7824 t/m 7828 en 1- D-048-19).

6. Het proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [medeverdachte 4] d.d. 10 april 2013, zakelijk weergegeven, inhoudende als verklaring van de medeverdachte (V-05-08, blz. 3718):

Ik weet niet of [betrokkene 3] in de kinderopvang zat. Ik heb nooit kinderopvangtoeslag aangevraagd.

7. Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 27 juni 2013 (V-02-03, blz. 3398) zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van verdachte:

Over [betrokkene 3] kan ik vertellen dat hij op een peuterspeelzaal staat ingeschreven. Daar heb ik hem zelf ingeschreven. Daar gaat [betrokkene 3] naar toe, hij gaat niet naar een kinderopvang.

8. Een geschrift, zijnde een beschikking van de Belastingdienst d.d. 3 mei 2011, waarbij ten name van [betrokkene 1 en 2] Kinderopvangtoeslag wordt toegekend (1-D-015-06).

9. Een geschrift, zijnde een voorschotbeschikking van de Belastingdienst d.d. 21 april 2012 gericht aan [betrokkene 11] , waarbij Kinderopvangtoeslag wordt toegekend (l-D-015-015).

10. Een geschrift, zijnde een voorschotbeschikking van de Belastingdienst d.d. 2 februari 2012, gericht aan [medeverdachte 4] , waarbij Kinderopvangtoeslag wordt toegekend ten bedrage van € 12.601,-(l-D-048-18).

11. Het proces-verbaal van ambtshandelingen d.d. 16 oktober 2013, zakelijk weergeven inhoudende:

Door de Belastingdienst is met betrekking tot de kinderen [betrokkene 1 en 2] d.d. 3-5-2011 een voorschotbeschikking kinderopvangtoeslag voor 2011 afgegeven ten bedrage van € 20.434,-- uit te betalen op rekeningnummer [002] ten name van [betrokkene 7] .

Door de Belastingdienst is met betrekking tot de kinderen [betrokkene 1 en 2] d.d. 21-4-2012 een voorschotbeschikking kinderopvangtoeslag voor 2012 afgegeven ten bedrage van € 27.600,-.

Feit 3

12. Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 27 juni 2013, zakelijk weergegeven, inhoudende als verklaring van verdachte (V-02-02, blz. 3396):

Ik zou terugkomen op de stukken van Christie's, op de schenkingsovereenkomst. Over stukken die jullie hebben genummerd 2-D-022-57 en 2-D-022-56. Noot verbalisanten: wij tonen gehoorde deze stukken nogmaals:

een "schenkingsovereenkomst" d.d. 16 november 1998 waarbij [betrokkene 4] kennen geeft zijn zoon [verdachte] 18 terra cotta figuren, 6 terra cotta vazen en 1 terra cotta deel van een muur met gezicht te schenken. Onderaan de overeenkomst staat "Voor Akkoord: [betrokkene 5] , adviseur met daarnaast een stempelafdruk (16-11-1998) handtekening en datumstempel.

Reactie gehoorde:

Dit stuk heb ik zelf gemaakt. Dit heb ik gedaan in de periode tussen de Ie en de 2e veiling van Christie's, dat zal ongeveer tussen oktober 2012 en mei 2013 zijn geweest. Christie's had intussen haar regels aangepast en ik moest stukken overleggen waaruit bleek dat ik de beeldjes al langer dan 10 jaar in mijn bezit had. Ik had die beeldjes al veel langer in bezit maar daar stond niets van op papier. Ik had geen oude foto's of een overeenkomst met mijn Opa. De opbrengst van de eerste beeldjes was best wel hoog vandaar dat de 2e veiling er ook kwam. Om toch iets te kunnen aantonen heb ik deze overeenkomst op papier gezet. De handtekening van mijn vader en mij zijn echt, de datum 16 november 1998, klopt niet, die heb ik verzonnen. Je moest aantonen dat je het langer dan 10 jaar in bezit had. Daarom heb ik deze datum in 1998 gekozen, dat is langer dan 10 jaar geleden.

De stempel en de handtekening van [betrokkene 5] heb ik zelf gezet, die zijn niet door [betrokkene 5] gezet. De stempel heb ik zelf gemaakt. Je kunt bij V&D van die stempelsets kopen met een houder en losse letters. Die heb ik gekocht en daarvan heb ik een stempel met de gegevens van [betrokkene 5] gemaakt.

13. Een geschrift, zijnde een schenkingsovereenkomst gedateerd 16 november 1998 (2-D-022- 57, blz. 10679).

14. Een geschrift, zijnde een werkgeversverklaring van [E] ten name van [medeverdachte 5] gedateerd 31 maart 2006, met daarop vermeld een jaarsalaris van € 37.800,- (l-D-040-01 30/84, blz. 6274).

15. Een geschrift, zijnde een salarisstrook van [E] ten name van [medeverdachte 5] over de maand maart 2006 met daarop vermeld een maandsalaris van € 3.150,— (l-D-040-01 31/84, blz. 6275).

16. Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 17 juli 2013, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van de verdachte (V02-05, blz. 3429):

De inkomsten van [E] zijn deels in scène gezet om de hypotheek te verkrijgen. Ze heeft wel een periode voor [E] gewerkt alleen niet voor deze uren en bedragen zoals op de werkgeversverklaring en loonstrook staan. Als de salarisbetalingen door [E] zijn gedaan dan zijn die bedragen door [medeverdachte 5] aan [E] terugbetaald. Ik heb daar zelf geen geld aan overgehouden. Ik weet dat [medeverdachte 5] daar ook geen geld aan heeft overgehouden. Ik heb [medeverdachte 5] geholpen om de hypotheek rond te krijgen.

17. Het proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [medeverdachte 5] d.d. 22 juli 2013, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van de medeverdachte (V4-05, blz. 3970 en 3971):

Ik wilde een hypotheek en [verdachte] wilde mij daar wel bij helpen. Hoe hij dat precies gedaan heeft kan ik zo niet vertellen. [verdachte] maakte de loonstrook. Ik kreeg van [verdachte] de loonstrook. [verdachte] zei mij dat ik die bij de rest van de stapel voor de hypotheekaanvraag moest doen.

Feit 4

18. Het proces-verbaal van aangifte van [betrokkene 12] , d.d. 5 november 2009, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van aangever (2-D-007)

"Ik ben namens de benadeelde gerechtigd tot het doen van aangifte. Tussen woensdag 21 oktober 2009 te 00.00 uur en donderdag 29 oktober 2009 te 00.00 uur werd op Heuvelring 88, 5038 CL Tilburg, het in de aanhef vermelde feit gepleegd.

Ik ben als Risk manager werkzaam bij de ABN-AMRO bank welke is gevestigd aan de Heuvelring 88 te Tilburg.

Op dinsdag 3 november 2009 werd door een medewerker van onze bank, [betrokkene 13] van de afdeling veiligheidszaken, een sealbag fraude geconstateerd.

Het bleek dat van rekeningnummer [001] tnv [F] in totaal zeven sealbags opgevoerd via internet bankieren, als zijnde ingeleverd met een inhoud van in totaal 104.740,00 euro.

De zeven sealbags werden op verschillende data’s ingeleverd.

In dit geval is het zo dat deze cliënt zeven sealbags had ingeleverd zonder inhoud.

Na onderzoek bleek dat deze client het geld dat inmiddels op zijn rekening was gestort door de bank, doorgesluisd had naar een andere rekeninghouder. Het rekeningnummer is van de ABN-AMRO [003] tnv [verdachte] .

19. Het proces-verbaal van aangifte van [betrokkene 12] , d.d. 27 november 2009, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van aangever (2-D-007-05, blz. 9740):

Op deze rekening stonden transacties waarbij geld overgeboekt werd naar [verdachte] .

[F] gaf aan dat [verdachte] 4 of 5 weken hiervoor bij hem thuis was geweest voor zaken.

Alle bankzaken worden via hetzelfde IP adres gedaan.

Het IP adres is [...]

Dit zijn de bankzaken van [verdachte] , [F] ( [F] ) en uitzendbureau Europa en dit staat op naam van [betrokkene 4] .

20. Het proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [betrokkene 4] d.d. 6 maart 2013, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van de medeverdachte (V03-02, blz. 3499):

[medeverdachte 1] en [verdachte] hebben me ooit wel eens verteld waar ze mee bezig waren, maar ze hebben me nooit verteld om hoeveel geld het ging. Ik heb ooit een keer een gesprek opgevangen over deze zakjes die ze bij de bank inleverden.

21. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 23 juli 2013, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van verdachte (V-02-03, blz. 3441):

Het kan dus wel zo zijn dat ik één of meerder sealbags heb gestort.

Feit 6

22. Het proces-verbaal van ambtshandelingen met betrekking tot de ontvangst bescheiden van Holland Casino d.d. 11 oktober 2013 zakelijk weergegeven inhoudende (AH 012-01 blz. 2632 t/m 2641):

Betaling via bankrekening

Bij het Heiland Casino in totaal een bedrag van € 813.150,= betaald vanaf de navolgende bankrekeningen:

[…]

Voornoemde rekeninghouders zijn op het moment van betaling niet aanwezig in het casino.

Uit de bezoekregistratie van [medeverdachte 1] en [verdachte] Vrlnds komt naar voren dat [medeverdachte 1] vanaf 1 januari 2008 in totaal 178 keer een Holland Casino heeft bezocht. [verdachte] heeft vanaf 1 januari 2008 in totaal 147 keer een Holland Casino heeft bezocht.

Aanwezigheid in casino op moment van betalen

Op het moment dat er betalingen plaats vinden bij het Holland Casino waren de volgende verdachten aanwezig en werd er gepind van:

[…]

23. Het overzichtsproces-verbaal d.d. 4 november 2013, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van de verbalisanten (OPV blz. 171):

Op 7 maart 2011 worden er twee sealbagstortingen ( € 15.000,= en € 10.000,=) aangemeld en op de rekening van [G] bijgeschreven.

Op de dag van storting van de sealbags zonder inhoud bij de Rabobank (7 maart 2011) wordt van de rekening van [G] een bedrag van € 22.747,12 (€ 12.997,12 en € 9.750,=) overgeboekt naar de Raborekening van [betrokkene 4] . Vervolgens wordt van de rekening van [betrokkene 4] op dezelfde dag, via telebankieren, twee keer een bedrag ( € 6.432,= en € 5.005,=) overgemaakt naar de zakelijke rekening van [H] , de onderneming van [betrokkene 4] .

24. Het proces-verbaal van aangifte van [betrokkene 14] d.d. 16 maart 2011, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van aangever (2-D-l 1 blz. 10013,10016 en 10017):

Op maandag 7 maart 2011 zijn door de bezitter van de pas van " [G] " op internet 2 sealbags voorgemeld en drie afstortingen gedaan Om 09:14:31 stortingsnummer [...] met [...] Euro 15.000,00

Om 11:31:53 stortingsnummer [...] met [...] Euro 10.000,00

Om 15:42:23 stortingsnummer [...] met [...] Euro 14.900,00

Op maandag 7 maart 2011 overboeking via internet van rekeningnummer [004] naar rekening [005] ten name van [betrokkene 4] een bedrag van 12.997,12 euro.

Op maandag 7 maart 2011 overboeking via internet van rekeningnummer [004] naar rekening [005] ten name van [betrokkene 4] een bedrag van 9.750,00 euro

Op maandag 7 maart 2011 opname van rekeningnummer [004] bij Casino Eindhoven 2.400,00 euro

waardoor er een schuld aan de bank is ontstaan van ca 25.000,00 euro.

25. Het proces-verbaal van ambtshandelingen d.d. 4 november 2013, zakelijk weergegeven als verklaring van de verbalisanten (AH 251 blz. 2420):

Om auto's uit het zicht te houden van de autoriteiten worden auto's veelvuldig niet op naam gezet van de werkelijke eigenaar maar op naam van een aantal katvangers en van andere familieleden binnen de organisatie [medeverdachte 1 en 2] . Zo zijn er auto's op naam gezet van de volgende personen terwijl zij niet de werkelijke eigenaar van de auto waren of zijn:

Naam aantal

[medeverdachte 4] 18

[...] 11

[...] 4

[...] 3

[...] 2

[...] 2

26. Het proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [betrokkene 15] d.d. 16 mei 2013, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van de medeverdachte (V-014-02, blz. 3860 en 3861):

Vraag verbalisanten: Volgens het kentekenregistratiesysteem (RDW) staan er in Nederland auto's op Uw naam. Hebben er in het verleden meer auto's op Uw naam gestaan?

Antwoord gehoorde:

Heb ik dat? Nee. Ik heb geen auto's.

Vraag verbalisanten: Wat kunt u verklaren over een Auto Audi A6 Quatro TDI kleur grijs, voorzien van het kenteken [kenteken] .

Noot verbalisanten: Deze auto stond op 10-5-2012 bij adrescontrole voor de deur op het adres van [medeverdachte 3] , [a-straat 1] Tilburg. [medeverdachte 1] vertelde tegen de politie dat de auto van [betrokkene 15] was.

Antwoord gehoorde:

Ik kan niets over die auto zeggen. [medeverdachte 1] was wel met mooie dikke auto's bij me. Maar deze auto is niet van mij.

27. Het proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [betrokkene 16] d.d. 24 april 2013, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van de medeverdachte (V-015-02, blz. 3887):

Voor de Audi A8 met kenteken [kenteken] , de Audi A8 met kenteken [kenteken] en de Volvo S80 met het kenteken [kenteken] geldt dat ik niet heb geweten dat deze op mijn naam geregistreerd hebben gestaan. [medeverdachte 1] of anderen hebben mij ook niet gevraagd of zij deze auto's op mijn naam mochten zetten.

28. Het proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [medeverdachte 4] d.d. 26 maart 2013, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van de medeverdachte (V-05-07, blz. 3703):

Noot verbalisanten: Wij houden gehoorde voor dat [medeverdachte 1] en [verdachte] op 10-11-2010 tijdens een politiecontrole werden gecontroleerd terwijl zij reden in een Volvo S80 met kenteken [kenteken] die op haar naam heeft gestaan.

Vraag verbalisanten: Wat kunt u vertellen over deze auto en welke andere auto's staan, of hebben op uw naam gestaan?

Antwoord gehoorde: Ik heb dit van uw collega's gehoord. Ik weet niks van auto's, dus ik weet niet hoe die auto's heten. Ik weet dat er auto's op mijn naam hebben gestaan. [medeverdachte 1] handelde in auto's. Omdat hij niet meer dan 1 auto op zijn naam mocht hebben staan, vroeg hij of de auto's op mijn naam mochten. Ik ben een paar keer naar het postkantoor geweest daarvoor. Ik deed het om hem een plezier te doen.

29. Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 26 april 2013, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van de verdachte (V-01-07, blz. 3340):

Ik heb de gegevens van [betrokkene 16] misbruikt voor het op zijn naam zetten van mijn auto's. Ik heb zijn gegevens zonder medeweten van hem gebruikt.

30. Het proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [betrokkene 17] d.d. 24 mei 2013, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van de verdachte (V-25-03, blz. 4004):

Vraag verbalisant: wat wilt u vertellen over een Volvo S 80 voorzien van het kenteken [kenteken] .

Antwoord gehoorde:

Dat deze auto op naam heeft gestaan van [medeverdachte 5] wist ik wel Dat de auto ook op naam heeft gestaan van [betrokkene 16] en [medeverdachte 4] wist ik niet.

[verdachte] heeft aan mij gevraagd of ik de auto van hem op mijn naam wilde zetten.

De kosten, motorrijtuigenbelasting en verzekering werden automatisch via incasso van mijn bankrekening afgeschreven. [verdachte] betaalde deze kosten van te voren contant aan mij. Deze auto staat momenteel in Servië. [verdachte] is met deze auto naar Servië gereden.

Feit 7

31. Het proces-verbaal van ambtshandelingen AH 134 (blz. 1171), zakelijk weergegeven inhoudende:

Bij de doorzoeking van Object C, [b-straat 1] (de woning van de vader van verdachten [medeverdachte 1] en [verdachte] ) is op de eerste verdieping een "kantoorruimte" aangetroffen met daarin onder meer 2 bureaus.

{…]

32. Het proces-verbaal stelselmatige observatie d.d. 3 januari 2013 (blz. 3237 t/m 3239), zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van de verbalisanten:

Ik zag dat de Astra [kenteken] stopte op het terrein van een tankstation met de naam Total aan de snelweg A2 ter hoogte van Nieuwegein. Ik zag dat de Astra [kenteken] parkeerde achter een blauwe personenauto van het merk Audi, type A8, voorzien van het Nederlandse kenteken [kenteken] (hierna te noemen: de A8 [kenteken] ). Ik zag dat een mannelijke blanke bestuurder en een mannelijke blanke bijrijder uit de Astra [kenteken] stapten. Aan de hand van door het tactisch team verstrekte foto’s herkende ik de bestuurder als zijnde [medeverdachte 1] geboren op [geboortedatum] 1979 (hierna te noemen: [medeverdachte 1] ) en de bijrijder als zijnde [verdachte] geboren op [geboortedatum] 1972 (hierna te noemen: [verdachte] ). Ik zag dat een blanke man met een kaal hoofd (hierna te noemen: NNI) als bestuurder uit de A8 [kenteken] stapte en contact maakte met [medeverdachte 1]

en [verdachte] .

Ik zag dat NNI als bestuurder in de Astra [kenteken] stapte waarna deze in beweging kwam en vertrok.

Ik zag een vrouw als passagier uit de A8 [kenteken] stappen waarna zij een vermoedelijke sigaret rookte.

Ik zag [medeverdachte 1] als bestuurder, [verdachte] als bijrijder en de vrouw als passagier in de A8 [kenteken] stappen waarna deze in beweging kwam en vertrok.

Ik zag de A8 [kenteken] stoppen naast de Astra [kenteken] op de vluchtstrook van snelweg A2 voor afrit 9 te Nieuwegein. Ik zag dat de arm van [verdachte] uit het raampje stak richting NN1 die als bestuurder in de Astra [kenteken] zat.

Ik zag dat de A8 [kenteken] in beweging kwam en vertrok.

Ik zag de A8 [kenteken] stoppen op de Dirck van Zuylenstraat te Utrecht.

Ik zag [medeverdachte 1] en een vrouw gekleed in een spijkerrok een schoudertas en een Oost-Europees uiterlijk (hierna te noemen: NN2) uit de A8 [kenteken] stappen waarna zij wegliepen richting de Kroonstraat.

Ik zag [medeverdachte 1] en NN2 richting de A8 [kenteken] lopen. Ik hoorde dat beide een Duitse taal spraken.

Nadat [medeverdachte 1] als bestuurder en NN2 als passagier in de A8 [kenteken] waren gestapt zag ik dat [verdachte] en een vrouw gekleed in een lange jas met bontkraag en een Oost-Europees uiterlijk (hierna te noemen: NN3) uit de A8 [kenteken] stapten waarna zij wegliepen.

Ik zag [verdachte] en NN3 een gebouw van de Kamer van Koophandel gelegen in de Kroonstraat te Utrecht (hierna te noemen: pand 1) binnen gaan.

Ik hoorde dat [verdachte] zich in pand 1 bij de receptie [betrokkene 18] (fonetisch) noemde toen de receptioniste naar zijn achternaam vroeg en zag dat NN3 van de receptioniste een formulier kreeg om in te vullen. Ik zag daarna dat [verdachte] en NN3 in de wachtruimte van pand 1 gingen zitten en samen het voornoemde formulier invulden.

Ik zag dat NN3 een buitenlands identiteitsbewijs in haar hand had.

Ik zag en hoorde dat [verdachte] en NN3 A160 als klantnummer kregen en dat [verdachte] en NN3 door een personeelslid van de Kamer van Koophandel welke zich voorstelde als [...] (fonetisch) werden opgehaald. Ik zag daarna dat ze alle drie bij balie 5 en 6 gingen zitten.

Wij zagen [verdachte] en NN3 vanuit pand 1 naar buiten komen lopen.

Ik zag [verdachte] als bijrijder en NN3 als passagier in de A8 [kenteken] stappen waarna deze in beweging kwam en vertrok.

Ik zag de A8 [kenteken] geparkeerd staan op een parkeerplaats gelegen aan de Oostsingel te Woerden. Ik zag dat [verdachte] en NN3 uitstapten en wegliepen.

Ik zag dat [verdachte] en NN3 bij een ABN-AMRO bankfiliaal met perceelnummer 4 aan de Westdam te Woerden (hierna te noemen: pand 2) binnen ging.

Ik zag dat [verdachte] en NN3 in pand 2 met een bankmedewerker aan een tafel zaten te praten.

Wij zagen [verdachte] en NN3 vanuit pand 2 weglopen. Wij zagen dat [verdachte] een vermoedelijk wit papier van A4 formaat in zijn hand vast hield.

Ik zag [verdachte] als bijrijder en NN3 als passagier in de A8 [kenteken] stappen waarna deze in beweging kwam en vertrok.

33. Het proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [betrokkene 19] d.d. 17 juli 2013, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van de medeverdachte ( V-07-04, blz. 3784):

Vraag verbalisanten: [medeverdachte 1] heeft verteld dat hijzelf bij de aangifte van deze tweeling aanwezig was. Wat kunt u hierover zeggen?

Antwoord gehoorde: [verdachte] is met mij mee naar binnen gegaan. In de auto hebben [medeverdachte 1] en [verdachte] overlegd wat er moest worden aangegeven. Ze hebben in het Duits overlegd, zodat ik het ook kon verstaan. Ze praatten in de auto ook af en toe Nederlands. [medeverdachte 1] heeft toen de gegevens van de aangifte op een papiertje geschreven. Met dat papier is [verdachte] met mij naar binnen gegaan. [verdachte] heeft dat papier aan de ambtenaar gegeven.

34. Het proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [betrokkene 24] d.d. 22 mei 2013, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van de medeverdachte ( V-25-01, blz. 3982 ):

[verdachte] en [medeverdachte 1] zijn altijd samen op pad.

35. Het proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [betrokkene 20] d.d. 22 juli 2013, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van de medeverdachte ( V-06-02, blz. 3762 ):

Ik ben in 2008 wel bij de gemeente Tilburg geweest, maar in welke periode weet ik niet. Ik heb geen documenten hiervan gekregen. Ik wist toen niet dat dat bij de gemeente Tilburg was. Ik ben daar toen met [medeverdachte 1] en [verdachte] geweest.

36. Het proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [betrokkene 21] , zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van de medeverdachte ( V-27-06, blz. 3):

Dit is het kantoor op de eerste etage van de woning van [betrokkene 4] . Wat [medeverdachte 1] en [verdachte] in de kamer deden weet ik niet. Ik zag wel dat zij als broers samenwerkten. Ik denk dat [medeverdachte 1] meestal bij de computer naast het raam zat en [verdachte] zat er dan naast te werken.”

De door het hof bevestigde bewijsoverwegingen van de rechtbank houden in:

“5.2 Feit 1

5.2.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat dit feit wettig en overtuigend bewezen is. [verdachte] is aanwezig geweest bij de aangifte van de tweeling van [betrokkene 7] en hij wist dat die tweeling in werkelijkheid niet geboren was. Daarnaast is hij betrokken geweest bij de inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie (hierna: GBA) van een aantal andere vrouwen, die later valselijk aangifte hebben gedaan van de geboorte van een tweeling.

5.2.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat niet bewezen kan worden dat [verdachte] wist van de valsheid van de geboorteaangiften door [betrokkene 7] . Om die reden dient hij van dit feit vrijgesproken te worden.

5.2.3

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Onder feit 1 is aan verdachte [verdachte] ten laste gelegd dat hij in de periode van 1 januari 2010 tot en met 5 maart 2013 in verschillende plaatsen in Nederland, tezamen met een ander of anderen, in veertien geboorteakten valselijk de geboorte van een in werkelijkheid niet geboren kind heeft laten opnemen, waaronder een tweeling genaamd [betrokkene 1] en [betrokkene 2] .

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat [verdachte] op 21 maart 2011 in ‘s-Hertogenbosch de uit Roemenië afkomstige [betrokkene 7] heeft begeleid bij het doen van aangifte van geboorte van haar tweeling [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . Hij heeft haar de weg gewezen en voor haar getolkt. De geboorteaangiften waren vals, omdat de tweeling in werkelijkheid niet was geboren. De rechtbank acht bewezen dat [verdachte] daarvan op de hoogte was. Hij heeft [betrokkene 2] ook begeleid bij haar GBA-inschrijving en voor haar een huurovereenkomst opgesteld (voor de woning aan de [c-straat 1] in Tilburg), terwijl zij daar nooit gewoond heeft. Daarnaast verklaren [medeverdachte 1] en [verdachte] verschillend over de reden van [verdachte] ’s aanwezigheid bij de geboorteaangifte van de tweeling [betrokkene 2] .

Uit het dossier blijkt tevens dat [verdachte] niet aanwezig is geweest bij de geboorteaangifte van de overige zes neptweelingen en de rechtbank acht niet bewezen dat er met betrekking tot die aangiften sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] .

Het onder feit 1 ten laste gelegde kan derhalve bewezen worden verklaard voor zover het ziet op de tweeling [betrokkene 1] en [betrokkene 2] .

5.3.

Feit 2

5.3.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat de onder feit 2 primair ten laste gelegde valsheid in geschrifte wettig en overtuigend bewezen is. Zij verwijst in dit verband onder meer naar de betrokkenheid van [verdachte] bij feit 1 en het feit dat ook voor [verdachte] eigen kind ten onrechte kinderopvangtoeslag is aangevraagd.

5.3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman vindt dat [verdachte] integraal van dit feit moet worden vrijgesproken, omdat hij geen rol heeft gehad bij de aanvragen van de kinderopvangtoeslag voor de neptweelingen, noch bij de aanvragen voor de bestaande kinderen.

5.3.3

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Onder feit 2 is primair aan [verdachte] ten laste gelegd dat hij in de periode van 1 januari 2008 tot en met 5 maart 2013 valselijk aanvragen kinderopvangtoeslag heeft opgemaakt, zeven aanvragen voor neptweelingen (onder wie de neptweeling [betrokkene 2] ) en zeven aanvragen voor bestaande kinderen (onder wie [betrokkene 3] ).

De rechtbank acht bewezen dat [verdachte] samen met [medeverdachte 1] op 14 april 2011, 14 november 2011 en 29 februari 2012 valselijk aanvragen kinderopvangtoeslag heeft opgemaakt voor de neptweeling [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . Dit oordeel is gebaseerd op het feit dat [verdachte] betrokken is geweest bij de GBA-aangifte van [betrokkene 7] en de geboorteaangifte van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , op het feit dat hij voor [betrokkene 7] een woning heeft geregeld (waar zij nimmer heeft gewoond) en op het feit dat hij in oktober 2011 de door de Belastingdienst uitgekeerde kinderopvangtoeslag voor de neptweeling [betrokkene 2] contant heeft opgenomen van de privé rekening van [betrokkene 7] .

Op 31 maart 2011 en op 12 december 2011 zijn voor de zoon van [verdachte] , [betrokkene 3] , aanvragen kinderopvangtoeslag ingediend bij de Belastingdienst. De eerste aanvraag is ingediend op naam van [verdachte] en de tweede op naam van [medeverdachte 4] , de moeder van [verdachte] . Vaststaat dat [betrokkene 3] nooit kinderopvang heeft genoten. [medeverdachte 4] ontkent dat zij de aanvraag op haar naam gedaan heeft. Uit het dossier blijkt dat [verdachte] de beschikking had over de DigiD gegevens van [medeverdachte 4] en dat hij veelvuldig van haar bankrekening gepind heeft. De rechtbank acht op grond van deze feiten en omstandigheden bewezen dat [verdachte] de aanvragen kinderopvangtoeslag voor zijn zoon [betrokkene 3] valselijk heeft opgemaakt.

Het dossier bevat naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende bewijs dat [verdachte] betrokken is geweest bij het valselijk opmaken van de overige onder feit 2 primair bedoelde aanvragen kinderopvangtoeslag.

5.4

Feit 3

5.4.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is onder meer op grond van de eigen verklaring van [verdachte] van mening dat alle vier onder feit 3 primair ten laste gelegde vormen van valsheid in geschrifte wettig en overtuigend bewezen zijn.

5 [4].2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman vindt dat het valselijk opmaken van de schenkingsovereenkomst bewezen kan worden en hij heeft zich met betrekking tot de werkgeversverklaring en de salarisstrook van [E] gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De salarisstrook van [H] is niet door [verdachte] opgemaakt en hij dient dan ook van dit onderdeel van feit 3 te worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

5 [4].3. De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Onder feit 3 primair is aan verdachte ten laste gelegd dat hij in de periode van 1 januari 2005 tot en met 5 maart 2013 vier verschillende stukken valselijk heeft opgemaakt. Hieronder wordt voor elk van deze stukken de bewijsbeslissing weergegeven.

a. een schenkingsovereenkomst tussen [betrokkene 4] en [verdachte] d.d. 16 november 1998

[verdachte] heeft bekend dat hij de schenkingsovereenkomst heeft opgesteld en dat hij deze gedateerd heeft op 16 november 1998. Hij heeft eveneens het firmastempel van Financieel Adviseur [betrokkene 5] gemaakt en de handtekening van [betrokkene 5] gezet. Hij heeft dat gedaan tussen oktober 2012 en mei 2013. De overeenkomst was nodig voor de veiling Christie’s in Londen. De vader van [verdachte] , [betrokkene 4] , heeft verklaard dat hij op verzoek van [verdachte] getekend heeft. De rechtbank acht op grond van het bovenstaande bewezen dat verdachte een valse schenkingsovereenkomst heeft opgesteld.

b. en c. een werkgeversverklaring van [E] d.d. 31 maart 2006 en een salarisstrook van [E] over de maand maart 2006, beide ten name van [medeverdachte 5]

Op de werkgeversverklaring is vermeld dat [medeverdachte 5] een bruto jaarsalaris ontving van € 37.800,- en/of een vakantietoeslag van € 3.024,-. Op de salarisstrook is een bruto maandsalaris van € 3.150,— ten name van [medeverdachte 5] vermeld.

De werkgeversverklaring en de salarisstrook zijn opgemaakt in verband met een hypotheekaanvraag van [medeverdachte 5] bij UCB Hypotheken BV. De hypotheek betrof de woning aan [d-straat 1] te Tilburg ad € 191.000,-. [medeverdachte 5] heeft in 2006 vier keer salaris ontvangen, over de maanden januari t/m april. De hypotheekverstrekking was op 21 april 2006.

[verdachte] heeft verklaard dat de inkomsten van [E] deels in scène zijn gezet om de hypotheek te verkrijgen. Hij heeft [medeverdachte 5] geholpen om de hypotheek rond te krijgen en het initiatief van dit verhaal is volledig afkomstig van hem. De salarisbetalingen zouden door [medeverdachte 5] volledig zijn terugbetaald. [medeverdachte 5] heeft verklaard dat [verdachte] de loonstroken heeft gemaakt en aan haar heeft gegeven.

De rechtbank acht bewezen dat [verdachte] de werkgeversverklaring en de loonstrook valselijk heeft opgemaakt en dat [medeverdachte 5] in werkelijkheid niet het vermelde jaarsalaris en vakantietoeslag respectievelijk het vermelde bruto maandsalaris ontving.

d. een salarisstrook van [H] ten name van [medeverdachte 5] over de maand april 2009

Op deze salarisstrook is vermeld dat [medeverdachte 5] voor [H] heeft gewerkt, terwijl zij in werkelijkheid nimmer voor [H] zou hebben gewerkt.

De salarisstrook is opgemaakt in verband met een doorlopend krediet aanvraag bij de Nederlandse Voorschot Bank.

[verdachte] ontkent deze salarisstrook te hebben gemaakt. [medeverdachte 5] heeft verklaard dat [verdachte] de kredietaanvraag heeft geregeld en dat [medeverdachte 1] heeft gezorgd voor de salarisstrook.

De rechtbank acht niet bewezen dat [verdachte] de salarisstrook van [H] valselijk heeft opgemaakt en zal hem van dit onderdeel vrijspreken.

5.5

Feit 4

5.5.1

Het standpunt van de officier van justitie

Volgens de officier van justitie kan bewezen worden dat [verdachte] samen met anderen de Rabobank en de ABN Amrobank voor een bedrag van in totaal € 1.423.952,38 heeft opgelicht.

5.5.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. [verdachte] heeft op verzoek van zijn broer [medeverdachte 1] wel eens geld gepind en sealbags afgestort, maar hij dacht dat dit de opbrengst van diens autohandel betrof.

5.5.3

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank begrijpt de tenlastelegging onder feit 4 aldus dat verdachte wordt verweten dat hij in de periode van 1 januari 2008 tot en met 5 maart 2013 samen met een ander of anderen de Rabobank en de ABN Amrobank met gebruikmaking van meerdere bankrekeningen heeft opgelicht voor een bedrag van € 1.767.810,-, althans 6 1.423.952,38, waarbij voor elk van die banken het gebruik van één rekening feitelijk is uitgewerkt.

De rechtbank overweegt met betrekking tot dit feit het volgende.

De ABN Amrobank en de Rabobank hebben over de periode van 17 oktober 2008 tot en met september 2012 vijftien aangiften gedaan. De banken hebben aangegeven benadeeld te zijn door verschillende, verspreid over Nederland gevestigde ondernemingen. De in voornoemde aangiften overeenkomende werkwijze was telkens dat ondernemingen werden ingeschreven bij de Kamer van Koophandel (KvK). Vervolgens werden voor de betreffende ondernemingen en voor privépersonen bankrekeningen geopend. Daarnaast kwam het betreffende bedrijf met de bank overeen dat sealbags afgestort konden worden. In eerste instantie werd het bedrag dat middels sealbags werd afgestort pas bijgeschreven na telling. Na drie maanden werd bij de banken een verzoek ingediend om stortingen ‘onder gewoon voorbehoud’, afgekort OGV-stortingen, te mogen doen.

Bij OGV-stortingen krijgt de klant toestemming van de bank om haar, via elektronische weg, door te geven wat men voornemens is te storten. Het geld wordt door de klant verpakt in een sealbag. Deze sealbags zijn voorzien van een barcode. Bij storting van de sealbag bij de bank wordt de barcode gelezen en het reeds doorgegeven bedrag op de rekening bijgeschreven.

Pas na enige dagen wordt door de telcentrale van de bank de daadwerkelijke inhoud van de sealbag gecontroleerd.

In de fase tussen het doen van de opgaaf richting bank/het moment van storting en de daadwerkelijke telling werden in een korte periode meerdere sealbag stortingen gedaan. Bij telling bleek vervolgens dat er geen of een zeer gering geldbedrag in de sealbag zat, waardoor ten onrechte een groot geldbedrag op de rekening van dat betreffende bedrijf werd bijgeschreven. Op het moment dat de fraude ontdekt werd, was dit geldbedrag al doorgesluisd naar andere rekeningen of opgenomen via geldautomaten bij banken of in het casino, zodat correctie door de bank niet meer mogelijk was. De klant of het betreffende bedrijf was vervolgens niet meer te traceren en gestaakt, waardoor de bank met het nadeel bleef zitten. De ondernemingen stonden veelal op naam van familieleden van [medeverdachte 1] en [verdachte] en moeders van neptweelingen.

Het in de tenlastelegging genoemde bedrag van € 1.767.810,- is het aangegeven bedrag dat zou zijn gestort door middel van sealbags. Het door de banken opgegeven schadebedrag bedraagt € 1.423.952,38. Dat dit bedrag lager uitvalt dan het bedrag van € 1.767.810,- heeft te maken met het feit dat banken kans hebben gezien bedragen tegen te houden, waardoor het schadebedrag niet verder is opgelopen dan € 1.423.952,38.

- de eenmanszaak [medeverdachte 4] h/o [G]

De Rabobank is door middel van sealbags op naam van de eenmanszaak [medeverdachte 4] h/o [G] bewogen tot de overboeking van een bedrag van in totaal € 25.000,-. Deze sealbags bleken geen contant geld te bevatten.

De rechtbank is echter van oordeel dat het dossier onvoldoende bewijs bevat dat [verdachte] betrokken is geweest bij de sealbagstortingen op naam van deze eenmanszaak, op de wijze zoals in de tenlastelegging feitelijk is omschreven. Ook voor een nauwe en bewuste samenwerking door [verdachte] met [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 4] in dit verband bevat het dossier onvoldoende bewijs.

De rechtbank zal [verdachte] van dit onderdeel van feit 4 vrijspreken.

- de eenmanszaak [F]

De ABN Amrobank is door middel van sealbags op naam van de eenmanszaak [F] bewogen tot de overboeking van een bedrag van in totaal € 104.740,-. Ook deze sealbags bleken geen contant geld te bevatten.

Uit het dossier blijkt dat [verdachte] op de hoogte was van het feit dat zijn broer [medeverdachte 1] eerder voor fraude veroordeeld was. Verder heeft [verdachte] na aanvankelijke ontkenning verklaard dat hij op verzoek van [medeverdachte 1] meerdere sealbags heeft afgestort en vervolgens het geld direct weer heeft opgenomen. [betrokkene 4] , de vader van [verdachte] , heeft verklaard dat [medeverdachte 1] en [verdachte] hem ooit wel eens verteld hebben waar ze mee bezig waren en dat ze zakjes bij de bank inleverden. Bovendien blijkt uit het dossier dat de € 104.740,- aan sealbagbedragen, dat op de rekening van [F] is bijgeschreven, vervolgens is overgeboekt op de rekening van [verdachte] . Deze overboeking heeft plaatsgevonden via het IP adres dat op naam stond van [betrokkene 4] , [b-straat 1] in Tilburg. [verdachte] heeft die op zijn rekening overgeboekte bedragen direct contant opgenomen.

[verdachte] heeft verklaard dat hij in de veronderstelling leefde dat de door [F] in 2009 op zijn rekening overgemaakte bedragen de terugbetaling betroffen van een door hem in 2005 - contant - aan [F] verstrekte lening van € 120.000,—. Dat bedrag zou afkomstig zijn van zijn taxibedrijf en had hij nog contant liggen. Er is van die lening geen overeenkomst opgemaakt en verder wist niemand van de lening, aldus [verdachte] .

De rechtbank stelt deze verklaring als volstrekt ongeloofwaardig terzijde en acht dit onderdeel van feit 4 bewezen.

Daarnaast acht de rechtbank bewezen dat verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte 1] met gebruikmaking van sealbags op naam van [medeverdachte 3] h/o [I] de ABN Amrobank en de Rabobank heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen van € 89.590,- en € 44.980,-.

5.6

Feit 5

5.6.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat het onder feit 5 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen is.

5.6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gesteld dat er met betrekking tot de oplichting van de Belastingdienst geen sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] . [verdachte] dient dan ook van dit feit te worden vrijgesproken.

5.6.3

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Het onder feit 5 ten laste gelegde ligt in het verlengde van feit 2: de Belastingdienst heeft in verband met de aanvragen kinderopvangtoeslag voor onder meer de tweeling [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en voor [betrokkene 3] in totaal een bedrag van € 213.802,- uitbetaald.

De rechtbank heeft bewezen verklaard dat [verdachte] , tezamen met [medeverdachte 1] , de aanvragen kinderopvangtoeslag voor de neptweeling [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en voor [betrokkene 3] valselijk heeft opgemaakt. Deze aanvragen zijn ingediend bij de Belastingdienst en op die aanvragen heeft de Belastingdienst geldbedragen uitbetaald, voor de neptweeling [betrokkene 2] in totaal € 48.034,- en voor [betrokkene 3] € 12.601,-.

De rechtbank acht dan ook het onder feit 5 ten laste gelegde, voor zover dit ziet op de genoemde aanvragen en geldbedragen, bewezen.

5.7

Feit 6

5.7.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerequireerd tot bewezenverklaring van het onder feit 6 ten laste gelegde gewoontewitwassen. Dat witwassen blijkt uit meerdere feiten, zoals het pinnen van contante gelden, het voorwenden van salarisbetalingen, het winkelen in Oberhausen, het betalen van rekeningen en het op naam van anderen zetten van onroerend goed.

5.7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak van dit feit bepleit. [verdachte] heeft niets te maken met witwassen en het dossier bevat meer dan voldoende aanwijzingen dat de geldstromen telkens niet bij hem, maar bij [medeverdachte 1] terecht zijn gekomen.

5.7.3

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Feit 6 van de tenlastelegging behelst het verwijt dat [verdachte] in de periode van 1 januari 2006 tot en met 5 maart 2013 een gewoonte heeft gemaakt van witwassen. Dit verwijt is feitelijk uitgewerkt in een drietal onderdelen, te weten in de eerste plaats het contant opnemen van geldbedragen in casino’s voor in totaal € 813.150,-, in de tweede plaats het over (laten) boeken van geldbedragen op bankrekeningen van andere natuurlijke en rechtspersonen en eenmanszaken en in de derde plaats het beschikken over 35 auto’s en een motorfiets.

- het contant opnemen/pinnen van geldbedragen voor in totaal €813.150,-

Uit de bezoekregistratie van Holland Casino komt naar voren dat [verdachte] in de periode van 1 januari 2008 tot 5 maart 2013 in totaal 147 keer bij Holland Casino staat geregistreerd als bezoeker. De rechtbank acht niet aannemelijk dat [medeverdachte 1] meerdere malen van het toegangspasje van [verdachte] gebruik heeft gemaakt, zoals [verdachte] heeft verklaard. Bij gebruik van het pasje krijgt de toegangsmedewerker van het casino immers een foto te zien en de beide broers lijken niet op elkaar. Daarnaast heeft het OT (Observatieteam) op 21 januari 2013 vastgesteld dat [verdachte] in het casino te Breda is geweest, waar hij met de bankpas van zijn moeder [medeverdachte 4] € 2.500,- heeft opgenomen.

Tijdens zijn bezoeken aan de diverse casino’s heeft [verdachte] regelmatig grote geldbedragen opgenomen van de bankrekeningen van andere natuurlijke personen en van eenmanszaken.

- het (laten) overboeken van geldbedragen op bankrekeningen van andere natuurlijke of rechtspersonen

De rechtbank acht dit onderdeel van feit 6 bewezen. Dit oordeel is gegrond op de reeds bewezenverklaarde feiten met betrekking tot de kinderopvangtoeslag voor de neptweeling [betrokkene 2] en [betrokkene 3] , de gang van zaken omtrent de overboeking van de gelden van [F] en de vele contante opnames die [verdachte] heeft verricht.

- het beschikken over 35 auto ’s en een motorfiets

Uit het dossier blijkt dat [verdachte] , evenals zijn broer [medeverdachte 1] , auto’s gebruikt heeft (Audi’s en Volvo’s) die op naam stonden van onder meer [medeverdachte 4] , de eenmanszaak [J] en [betrokkene 23] en van [betrokkene 24] , zwager van [verdachte] . Die personen wisten daar niet van of waren daarvoor gevraagd. [betrokkene 24] heeft verklaard dat hij een Volvo S80 op verzoek van [verdachte] op zijn naam heeft laten zetten. [verdachte] reed in die auto en vergoedde alle kosten aan Punt.

Ook dit onderdeel van feit 6 acht de rechtbank bewezen.

Gewoonte

Gezien het feit dat de witwashandelingen van verdachte zich over een periode van meerdere jaren hebben uitgestrekt en gezien de frequentie van die witwashandelingen is de rechtbank van oordeel dat het laste gelegde gewoontewitwassen wettig en overtuigend bewezen is.

5.8

Feit 7

5.8.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat ook de deelneming aan de criminele organisatie bewezen is en dat [verdachte] samen met [medeverdachte 1] leider van die organisatie is geweest.

5.8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat [verdachte] alleen familierechtelijke betrekkingen heeft gehad met zijn broer [medeverdachte 1] , zijn vader [betrokkene 4] , zijn moeder [medeverdachte 4] en zijn schoonzus [medeverdachte 3] . Er is geen sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking binnen een criminele organisatie én [verdachte] heeft geen aandeel gehad in het verwezenlijken van het oogmerk van de organisatie. Ook van dit feit moet dan ook vrijspraak volgen.

5.8.3

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Onder feit 7 is aan verdachte ten laste gelegd dat hij in de periode van 1 januari 2006 tot en met 5 maart 2013 samen met zijn broer, zijn vader en moeder, zijn schoonzus en met anderen heeft deelgenomen aan een organisatie die onder meer het plegen van valsheid in geschrifte, het oplichten van banken en de Belastingdienst en het plegen van gewoontewitwassen tot oogmerk had. Van deze organisatie zou hij (mede) leider zijn geweest.

Volgens bestendige jurisprudentie moet onder een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr worden verstaan een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en tenminste één andere persoon. Het oogmerk van die organisatie, te weten het plegen van misdrijven, hoeft in de tenlastelegging niet nader omschreven te zijn, maar zal uit de bewijsmiddelen moeten blijken. Voor het bewijs van dit oogmerk zal o.a. betekenis kunnen toekomen (a) aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd, (b) aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking, zoals daarvan kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie, en, meer algemeen, (c) aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie. Niet hoeft te worden bewezen dat verdachte in meerdere misdrijven heeft geparticipeerd. Er is sprake van deelnemen aan de organisatie indien de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteuning biedt aan, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Voor deelneming is voldoende dat betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. De betrokkene behoeft dus geen wetenschap te hebben van één of verscheidene concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd.

De rechtbank leidt uit het dossier af dat er in de periode van 1 januari 2008 tot en met 5 maart 2013 een samenwerkingsverband heeft bestaan tussen de broers [medeverdachte 1] en [verdachte] . Zij beiden vormden de kern van dat samenwerkingsverband en om hen heen bevonden zich personen die - al naar gelang de activiteiten en onder aansturing van [medeverdachte 1] en/of [verdachte] - hand- en spandiensten verrichtten. Dit patroon heeft zich in de loop van de weergegeven periode meerdere malen en op verschillende manieren voorgedaan. Het oogmerk van de organisatie bestond in het stelselmatig en planmatig voorbereiden en uitvoeren van fraude met enerzijds kinderopvangtoeslagen en anderzijds sealbags. Bij de voorbereiding van deze vormen van fraude zijn op grote schaal valse geboorteakten opgemaakt. Daarnaast zijn bij de uitvoering valse aanvragen kinderopvangtoeslag en valse facturen en jaaropgaven opgemaakt en ingediend/overgelegd aan/bij de Belastingdienst. Tevens zijn met gebruik van valse inschrijvingen bij de Kamer van Koophandel bankrekeningen geopend bij een tweetal banken. Door de fraude met kinderopvangtoeslagen en sealbags zijn de Belastingdienst en de banken bewogen tot het uitkeren en overmaken van grote geldbedragen. Die geldbedragen zijn niet alleen gebruikt voor dagelijkse huishoudelijke uitgaven en andere privé uitgaven zoals huur en zorgpremies, maar ook voor de aanschaf van onroerend goed, auto’s, boten en goud. Daarmee staat vast dat het oogmerk van de organisatie gericht was op het plegen van misdrijven.

Weliswaar is niet bewezen dat [verdachte] bij alle misdrijven van de organisatie betrokken is geweest, maar de rechtbank is van oordeel dat de deelneming van [verdachte] aan die organisatie, alsmede zijn leidende rol - samen met [medeverdachte 1] - wel bewezen is. Dit oordeel is, naast de hiervoor bewezenverklaarde feiten, ook gegrond op de volgende feiten en omstandigheden:

- Beide broers maakten gebruik van de werkkamer in de woning van vader [betrokkene 4] aan de [b-straat 1] in Tilburg. Ze kwamen hier meerdere keren per week samen om daar te werken en beiden hadden in deze werkkamer een eigen bureau. In en vanuit deze werkkamer zijn de misdrijven van de organisatie gepland en uitgevoerd.

- Beiden konden beschikken over de op de eerste verdieping van die woning aangetroffen bankpassen, op naam van verschillende natuurlijke personen en eenmanszaken.

- Beiden gingen samen met katvangers tweelingen inschrijven bij gemeenten in Nederland, ondernemingen inschrijven bij de Kamer van Koophandel en bankrekeningen openen bij verschillende banken.

- Naast het vorenstaande wordt de samenwerking tussen de broers ook duidelijk uit de verklaringen van [betrokkene 20] , [betrokkene 19] , [betrokkene 7] , [betrokkene 24] en [betrokkene 21] .”

De bewijsoverweging die het hof in de bestreden uitspraak aan de bewezenverklaring van feit 7 heeft toegevoegd, luidt:

“Het hof overweegt ten aanzien van de criminele organisatie aanvullend op de rechtbank als volgt.

Uit de observatie van verdachte blijkt dat hij bij gelegenheid van het inschrijven van een nagelstudio op 21 december 2012 bij de Kamer van Koophandel in Utrecht de naam Steinbach heeft gebruikt. Dit wordt bevestigd door M. van Rijt, medewerker bij de Kamer van Koophandel. Het hof is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de categorische ontkenning van verdachte van enige betrokkenheid bij het ten laste gelegde volstrekt ongeloofwaardig is.”

9. De voormelde pleitnotitie van de raadsman houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“Onvoldoende wettig en overtuigend bewijs

Algemeen: Wetenschap & Opzet

Om te bezien of tot bewezenverklaring ten aanzien van de onder 1 tot en met 7 tenlastegelegde feiten kan worden gekomen is allereerst van belang om vast te stellen of [verdachte] wetenschap had van deze feiten en of hij het opzet had deze te plegen.

[verdachte] heeft tegenover de verhorende rechercheurs van de FIOD en ter zitting in eerste aanleg (alsmede hier ten overstaan van uw Hof steeds antwoord gegeven op aan hem gestelde vragen. Hij verklaarde daarbij onder meer dat hij niet wist dat er valselijk aangifte werd gedaan van geboorten van kinderen, valselijk digitale aanvragen van kinderopvangtoeslag werden ingediend, schriftelijke stukken werden vervalst, er sprake was van oplichting van banken en Belastingdienst, witwassen en/of een criminele organisatie. Met uitzondering van een schenkingsovereenkomst had [verdachte] volgens zijn zeggen geen bewuste betrokkenheid bij het plegen van strafbare feiten.

De verklaringen van [verdachte] staan niet op zichzelf. Zijn broer [medeverdachte 1] heeft vanaf het moment van zijn aanhouding steeds consistent verklaard dat zijn broer [verdachte] geen bemoeienis had met de door hem (soms samen met een ander of anderen) gepleegde misdrijven (zie blz. 3285 e.v. FIOD-Dossier, nader aan te duiden met FD). Zijn verklaring zoals deze op 16 februari 2016 ten overstaan van de raadsheer-commissaris is afgelegd spreekt op dit punt boekdelen:

1. [medeverdachte 1] verklaarde dat zijn broer [verdachte] voor zover hij weet geen weet had van de door hem gepleegde sealbag fraude en fraude met toeslagen;

2. [verdachte] zou volgens [medeverdachte 1] ook niet hebben geweten dat er geboorteaangifte werd gedaan van kinderen die niet bestonden of nog niet geboren waren.

3. [verdachte] zou ook niet hebben meegedeeld in het voordeel dat [medeverdachte 1] met die fraude heeft behaald. [medeverdachte 1] verklaarde dat [verdachte] hem niet zou helpen wanneer hij wist waar het geld van afkomstig was.

[medeverdachte 1] is in dit dossier duidelijk de persoon die betrokkenheid heeft bij alle feiten die op de tenlastelegging van [verdachte] staan. Over een lange periode lijkt hij de pleger te zijn van alle feiten welke bij [verdachte] op de tenlastelegging prijken. Slechts heel af en toe komt [verdachte] om de hoek kijken. Hetzelfde heeft te gelden voor de ouders van [medeverdachte 1] , zijn zus, zwager, een aantal buitenlandse dames en andere betrokkenen.

Opvallend is dat [medeverdachte 1] vanaf het moment dat hij is aangehouden, - en zeer langdurig in beperkingen verblijft-, consequent antwoord gaf op alle vragen die vanuit de opsporing aan hem werden gesteld en daarbij niet belastend voor zijn broer [verdachte] heeft verklaard. Gelet op wat op basis van liet FIOD-dossier allemaal vastgesteld kon worden is dat ook niet vreemd. Immers vast lijkt te staan dat [medeverdachte 1] steeds de initiatiefnemer en grotendeels de uitvoerder is van alle aan [verdachte] tenlastegelegde feiten. Daar waar [verdachte] daarbij in beeld komt is dat slechts sporadisch en in een ondergeschikte rol. Dit blijkt ook uit de verklaringen van een aantal andere personen die door de FIOD zijn verhoord.

In dit verband kan onder meer gewezen worden op:

- De verklaringen van [betrokkene 20] (blz. 3664ev FD), hieruit blijkt dat [medeverdachte 1] de persoon was met wie ze contact had over een door haar opgerichte onderneming, haar bankrekeningen en haar inschrijving bij de gemeente. [verdachte] kende zij niet (blz. 3781 ED);

- De verklaringen van [betrokkene 7] , hieruit blijkt dat [medeverdachte 1] de initiatiefnemer (blz. 3835 FD) was, hij zou haar alles hebben voorgesteld en zou alles geregeld hebben (o.a. blz. 3813 FD). Daar waar zij verklaarde over de rol van [betrokkene 10] (waarmee zij kennelijk [verdachte] bedoelt) betreffen het steeds ondergeschikte ondersteunende handelingen zoals zijn aanwezigheid bij de gemeente. [medeverdachte 1] zou haar alle stukken hebben laten ondertekenen, een bedrijf voor haar hebben opgericht, haar hebben meegenomen naar de bank en aan hem zou ze de bankpasjes hebben gegeven (blz. 11209-11210 FD). De verklaringen van [betrokkene 15] , hieruit blijkt dat zij samen met [medeverdachte 1] heeft gehandeld en dat zij het idee heeft dat [betrokkene 19] met [medeverdachte 1] onder een hoedje heeft gespeeld en haar voor hun karretje hebben gespannen (blz. 3846 FD). Zij zou de broer van [medeverdachte 1] slechts sporadisch hebben gezien. Volgens [betrokkene 23] zou het kunnen dat naast [medeverdachte 1] zijn broer [verdachte] hierbij betrokken is. Opmerking advocaat: “zij weet dat dus niet”.

- De verklaringen van [betrokkene 16] (blz. 3871 ev FD), hieruit blijkt dat hij steeds samen of in overleg met [medeverdachte 1] heeft gehandeld. Hij verklaarde onder meer dat: “de enige die hier mee te maken kan hebben is [medeverdachte 1] . Hij beschikte over de bankrekeningen. de pasjes en pincodes. (blz. 3876) Over [verdachte] verklaarde hij niet in connectie met de tenlastegelegde feiten.

- De verklaringen van [betrokkene 24] , hieruit blijkt dat hij op verzoek van [medeverdachte 1] heeft meegewerkt aan verschillende handelingen. [betrokkene 24] verklaarde zich door [medeverdachte 1] goed genaaid te voelen, maar kan [verdachte] hier niet in plaatsen (blz. 3987 FD).

- De verklaringen van [betrokkene 4] (vader van [verdachte] ). Uit zijn verklaringen blijkt dat het meestal [medeverdachte 1] was die hem iets liet ondertekenen (blz. 3481 + 3509 FD) en [medeverdachte 1] regelde ook altijd zijn bank en belastingzaken (blz. 3516 + 3563 FD). Over [verdachte] wist hij voorafgaand aan zijn aanhouding kennelijk niets als het gaat om mogelijke misdrijven, hij verklaarde immers: “Wat ik nu allemaal van heb gehoord, via jullie, zijn het [medeverdachte 1] en [verdachte] die iedereen hebben misbruikt en de boel hebben opgelicht” (blz. 3528 FD).

- De verklaringen van [medeverdachte 4] (moeder van [verdachte] ), zij verklaarde onder meer: behalve [medeverdachte 1] en ik was niemand betrokken bij [G] (blz. 3665 FD). [medeverdachte 1] regelde haar bankzaken (blz. 3666 ED). En: Ik weet dat er auto’s op mijn naam hebben gestaan. [medeverdachte 1] handelde in auto s (blz. 3703 FD).

- De verklaringen van [betrokkene 19] , in haar eerste verklaring tegenover de FIOD legde ze direct uit dat [medeverdachte 1] haar benaderd had, dat zij in Nederland een krediet kon opnemen, zij daarvoor naar een bank in NL zijn geweest, [medeverdachte 1] geld op haar bankrekening heeft gestort, [medeverdachte 1] haar bij de gemeente Tilburg heeft aangemeld, zij met [medeverdachte 1] naar de bank is geweest om te pinnen en dat zij de opbrengsten daarvan zouden hebben gedeeld. Afgesproken zou zijn ieder de helft (o.a. blz. 11156-11157 FD).

- De verklaringen van [betrokkene 25] (blz. 3930 ev ED), uit haar verklaringen blijkt dat [medeverdachte 1] haar had aangeboden al haar zaken te regelen, aan hem had ze haar bankpasje gegeven. Ze verklaart niet over enige concrete uitvoeringshandeling van [verdachte] maar komt kennelijk tot een conclusie die zij niet op feiten of eigen waarneming baseert: “Ik denk dat [verdachte] ook vanaf het begin toegang had tot mijn bankrekening. Ze deden immers alles samen” (blz. 3934).

Opgemerkt moet worden dat veel van deze personen geen enkele ervaring hadden met dit soort verhoren en bovendien in verzekering of voorlopige hechtenis in beperkingen verbleven toen ze deze verklaringen hebben afgelegd. Dikwijls zijn de eerste verklaringen die mensen in dit soort situaties afleggen de meest betrouwbare.

Bovendien hebben verschillende personen, - zoals [F] -, er een belang bij om deels valselijk en belastend over [verdachte] (en soms ook over [medeverdachte 1] ) [verdachte] te verklaren. Op deze wijze trachten zij hun eigen aandeel te bagatelliseren.

Tevens lijken getuigen soms de verbalisanten ter wille te zijn en te verklaren wat zij kennelijk willen horen. Een fenomeen wat we vaker zien in situaties dat verdachte van hun vrijheid zijn beroofd en er alles aan doen zo snel mogelijk vrij te kunnen komen.

Mogelijk komt dit ook door de suggestieve manier waarop de verhorende rechercheurs soms vragen hebben gesteld. Daarbij lijken zij [medeverdachte 1] en [verdachte] vaak bewust als een twee-eenheid voor te stellen. De rechercheurs maken zich hierdoor regelmatig schuldig aan liet stellen van niet nader gespecificeerde, suggestieve of misleidende vragen aan medeverdachten of getuigen. Hierdoor zal de indruk bij getuigen of medeverdachten zijn ontstaan dat [medeverdachte 1] en [verdachte] samen handelden bij het plegen van misdrijven en veronderstellen zij dat reeds vast staat dat [medeverdachte 1] en [verdachte] zich aan oplichting of andere misdrijven hebben schuldig gemaakt.

Voorbeelden van dit soort vragen:

- [medeverdachte 3] (echtgenote [medeverdachte 1] ): “Bent u op de hoogte van de oplichting of fraude die [medeverdachte 1] en [verdachte] volgens hun vader hebben gepleegd en waarbij volgens de ABN AMRO bank fake stortingen zijn gedaan middels sealbags met de bedoeling gelden te verkrijgen op rekening van [I] ?” (blz. 3593);

- [betrokkene 7] (blz. 3820 FD): “hoe vaak hebt u iets voor [medeverdachte 1] of [betrokkene 10] getekend in de periode juni 2011 tot en niet december 2012”?:

- [betrokkene 15] (blz. 3867 FD): ‘Bent u ooit door [medeverdachte 1] of door [verdachte] benaderd om aangifte te doen van een nep-kind of een nep-tweeling? En bent u voor uw eigen dochter [betrokkene 23] door [medeverdachte 1] of door [verdachte] benaderd om een aanvraag in te dienen voor kinderopvang toeslag?

— [betrokkene 4] (blz. 3499 FD): ‘‘We stellen ii nu een gewetensvraag, sinds wanneer weet u dat uw zoons [medeverdachte 1] en [verdachte] banken oplichten?

— [betrokkene 19] (blz. 3802 FD); “Kent u andere personen die bij de activiteiten van [medeverdachte 1] en [verdachte] zijn betrokken? Hoeveel geld heeft u totaal van [medeverdachte 1] of [verdachte] ontvangen” (blz. 3808 FD)?

De verhorende rechercheurs wekken met dit soort vragen de indruk dat vast staat dat [medeverdachte 1] en [verdachte] gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor tal van strafbare feiten. Er wordt ook nauwelijks een poging gedaan door de rechercheurs om na beantwoording van dit soort vragen door een getuige of medeverdachte goed helder te krijgen welk stuk van het antwoord ziet op [medeverdachte 1] , welk deel op [verdachte] en welk deel op hen beiden. Deze wijze van vragen stellen maakt dat de verklaringen die daarop volgen niet, althans in minder mate betrouwbaar zijn en in ieder geval niet zonder meer voor het bewijs mogen worden gebezigd. De rechtbank heeft dat ten onrechte wel gedaan. Zie in dit verband bijvoorbeeld de verklaring van [betrokkene 4] die als bewijsmiddel 20 voor het bewijs (ten aanzien van feit 4) is gebezigd.

Echt bewijs voor de wetenschap en het opzet aan de zijde van [verdachte] ontbreekt. Het feit dat zij broers zijn, intensief contact niet elkaar onderhouden, regelmatig bij hun vader, moeder of andere familieleden komen is daarvoor onvoldoende.

De kamer zoals die op de eerste verdieping van de woning van de vader van [verdachte] is aangetroffen en in het FD stelselmatig als werkkamer van de broers wordt aangeduid zegt helemaal niets over de wetenschap aan de zijde van [verdachte] . Zowel [verdachte] als [medeverdachte 1] hebben steeds verklaard dat de computers op die kamer enkel van [medeverdachte 1] waren. Hun vader was waarschijnlijk nimmer aanwezig in die kamer als [medeverdachte 1] of [verdachte] daar was en kan ook niet verklaren over wie er ‘vat op welke computer heeft gedaan. [betrokkene 4] verklaarde wel dat hij wel eens auto’s op de beeldschermen van de computers te zien waren, hetgeen duidt op autohandel.

Op het moment van de politie inval was [verdachte] blijkens het FD al langere tijd op vakantie in Servië. Onduidelijk is hoe die werkkamer eruit zag op het moment dat [verdachte] er was en welke spullen dan waar in die kamer lagen. [verdachte] stelt dat hij de zichtmappen, de vele bankpasjes, en andere in die ruimte aangetroffen goederen nimmer heeft gezien.

[verdachte] wist niet beter of [medeverdachte 1] verdiende goed geld met zijn autohandel. Van de door de FIOD onderzochte 35 personenauto’s en 1 motorfiets, kan slechts 1 personenauto mogelijk in verband met [verdachte] gebracht worden. Van de overige voertuigen staat min of meer vast dat deze door [medeverdachte 1] zijn aangekocht en verkocht. Het betroffen veelal voertuigen uit het duurdere segment. [verdachte] veronderstelde dat de contante gelden waar [medeverdachte 1] mee werkte afkomstig waren van deze autohandel. Ook wist [verdachte] dat [medeverdachte 1] de afgelopen jaren niet alleen actief was in de autohandel, maar ook eigenaar was geweest van een horecagelegenheid. taxibedrijf en mogelijk andere ondernemingen. [verdachte] besprak met [medeverdachte 1] niet veel over zijn zakelijke activiteiten en wist niet van de hoed en de rand. Ook wist hij niet van de eerdere veroordeling voor sealbagfraude van zijn broer.

Tussenconclusie: [verdachte] wist niet dat [medeverdachte 1] zich over een langere periode

veelvuldig bezig hield met het plegen van misdrijven. Hij realiseerde zich daarom ook niet dat hij door [medeverdachte 1] sporadisch behulpzaam te zijn bij een pintransactie of andere (in zijn ogen onschuldige) handeling hij daarmee mogelijk een misdrijf pleegde. Aan de zijde van [verdachte] ontbrak derhalve het opzet op het plegen van de feiten 1, 2, 4, 5, 6 en 7.

Algemeen: Medeplegen

De rechtbank Overijssel is ten aanzien van de feiten 1 tot en met 6 tot bewezenverklaring gekomen in de variant “medeplegen”. Ook feit 7 betreft een feit waarvoor de betrokkenheid van andere personen cruciaal is. Per incident zal derhalve bezien moeten worden of [verdachte] op basis van de inhoud van het dossier veroordeeld kan worden als medepleger van een specifiek ten laste gelegd feit.

Het is daarom dat ik eerst in algemene zin stil sta bij dit leerstuk, alvorens per specifieke verdenking het standpunt van de verdediging aan te geven.

Een leerstuk waar de rechtbank in haar vonnis weinig aandacht aan heeft besteed en ogenschijnlijk zonder al te veel bewijsoverwegingen tot bewezenverklaring is gekomen. Dit terwijl de advocaat die [verdachte] in eerste aanleg bijstond wel degelijk verweer heeft gevoerd op dit punt.

De laatste jaren verschenen er weer vele uitspraken rondom liet medeplegen. De Hoge Raad stelt steeds strengere eisen aan de nauwe en bewuste samenwerking. Hetgeen er onder meer in resulteert dat bijvoorbeeld de aanwezigheid op de plaats delict in combinatie niet het zich niet distantiëren en het instemmen met het delict nog niet zonder meer medeplegen oplevert. Daarnaast dient er voor medeplegen sprake te zijn van een bijdrage aan liet feit welke als voldoende significant moet kunnen worden bestempeld en dient de bewezenverklaarde — intellectuele en/of materiële — bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht te zijn om tot bewezenverklaring te komen. Voor uitvoeringshandelingen waar eerder gedacht dient te worden aan medeplichtigheid doet het openbaar ministerie er verstandig aan ook die variant in de tenlastelegging op te nemen. In casu is dat niet gebeurd.

In de jurisprudentie zijn onder meer de navolgende uitspraken van belang.

Het hof in ‘s-Hertogenbosch kwam op 6 december 2013 (ECLI:NL:GHSHE:20l3:5944) tot een vrijspraak voor medeplegen met de volgende overweging: “het louter aanwezig zijn bij en zich niet distantiëren van een door een ander gepleegd delict, alsmede het louter instemmen met dat delict, zijn — ieder voor zich en in onderlinge samenhang bezien — onvoldoende voor het bewijs van medeplegen van het delict”.

Belangrijk is ook het arrest van het Gerechtshof Amsterdam d.d. 14 maan 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1900). Het betrof hier een verdenking medeplegen overval het hof stelt vast dat verdachte ten tijde van de overval bij de bewuste woning is geweest. Er kan niet met voldoende zekerheid gesteld worden dat zij tijdens de overval zich ook in de woning bevond. Niet valt uit te sluiten dat de rol van verdachte bij de woning enkel en alleen heeft bestaan uit het alarmeren van de beide daders voor de komst van de politie. Het Hof overwoog ook: ‘Waar liet oordeel van het Hof is voorafgaand dan wel tijdens de overval evenmin sprake geweest van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte, gericht op de planning en uitvoering van het feit, dat is voldaan aan de voorwaarden voor de strafbare vorm van samenwerking die als medeplegen kunnen worden gekwalificeerd.” Het enkel besturen van de auto, het aanwezig zijn bij de woning en het zich niet distantiëren toen dat nog mogelijk was zijn daartoe volgens het Hof van onvoldoende gewicht.

Arrest Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch d.d. 11 juni 2014 (ECLI :NL:GHSHE:20 14:1716). Het betrof hier een verdenking medeplegen overval. Het Gerechtshof overwoog: “Gebleken is dat verdachte voorafgaand aan de overval aan medeverdachte informatie heeft verstrekt. Ten tijde van de overval was zij aanwezig, doch heeft zij geen rol gespeeld. Zij heeft, toen medeverdachte haar vragen stelde over liet geld, niets gezegd en heeft ook niet met hem samengewerkt. Gebleken is voorts dat medeverdachte de buit niet met haar heeft gedeeld”. Het Hof acht dan ook in deze zaak geen sprake van nauwe en bewuste samenwerking en spreekt vrij van medeplegen.

Voorts is de uitspraak van de Hoge Raad van 3 juni 2014 (ECLI:NL:HR:20 14:1307) van groot belang. Het Gerechtshof kwam in deze zaak nog tot het bewezenverklaring van het medeplegen van een woninginbraak. De Hoge Raad overwoog: “Anders dan het Hof heeft geoordeeld, kan uit de bewijsvoering niet zonder meer worden afgeleid dat de verdachte ‘een zodanig significante bijdrage’ heeft geleverd aan de woninginbraak dat van bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en de mededaders kan worden gesproken, nu het Hof ten aanzien van die samenwerking niet meer heeft vastgesteld dan dat de verdachte een vluchtmogelijkheid heeft gefaciliteerd en dat het niet anders kan zijn dan dat over het verschaffen van deze vluchtmogelijkheid van te voren door de verdachte en zijn mededaders afspraken zijn gemaakt. De bewezenverklaring is derhalve niet naar de eis der wet met redenen omkleed”.

Met nagenoeg dezelfde redenering kwam de Hoge Raad op 22 december 2009 in de zaak met vindplaats ECLI:NL:HR:2009:BK3356 eveneens tot een vrijspraak van medeplegen.

In de zaak die heeft geleid tot liet arrest van de Hoge Raad van 14 oktober 2014 (ECLI:NL:HR:2014:2967) werd vrijgesproken van medeplegen. In deze kwestie wist de verdachte ‘wat de medeverdachte deed en verzette zich niet. Ook profiteerde zij ervan omdat een deel van de gezamenlijke schulden werd afgelost met de opbrengst. Volgens de Hoge Raad bieden genoemde feiten en omstandigheden onvoldoende grond voor het oordeel dat er sprake is van medeplegen.

Voor wat betreft het medeplegen heeft de Hoge Raad op 2 december 2014 een belangrijk arrest gewezen (ECLI:NL:HR:2014:3474). De Hoge Raad geeft in deze zaak aan dat de kwalificatie medeplegen slechts dan gerechtvaardigd is als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. En dat kan voor wat betreft cliënt simpelweg niet, althans onvoldoende, worden vastgesteld. De Hoge Raad zei in deze zaak ook dat indien het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die normaliter met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, rust op de rechter de taak om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering dat het medeplegen is nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, zijn aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Aan het zich niet distantiëren komt op zichzelf geen grote betekenis toe.

Een lijn die de Hoge Raad daarna ook heeft voortgezet, bijvoorbeeld met haar arrest d.d. 14 april 2015 (ECLI:NL:HR:2015:92$). In dit arrest gaf de Hoge Raad wederom aan dat de kwalificatie “medeplegen” slechts dan gerechtvaardigd is als de bewezenverklaarde — intellectuele en/of materiële — bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is.

In dezelfde lijn heeft de Hoge Raad onlangs nog een arrest gewezen en wel op 17 november 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3317). De Hoge Raad herhaalt hier haar arrest d.d. 2 december 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3474).

Hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in haar arrest d.d. 2 december 2014 kan derhalve inmiddels gezien worden als vaste jurisprudentie en dient dus als uitgangspunt te worden genomen bij het beantwoorden van de vraag of er in een specifieke casus sprake is van medeplegen.

In casu kan er voor wat betreft [verdachte] ook niet worden vastgesteld wat nu, als hij al iets strafbaars heeft gedaan, zijn rol precies is geweest.

Als hij een keer een vrouw begeleid heeft bij het doen van een geboorteaangifte, als hij een enkele keer op verzoek van zijn broer [medeverdachte 1] een sealbag heeft afgestort of een bankopname heeft gedaan, dan levert dat nog geen medeplegen op. Temeer omdat deze handelingen een ondergeschikt karakter hebben en door een ieder vervuld zouden kunnen worden en meestal ook gewoon door [medeverdachte 1] zelf vervuld werden. Kennelijk had [medeverdachte 1] het zo nu en dan te druk met andere bezigheden of kwam het gewoonweg handig uit als zijn broer [verdachte] eens een pinopname of sealbag storting kon uitvoeren. Er was dus ook geen sprake van een rolverdeling.

Het feit dat ze broers zijn en intensief omgang met elkaar hadden, zorgt er mede voor dat het voor [verdachte] niet vreemd was dat [medeverdachte 1] hem af en toe vroeg deze handelingen voor hem uit te voeren. Daarbij hoefde er voor [verdachte] ook niet direct alarmbellen af te gaan. Immers: In de periode dat hij de sealbag stortingen deed voor zijn broer [medeverdachte 1] was het de periode van carnaval. In die periode was [verdachte] werkzaam als bedrijfsleider van horecagelegenheid “ [I] ”. Voor [verdachte] was het dan ook niet vreemd dat [medeverdachte 1] (die eigenaar van “ [I] ” was) hem in die periode enkele sealbags bij de bank liet afstorten. Deze sealbags waren afgesloten en [verdachte] wist niet wat er precies in zat.

De bijdragen die [verdachte] gelet op basis van het FIOD-dossier heeft gehad zijn niet als significant te bestempelen. De materiële bijdrage was bovendien zeer beperkt en niet essentieel om tot het feit te komen. Van een intellectuele bijdrage is niet gebleken. Uit het dossier blijkt niet dat [medeverdachte 1] en [verdachte] samen plannen maakten over de feiten op de tenlastelegging. Beide broers bestrijden dit ook, Op dit punt ontbreken bovendien consistente, gedetailleerde en betrouwbare verklaringen van derden. De sms-gesprekken zijn niet te herleiden tot concrete feiten of gedragingen welke betrekking hebben op de tenlastegelegde feiten.

[medeverdachte 1] is over de gehele duur van de tenlastegelegde periodes de centrale figuur.

Alles draait en danst om hem heen. Hij is de persoon die alles en iedereen om zich heen lijkt te gebruiken of misbruiken. De AG heeft het al parasiteren genoemd. [medeverdachte 1] lijkt niet terug te deinzen om zelfs zijn ouders, vrienden, bekenden en prostituees voor zijn karretje te spannen en te bedonderen. Waarom zou dat in het geval van zijn broer anders zijn?

De wijze van frauderen is in mijn optiek niet geraffineerd, maar eerder als dom en brutaal te bestempelen. Alle rechtshandelingen worden immers door echte personen verricht, personen die voor banken en zeker voor opsporingsautoriteiten en justitie goed traceerbaar zijn. Geldstromen die eenvoudig traceerbaar zijn tot aan het moment dat zij cash worden opgenomen. Met andere woorden: het moet voor [medeverdachte 1] duidelijk zijn geweest dat het een kwestie van tijd was dat hij voor deze misdrijven verantwoording af moest leggen. Misschien is dat ook wel de reden dat hij er in die jaren een levensstijl op na heeft gehouden alsof iedere dag de laatste was. Bij [verdachte] was dat anders, hij smeet niet met geld, hij kon geen onroerend goed of andere extreme luxe veroorloven.

Tussenconclusie: van bewuste en nauwe samenwerking gericht op liet plegen van

de misdrijven op de tenlastelegging was geen sprake.”

10. Na deze lange aanloop, kan mijn slotsom kort zijn. Het hof heeft door de uitgebreide bewijsvoering van de rechtbank te bevestigen met de aanvulling van een grond voor de bewezenverklaring inzake de deelneming aan de criminele organisatie nader en (ruim) voldoende gerespondeerd op hetgeen namens de verdachte te zijner terechtzitting is aangevoerd. Zo blijkt uit de bijzondere, door het hof bevestigde overwegingen van de rechtbank en de gebezigde bewijsmiddelen duidelijk dat de verdachte betrokken was bij hetgeen ten laste van hem is bewezenverklaard. Voorts heeft het hof, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd, de wetenschap en het opzet van de verdachte, onder meer met betrekking tot – kort gezegd – de criminele organisatie, vastgesteld, en zo ook (mede aan de hand van getuigenverklaringen) het medeplegen, waarbij erop zij gewezen dat blijkens de inhoud van de gebruikte bewijsmiddelen de verdachte tezamen met zijn broer [medeverdachte 1] gebruikmaakte van de werkkamer in hun woonhuis, zij daar samen werkten en de door hen met anderen te plegen misdrijven planden, zij samen met anderen deze misdrijven uitvoerden, zij tezamen met tussenpersonen zich bezig hielden met de inschrijving van niet-bestaande tweelingen bij gemeenten en voorts ondernemingen inschreven bij de Kamer van Koophandel, bankrekeningen openden bij banken, allerlei geschriften valselijk opmaakten, etc.

11. Voor zover het middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, berust op de stelling dat het hof de door de verdediging naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunten (als daarvan al sprake is, A-G) onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken, mist het feitelijke grondslag, nu het hof door de bevestiging in zoverre de bewijsvoering van de rechtbank tot de zijne heeft gemaakt.1 Daarbij merk ik nog op dat het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk in het door de verdediging in hoger beroep naar voren gebrachte geen argumenten heeft ontwaard die niet reeds wezenlijk door de desbetreffende bewijsoverwegingen worden bestreken.2

12. Ook voor zover het middel daarnaast klaagt dat het bewezenverklaarde niet uit de bewijsmiddelen en de bijhorende bewijsoverwegingen kan worden afgeleid, mist het middel doel. De bewezenverklaringen zijn alle naar de eis der wet met voldoende redenen omkleed.

13. Het middel faalt derhalve.

14. Het tweede middel keert zich met twee motiveringsklachten tegen de door het hof opgelegde gevangenisstraf.

15. Het hof heeft, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende overwogen:

“Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld ten aanzien van het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf van 3 jaren met aftrek van de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van de uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De verdachte is in hoger beroep gekomen van deze veroordeling.

De advocaat-generaal heeft geëist dat de verdachte wordt veroordeeld ten aanzien van het onder 1,2.3, 4. 5, 6 en 7 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf van 4 jaren en 6 maanden met aftrek van de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van de uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van ongeveer vijf jaren schuldig gemaakt aan een reeks van strafbare feiten. Deze strafbare feiten heeft hij gepleegd in georganiseerd verband met een aantal personen uit zijn familie en zijn naaste omgeving. Verdachte vervulde binnen de organisatie een aansturende en leidinggevende rol, samen met zijn broer [medeverdachte 1] . De werkwijze van de organisatie was geraffineerd en vrij gecompliceerd. In Duitsland werden in seksclubs vrouwen benaderd die zich in Nederland bij gemeenten lieten inschrijven op een door de organisatie opgegeven adres. Vervolgens werd door of voor die vrouwen aangifte gedaan van de geboorte van een tweeling, waarna kort daarop bij de Belastingdienst kinderopvangtoeslag werd aangevraagd voor de tweelingen. Verdachte is betrokken geweest bij de geboorteaangifte van een tweeling, waarvan hij wist dat die in werkelijkheid niet geboren is en bij het aanvragen van kinderopvangtoeslag voor onder meer die neptweeling. Vervolgens werd door of voor een aantal van die vrouwen in Nederland tevens een schijn-ondememing opgetuigd. Die ondernemingen werden ingeschreven bij de KvK en op naam van die ondernemingen werden bankrekeningen aangevraagd die vervolgens weer gebruikt werden om sealbagfraude te plegen. Ook daarin heeft verdachte een belangrijke rol gespeeld. Zo heeft verdachte zich bij de KvK uitgegeven voor een zekere [betrokkene 18] en heeft hij ervoor gezorgd dat de vrouw die in zijn gezelschap was, een beauty salon inschreef onder de naam ‘ [A] ’. Verdachte is eveneens betrokken geweest bij de sealbagfraude en bij het witwassen van de opbrengsten van deze strafbare feiten. Het totale nadeel hiervan bedraagt voor de betrokken instanties ruim € 2,2 miljoen. Dat geld is niet terecht gekomen.

Tenslotte betrekt het hof bij het opleggen van de straf dat verdachte er ter terechtzitting op geen enkele manier blijk van heeft gegeven het kwalijke van zijn handelen in te zien.

Verdachte neemt geen enkele verantwoordelijkheid voor de door het hof bewezen verklaarde strafbare feiten.

Volgens het psychologisch rapport van drs. Haasbeek van 18 december 2013 lijdt verdachte aan een antisociale persoonlijkheidsstoornis en is er sprake van trekken van een ontwijkende persoonlijkheidsstoornis. Verdachte moet daarom enigszins verminderd toerekeningsvatbaar worden beschouwd voor het feit dat hij bekend heeft (de valsheid in geschrifte met betrekking tot de schenkingsovereenkomst van de Terracotta beeldjes). In verband met de ontkenning van verdachte kan geen uitspraak worden gedaan over het verband tussen de diagnose en de overige strafbare feiten.

Uit het aanvullend rapport van drs. Haasbeek d.d. 3 oktober 2014 blijkt dat er bij verdachte sprake is van een posttraumatische stressstoornis met betrekking tot de detentie in Servië. Verdachte dient hiervoor -binnen of buiten detentie - behandeling te ondergaan. Er is echter geen reden om hem als detentieongeschikt aan te merken. Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met de inhoud van deze rapporten.

Bij de bepaling van de aan verdachte op te leggen straf heeft het hof voorts acht geslagen op de rechterlijke oriëntatiepunten, die voor een zaak als onderhavige waarbij sprake is van een benadelingsbedrag bedrag van meer dan € 1.000.000,— , als uitgangspunt een straf aangeven van in de variatie van 24 maanden gevangenisstraf tot het wettelijk maximum aan gevangenisstraf.

Alles overwegende is het hof - anders dan de rechtbank - van oordeel dat voor de afdoening van de zaak het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier jaren passend en geboden is.”

16. De eerste klacht houdt in dat het hof in zijn strafoplegging zodanig is afgeweken van de door de rechtbank opgelegde straf, alsmede van de door de officier van justitie in eerste aanleg en door de advocaat-generaal bij het hof gevorderde straf, dat zulks verbazing wekt. De toelichting op het middel wijst er daarbij op dat volgens het bestreden arrest van het hof de advocaat-generaal bij het hof een gevangenisstraf van vier jaren en zes maanden zou hebben gevorderd, terwijl uit de schriftelijke vordering die ter ’s hofs terechtzitting is overgelegd en aan het arrest is gehecht blijkt dat de advocaat-generaal een gevangenisstraf van drie jaren en zes maanden heeft gevorderd. Dat laatste is gezien de stukken van het geding juist. De desbetreffende overweging van het hof kan mijns inziens als een kennelijke schrijffout worden aangemerkt en verbeterd worden gelezen.

17. Met de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren is het hof inderdaad ten nadele van de verdachte afgeweken van de gevangenisstraf die de rechtbank heeft opgelegd (drie jaren) en ook van de respectieve strafeisen van de officier van justitie (42 maanden gevangenisstraf) en de advocaat-generaal (drie jaren en zes maanden gevangenisstraf).

18. Vooropgesteld dient echter te worden dat de feitenrechter bij de strafoplegging vrij is in de keuze van de straf en in de waardering van de factoren die hij daartoe van belang acht. Deze afweging is aan de feitenrechter voorbehouden.3 Dat neemt niet weg dat de feitenrechter in sommige, in art. 359 Sv genoemde gevallen, is gehouden zijn gebruik van die straftoemetingsvrijheid nader te motiveren. Bij de beantwoording van de vraag of de strafmotivering inderdaad aan de eisen voldoet, pleegt de Hoge Raad zich terughoudend op te stellen.4

19. Ik meen dat in de voorliggende zaak geen sprake is van het gestelde motiveringsgebrek, ook niet in de zin van art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv. Anders dan het middel wil, kan meer in het bijzonder niet worden gezegd dat de duur van de door het hof opgelegde gevangenisstraf verbazing wekt. Indien het middel (mede) bedoelt te klagen dat de door de advocaat-generaal bij het hof gevorderde straf als uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dient te worden aangemerkt en dat het hof op grond van art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv uitdrukkelijk had dienen te motiveren waarom het daarvan is afgeweken, treft deze deelklacht op cassatie-technische gronden geen doel.5

20. De tweede klacht houdt in dat de strafoplegging ontoereikend is gemotiveerd doordat het hof aanzienlijk is afgeweken van uitspraken in soortgelijke zaken en van de LOVS-oriëntatiepunten straftoemeting, en doordat het hof onvoldoende blijk heeft gegeven van de nadrukkelijk onderbouwde persoonlijke omstandigheden van de verdachte die als gevolg van zijn detentie in Syrië zou leiden aan een posttraumatische stress-stoornis.

21. Om met het laatste punt te beginnen. Blijkens de strafmotivering heeft het hof expliciet rekening gehouden met het over de verdachte opgemaakte psychologisch rapport en het aanvullend rapport. Op grond van deze psychologische rapporten heeft het hof geoordeeld dat weliswaar bij de verdachte een posttraumatische stress-stoornis is vastgesteld, maar dat daarin geen reden is gelegen om de verdachte als detentieongeschikt aan te merken, en voorts dat het hof bij de strafoplegging rekening houdt met de inhoud van deze rapporten. De klacht mist in zoverre feitelijke grondslag.

22. Voorts heeft het hof in zoveel woorden overwogen dat het heeft acht geslagen op de rechterlijke oriëntatiepunten. De LOVS-oriëntatiepunten vermelden voor een zaak waarin de benadeling meer dan € 1.000.000 bedraagt als uitgangspunt een gevangenisstraf die in duur varieert van 24 maanden tot het wettelijk maximum. Dat is precies wat het hof overweegt. Mede in het licht van hetgeen het hof bij het bepalen van de strafmaat heeft overwogen – de omvang van de fraude, het grote benadelingsbedrag, de centrale rol die de verdachte in het geheel heeft gespeeld en de omstandigheid dat de verdachte op geen enkele wijze blijk heeft gegeven het kwalijke van zijn handelen in te zien –, is het hof door een gevangenisstraf van vier jaren op te leggen niet van het LOVS-uitgangspunt afgeweken. Ook om die reden behoeft de niet onderbouwde stelling van de steller van het middel dat het hof met zijn strafoplegging is afgeweken van straffen in soortgelijke zaken geen nadere bespreking. De strafoplegging is, zo luidt mijn slotsom, door het hof niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.

23. Het tweede middel faalt in beide onderdelen.

24. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

25. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

26. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 19 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2307, NJ 2008/424 en HR 19 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2311 (rov. 3.6).

2 Vgl. HR 19 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2311 (rov. 3.7).

3 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, achtste druk, 2015, p. 310, met verwijzing naar HR 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7805 (rov. 3.3).

4 Van Dorst, a.w., p. 313.

5 HR 3 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX5479 (rov. 3.5.4). Zie ook Van Dorst, a.w., p. 68.