Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:336

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-04-2018
Datum publicatie
12-04-2018
Zaaknummer
17/00517
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:835
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Verdenking fraude met kinderopvangtoeslagen en sealbags, valsheid in geschrift ta.v. banken en belastingdienst, gewoontewitwassen. Klachten m.b.t. het bewijs van deelneming aan een criminele organisatie en het opzet (art. 140 Sr), valsheid in geschrift, het gebruik maken van een vals geschrift en het medeplegen van gewoontewitwassen. De AG stelt voor dat de Hoge Raad het beroep in cassatie zal verwerpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/00517

Zitting: 10 april 2018

Mr. E.J. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. De verdachte is bij arrest van 18 januari 2017 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, wegens 1. “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”, 2. “medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst”, 3. “medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd”, en 4. “medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest.

2. Er bestaat samenhang met de zaken 17/00367, 17/00518, 17/00519, 17/03078 en 17/03080. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.

3. Namens de verdachte heeft mr. H.M.W. Daamen, advocaat te Maastricht, vier middelen van cassatie voorgesteld.

4. Volgens de verdenking en de bewijsvoering van het hof draait het in deze zaak om het volgende. De verdachte vormde tezamen met onder meer haar zoons (de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] ) een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven bestaande uit valsheid in geschrifte, het gebruiken van valselijk opgemaakte geschriften, het valselijk doen opmaken respectievelijk het gebruiken van authentieke akten (strekkende tot het plegen van fraude met kinderopvangtoeslagen en sealbags), het oplichten van de belastingdienst en van twee banken en het plegen van gewoontewitwassen. De rol die de verdachte volgens het hof heeft ingenomen bestaat er voornamelijk in dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan het valselijk opmaken van geschriften en het vervolgens daarvan gebruikmaken, het openen van bankrekeningen waarbij de verdachte opgaf in kleding te handelen onder de naam van eenmanszaak [A] , terwijl zulks niet het geval was. Ook was zij niet de gebruiker van die bankrekeningen. Verder zou zij schuldig hebben gemaakt aan het medeplegen van het witwassen van goederen, onder meer doordat zij een reeks auto’s op haar naam had laten zetten (8 Audi’s, 6 Volvo’s en een Mercedes), die in werkelijkheid niet aan haar toebehoorden, ten einde op die manier te verhullen wie de rechthebbende van die auto’s was.

5. Alvorens de middelen te bespreken, geef ik de bewezenverklaringen en de door het hof gebezigde bewijsmiddelen weer.

6. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“1:

zij in de periode 1 januari 2008 tot en met 5 maart 2013 in Nederland,

heeft deelgenomen aan een organisatie, die werd gevormd door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] en andere personen,

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, bestaande uit:

- het meermalen plegen van valsheid in geschrifte en het meermalen gebruiken van valselijk opgemaakte geschriften (strafbaar gesteld in artikel 225 Wetboek van Strafrecht) en/of

- het meermalen valselijk laten doen opmaken van authentieke akten en het meermalen gebruiken van een valselijk opgemaakte authentieke akte (strafbaar gesteld in artikel 227 Wetboek van Strafrecht) en

- het meermalen oplichten van diverse banken en de belastingdienst (strafbaar gesteld in artikel 326 Wetboek van Strafrecht) en

- het plegen van gewoontewitwassen (strafbaar gesteld in artikel 420ter Wetboek van Strafrecht);

2:

zij op 20 januari 2011 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander

opzettelijk gebruik heeft gemaakt van en voorhanden heeft gehad en heeft afgeleverd een vals document, zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enige feit te dienen - als ware dat geschrift telkens echt en onvervalst, te weten:

een uittreksel van de Kamer van Koophandel Brabant van de eenmanszaak [A] (2-D-011-02-01, pag. 10056 en 2-D-004-01-02, pag. 9374)

bestaande dat gebruikmaken en voorhanden hebben en afleveren van dat document onder meer hierin dat verdachte en/of haar mededader:

voornoemd uittreksel van de Kamer van Koophandel Brabant van de eenmanszaak [A] heeft overgelegd aan de ABN-AMRO Bank (2-D-004-01-02 1/9 t/m 9/9,9371 t/m 9380) en aan de RABO Bank (2-D-011-02-003 1/5 t/m 5/5, pag. 10058 t/m 10062) (telkens) ter verkrijging van een ondernemersrekening bij voornoemde banken

en bestaande die valsheid hierin dat

op dat uittreksel van de Kamer van Koophandel (Brabant) verdachte als eigenaar van de eenmanszaak [A] stond vermeld en stond vermeld dat de onderneming [A] voor haar rekening werd gedreven en stond vermeld met de bedrijfsomschrijving "Groothandel in kleding",

terwijl in werkelijkheid vermelde bedrijfsomschrijving nimmer werd uitgevoerd en nimmer enige bedrijfsactiviteit heeft plaatsgevonden,

terwijl zij wist, dat die geschriften bestemd zijn voor zodanig gebruik;

3:

zij in de periode van 28 juni 2010 tot en met 20 januari 2011 in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander;

een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, te weten:

a. een Overeenkomst Starterspakket met de ABN-AMRO Bank en

b. een Overeenkomst Rabo OndernemersPakket met Startersvoordeel met de Rabobank

immers hebben zij, verdachte, en haar mededader telkens valselijk en in strijd met de waarheid:

ad a. voornoemde overeenkomst afgesloten met de ABN-AMRO Bank en ondertekend, en

ad b. voornoemde overeenkomst afgesloten met de Rabobank en ondertekend,

en daarbij telkens opgegeven te handelen onder de naam [A] en de rekeninghouder te zijn van die bankrekeningen

telkens als ware zij, verdachte, de eigenaar van de eenmanszaak [A] ,

terwijl in werkelijkheid verdachte niet handelde onder de naam [A] , en zij niet de gebruiker was van de bankrekening aangezien zij niet feitelijk degene was die de beschikking kreeg over de bankrekeningen en de pasjes, doch haar mededader,

zulks met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en door anderen te doen gebruiken;

4:

zij in de periode 1 januari 2008 tot en met 5 maart 2013 in Nederland,

tezamen en in vereniging met anderen, telkens:

heeft verhuld, wie de rechthebbende was op een voorwerp, terwijl zij, verdachte, en haar mededader wisten dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit misdrijf door -zakelijk omschreven onder meer-:

- in de periode van 30 juni 2009 tot en met 5 maart 2013 een bankrekening bij de ABN-AMRO Bank, met rekeningnummer [001] , te openen en de bijbehorende bankpas en/of pincode ter beschikking te stellen aan een ander, waardoor werd verhuld wie de rechthebbende is/ was van voornoemde bankrekening en van de tegoeden op voornoemde bankrekening en

- in de periode van 20 januari 2011 tot en met 5 maart 2013 een bankrekening bij de Rabobank, met rekeningnummer [002] , te openen en de bijbehorende bankpas en pincode ter beschikking te stellen aan een ander, waardoor werd verhuld wie de rechthebbende is/was van voornoemde bankrekening en

- in de periode van 1 januari 2008 tot en met 5 maart 2013

een auto, merk Audi type A8, met het kenteken [kenteken] en

een auto, merk Volvo S80, met het kenteken [kenteken] en

een auto, merk Mercedes type E270 CDI Combi, met het kenteken [kenteken] en

een auto merk Volvo S80, met het kenteken [kenteken] en

een auto, merk Audi type A8, met het kenteken [kenteken] en

een auto, merk Volvo S80, met het kenteken [kenteken] en

een auto, merk Audi type A8, met het kenteken [kenteken] en

een auto, merk Volvo S80, met het kenteken [kenteken] en

een auto, merk Audi type A6, met het kenteken [kenteken] en

een auto, merk Audi type S8, met het kenteken [kenteken] en

een auto, merk Volvo S60, met het kenteken [kenteken] en

een auto, merk Audi type A8, met het kenteken [kenteken] en

een auto, merk Audi type A8, met het kenteken [kenteken] en

een auto, merk Volvo S80, met het kenteken [kenteken] en

een auto, merk Audi type A6, met het kenteken [kenteken] ,

telkens op haar naam te laten zetten, waardoor werd verhuld wie de rechthebbende was van die auto’s en wie die auto's telkens voorhanden heeft gehad,

terwijl zij verdachte en haar mededaders telkens wisten, dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, terwijl verdachte en haar mededaders van het plegen van witwassen een gewoonte hebben gemaakt.”

7. Deze bewezenverklaringen steunen op de volgende bewijsmiddelen:

1. “Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (als bijlage op pagina 3663 e.v, 05-02, van het proces-verbaal, genummerd 49918) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van verdachte:

pag. 3664: Noot verbalisanten: Wij tonen gehoorde een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel voor Gooi, Eem en Flevoland, dossiernummer [...] , betreffende de inschrijving van eenmanszaak [A] ”, gevestigd op het adres [a-straat 1] te Lelystad.

Vraag verbalisanten: Wat kunt u vertellen over eenmanszaak “ [A] ” en uw betrokkenheid bij deze onderneming?

Antwoord gehoorde: Daar wilden wij een zaak beginnen met kleding vanuit Servië om hier in een winkeltje te verkopen. Dit is niks geworden. Ik ben met [medeverdachte 2] naar de Kamer van Koophandel geweest. Ik heb nooit inkomsten gehad uit het bedrijf. Er was verder niemand bij [A] betrokken, alleen ikzelf en [medeverdachte 2] omdat hij mee was geweest naar de Kamer van Koophandel, omdat ik zelf geen vervoer heb. Behalve [medeverdachte 2] en ik was niemand betrokken bij [A] .

Pag. 3665: Vraag verbalisanten: Over welke bankrekening(en) beschikte “ [A] ”?

Pag. 3666: Antwoord gehoorde: Dat weet ik niet, dat heeft [medeverdachte 2] geregeld. Ik weet niet welke bank, ik denk AMRO. Ik ben daar ook geweest. [medeverdachte 2] is mee geweest om dit te regelen. [medeverdachte 2] zou mijn bankzaken regelen. Ik denk dat het een bedrijfsrekening was. Er zat ook een pas bij. Die heb ik aan [medeverdachte 2] gegeven. [medeverdachte 2] regelde alles.

Vraag verbalisanten: Had u in 2011 de beschikking over de bankrekening(en) van “ [A] ”?

Antwoord gehoorde: Nee.

Vraag verbalisanten: Bent u op enige wijze betrokken geweest bij bankrekening(en) van [A] ?

Antwoord gehoorde: Ik heb getekend voor het openen van de rekening, ik heb een pasje gekregen en een ding voor internetbankieren. [medeverdachte 2] heeft het formulier ingevuld, ik heb alleen getekend. Ik heb de pas aan [medeverdachte 2] afgegeven, ik heb nooit een afschrift gezien.

U zegt mij dat de Raborekening in 2011 is geopend. Toen wist ik al dat [A] niks geworden was.

Vraag verbalisanten: Per 12-07-2010 is er een “Overeenkomst verpakt storten via stortingsautomaten” afgesloten. Op basis van deze overeenkomst kon de klant sealbags afstorten via automaten van ABN AMRO. Wat wilt u over deze overeenkomst verklaren?

Antwoord gehoorde: Ik denk dat [medeverdachte 2] dit geregeld heeft. Mogelijk heb ik hier wel voor getekend. Ik ben een paar keer naar de bank geweest.

2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (als bijlage op pagina 3692 e.v, V05-06, van het proces-verbaal, genummerd 49918) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van verdachte:

Pag. 3693: Vraag verbalisanten: Bent u, h/o [A] , de Overeenkomst Starterspakket aangegaan met de ABN-AMRO en is de Overeenkomst Starterspakket door u ondertekend?

Antwoord gehoorde: Ja. ik had naast mijn eigen privérekening nog een bankrekening voor [A] . Dat heb ik reeds eerder gezegd.

Noot verbalisanten: Wij houden de gehoorde voor dat de Overeenkomst Starterspakket [verdachte] als pashouder vermeldt en de naam op de pas haar zelf betreft, namelijk mw. [verdachte] . U krijgt de beschikking over rekeningnummer [001] . Onder de Algemene voorwaarden staat, onder meer, dat eventueel misbruik van een elektronische handtekening of toegangsmiddel dat heeft plaatsgevonden, voor uw rekening is.

Vraag verbalisanten: Heeft u het pasje en de daarbij behorende pincode van deze rekening met nummer [001] ook aan anderen afgegeven, en zo ja, aan wie? Antwoord gehoorde: Ja, ik heb het pasje van de rekening aan mijn zoon [medeverdachte 2] gegeven. [medeverdachte 2] wist ook de pincode van het pasje.

3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (als bijlage op pagina 3701 e.v, V05-07, van het proces-verbaal, genummerd 49918) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van verdachte:

Pag. 3703: Noot verbalisanten: Wij houden gehoorde voor dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] op 10-11-2010 tijdens een politiecontrole werden gecontroleerd terwijl zij reden in een Volvo S80 met kenteken [kenteken] die op haar naam heeft gestaan.

Vraag verbalisanten: Wat kunt u vertellen over deze auto en welke andere auto’s staan, of hebben op uw naam gestaan?

Antwoord gehoorde: Ik weet dat er auto’s op mijn naam hebben gestaan. [medeverdachte 2] handelde in auto’s. Omdat hij niet meer dan één auto op zijn naam mocht hebben staan, vroeg hij of de auto’s op mijn naam mochten. Ik ben een paar keer naar het postkantoor geweest daarvoor. Ik deed het om hem een plezier te doen.

Pag. 3705: Noot verbalisanten: Wij hebben u op 7 maart 2013 voorgehouden dat op uw verzoek op 18-02-2011 goedkeuring is verleend om sealbag afstortingen “Onder Gewoon Voorbehoud” (OGV) te verrekenen. De OGV kwam in de plaats van de eerdere overeenkomst Verpakt Storten. Hier wilde u niets over verklaren.

Wij tonen u nogmaals documenten 2-D-004-0I-09 5/18 tot en met 11/18, zijnde afschriften van ABN-AMRO ondernemersrekening [001] ten name van “Ondernemersrekening [A] ” over de periode 05-01-2011 tot en met 25-02-2011 waarop, onder meer, de volgende sealbags zijn geadviseerd/gestort:

- sealbagnummer AAG0698350 d.d. 11-01-2011 € 3.020,-

- sealbagnummer AAG0698349 d.d. 14-01-2011 € 2.020,-

- sealbagnummer AAG069834S d.d. 26-01-2011 € 6.040,-

- sealbagnummer AAG0698347 d.d. 04-02-2011 € 4.150,-

- sealbagnummer AAG0698346 d.d. 09-02-2011 € 2.120,-

- sealbagnummer AAG0698345 d.d. 09-02-2011 € 3.650,-

- sealbagnummer AAG0698326 d.d. 16-02-2011 € 2.770,-

- sealbagnummer AAG0698343 d.d. 23-02-2011 € 3.030,-

- sealbagnummer AAG0698344 d.d. 23-02-2011 € 5.100,-

Deze sealbags zijn gedeponeerd in de automaat van het Wagnerplein te Tilburg. Het totaal van deze stortingen is € 31.900,—.

Vraag verbalisanten: [A] heeft in de periode van 11-01-2011 tot en met 23-02-2011 totaal 9 sealbags afgestort voor een totaal bedrag van € 31.900,— op basis van de Overeenkomst verpakt storten. Wat wilt u over deze stortingen vertellen?

Antwoord gehoorde: Ik vind het heel erg. Ik wou dat ik nooit aan dat winkeltje was begonnen. Ik heb geen idee waar dit geld van deze stortingen vandaan komt.

Pag. 3708: Noot verbalisanten: Wij tonen gehoorde document 2-D-011-07-3/7, zijnde afschriften van Rabo ondernemerspakket [002] ten name van “ [A] ”, van d.d. 07-03-2011 waarop de volgende sealbags zijn gestort

Pag. 3709

-sealbagnummer 01.10469218 d.d. 07-03-2011 € 15.000,-

-sealbagnummer 01.10469935 d.d. 07-03-2011 € 10.000,-

Het totaal van deze stortingen is € 25.000,-.

Vraag verbalisanten: [A] heeft op d.d. 07-03-2011 totaal 2 sealbags afgestort voor een totaal bedrag van € 25.000,— op basis van een afstort-overeenkomst. Wat wilt u over deze stortingen vertellen?

Antwoord gehoorde: Ik weet hier niks van, ik heb hier nooit iets van gezien.

Noot verbalisanten: Wij tonen gehoorde document 2-D-011-09 2/5, zijnde een afschrift van Rabo direct rekeningnummer [003] ten name van [betrokkene 8] , [e-straat 1] te Tilburg, waarop op dezelfde dag, 7 maart 2011, twee bedragen worden overgeboekt vanaf rekening [002] ten name van [A] van respectievelijk € 12.997,12 en € 9.750,--, totaal ten bedrage van €22.747,12.

Vraag verbalisanten: Wat wilt u over deze overboekingen ten bedrage van in totaal € 22.747,12 verklaren?

Antwoord gehoorde: Hetzelfde. Ik weet het echt niet.

Ik weet alleen dat ik mijn bankpassen met bijbehorende pincodes aan [medeverdachte 2] heb gegeven. [medeverdachte 2] regelde alles voor mij. [medeverdachte 2] zou ook de bankrekening van [A] weer opheffen. Ik heb nooit post gezien van bankrekeningen. [medeverdachte 2] was ook degene die mij overal mee naar toe heeft genomen, naar de Kamer van Koophandel, naar verschillende banken, en naar het postkantoor om auto’s op naam te zetten.

4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (als bijlage op pagina 3714 e.v, V05-08, van het proces-verbaal, genummerd 49918) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van verdachte:

Noot verbalisanten: gehoorde wordt het volgende voorgehouden:

> Dat haar zoon [medeverdachte 2] in 2007 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch werd veroordeeld voor oplichting, flessentrekkerij en verduistering.

> Dat haar zoon [medeverdachte 2] op 13 maart 2008 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch onder meer, veroordeeld is voor oplichting, meermalen gepleegd.

> De rechtbank [medeverdachte 2] de verplichting oplegt tot betaling van bedragen aan de staat. Het betreffen:

> Ontnemingsvordering ten bedrage van € 28.000,- d.d. 6 april 2007

> Ontnemingsvordering ten bedrage van € 72.430,- d.d. 2 december 2008

> Ontnemingsvordering ten bedrage van € 123.680,- d.d. 29 januari 2010

> [medeverdachte 2] verklaarde op d.d. 04-04-2013 onder meer het volgende:

(...) [betrokkene 14] wist van de sealbags door een krantenartikel van de sealbagfraude bij mijn moeder aan de wand.

Vraag verbalisanten: In uw woning aan de [e-straat 2] te Tilburg hangen krantenknipsels aan de muur die betrekking hebben op sealbagfraude, waarom heeft u dan op verzoek van uw zoon [medeverdachte 2] [A] opgericht.

Antwoord gehoorde: In het artikel in de krant dat ik aan de muur heb gehangen stond niets over sealbagfraude. Daar stond iets in over diefstal bij een bedrijf waar [medeverdachte 2] gewerkt had. [medeverdachte 2] was daar wel bij betrokken. Dat wist ik uit de krant en omdat de politie mij op kwam halen. Ik heb dat artikel opgehangen om hen te waarschuwen dat dat niet weer gebeurt.

Pag. 3716: Noot verbalisanten: wij tonen gehoorde een overeenkomst verpakt storten via stortingsautomaten van de ABN AMRO bank d.d. 21-07-2010.

Vraag verbalisanten: voor uw onderneming [A] werd op 21 juli 2010 bij de ABN AMRO bank een overeenkomst verpakt storten via stortingsautomaten afgesloten. Ook deze overeenkomst werd afgesloten op het adres [adres] te Lelystad. Wat wilt u over deze overeenkomst verklaren?

Antwoord gehoorde: Mijn handtekening staat op deze overeenkomst. Ik weet nog dat ik met [medeverdachte 2] mee ben geweest naar de bank in Lelystad. Ik weet dat het adres een postbusadres is. De winkel zou in Lelystad worden geopend, en daarom werd het adres voor de bank ook in Lelystad gezet. Ik heb deze overeenkomst niet gelezen. [medeverdachte 2] las het, ik vertrouwde hem en heb mijn handtekening er op gezet.

Vraag verbalisanten: Wat was de reden waarom een sealbag overeenkomst werd afgesloten, terwijl er nog geen enkele activiteit met [A] had plaatsgevonden?

Antwoord gehoorde: Ik wist wel dat dit voor [A] was, maar ik wist niet precies wat de overeenkomst inhield. We wilden het allemaal snel regelen, zodat we ook snel konden beginnen met het winkeltje. [medeverdachte 2] zei dat er allemaal dingen geregeld moesten worden, zoals inschrijving bij de Kamer van Koophandel, de Belastingdienst en een bankrekening openen. Dit hoorde daar ook bij.

Vraag verbalisanten: Voor uw onderneming [A] werd op 20 januari 2011 bij de Rabobank nog een overeenkomst verpakt storten via stortingsautomaten afgesloten. Wat wilt u over deze overeenkomst verklaren?

Antwoord gehoorde: Mijn handtekening staat op deze overeenkomst. Ik ben ook voor deze overeenkomst met [medeverdachte 2] mee geweest naar de bank, nu in Tilburg. Ook dit heb ik getekend op initiatief van [medeverdachte 2] . Ik dacht dat ik dit formulier moest tekenen voor de pasjes van de bankrekening. Ik zie nu dat deze overeenkomst geadresseerd is aan de [e-straat] .

Pag. 3717: Noot verbalisanten: Wij tonen gehoorde de volgende documenten:

> Een wijzigingsformulier Kinderopvangtoeslag, ten name van [verdachte] d.d. 24-12-2011 (bijlage 7);

> Een antwoordformulier Kinderopvangtoeslag 2011 d.d. 11-09-2012 gericht aan [verdachte] , [e-straat 2] te Tilburg betreffende [betrokkene 20] (bijlage 8);

> Een tarievenoverzicht van [...] v.a. juni 2012 (bijlage 90;

> Een jaaropgave Kinderopvang 2011 van Kinderdagverblijf [...] ten name van [betrokkene 20] gericht aan [verdachte] , [e-straat 2] te Tilburg (bijlage 10).

Pag. 3718: Vraag verbalisanten: Wat wilt u over de kinderopvang toeslag verklaren?

Antwoord gehoorde: Ik weet niet of de handtekening op het wijzigingsformulier van mij is. Ik twijfel daar over. Ik weet ook niet of de handtekening op het antwoordformulier van mij is. Ik twijfel daar ook over. Ik heb het tarievenoverzicht en de factuur nooit gezien. Ik weet niet of [betrokkene 20] in de kinderopvang zat. Ik heb nooit kinderopvangtoeslag aangevraagd. Ik weet niet of het telefoonnummer op het antwoordformulier van mij is.

Noot verbalisanten: Wij houden gehoorde voor dat zij hoofdbewoonster is van de woning [e-straat 2] en dat op dit adres personen zijn ingeschreven waarmee vermoedelijk kinderopvangtoeslagfraude is gepleegd.

Vraag verbalisanten: Wat kunt u hierover vertellen?

Pag. 3719: Antwoord gehoorde: Ik weet alleen van [medeverdachte 1] en zijn vriendin, dat die bij mij staan ingeschreven, vanwege de post.

Vraag verbalisanten: Wat bedoelt u met ingeschreven staan “vanwege de post”? Antwoord gehoorde: [medeverdachte 1] en zijn vriendin zouden bij mij komen wonen wanneer de flat was opgeknapt. Hij heeft vroeger ook een tijd met zijn vriendin bij mij gewoond. De post van [medeverdachte 1] kwam bij mij in de brievenbus, en [medeverdachte 2] naam de post dan mee, of [medeverdachte 1] deed dat zelf. [medeverdachte 1] had ook een sleutel.

Vraag verbalisanten: Wat hebt u gevraagd toen [medeverdachte 1] u vroeg of vertelde dat hij zich wilde inschrijven op uw woonadres?

Antwoord gehoorde: Hij wou bij mij komen wonen als de flat was opgeknapt, dus vond ik het niet raar dat de post ook al op mijn adres kwam.

Pag. 3720: Vraag verbalisanten: [betrokkene 14] en zijn vriendin [betrokkene 17] verklaren beiden dat zij meerdere jaren aan de [e-straat 2] hebben gewoond en dat u slechts af en toe langs kwam en daar niet verbleef. Ook [medeverdachte 2] verklaart dat [betrokkene 14] en [betrokkene 17] aan de [e-straat 2] hebben gewoond en dat u daar niet verbleef. Dit komt niet overeen met uw eerder verklaring over waar u woont/woonde. Wat is uw reactie hierop?

Antwoord gehoorde: [medeverdachte 2] heeft mij wel gevraagd om dat meisje te helpen. Ik wist niets van die jongen, en ook niet dat ze huur betaalden aan [medeverdachte 2] . Ik heb een paar maanden boven het café gewoond, en een paar maanden in Servië, in die periode. Dat was geen jaren. Ik stond daar wel ingeschreven en betaalde mijn vaste lasten gewoon omdat ik de woning niet kwijt wilde. Ik was aan het kijken of ik kon regelen dat ik kan emigreren naar Servië als de kindjes wat groter zijn. Ik kwam dan één of twee weken in de flat om te kijken of alles goed is, en vertrok dan weer naar Servië. Daar woonde ik dan bij familie.

Vraag verbalisanten: [medeverdachte 2] verklaart dat het adres [adres] te Lelystad een, zoals hij het noemt “een inschrijfadres” was, dat hij van internet had gehaald. U hebt verklaart (V05-02) echt op dit adres gewoond te hebben. Hoe zit het nu werkelijk in elkaar?

Antwoord gehoorde: Het adres [a-straat 1] te Lelystad was alleen een postadres. Ik heb nooit op dat adres gewoond. Ik ben er nog nooit geweest. [medeverdachte 2] haalt daar altijd de post op, dat doe ik ook niet. Ik ben wel in Lelystad geweest, maar alleen bij de bank.

5. Een schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een wijzigingsformulier Kinderopvangtoeslag ten name van [verdachte] d.d. 24-12-201, welke als bijlage 7 bij het hiervoor genoemde proces-verbaal is gevoegd.

6. Een schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een antwoordformulier kinderopvangtoeslag 2011 d.d. 11-09-2012 gericht aan [verdachte] , [e-straat 2] te Tilburg betreffende [betrokkene 20] , welke als bijlage 8 bij het hiervoor genoemde procesverbaal is gevoegd.

7. Een schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een tarievenoverzicht van [...] v.a. juni 2012, welke als bijlage 9 bij het hiervoor genoemde proces-verbaal is gevoegd.

8. Een schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een jaaropgave Kinderopvang 2011 van Kinderdagverblijf [...] ten name van [betrokkene 20] , gericht aan [verdachte] , [e-straat 2] te Tilburg, welke als bijlage 10 bij het hiervoor genoemde procesverbaal is gevoegd.

9. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (als bijlage op pagina 3420 e.v, V01-03, van het proces-verbaal, genummerd 49918) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2]:

Noot verbalisanten: Wij tonen gehoorde een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel voor Gooi, Eem en Flevoland, dossiernummer [...] , betreffende de inschrijving van eenmanszaak “ [A] ”, gevestigd op het adres [e-straat 2] Tilburg.

Vraag verbalisanten: Wat kunt u vertellen over eenmanszaak “ [A] ” en uw betrokkenheid bij deze onderneming?

Antwoord gehoorde: Het was in dit geval de bedoeling dat ik een handel zou beginnen in kleding. Mijn intentie was om op markten en braderieën kleding te verkopen. Het is er nooit van gekomen omdat ik na deze inschrijvingen ben begonnen met de sealbagfraude. Ik weet niet meer of mijn moeder mee is geweest naar de Kamer van Koophandel, zij is wel mee geweest naar de bank voor het openen van de bankrekening. Mijn moeder is verder nooit bij de uitvoering van [A] betrokken geweest. Er zijn geen bedrijfsmatige werkzaamheden verricht in [A] .

Vraag verbalisanten: Wat kunt u vertellen over het adres [a-straat 1] te Lelystad?

Antwoord gehoorde: Dit adres betrof ook een inschrijfadres via internet waarover ik eerder heb verklaard en waarvoor ik betaald heb. Dit adres heb ik op internet opgezocht en is gebruikt voor [A] omdat het adres van mijn moeder een huurflat betrof waarop geen onderneming gevestigd mocht worden.

Vraag verbalisanten: Wij houden gehoorde voor dat per 12-07-2010 er een “Overeenkomst verpakt storten via stortingsautomaten” afgesloten met [verdachte] h/o [A] . Op basis van deze overeenkomst kon de klant sealbags afstorten via automaten van ABN AMRO. Wat wilt u over deze overeenkomst verklaren? Op 18-02-2011 is naar aanleiding van een verzoek op naam van [verdachte] goedkeuring verleend om sealbag afstortingen OGV te verrekenen. Wat wilt u hierover verklaren?

Antwoord gehoorde: Deze handelingen zijn door mij verricht. Dat ging gewoon via een belletje. Ik belde namens mijn moeder en vroeg om een OGV waarvan ik vond dat ik aan de vereisten voldeed. Deze werkwijze ging in feite bij alle ondernemingen op dezelfde wijze. [A] is in het begin opgericht om op een normale manier te exploiteren. Pas later werd door mij sealbagfraude gepleegd met [A] .

Noot verbalisanten: Wij tonen gehoorde document 2-D-004-01-09 5/18 T/ 10/18,

3/4. -/4/18 zijnde afschriften van ABN-AMRO ondernemersrekening [001] ten name van [A] , over de periode 27-02-2011 tot en met 06-03-2011 waarop dezelfde dag en kort na de stortingen van sealbags de volgende 8 opnames en overboekingen plaatsvinden. Het betreft opnames in het casino te Breda en Eindhoven, overboekingen naar [A] i.o, [medeverdachte 1] h/o [naam] , en [verdachte] voor totaal € 88.372,28:

-04-03-2011 opname Casino te Breda € 10.000,-

-04-03-2011 opname Casino te Breda € 10.000,-

-05-03-2011 opname Casino te Breda € 3.400,-

-05-03-2011 opname Casino te Breda € 10.000,-

-05-03-2011 opname Casino te Breda € 10.000,-

-06-03-2011 opname Casino te Breda € 10.000,-

-06-03-2011 opname Casino te Breda € 15.000,-

-05-03-2011 overboeking naar 4807682 [verdachte] € 9.450,-

-06-03-2011 overboeking naar 58.72.67.372 0. [medeverdachte 1] h/o [naam] € 4.389,16

-06-03-2011 overboeking naar 58.72.67.372 0. [medeverdachte 1] h/o [naam] € 6.133,12.

Vraag verbalisanten: Wat wilt u over deze opnames en overboekingen ten bedrage van in totaal € 88.372,28 verklaren?

Antwoord gehoorde: Deze opnames en overboekingen betreffen het geld wat ik heb verkregen door de sealbagfraude. Over de besteding van deze gelden herhaal ik wat ik al heb gezegd. Het geld ging op aan casino gokken, de investeringen in het café, aankoop auto enz.

Vraag verbalisanten: Door wie zijn de bedragen opgenomen in het casino te Breda en Eindhoven?

Antwoord gehoorde: Deze bedragen zijn door mij opgenomen.

Noot Verbalisanten: gehoorde wordt het volgende voorgehouden:

> Dat door de FIOD is vastgesteld dat [medeverdachte 1] , onder meer gedurende de periode 04-03-2011 t/m 05-03-2011 regelmatig casino’s heeft bezocht in onder meer Breda en Venlo.

> Dat in deze casino’s, door gebruik te maken van de aldaar aanwezige betaalautomaten bedragen werden opgenomen van bankrekening [001] ten name van [verdachte] h/o [A]

> Dat deze opnames van bankrekening [001] ten name van [verdachte] h/o [A] enkele minuten na binnenkomst van [medeverdachte 1] plaatsvonden

> Dat gedurende deze periode [verdachte] niet als bezoekster werd geregistreerd in de casino’s te Breda en Venlo.

> Dat deze opnames konden plaatsvinden doordat [medeverdachte 1] kennelijk de beschikking had over de bankpas van bankrekening [001] ten name van [verdachte] h/o/ [A] .

Vraag verbalisanten: wat wilt u hierover verklaren?

Antwoord gehoorde: Ik geef toe dat ik daar geweest ben en dat ik in het casino gepind heb.

Noot verbalisanten: wij tonen gehoorde rekeningafschrift van bankrekening [004] ten name van [verdachte] h/o [A] .

Op 21-01-2013 krijgt [verdachte] h/o [A] € 962,15 binnen op rekening [004] met als omschrijving salaris december. Deze overboeking is afkomstig van “ [B] ”. [adres] te Almere.

Vraag verbalisanten: wat wilt u over deze salarisbetaling verklaren?

Antwoord gehoorde: Dit is de privérekening van mijn moeder waarover ik de beschikking had. Het is een fictieve overboeking die ik gedaan heb naar de rekening van mijn moeder. Dit is een fictieve transactie die ik heb gefaked om bij de bank aan te tonen dat sprake was van betalingsverkeer waaruit de bank kon opmaken dat er sprake was van een bedrijfsmatige rekening van De Zon.

10. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (als bijlage op pagina 3299 e.v, V01-04, van het proces-verbaal, genummerd 4991$) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2]:

Pag. 3300: Noot verbalisanten: wij tonen gehoorde de volgende documenten:

- Een overeenkomst Rabo Ondernemerspakket, rekeninghouder [verdachte] .

[e-straat 2] te Tilburg, rekeningnummer [005] , [A] .

- Een afstortovereenkomst Rabo Ondernemerspakket, rekeninghouder [verdachte] , [e-straat 2] te Tilburg, ten gunste van rekeningnummer [005] .

Vraag verbalisanten: Wat wilt u over de ondernemersrekening en afstortovereenkomst ten name van [verdachte] , [e-straat 2] te Tilburg, rekeningnummer [005] , [A] , verklaren?

Antwoord gehoorde: ik heb die zaken gedaan. Ik heb die overboekingen gedaan naar andere bankrekeningen, van die rekeningen afgehaald. Ik ben degene die alles bij de Rabobank in gang heeft gezet en alle verdere stappen heeft gezet. Ik heb ook uiteindelijk het geld van de sealbagstortingen van de rekeningen afgehaald.

Vraag verbalisanten: [A] heeft op d.d. 07-03-20 1 1 totaal 2 seal bags afgestort voor een totaal bedrag van EUR 25.000 op basis van een afstortovereenkomst. Wat wilt u over deze stortingen vertellen?

Antwoord gehoorde: Bij de Rabobank heb ik alleen dingen gedaan op naam van mijn vrouw en op naam van mijn moeder. Niet op namen van anderen. Dit zijn de enige sealbagfraudes bij de Rabobank. Ik heb de lege sealbags op naam van mijn moeder op haar rekening gestort. Ik heb dat ook zelf vanaf haar rekening opgenomen, dan wel gepind dan wel overgeboekt naar andere rekeningen.

Pag. 3306: Noot verbalisanten: Op 10 november 2010, op een parkeerplaats aan de Alter hoogte van Markelo, werden u en uw broer [medeverdachte 1] , rijdend in een Volvo S80 met het kenteken [kenteken] , tijdens de actie Ochtendgloren door de politie gecontroleerd. De Volvo S80 stond op naam van [verdachte] , [e-straat 2] te Tilburg.

Antwoord gehoorde: Ik herinner mij dat wel. Er waren allerlei instanties aanwezig.

Ik zat in die auto en ik ben toen ook meegenomen. Jullie zeggen dat ik met mijn broer was. Waar baseren jullie dat op? Is dit vastgesteld? Dat was mijn auto. De auto stond op mijn moeders naam, maar die heeft geen rijbewijs. Het was mijn auto.

Meer kan ik daar niet over zeggen.

11. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (als bijlage op pagina 2417, AH-251, van het proces-verbaal, genummerd 4991$), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant(en):

In het kader van een strafrechtelijk onderzoek van de FIOD met het hierboven vermelde dossiernummer is duidelijk geworden dat de Organisatie [medeverdachte 1 en 2] de beschikking heeft of heeft gehad over tientallen auto’s. Van sommige auto’s is bekend dat deze zijn aangekocht door iemand van de organisatie [medeverdachte 1 en 2] , van anderen is bekend dat deze zijn verkocht of te koop zijn aangeboden door de Organisatie [medeverdachte 1 en 2] .

Tot slot zijn er auto’s waarvan bekend is dat deze volgens het kentekenregister van de RDW op naam hebben gestaan van leden/kennissen of katvangers van de Organisatie [medeverdachte 1 en 2] .

Om auto’s uit het zicht te houden van de autoriteiten worden auto’s veelvuldig niet op naam gezet van de werkelijke eigenaar, maar op naam van een aantal katvangers en van andere familieleden binnen de Organisatie [medeverdachte 1 en 2] .

Zo zijn er auto’s op naam gezet van de volgende personen terwijl zij niet de werkelijke eigenaar van de auto waren of zijn:

Naam [verdachte] 18 auto’s.

Audi A8 lang TDI Quattro, kenteken [kenteken]

Van 5-5-2011 tot 1-6-20 12 (13 maanden) heeft de Organisatie [medeverdachte 1 en 2] de beschikking gehad over deze auto. De auto is in mei 2011 door [medeverdachte 2] gekocht voor € 15.000, welk bedrag op 03-05-20 11 is betaald vanaf een bankrekening van katvanger [C] . Deze rekening is gebruikt voor frauduleuze handelingen betreffende de sealbagfraude ABN Versuz/ [C] .

De auto is achtereenvolgens op naam gezet van verdachte [verdachte] , katvanger [C]

en vervolgens weer verdachte [verdachte] . In de periode mei-juli 2011 zijn er vier

boetes door het CJIB opgelegd waarvan er twee vanaf een bankrekening van katvanger

[E] en één vanaf een bankrekening van katvanger [D] werden betaald. De advertentiekosten voor deze auto werden betaald van een bankrekening

van katvanger [F] .

Op 23 juni 2011 wordt er in Nijmegen geld gestort op een bankrekening van katvanger [D] waarbij ongeveer op hetzelfde moment eveneens in Nijmegen met deze auto een verkeersovertreding wordt gepleegd.

Volvo S80, kenteken [kenteken]

Volgens het kentekenregister van de RDW is de tenaamstelling van deze auto, voor zover het aan de Organisatie [medeverdachte 1 en 2] gelieerde personen betreft, als volgt:

Naam Begindatum Einddatum

[verdachte] 24-3-2010 28-6-2010

Mercedes E270 CDI Combi, kenteken [kenteken]

Volgens het kentekenregister van de RDW is de tenaamstelling van deze auto, voor zover het aan de Organisatie [medeverdachte 1 en 2] gelieerde personen betreft, als volgt:

Naam Begindatum Einddatum

[verdachte] 4-1-2010 9-9-20 10

Deze auto heeft 8 maanden op naam van een aan de Organisatie [medeverdachte 1 en 2] gelieerde persoon gestaan.

Volvo S80 D5 Automaat, kenteken [kenteken]

Volgens het kentekenregister van de RDW is de tenaamstelling van deze auto, voor zover het aan de organisatie [medeverdachte 1 en 2] gelieerde personen betreft, als volgt:

Naam Begindatum Einddatum

[verdachte] 16-2-2011 24-3-2011

Audi 8, kenteken [kenteken]

De auto is achtereenvolgens op naam gezet van verdachte [verdachte] katvanger [C] en vervolgens weer op katvanger [verdachte] .

Volvo S80 D5 automaat, kenteken [kenteken]

Volgens het kentekenregister van de RDW is de tenaamstelling van deze auto, voor zover het aan de Organisatie [medeverdachte 1 en 2] gelieerde personen betreft, als volgt:

Naam Begindatum Einddatum

[verdachte] 22-12-2010 14-10-2011

Audi A8, kenteken [kenteken]

Van 27-06-2011 tot heden (27 maanden) heeft de organisatie [medeverdachte 1 en 2] de beschikking gehad over deze auto.

De auto is achtereenvolgens op naam gezet van katvanger [C] en verdachte [verdachte] en vervolgens op katvanger [D] .

Volvo S80, kenteken [kenteken]

Volgens het kentekenregister van de RDW is de tenaamstelling van deze auto, voor zover het aan de Organisatie [medeverdachte 1 en 2] gelieerde personen betreft, als volgt:

Naam Begindatum Einddatum

[verdachte] 9-12-2009 16-2-2011

Audi A6, kenteken [kenteken]

Volgens het kentekenregister van de RDW is de tenaamstelling van deze auto, voor zover het aan de Organisatie [medeverdachte 1 en 2] gelieerde personen betreft, als volgt:

Naam Begindatum Einddatum

[verdachte] 17-4-2012 5-12-2012

Audi S8, kenteken [kenteken]

Volgens het kentekenregister van de RDW is de tenaamstelling van deze auto voor zover het aan de organisatie [medeverdachte 1 en 2] gelieerde personen betreft, als volgt:

Naam Begindatum Einddatum

[verdachte] 8-3-2012 16-5-2012

Volvo S60 2.4D automaat, kenteken [kenteken]

Volgens het kentekenregister van de RDW is de tenaamstelling van deze auto, voor zover het aan de organisatie [medeverdachte 1 en 2] gelieerde personen betreft, als volgt:

Naam Begindatum Einddatum

[verdachte] 13-11-2010 12-4-2011

Audi A6 4.2 TDI 240kw, kenteken [kenteken]

De auto is achtereenvolgens op naam gezet van katvanger [C] , verdachte [verdachte] en vervolgens op katvanger [D] .

Audi A8 TDI 171kw Quattro, kenteken [kenteken]

Volgens het kentekenregister van de RDW is de tenaamstelling van deze auto, voor zover het aan de organisatie [medeverdachte 1 en 2] gelieerde personen betreft, als volgt:

Naam Begindatum Einddatum

[verdachte] 08-08-2010 09-12-2010

Spelt. 09-12-2010 16-02-2011

[verdachte] 16-02-2011 08-08-2011

Volvo S80 automaat, kenteken [kenteken]

Volgens het kentekenregister van de RDW is de tenaamstelling van deze auto, voor zover het aan de organisatie [medeverdachte 1 en 2] gelieerde personen betreft, als volgt:

Naam Begindatum Einddatum

[verdachte] 9-2-2010 11-9-2010

Audi A6 Avant Quattro 121kw. kenteken [kenteken]

Volgens het kentekenregister van de RDW is de tenaamstelling van deze auto, voor zover het aan de Organisatie [medeverdachte 1 en 2] gelieerde personen betreft, als volgt:

Naam Begindatum Einddatum

[verdachte] 19-3-2012 29-11-2012

Uit het onderzoek is bekend geworden dat de Organisatie [medeverdachte 1 en 2] in de periode eind 2008 tot heden de beschikking heeft of heeft gehad over zeker 35 auto’s en 1 motorfiets. Het merendeel van deze voertuigen is aangeschaft tussen eind 2010 en eind 2012.

Diverse betrokkenen noemen met name verdachte [medeverdachte 2] als degene die van wie de auto’s zijn dan wel waar hij bij betrokken is. In een enkel geval wordt ook verdachte [medeverdachte 1] genoemd.

In deze periode hadden beide verdachten geen officiële/legale inkomsten van waaruit zij de aanschaf van al deze vervoermiddelen en de daarmee samenhangende kosten konden betalen.

Het merendeel van deze auto’s werd niet op eigen naam gezet maar op naam van onder andere de medeverdachten/katvangers [D] , [C] , [verdachte] , [betrokkene 1] ,

[G] .

Van 12 vervoermiddelen is vastgesteld dat de aankoop is betaald vanaf bank rekeningen (op naam van katvangers) waarop geld afkomstig uit diverse KOT- en/of sealbagfraudes is ontvangen.

Gelet op de grote aantallen auto’s en het overwegend gebruik binnen de Organisatie en de verklaring van verdachte [medeverdachte 2] dat auto’s voor hem eigenlijk een hobby zijn, zijn de auto’s geen bron van inkomsten maar een besteding van geld. Daarbij is van 9 auto’s die per bank zijn betaald, aangetoond dat dit geld afkomstig is van bankrekeningen die bij de sealbag- en KOT-fraudes zijn betrokken. Van de broers [medeverdachte 1 en 2] zijn in de betreffende periode geen legale/officiële inkomsten bekend. Wel is bekend dat zij veel contant geld, afkomstig uit de genoemde fraudes, voorhanden hebben gehad.

Vermoedelijk zijn de overige auto’s uit deze contante geldstroom, of uit mogelijk nog onbekende bankrekeningen van katvangers, betaald.

Ook de met auto’s samenhangende kosten zoals brandstof, onderhoud en boetes zijn van diverse katvangers-bankrekeningen betaald.

Totaal is er minimaal € 213.469,-- door de Organisatie [medeverdachte 1 en 2] uitgegeven aan auto’s en bijbehorende kosten. Dit bedrag is betaald van diverse bankrekeningen op naam van katvangers die bij de diverse kot- en/of sealbagfraudes betrokken zijn.

12. Een schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, zijnde een uittreksel van de Kamer van Koophandel Brabant van de onderneming [A] d.d.6 januari 2011 (2-D- 011-02-011. pag. 10056), onder meer inhoudende dat de onderneming een eenmanszaak betreft met als handelsnaam [A] en als bedrijfsomschrijving Groothandel in nieuwe kleding’ en dat de onderneming wordt gedreven voor rekening van [verdachte] , geboren [geboortedatum] -1952 te [geboorteplaats] , Joegoslavië en wonende [e-straat 2] te Tilburg.

13. Schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, zijnde een document (2-D-004-01-02 pag. 4/9 tot en met 7/9), te weten een Overeenkomst Starterspakket tussen ABN-AMRO en [verdachte] h/o [A] , aangegaan op 30-6-2010 te Lelystad en getekend door [verdachte] .

14. Een schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, zijnde een document (20D-01 1-02-03 1/5 t/m 4/5, pag. 10058 t/m 10061) een Overeenkomst Rabo Ondernemers Pakket met Startersvoordeel met de Rabobank.”

8. Het valt op dat in het bestreden arrest geen nadere bewijsmotivering is opgenomen. Dat betekent dat de bewijsvoering geheel en al uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen moet blijken. Deze inhoud dient ingevolge art. 359, derde lid, Sv de redengevende feiten en omstandigheden voor de bewezenverklaringen te behelzen. De vraag of daarvan in casu sprake is en dus of de bewijsmiddelen de bewezenverklaringen zelfstandig kunnen dragen, zal hieronder worden bezien, nu de middelen daartoe nopen.

9. Het eerste middel keert zich tegen de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde feit – deelneming aan een criminele organisatie – en klaagt dat (i) het bestaan van deze organisatie, (ii) de deelneming daaraan door de verdachte en (iii) het opzet van de verdachte op die deelneming niet zonder meer uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen volgen, dan wel dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, de namens de verdachte gevoerde bewijsverweren ten aanzien van feit 1 heeft verworpen.

10. Art. 140 Sr luidt, voor zover hier van belang:

“1. Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.”

11. Aan de bestanddelen “deelneming” en “organisatie” heeft de Hoge Raad nader uitleg gegeven. Zo heeft hij in het arrest van 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:264 het volgende overwogen:

“4.3. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat van deelneming aan een organisatie als bedoeld in de art. 140 Sr slechts dan sprake kan zijn, indien de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk (vgl. HR 29 januari 1991, DD 91.168 en 169).”

En in het arrest van 8 februari 2011, ECLI:NL:HR:BO9814:

2.3.1.

In zijn arrest van 18 november 1997, NJ 1998/225 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat voor "deelneming" in de zin van art. 140 Sr voldoende is dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Over de organisatie zegt het arrest van HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:378:

“Voor de bewezenverklaring van 'een organisatie' als bedoeld in art. 140 Sr is vereist dat sprake is van een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en tenminste één andere persoon (vgl. HR 26 oktober 1993, ECLI:NL:HR:1993:AD1974, NJ 1994/161). Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat een persoon om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie (vgl. HR 9 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ8470) of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is (vgl. HR 29 januari 1991, NJB 1991, 50).”

12. Ik meen dat uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen zonder meer het bestaan van de onder feit 1 bedoelde organisatie kan volgen. Daaruit blijkt van een samenwerkingsverband tussen de verschillende personen – onder meer tussen de verdachte en haar zoon [medeverdachte 2] –, waaraan de verlangde duurzaamheid en structuur kan worden toegekend. De verdachte kan immers worden gezegd een (ondersteunend) aandeel te hebben gehad in gedragingen die strekten tot of rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Zij is haar zoon, en de andere leden van de organisatie, op zijn minst ten dienste geweest door haar medewerking en haar naam te verlenen aan handelingen, documenten en voorwerpen die noodzakelijk waren ter verwezenlijking van de beoogde misdrijven (zoals sealbag fraude en witwassen) door ten aanzien van [A] ondernemersrekeningen te openen, de bankpas en pincode daarvan ter beschikking te stellen van haar zoon [medeverdachte 2] , twee startersovereenkomsten op te maken en een groot aantal auto’s op haar naam te laten zetten. Zo heeft de verdachte zogenaamd een kledingbedrijf ( [A] ), die schijnbaar voor haar rekening zou worden gedreven, op haar naam, in de hoedanigheid van eigenaresse, laten zetten, deze eenmanszaak op haar adres [e-straat 2] in Tilburg laten vestigen bij de Kamer van Koophandel (b.m. 9 en 12) en twee ondernemersrekeningen op naam van [A] geopend, een bij de ABN Amro bank en een bij de Rabo bank, waarvoor zij met haar zoon [medeverdachte 2] een paar keer naar deze banken is geweest en in welk verband de verdachte getekend heeft (b.m. 1 en 2). In samenhang daarmee is de verdachte een Overeenkomst Starterspakket respectievelijk een Overeenkomst Ondernemerspakket met Startersvoordeel met deze banken aangegaan, met de verdachte als pashouder (b.m. 2, 3, 10, 13 en 14). De Raborekening heeft de verdachte in januari 2011 geopend terwijl zij, naar eigen zeggen, toen al wist dat [A] niks geworden was (b.m. 1). Uit de bewijsmiddelen kan voorts worden afgeleid dat het ook nooit echt de bedoeling is geweest dat het met dit bedrijf op het gebied van mode of kleding iets zou worden. Er zijn namelijk nimmer bedrijfsmatige werkzaamheden verricht in of voor [A] , en de verdachte is dus nooit bij enige bedrijfsuitvoering van [A] betrokken geweest (b.m. 9). De verdachte zelf zegt nooit inkomsten uit het bedrijf en nooit de beschikking over de bankrekeningen van [A] te hebben gehad (b.m. 1), en de bankpasjes met bijhorende pincodes, die zij verkreeg, aan haar zoon [medeverdachte 2] te hebben gegeven, omdat hij alles regelde (b.m. 1 en 2), hoewel zij toen wist dat haar zoon reeds eerder was veroordeeld voor strafbare feiten en hij ook iets te maken had (gehad) met sealbag fraude (b.m. 4). Het was de bedoeling dat met [A] sealbag fraude bij de ABN Amro bank en de Rabo bank kon worden gepleegd (b.m. 3, 4, 9 en 10). Daarvoor werden op verzoek van de verdachte overeenkomsten ‘verpakt storten via stortingsautomaten’ afgesloten, op welke beide overeenkomsten de handtekening van de verdachte staat (b.m. 3 en 4). De verdachte is met het oog daarop mee geweest naar de bank (b.m. 4). Bij de ABN Amro overeenkomst werd als adres [adres] in Lelystad opgegeven, een postbusadres naar de verdachte wist, volgens haar zoon [medeverdachte 2] “een inschrijfadres” dat hij van internet had gehaald en waar de verdachte nooit heeft gewoond of is geweest, terwijl zij wist dat deze overeenkomst “voor [A] was” (b.m. 4). Op 20 januari 2011 werd voor de onderneming van de verdachte, [A] , bij de Rabobank de overeenkomst ‘verpakt storten’ afgesloten, met als adres Corellistraat, van welke woning de verdachte de hoofdbewoonster is, maar waar de verdachte slechts af en toe langs kwam maar niet verbleef (b.m. 4). Voorts heeft de verdachte (als katvanger) een aanzienlijk aantal auto’s van de merken Audi, Volvo en Mercedes op haar naam laten zetten, in het bijzonder in samenwerking met haar zoon [medeverdachte 2] , ten einde deze auto’s uit het zicht van de autoriteiten te houden (b.m. 11). Van 12 vervoermiddelen is vastgesteld dat de aankoop ervan is betaald vanaf een bankrekening waarop geld uit kot- en/of sealbag fraudes is ontvangen en is minimaal € 213.469,- betaald van diverse bankrekeningen op naam van katvangers die bij de diverse kot- en/of sealbag fraudes betrokken zijn.

12. Voorts komt uit de inhoud van de bewijsmiddelen voldoende naar voren dat de verdachte weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) ervan heeft gehad dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk had, althans dat zij dit moet hebben geweten.1 Dit in, in de deelneming besloten liggende, opzet kan onder meer worden afgeleid uit de onderlinge samenhang, de aard en de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van de verdachte en anderen die ik zojuist aan de hand van de bewijsmiddelen beschreven heb en de context waarbinnen die gedragingen hebben plaatsgevonden. Daarnaast wijs ik op de eigen verklaringen van de verdachte, voor zover deze onderdeel zijn van de bewijsconstructie. Die houden, als gezegd, onder meer in dat zij al wist dat [A] niks geworden was toen de Raborekening in januari 2011 werd geopend.

14. De bewezenverklaring van feit 1 is dan ook naar de eis der wet voldoende met redenen omkleed. De namens de verdachte gevoerde bewijsverweren ter terechtzitting van het hof maken dat niet anders.

15. Het eerste middel faalt.

16. Het tweede middel klaagt met betrekking tot de bewezenverklaring van het tweede bewezenverklaarde feit – het medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift als ware het echt en onvervalst – dat de pleegdatum, de valsheid van uittreksel “2-D-004-01-02, pag. 9374” en het opzet op die valsheid, alsook de bewijsbestemming van uittreksel “2-D-011-02-01, pag. 10056” en het overleggen van dit document niet zonder meer uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid, dan wel dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, de namens de verdachte gevoerde bewijsverweren ter zake van feit 2 heeft verworpen. Blijkens de toelichting stelt het middel daarbij dat het bestreden arrest tegenstrijdigheden bevat inzake de vraag of deze bewezenverklaring het oog heeft op één geval of op twee gevallen van gebruik maken van een vals geschrift.

17. Aan de steller van het middel kan worden toegegeven dat wel wat valt aan te merken op de bewezenverklaring van feit 2 en de daarvoor gebruikte bewijsmiddelen. Inderdaad maakt een eerste lezing van feit 2 zoals bewezenverklaard, niet meteen duidelijk of het om één uittreksel van de Kamer van Koophandel Brabant van de eenmanszaak [A] dan wel om twee uittreksels van de Kamer van Koophandel Brabant gaat. In zoverre is deze bewezenverklaring niet helemaal vlekkeloos. Maar de verdachte is daardoor niet in enig rechtens te beschermen belang geschaad. Het is gezien het ontbreken in de bewezenverklaring van de zinsnede “meermalen gepleegd” en de enkelvoudige kwalificatie van dit feit mijns inziens evident dat het hof hier kennelijk eenmaal valsheid in geschift bewezen heeft willen verklaren. Dat volgt ook uit de omstandigheid dat het hof hier één pleegdatum – te weten 20 januari 2011 – heeft bewezenverklaard. Dit is de datum waarop de verdachte de ondernemingsrekening ( [A] ) bij de Rabobank heeft geopend.2 Voorts is slechts één uittreksel van de Kamer van Koophandel Brabant ter zake van de onderneming [A] voor het bewijs gebezigd, te weten het uittreksel dat gedateerd is op 6 januari 2011 ((2-D-011-02-01[1]).3

18. Van deze uitleg uitgaande, behoeft in cassatie geen nadere bespreking al hetgeen in de schriftuur ten aanzien van uittreksel “2-D-004-01-02, pag. 9374” als bedoeld in feit 2 over de pleegdatum, de valsheid en het desbetreffende opzet in relatie tot de ABN Amro is opgemerkt.

19. Dan de klachten die betrekking hebben op de gebruikmaking van het uittreksel van de Kamer van Koophandel dat in de bewezenverklaring is aangeduid als “2-D-011-02-01, pag. 9374” bij de Rabobank op 20 januari 2011. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat (i) het opzet op het “gebruikmaken” van dit uittreksel ontoereikend is gemotiveerd, (ii) de bewijsbestemming van dit uittreksel “gebrekkig” is en (iii) het “overleggen” van dit uittreksel niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

20. Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt (het is reeds meermalen opgemerkt, zie het eerste middel) dat de verdachte ten tijde van het openen van de ondernemersrekening bij de Rabobank al wist dat [A] “niks geworden was”. In het licht van de, uit de bewijsmiddelen blijkende en hierboven in randnummer 12 door mij samengevatte, gedragingen van de verdachte, kan hier bezwaarlijk een andere betekenis aan worden gegeven dan dat de verdachte op die 20e januari bij de Rabobank wist dat in werkelijkheid met [A] – op papier een eenmanszaak die op naam van de verdachte werd gedreven, maar waarmee zij geen enkele bemoeienis had – niet in overeenstemming met de geregistreerde bedrijfsomschrijving (handel in kleding) werd gehandeld en dat toen, bij de Rabobank, in strijd met de waarheid anders werd voorgespiegeld. Het hof heeft dan ook uit de gebezigde bewijsmiddelen het opzet van de verdachte op het gebruikmaken van het ‘uittreksel 2-D-011-02-01[1]’ kunnen afleiden. Dit opzet is toereikend gemotiveerd.

21. Voorts wordt in de toelichting op het middel gesteld dat voormeld uittreksel vanwege het ontbreken van een ondertekening niet “geldig, officieel” is , zodat de bewijsbestemming ervan gebrekkig is in aanmerking genomen dat op dit document vermeld zou staan: “Alleen geldig indien door de kamer voorzien van een ondertekening”. Nog daargelaten de vraag wat in cassatie onder een gebrekkige bewijsbestemming dient te worden verstaan (levert dat geen of toch nog net wel een bewijsbestemming op?), zij opgemerkt dat te dien aanzien bij het hof geen verweer is gevoerd en de beoordeling daarvan een onderzoek van feitelijke aard zou vergen waarvoor in cassatie geen plaats. (Het stuk is niet integraal opgenomen onder de bewijsmiddelen). Overigens, het ontbreken van een handtekening of een ondertekening neemt zeker niet altijd de bewijsbestemming weg. Voor de bewijsbestemming van een geschrift, zoals een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel, is de functie ervan in het maatschappelijk verkeer bepalend, meer in het bijzonder of in het maatschappelijk verkeer aan het geschrift betekenis voor het bewijs van enig feit pleegt te worden toegekend.4 Klaarblijkelijk was het ‘uittreksel 2-D-011-02-01[1]’ zodanig overtuigend dat de Rabobank na kennisneming daarvan de genoemde ondernemersrekening ten behoeve van de verdachte heeft geopend.

22. Rest de klacht dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet blijkt dat “uittreksel 2-D-011-02-01[1]” door de verdachte dan wel haar mededader is overgelegd en dat dit de mogelijkheid openlaat dat dit uittreksel door de Rabobank zelf rechtstreeks bij de Kamer van Koophandel is betrokken. Hier heeft de steller van het middel een klein punt. Maar in cassatie helpt deze constatering de verdachte niet verder. Ook als ware aan te nemen dat de Rabobank het uittreksel heeft opgevraagd met het oog op de te openen ondernemersrekening, dan nog zou zulks zijn gedaan ten dienste van de verdachte en zou sprake zijn van gebruikmaken, voorhanden hebben en afleveren (welke onderdelen in het kader van feit 2 zijn bewezenverklaard en in cassatie niet zijn bestreden).

23. Mijn slotsom luidt dan ook dat de bewezenverklaring van feit 2 naar de eis der wet voldoende met redenen is omkleed.

24. Het tweede middel faalt.

25. Het derde middel klaagt aangaande feit 3 – medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (Overeenkomst starterspakket ABN Amro en Overeenkomst Rabo Ondernemerspakket met startersvoordeel) – dat de valsheid van de ABN Amro overeenkomst alsmede het opzet van de verdachte en/of haar medeverdachte op de valsheid van beide overeenkomsten ten tijde van het afsluiten daarvan en daarmee ook het voor art. 225 Sr vereiste oogmerk uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid, dan wel dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, de namens de verdachte gevoerde bewijsverweren ter zake van feit 3 heeft verworpen.

26. Onder feit 3 is onder meer bewezenverklaard dat de verdachte, als ware zij eigenaar van de eenmanszaak [A] , in werkelijk niet handelde onder de naam [A] en zij evenmin de gebruiker was van de bankrekening aangezien zij niet feitelijk degene was die de beschikking kreeg over de bankrekeningen en de pasjes, maar haar mededader.

27. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat niet zonder meer uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de onder 3 bewezenverklaarde valsheden reeds op 30 juni 2010 bestonden, de datum waarop de startersovereenkomst met de ABN Amro werd aangegaan, noch dat de gevoerde bewijsverweren op dit punt hun weerlegging in de bewijsmiddelen vinden. Wat betreft, kort gezegd, de ABN Amro en het ontbreken van opzet en oogmerk (bij de verdachte) in dat verband, verwijst de toelichting op het middel mutatis mutandis naar de toelichting op het tweede middel. Kort samengevat komt die toelichting erop neer dat in het begin, dat wil zeggen op 28 juni 2010 (vestiging [A] ) en 30 juni 2010 (startersovereenkomst ABN Amro, b.m. 13), het wel degelijk de bedoeling was dat de verdachte de onderneming [A] op een normale manier (handel in kleding) zou drijven.

28. Dat zie ik anders. Om niet al te zeer in herhaling te vervallen, verwijs ik allereerst naar mijn besprekingen van de voorgaande middelen. Hier benadruk ik nog eens hetgeen ik in randnummer 12 heb weergegeven, te weten (in onderlinge samenhang en voor zover hier relevant): dat er geen bedrijfsmatige werkzaamheden zijn verricht in of voor [A] (b.m. 9); dat de verdachte zelf heeft verklaard nooit inkomsten uit het bedrijf te hebben genoten en nooit de beschikking over de bankrekeningen van [A] te hebben gehad (b.m. 1); dat de verdachte heeft verklaard dat zij de bankpasjes met bijhorende pincodes, die zij verkreeg, aan haar zoon [medeverdachte 2] heeft gegeven, omdat hij alles regelde (b.m. 1 en 2), terwijl zij op dat moment wist dat haar zoon reeds eerder was veroordeeld voor strafbare feiten en betrokken was geweest bij sealbag fraude (b.m. 4); dat de verdachte nooit bij de uitvoering van [A] betrokken is geweest (b.m. 9); en dat het bij de ABN Anro startersovereenkomst opgegeven adres [adres] in Lelystad een inschrijfadres – naar de verdachte toen al wist (naar haar zeggen een postadres) – was dat haar zoon [medeverdachte 2] op internet had opgezocht en waar de verdachte nooit heeft gewoond (b.m. 4). Uit de bewijsmiddelen kan mijns inziens worden afgeleid dat de eenmanszaak [A] met daaraan de naam van de verdachte als eigenaresse verbonden, vanaf haar oprichting niets meer of anders is geweest dan een frontstore.

29. Wat betreft de Rabo Overeenkomst en het opzet bij de verdachte wordt in cassatie gesteld dat ter ’s hofs terechtzitting door de verdediging is aangevoerd dat de verdachte “toen niet heeft begrepen wat zij tekende”. Waarom zij toen geen idee zou hebben gehad wat zij tekende (en andere keren kennelijk wel) is niet uitgewerkt en bovendien niet iets om in cassatie te beoordelen. De vraag die overigens bij mij opkwam, namelijk waarom na het openen van de ondernemersrekening bij de ABN AMRO ruim een half jaar later ook nog eens bij de Rabobank een ondernemersrekening voor [A] moest worden geopend, terwijl de verdachte in de tussenliggende periode geen enkele bedrijfsactiviteit op het gebied van kleding heeft ontplooid, laat ik verder maar rusten. Naar mijn inzicht is de bewezenverklaring naar de eis der wet voldoende met redenen omkleed.

30. Het derde middel faalt.

31. Het vierde middel keert zich tegen het vierde bewezenverklaarde feit – medeplegen gewoontewitwassen – en klaagt dat de herkomst uit misdrijf van de bankrekeningen en het opzet bij de verdachte op de herkomst uit misdrijf niet uit bewijsmiddelen kan worden afgeleid, dan wel dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd de namens de verdachte gevoerde bewijsverweren ter zake van feit 4 heeft verworpen.

32. In de toelichting op het middel wordt ter onderbouwing enkel aangevoerd:

“4.1. Onder 4 is bewezenverklaard gewoonte witwassen in de vorm van opzetwitwassen dat heeft bestaan in het verhullen van de rechthebbende op voorwerpen, zijnde de bankrekeningen die ook bij feit 2 en 3 centraal stonden en de saldo's, daarop en 15-auto's. 4.2. Ter terechtzitting In hoger beroep is door de raadsman van requirant vrijspraak voor dit feit bepleit.

4.3.

Van de rekeningen heeft het hof, gelet op de middelen 2 en 3, ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd geoordeeld dat deze afkomstig zijn van misdrijf. 4.4. Bovendien is, ook in het licht van wat ten verwere is aangevoerd in hoger beroep, ook het bewezenverklaarde opzet op de misdadige herkomst ontoereikend gemotiveerd.”

33. Ik meen dat hier geen sprake is van een cassatiemiddel in de zin der wet. De klachten zijn onvoldoende gespecificeerd en vaag. Niet wordt aangegeven op welke onderdelen van het in het middel genoemde verweer wordt gedoeld, noch waarom de bewezenverklaring van feit 4 onjuist dan wel ’s hofs verwerping van het in de schriftuur niet nader aangeduide verweer ontoereikend gemotiveerd zou zijn.5

34. Alle middelen falen en kunnen mijns inziens worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

35. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

36. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 16 maart 1999, NJ 1999/370 en HR 16 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AY9172. Zie ook Noyon/Langemeijer/Remmelink (NLR), Het Wetboek van Strafrecht, 5.4. Bewijs van opzet (bijgewerkt t/m 1 mei 2016).

2 Vgl. b.m. 1. Uit de stukken van het geding maak ik op dat de ondernemersrekening bij de ABN AMRO eerder is geopend, en wel op 30 juni 2010. Zie het eindvonnis van de rechtbank (p. 11 en 12): “Tenlastegelegd is dat het uittreksel van de Kamer van Koophandel dat in het dossier is opgenomen onder bijlage nr. 2-D-011-02-01 (pag. 10056) door verdachte tweemaal is gebruikt. De eerste maal op 30 juni 2010, toen het uittreksel door verdachte zou zijn overgelegd ter verkrijging van een ondernemersrekening bij de ABN Amrobank. De rechtbank stelt vast dat het uittreksel waar naar verwezen wordt gedateerd is op 6 januari 2011 en dat dit uittreksel zou zijn overgelegd op 30 juni 2010. De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat dit niet tot een bewezenverklaring kan leiden. Het uittreksel is volgens de tenlastelegging ook overgelegd aan de Rabobank. Hieromtrent overweegt de rechtbank als volgt. Uit het dossier blijkt dat het uittreksel van de Kamer van Koophandel dat in het dossier is opgenomen onder bijlage nr. 2-D-011-02-01 (pag. 10056) op 20 januari 2011 is overgelegd aan de Rabobank, ter verkrijging van een ondernemersrekening bij deze bank. De ter zake opgemaakte overeenkomst is op die datum door verdachte ondertekend.”

3 Het andere, in de bewezenverklaring genoemde, uittreksel (2-D-004-01-02, p. 9374) is van oudere datum, want van 30 juni 2010

4 Vgl. NLR, a.w., art. 225 Sr, aant. 3.2 e.v. (bijgewerkt t/m 14 januari 2017), waarin o.a. wordt verwezen naar HR 23 september 1952, NJ 1953/1, HR 29 april 1958, NJ 1959/56 en HR 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:859, NJ 2014/473 m.nt. Reijntjes. Vgl. ook HR 11 februari 1986, NJ 1986/554.

5 Ten overvloede merk ik in deze voetnoot op dat gelet op de gebezigde bewijsmiddelen mijns inziens ook deze bewezenverklaring naar de eis der wet voldoende met redenen is omkleed.