Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:315

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-04-2018
Datum publicatie
12-04-2018
Zaaknummer
16/03298
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:822
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Witwassen door op Curaçao als tussenpersoon van verschillende afzenders uit Nederland afkomstige geldbedragen via Western Union in ontvangst te nemen en aan verschillende derden te overhandigen. Bewijsklachten over 1. afkomst uit misdrijf, 2. verhullen en 3. medeplegen. De AG stelt voor dat de Hoge Raad het beroep in cassatie zal verwerpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/03298 A

Zitting: 10 april 2018

Mr. E.J. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij vonnis van 21 juni 2016 door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, wegens 1 en 2, telkens “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid, onder A van de Opiumlandsverordening 1960”, 3 “opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid, onder C van de Opiumlandsverordening 1960”, 4 “eendaadse samenloop van: medeplegen van witwassen meermalen gepleegd, en medeplegen van een gewoonte maken van witwassen”, en 5 “witwassen, meermalen gepleegd, en een gewoonte maken van witwassen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van voorarrest en onder de algemene en bijzondere voorwaarden zoals in het arrest vermeld.

  2. Er bestaat samenhang met de zaak met parketnummer 17/02912A. Ook in die zaak zal ik vandaag concluderen.

  3. Namens de verdachte heeft mr. S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat te Arnhem, één middel van cassatie voorgesteld.

  4. Het middel komt – in samenhang met de toelichting gelezen – met drie motiveringsklachten op tegen de bewezenverklaringen van de feiten 4 en 5. De eerste klacht is gericht tegen het “van misdrijf afkomstig” zijn van de in deze bewezenverklaringen genoemde geldbedragen. De tweede klacht houdt in dat het “verhullen” van de herkomst van dezelfde geldbedragen niet uit de gebezigde bewijsmiddelen valt af te leiden. De derde klacht luidt dat met betrekking tot feit 4 het medeplegen niet uit de bewijsmiddelen volgt.

  5. Ten laste van de verdachte is onder 4 en 5 bewezenverklaard:

feit 4: (gewoonte)witwassen (zaaksdossier 5)

dat hij in de periode van 1 januari 2010 tot 15 november 2011 in de voormalige Nederlandse Antillen en te Curaçao en/of Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, telkens van voorwerpen, te weten 15 geldbedragen ter waarde van in totaal ANG 30.099,78 de herkomst heeft verhuld, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of begre(e)p(en) dat deze geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, en deze voorwerpen voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen terwijl hij, verdachte, en zijn mededader(s) wist(en) en/of begre(e)p(en) dat deze geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, en van dat witwassen een gewoonte heeft gemaakt;

feit 5: (gewoonte)witwassen (zaaksdossier 5)

dat hij in de periode van 15 november 2011 tot en met 18 mei 2015 te Curaçao , telkens van voorwerpen, te weten geldbedragen, de verhuld voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen terwijl hij wist of begreep dat voormelde voorwerpen - onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf en van dat witwassen een gewoonte heeft gemaakt.”1

6. Deze bewezenverklaringen heeft het hof doen steunen op de inhoud van de volgende, in het bestreden vonnis opgenomen bewijsmiddelen:

Feit 3, 4 en 5:

11. Proces-verbaal van huiszoeking ter inbeslagname d.d. 19 mei 2015, p. 6009, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 19 mei 2015 werd door de rechter-commissaris voor een huiszoeking ter inbeslagneming binnengetreden in een woning, [a-straat 1] . Tijdens de huiszoeking werd het volgende in beslag genomen: een witte plastic zak met daarin brokken van een witte substantie vermoedelijk zijnde verdovende middelen alsmede enkele staven vermoedelijk verdovende middelen.

12. Proces-verbaal van weging, testen en opsturen van monster naar laboratorium van de in beslag genomen verdovende middelen d.d. 19 mei 2015, pagina 6015-6017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 19 mei 2015 had ik verbalisant van brigadier [verbalisant 1] ontvangen een plastic zak inhoudende een aantal witachtige staafjes, die tijdens de huiszoeking op het adres [a-straat 1] werden aangetroffen. Bij weging van het aantal witachtige staafjes bleken dezen een gezamenlijk brutogewicht van 597 gram te hebben. Bij de Narcoticatest waarmee ik een stuk van een witachtig staafje testte, trad een positieve kleurreactie op, zodat aangenomen mocht worden dat het geteste stukje vermoedelijk cocaïne bevatte. Nadien werd vanuit de zak een geringe hoeveelheid brokjes en poeder, als monster genomen en in een plastic potje voorzien van opschrift 53/2015 code II-B gedaan.

13. Geschrift, te weten Rapport van Analytisch Diagnostisch Centrum d.d. 7 september 2015, los stuk, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Het materiaal bestond uit een potje met opschrift no. 53 code II-B, inhoudende een geringe hoeveelheid witachtig poeder en brokjes. Het materiaal bevat cocaïne.

14. De verklaring van de verdachte, ter terechtzitting in hoger beroep van 2 juni 2016 afgelegd, zoals daarvan blijkt uit het proces-verbaal van die terechtzitting, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Het klopt dat ik op 19 mei 2015 in mijn woning een hoeveelheid cocaïne aanwezig heb gehad. Deze drugs bewaarde ik voor [medeverdachte] .

Feiten 4 en 5:

15. Proces-verbaal van bevindingen Western Union d.d. 24 augustus 2015, pagina 5048 t/m 5052, voor zover inhoudende, als verklaring van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , financieel rechercheurs van het Recherche Samenwerkingsteam, vestiging Curaçao, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Uit onderzoek van de door Western Union Money Transfers uitgeleverde stukken bleek dat:

- de verdachte [verdachte] in de periode van 26 april 2010 tot en met 14 november 2011 vanuit Nederland 15 moneytransfers heeft ontvangen van in totaal ANG 30.099,78 van verschillende zenders;

- de verdachte [verdachte] in de periode van 20 november 2011 tot en met 15 mei 2015 vanuit Nederland 11 moneytransfers heeft ontvangen van in totaal ANG 22.034,83 van verschillende zenders onder wie (meermalen) [betrokkene 1] .

Het totale geldbedrag ontvangen vanuit Nederland door [verdachte] in de periode van 26 april 2010 tot en met 15 mei 2015 is ANG 52.134.61.

16. Proces-verbaal van verhoor getuige, d.d. 3 augustus 2015, p. 5104 t/m 5113, voor zover inhoudende als de verklaring van de getuige [betrokkene 2] , zakelijk weergegeven:

Ik ben een paar keer eerder in aanraking geweest met politie en justitie in Nederland en Bonaire. Dat was in verband met verdovende middelen. Ik was gevraagd of ik verdovende middelen wilde smokkelen. Ik deed klussen voor vrienden van vroeger die zich met criminaliteit bezig hielden als ik eerlijk ben, want als ik 10.000 euro moest halen en bij iemand anders brengen dan is het geen normaal verdiend geld toch. Ik kreeg er wel wat voor. Het gaat om het geld dat met drugssmokkel wordt verdiend en mij wordt gevraagd om geld te storten. Ik heb geld gestuurd naar Curaçao. Een keer aan Turbo. Voor 1000 euro kreeg ik 200 euro. Iemand kwam geld brengen en dat ging ik dan verzenden via Western Union. Het ging bijvoorbeeld zo dat iemand bracht 5000 euro dat ik moest bewaren en dan werd gevraagd of ik daarvan 1000 euro wilde overmaken. Het geld kan afkomstig zijn van drugs of wat anders. In elk geval van criminaliteit. Een meid bracht het geld voor me.

17. Een geschrift, inhoudende de weergave van een tapgesprek van 15 augustus 2013, aard: SMS, p. 5030:

Sessienummer 77:

[betrokkene 3] ( [betrokkene 3] ; Hof) stuurt sms-bericht aan [verdachte] ( [verdachte] , Hof) met de volgende gegevens: [betrokkene 2] . [b-straat 1] groningen. [001] . Fl. 2,262,90.

18. Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 26 mei 2015, p. 5169 t/m 5173, voor zover inhoudende als de verklaring van [verdachte], zakelijk weergegeven:

Ik ging voor meerdere personen geld tegen betaling bij Western Union ophalen. Ik weet dat ik door die mensen werd misbruikt. [betrokkene 1] heeft meer dan 1 keer geld vanuit Nederland naar Curaçao verstuurd waarbij ik degene was die het geld bij Western Union moest gaan ophalen. Soms was het geld bestemd voor [medeverdachte] , soms voor wijlen [betrokkene 4] en soms voor wijlen [betrokkene 5] . Ik weet dat [betrokkene 1] zich in Nederland bezig houdt met opvangen van drugskoeriers vanuit Curaçao. Ik vermoed dat de personen voor wie ik geld bij Western Union van [betrokkene 1] ophaalt, in verdovende middelen handelen. Ik vermoed dus dat [betrokkene 5] , wijlen [betrokkene 4] en [medeverdachte] in verdovende middelen hebben gehandeld dan wel handelen.

19. Proces-verbaal informatie Hato-Team d.d. 26 augustus 2015, p. 5380, voor zover inhoudende als verklaring van verbalisant [verbalisant 2]. zakelijk weergegeven:

Ik, verbalisant, verklaar het volgende: Naar aanleiding van de geleverde stukken van de Western Union met betrekking tot [verdachte] is er een bevraging gedaan bij het Hato Team naar de antecedenten van op het overzicht voorkomende geldverzenders. Hieruit bleek het volgende:

[betrokkene 2] is in 2003 aangehouden voor het smokkelen van 1085 gram cocaïne;

20. De verklaring van de verdachte, ter terechtzitting in hoger beroep op 2 juni 2016 afgelegd, zoals daarvan blijkt uit het proces-verbaal van die terechtzitting, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Het klopt dat ik in de periodes 1 januari 2010 tot en met 15 november 2011 en 15 november 2011 tot en met 18 mei 2015 meerdere geldbedragen ten behoeve van anderen, onder wie [medeverdachte] , heb aangenomen via Western Union. Men vroeg mij om dat te doen. Het geld was afkomstig van verschillende afzenders. Ik kende die afzenders helemaal niet, ik wist niet wie de mensen waren die het geld hadden gestort. Ik moest het geld steeds aan [medeverdachte] afgeven. Hij betaalde mij iedere keer een klein geldbedrag voor mijn hulp

7. Over het bewijs van de feiten 4 en 5 heeft het hof nog het volgende overwogen:

Bewijsoverwegingen

(…)

Voorts is namens de verdachte met betrekking tot de feiten 4 en 5 als verweer gevoerd dat niet vaststaat dat de betreffende gelden uit misdrijf afkomstig zijn en dat zulks ook niet uit de wettige bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Dit verweer faalt. Het Hof stelt vast dat het onderzoek in deze zaak geen direct bewijs heeft opgeleverd dat de door de verdachte bij Western Union opgehaalde geldbedragen steeds van enig concreet aanwijsbaar misdrijf afkomstig zijn. Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt evenwel niet alleen dat de verdachte van hem onbekende personen voor derden gelden ontving en dat hij deze gelden aan die derden af moest geven, maar ook dat (een deel van) deze onbekende personen drugsantecedenten heeft en dat één van die derden kennelijk de beschikking heeft over een aanmerkelijke hoeveelheid cocaïne en volgens de verdachte, zo vermoedt hij, in drugs handelt. Nu het voorts een feit van algemene bekendheid is dat de handel in drugs veel contant geld genereert, de money-transfers - zo volgt uit de verklaring van de getuige [betrokkene 2] - contante stortingen betreffen, het verzenden van money-transfers van Nederland naar Curaçao veelal duurder is dan het gangbare bancaire verkeer en nu voorts zowel degene die de gelden stort als de verdachte een geldelijke vergoeding voor het versturen en ontvangen van de gelden ontving, is sprake van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen. Gelet op dit vermoeden mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van het geld. Een dergelijke verklaring heeft de verdachte niet gegeven. Het dossier bevat ook overigens geen aanwijzingen dat de gelden een legale herkomst hebben. Naar het oordeel van het Hof kan het derhalve niet anders zijn dan dat de door de verdachte opgehaalde en afgegeven gelden - middellijk of onmiddellijk - uit misdrijf afkomstig zijn en dat de verdachte dit wist of begreep.”

8. Op 15 november 2011 is het Wetboek van Strafrecht van Curaçao (SrC) in werking getreden.2 Tot die datum gold op Curaçao het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen (SrNA). Het als feit 4 bewezenverklaarde heeft kennelijk betrekking op door de verdachte vóór 15 november 2011 begane witwasgedragingen en is door het hof strafbaar geacht op grond van artt. 435a en 435b SrNA (oud),3 luidend:4

“Artikel 435a (oud)

1. Als schuldig aan witwassen wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van ten hoogste een miljoen gulden:

a. hij die van een voorwerp de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing verbergt of verhult, dan wel verbergt of verhult wie de rechthebbende op een voorwerp is of het voorhanden heeft, terwijl hij weet of begrijpt dat het voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf;

b. hij die een voorwerp verwerft, voorhanden heeft, overdraagt of omzet of van een voorwerp gebruik maakt, terwijl hij weet of begrijpt dat het voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf.

2. Onder voorwerpen worden verstaan alle zaken en alle vermogensrechten.

Artikel 435b (oud)

Hij die van het plegen van witwassen een gewoonte maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zestien jaren of geldboete van ten hoogste een miljoen en tweehonderdduizend gulden.”

De witwashandelingen die in feit 5 als gewoontewitwassen zijn aangemerkt, dateren van na 15 november 2011 en zijn derhalve strafbaar op grond van artt. 2:404 en 2:405 SvC. Deze bepalingen luiden:

“Artikel 2:404

1. Als schuldig aan witwassen wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie:

a. hij die van een voorwerp de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing verbergt of verhult, dan wel verbergt of verhult wie de rechthebbende op een voorwerp is of het voorhanden heeft, terwijl hij weet of begrijpt dat het voorwerp, onmiddellijk of middellijk, afkomstig is uit enig misdrijf;

b. hij die een voorwerp verwerft, voorhanden heeft, overdraagt of omzet of van een voorwerp gebruik maakt, terwijl hij weet of begrijpt dat het voorwerp, onmiddellijk of middellijk, afkomstig is uit enig misdrijf.

2. Onder voorwerpen worden verstaan alle zaken en alle vermogensrechten.

Artikel 2:405

Hij die van het plegen van witwassen een gewoonte maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie.”

9. Bij de beoordeling van de eerste klacht, moet over het bewijs van het delictsbestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf” het volgende worden vooropgesteld. Overeenkomstig hetgeen de Hoge Raad heeft geoordeeld ten aanzien van de witwasbepalingen die gelden in het Europese deel van het Koninkrijk, geldt ook voor art. 435a SrNA (oud) en – naar mag worden aangenomen in het verlengde daarvan – voor art. 2:404 SrC dat niet hoeft te worden bewezen uit welk nauwkeurig aangeduid misdrijf het desbetreffende voorwerp afkomstig is.5 Ook als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, kan bewezen worden dat een geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is indien zulks op grond van de wel vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn.6 Het is aan het Openbaar Ministerie bewijs bij te brengen waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid.7 Rechtvaardigen de vastgestelde feiten en omstandigheden het vermoeden dat een geldbedrag dat de verdachte voorhanden heeft gehad onmiddellijk of middellijk van misdrijf afkomstig is, dan mag van de verdachte worden verlangd dat hij voor de herkomst van het geld een verklaring geeft.8 Dit brengt uitdrukkelijk niet mee dat het dan ook geheel aan de verdachte is overgelaten aannemelijk te maken dat het geld niet van enig misdrijf afkomstig is en aldus een legale herkomst heeft,9 maar komt de rechter tot het oordeel dat de door de verdachte gegeven verklaring niet aannemelijk is geworden, dan kan hij daaraan in voorkomende gevallen wel gewicht toekennen in zijn oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het geldbedrag geen legale herkomst heeft.10

10. In de cassatieschriftuur wordt niet betwist dat de uit de bewijsmiddelen naar voren komende feiten en omstandigheden een vermoeden van witwassen rechtvaardigen. Geklaagd wordt over de begrijpelijkheid van het oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. Uit de als bewijsmiddel 18 gebezigde verklaring van de verdachte blijkt dat de verdachte ook zelf vermoedt dat de desbetreffende geldbedragen uit misdrijf (handel in verdovende middelen) afkomstig zijn. Daarmee is echter volgens de steller van het middel “nog niet aangetoond dat het geld dus daadwerkelijk van enig misdrijf afkomstig was.” Het komt volgens hem aan op de vraag of van de verzoeker in de positie waarin hij verkeerde verlangd mag worden dat hij een verklaring voor de herkomst van het geld geeft en of bij gebrek aan zo een verklaring “het gat in het bewijs voldoende is gedicht.”

11. De kwestie, die de steller van het middel hier opwerpt berust mijns inziens op een onjuiste uitleg van de rechtspraak van de Hoge Raad over het bewijs van ‘het uit enig misdrijf afkomstig zijn’. De in de bewijsmotivering door het hof geëxpliciteerde gedachtestap van het gerechtvaardigde vermoeden dat een voorwerp een criminele herkomst heeft waardoor van de verdachte een deugdelijke verklaring mag worden verlangd, naar het – daaropvolgende – oordeel dat het mede gelet op het ontbreken van zo een verklaring niet anders kan zijn dan dat het goed daadwerkelijk uit enig misdrijf afkomstig is, is niet een sanctie op het gebruikmaken van het zwijgrecht. Het strekt er niet toe om met ‘het zwijgen van de verdachte’ een gat in de bewijsconstructie te dichten. Die rechtspraak dient, althans naar het mij voorkomt, aldus te worden begrepen dat wanneer er sterke aanwijzingen zijn dat een voorwerp uit misdrijf afkomstig is en de verdachte dat vermoeden niet met een plausibele verklaring heeft ontkracht, er mede gelet daarop geen redelijke twijfel hoeft te resteren die aan bewezenverklaring in de weg staat. De omstandigheid dat de verdachte de bestaande, sterke aanwijzingen van afkomst uit misdrijf niet heeft weerlegd, draagt er op die manier aan bij dat het op sterke aanwijzingen gebaseerde, aanvankelijk voorlopige en voorwaardelijke, bewijsoordeel stolt tot de rechterlijke vaststelling dat het niet anders kan zijn dan dat het geldbedrag uit misdrijf afkomstig is. Vanuit dit perspectief is niet zozeer het zwijgen van de verdachte, maar het ontbreken van een steekhoudend alternatief voor het tenlastegelegde, voor de bewijsconstructie van belang.

12. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte in de bewezenverklaarde perioden via Western Union diverse money-transfers heeft ontvangen. Het betreft in totaal 26 overdrachten ter waarde van tezamen ANG 52.134,61 (bewijsmiddel 15). Uit zijn verklaring blijkt dat de getuige [betrokkene 2] grote, contante geldbedragen ontving en deze geldbedragen via Western Union naar Curaçao verplaatste. Deze geldbedragen waren volgens de getuige “in elk geval van criminaliteit” afkomstig (bewijsmiddel 16). De geldbedragen zijn door de verdachte aangenomen ten behoeve van en overgedragen aan derden, waaronder [medeverdachte] (bewijsmiddel 20), voor wie de verdachte ook een hoeveelheid cocaïne bewaarde (bewijsmiddel 14). Voor het ontvangen en versturen van de geldbedragen ontvingen de verdachte (bewijsmiddel 20) en de getuige [betrokkene 2] (bewijsmiddel 16) steeds een vergoeding. Voorts heeft het hof als feiten van algemene bekendheid in aanmerking genomen dat de handel in drugs veel contant geld genereert en dat het verzenden van money-transfers van Nederland naar Curaçao veelal duurder is dan het gangbare bancaire verkeer. Tot slot heeft het hof er (niet onbegrijpelijk) op gewezen dat de verdachte geen concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring voor de herkomst van het geld heeft gegeven.

13. Tegen deze achtergrond acht ik het oordeel van het hof dat het niet anders kan zijn dan dat de geldbedragen uit misdrijf afkomstig waren zonder meer begrijpelijk en tevens toereikend gemotiveerd.

14. De tweede klacht houdt als gezegd in dat het onder 4 en 5 bewezenverklaarde “verhullen” van de herkomst van de desbetreffende geldbedragen niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

15. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 6 december 2001, tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en enkele andere wetten in verband met de strafbaarstelling van het witwassen van opbrengsten van misdrijven,11 waarbij het met de in deze zaak relevante Caribische strafbepalingen vergelijkbare art. 420bis, eerste lid onder a, Sr is ingevoerd, houdt over het “verbergen” en “verhullen” onder meer in dat “van een volstrekt onzichtbaar maken van de werkelijke aard, herkomst, vindplaats [..] geen sprake [behoeft] te zijn” en dat “van «verhullen» - volgens Van Dale synoniem voor «versluieren» - [..] al sprake [zal] kunnen zijn als door bepaalde constructies een mistgordijn wordt opgeworpen dat weliswaar enig zicht op het voorwerp en de daarbij betrokken personen toelaat, maar het niet mogelijk maakt om met enige zekerheid de (legale) herkomst en de rechthebbende vast te stellen.”12

16. Gelet op deze wetsgeschiedenis heeft art. 420bis, eerste lid onder a, Sr in de woorden van de Hoge Raad “betrekking op gedragingen die erop zijn gericht het zicht op – onder andere en voor zover hier van belang – de herkomst van voorwerpen te bemoeilijken. Die gedragingen moeten tevens geschikt zijn om dat doel te bereiken.”13

17. De steller van het middel betoogt summierlijk dat uit de bewijsvoering niet méér volgt dan dat de verdachte de geldbedragen in ontvangst heeft genomen en deze steeds aan derden heeft overhandigd. Ter onderbouwing van het standpunt dat dit onvoldoende zou zijn voor het bewijs van verhullen verwijst de steller van het middel naar HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3687 en HR 27 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3168. In de eerstgenoemde zaak bleek uit de bewijsmiddelen slechts dat op diverse, ongebruikelijke plaatsen in een bij de verdachte in gebruik zijnde woning geld was aangetroffen ter waarde van in totaal ongeveer 1,4 miljoen euro. Wat betreft het verbergen van de herkomst van dat geld was de bewezenverklaring aldus onvoldoende met redenen omkleed. In de tweede zaak was bewezenverklaard dat de verdachte de werkelijke aard en de herkomst en de verplaatsing van een geldbedrag van 3.500 Amerikaanse dollars had verborgen en/of verhuld. Uit de bewijsmiddelen volgde echter niet méér dan dat medeverdachten dit geldbedrag aan de verdachte hadden overhandigd. Over hetgeen de verdachte met dat geldbedrag nadien zou hebben gedaan, hielden de bewijsmiddelen niets in. Ook in dat geval was de bewezenverklaring derhalve onvoldoende met redenen omkleed.

18. De vergelijking van de onderhavige zaak met deze twee uitspraken gaat denk ik mank. De bewezenverklaarde gedragingen van de verdachte hebben beduidend meer om het lijf dan het enkele voorhanden hebben van de geldbedragen en zijn voorts geschikt het zicht op de herkomst van de geldbedragen in wezenlijke mate te bemoeilijken. De verdachte heeft deze geldbedragen niet alleen in ontvangst genomen, maar dat gedaan via Western Union, hetgeen met name het traceren van de ontvanger ernstig bemoeilijkt. Door op Curaçao geldbedragen in ontvangst te nemen die afkomstig zijn uit Nederland heeft hij bovendien het geld in een andere (lokale) economie gebracht waarin (hoofdzakelijk) een andere valuta wordt gebruikt dan op de plaats van waaruit de geldbedragen zijn overgedragen. Ook heeft hij het geld zelf weer overhandigd aan verschillende derden, waardoor hij telkens feitelijk als tussenpersoon (door mij alvast gecursiveerd met het oog op de derde klacht) heeft gefungeerd waardoor de geldbedragen zich niet meer eenvoudig laten herleiden tot de oorspronkelijk uit Nederland verzonden en door de verdachte ontvangen geldbedragen. Het “verhullen” van de herkomst van de geldbedragen kan daarmee zonder meer uit de bewijsmiddelen worden afgeleid, lijkt mij.

19. Mocht daarover echter anders moeten worden geoordeeld, dan ontgaat mij overigens welk in cassatie te respecteren belang de verdachte bij deze klacht meent te hebben. De bewezenverklaring ter zake van zowel feit 4 als feit 5 behelst naast het verhullen tevens dat de verdachte de voorwerpen voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen. Anders dan in de twee door de steller van het middel genoemde zaken, blijkt daarnaast noch uit de stukken van het geding, noch uit hetgeen door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht, dat de geldbedragen uit eigen misdrijf afkomstig zijn. Het voorhanden hebben van de geldbedragen is hier derhalve eveneens als witwassen te kwalificeren. Voorts heeft het hof in zijn strafmotivering aan het verhullen geen bijzonder gewicht in strafverhogende zin toegekend. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat zou het “verhullen” uit de bewezenverklaring vervallen, daarmee aan de aard en ernst van het bewezenverklaarde wezenlijk afbreuk wordt gedaan, terwijl niet is aangevoerd dat en waarom de verdachte een rechtens te respecteren belang heeft bij vernietiging van het arrest en een nieuwe behandeling.14

20. De derde klacht komt op tegen het onder 4 bewezenverklaarde, voor zover inhoudende dat het voorhanden hebben en het overdragen van de geldbedragen tezamen en in vereniging met een ander of anderen is begaan. Uit de door het hof gebezigde (hierboven onder 6 weergegeven) bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte als tussenpersoon geldbedragen van anderen ontving en dat hij deze geldbedragen overdroeg aan derden en ook komt daar wel uit naar voren dat een en ander plaatsvond in een context van georganiseerde criminaliteit. Daaruit kan naar mijn inzicht zonder meer worden afgeleid dat de verdachte met een andere persoon of personen nauw en bewust heeft samengewerkt ter zake van het voorhanden hebben en overdragen van de geldbedragen in de periode van 1 januari 2010 tot 15 november 2011. Overigens, ook als daarover anders dient te worden gedacht leidt de klacht niet tot cassatie, nu de verdachte te dien aanzien onvoldoende rechtens te respecteren belang heeft. Daarbij neem ik het volgende in aanmerking: (i) in cassatie is onbetwist dat het de verdachte is geweest die de geldbedragen voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen; , (ii) het medeplegen heeft geen invloed op het wettelijk strafmaximum; en (iii) in de strafoplegging en de daaraan gegeven motivering heeft het hof aan het vermeend in vereniging begaan van het feit geen waarde toegekend.15 Bovendien is over het belang van de verdachte bij vernietiging ook op dit punt in de cassatieschriftuur niets aangevoerd.

21. Het middel faalt in al zijn onderdelen en kan mijns inziens worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

22. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

23. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De steller van het middel merkt terecht op en klaagt erover niet dat in deze bewezenverklaring “de verhuld voorhanden heeft gehad [..]” verbeterd moet worden gelezen in die zin dat de verdachte “de herkomst heeft verhuld en deze voorwerpen voorhanden heeft gehad [..]”.

2 Landsverordening van de 2de november 2011 houdende vaststelling van een nieuw Wetboek van Strafrecht, Publicatieblad 2011, nr. 48. Zie voor de integrale wettekst van dit wetboek: H. de Doelder e.a., Wetboek van Strafrecht Curaçao, tweede druk, Nijmegen: WLP 2017.

3 Gelet op art. 1:1, tweede lid, SrC is overigens de vraag of niet ook op de witwasgedragingen van vóór 15 november 2011 de nieuwe, gunstigere strafbepalingen zouden moeten zijn toegepast (de hierna aan te halen artt. 2:404 en 2:405 SvC). Nu daarover in cassatie niet wordt geklaagd, laat ik deze vraag evenwel rusten.

4 Bij Landsverordening van 10 juni 2008 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen (strafbaarstelling terrorisme, terrorismefinanciering en witwassen), Publicatieblad 2008, nr. 46 is de Landsverordening strafbaarstelling witwassen van geld (Publicatieblad 1993, nr. 52) ingetrokken en zijn de witwasbepalingen waaronder artt. 435a en 435b opgenomen in het SrNA.

5 HR 9 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG1654. Zie voor art. 420bis Sr (en art. 420quater Sr): HR 28 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP2124, NJ 2007/278 (“Dat betekent ook dat uit de bewijsmiddelen niet behoeft te kunnen worden afgeleid door wie, wanneer en waar dit misdrijf concreet is begaan.”); HR 27 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4094, NJ 2006/473; en HR 29 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO2628, NJ 2011/159.

6 Zie: HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787, NJ 2010/456; HR 29 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO2628, NJ 2011/159; HR 8 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR2104, NJ 2011/531; HR 13 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6933, NJ 2012/189; HR 21 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:127, NJ 2014/78, m.nt. Borgers; en HR 14 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1197.

7 HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787, NJ 2010/456 en HR 9 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1500.

8 HR 29 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO2628, NJ 2011/159, HR 13 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6933, NJ 2012/189, HR 21 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:127, NJ 2014/78, m.nt. Borgers en HR 14 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1197.

9 HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787, NJ 2010/456.

10 Zie bijv. HR 13 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6933, NJ 2012/189.

11 Stb. 2001, 606.

12 Kamerstukken II 1999/2000, 27 159, nr. 3, p. 14-15.

13 HR 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:236.

14 Zo ook HR 27 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:133 en HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005, NJ 2016/430, m.nt. Van Kempen (rov. 2.5.2).

15 Vgl. HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2916.