Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:324

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
20-02-2018
Datum publicatie
11-04-2018
Zaaknummer
16/06058
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:547
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Aan cassatieschriftuur gehechte stelbrief raadsman niet bij stukken, art. 51 (oud) Sv, thans art. 48 Sv. HR: Op de gronden die zijn vermeld in de CAG is het middel terecht voorgesteld. CAG: Uit de stukken blijkt niet dat een afschrift van de appeldagvaarding aan een voor verdachte optredende raadsman is gezonden, terwijl noch verdachte noch een raadsman ttz. in h.b. is verschenen. Gelet op aan cassatieschriftuur gehechte stukken, te weten een stelbrief in h.b. en een verzendcontrolerapport waaruit kan worden afgeleid dat deze brief per fax is verzonden naar het destijds geldende faxnummer van de strafgriffie van Hof, heeft stelbrief griffie Hof kennelijk wel bereikt maar was deze niet aanwezig in het dossier dat Hof ter beschikking stond bij behandeling zaak in h.b. In cassatie moet er daarom van worden uitgegaan dat zich in h.b. wel een raadsman heeft gesteld maar dat het voorschrift van art. 51 (oud) Sv niet is nageleefd. Niet nakoming van dit voorschrift staat in de weg aan geldige behandeling van de zaak ttz. in h.b. buiten tegenwoordigheid verdachte en diens raadsman.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/06058

Zitting: 20 februari 2018

Mr. D.J.C. Aben

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Bij arrest van 25 oktober 2016 heeft het gerechtshof Den Haag de verdachte bij verstek met toepassing van art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.

2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. A.P. Visser, advocaat te 's-Gravenhage, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep aan nietigheid leidt, nu in strijd met het bepaalde in art. 51 (oud) Sv de raadsman van verdachte niet voor de zitting in hoger beroep is opgeroepen.

4. Uit de stukken van het geding kan het volgende worden afgeleid:
(i) namens verdachte is door mr. M.P. Friperson, advocaat te 's-Gravenhage, op 12 mei 2016 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 2 mei 2016, parketnummer 09/817270-16;
(ii) blijkens een akte van uitreiking is de dagvaarding van verdachte in hoger beroep voor de terechtzitting van het hof van 25 oktober 2016 op 11 augustus 2016 uitgereikt aan de griffier van de rechtbank omdat "van de geadresseerde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is";
(iii) blijkens een akte van uitreiking is de dagvaarding van verdachte in hoger beroep voor de terechtzitting van het hof van 25 oktober 2016, nadat deze op 16 augustus 2016 tevergeefs is aangeboden op het adres [a-straat 1] te 's-Gravenhage, op 9 september 2016 uitgereikt aan de griffier van de rechtbank omdat "van de geadresseerde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is" en is voorts op 9 september 2016 een afschrift van de gerechtelijke brief verzonden aan voornoemd adres;

(iv) een afschrift van de dagvaarding van verdachte in hoger beroep voor de terechtzitting van het hof van 25 oktober 2016 is op 12 oktober 2016 als gewone brief verzonden aan het adres [b-straat 1] te 's-Gravenhage;

(v) op de terechtzitting in hoger beroep is, blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal, noch de verdachte noch een voor de verdachte optredend raadsman verschenen;

(vi) het hof heeft de verdachte op 25 oktober 2016 in het ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard op grond van art. 416, tweede lid, Sv.

5. De aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevatten niets waaruit kan volgen dat voor de behandeling van de zaak van de verdachte een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep aan een voor de verdachte optredend raadsman is gezonden.

6. Aan de cassatieschriftuur is gehecht een kopie van een brief van 17 mei 2016 van mr. A.P. Visser, advocaat te 's-Gravenhage, aan het gerechtshof Den Haag. Deze brief houdt in:

"(…)

[verdachte]/OM

Parketnummer: 09/817270-16

Rolnummer:

Geachte heer, mevrouw,

Hierbij stel ik mij als raadsman in bovengenoemde zaak.

Bijgevoegd treft u de appelakte aan.

(…)

Bijgevoegd treft u mijn actuele verhinderdata aan, met het verzoek bij de appointering van de zitting, hiermee rekening te houden.

(…)"

7. Aan de cassatieschriftuur is voorts gehecht een verzendcontrolerapport waaruit valt af te leiden dat voornoemde brief, die in het rapport is afgedrukt, op 17 mei 2016 om 11:21 uur succesvol is verzonden aan het (fax)nummer 088-6990210, zijnde het destijds geldende faxnummer van de strafgriffie van het gerechtshof Den Haag.

8. Niet gehecht aan de cassatieschriftuur is een brief van de griffier van het hof waarin de ontvangst van dit faxbericht wordt bevestigd, een dergelijke ontvangstbevestiging bevindt zich evenmin bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding. Gelet op de inhoud van het verzendrapport, heeft het faxbericht de griffie van het hof kennelijk wel bereikt, maar was dit niet aanwezig in het dossier dat het hof ter beschikking stond bij de behandeling van de onderhavige zaak in hoger beroep.

9. In cassatie moet daarom ervan worden uitgegaan dat zich wel een raadsman heeft gesteld en dat het voorschrift van art. 51 (oud) Sv niet is nageleefd. Dit in het belang van de verdachte gegeven voorschrift is van zo grote betekenis, dat, al wordt dat niet uitdrukkelijk in de wet bepaald, de niet-nakoming ervan moet worden geacht aan een geldige behandeling van de zaak ter terechtzitting buiten tegenwoordigheid van de verdachte en diens raadsman in de weg te staan.1

10. Het middel is terecht voorgesteld.

11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 11 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1293; HR 22 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2721; HR 19 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3924, NJ 2013/416, m.nt. Borgers; HR 8 maart 2011, ECLI:NL:2011:BO6743; HR 16 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1375 en HR 22 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO8811.