Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:311

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-04-2018
Datum publicatie
12-04-2018
Zaaknummer
15/05508
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:697
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Niet naleving art. 51 (oud) Sv (oproeping raadsman voor de behandeling hoger beroep). De AG stelt voor dat de Hoge Raad het arrest van het hof zal vernietigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/05508

Zitting: 10 april 2018

Mr. E.J. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Bij arrest van 3 november 2015 heeft het gerechtshof Den Haag de verdachte bij verstek en met toepassing van art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 27 juni 2014.

  2. Namens de verdachte heeft mr. O.J. Much, advocaat te Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel klaagt dat in strijd met de nog ten tijde van het hoger beroep geldende bepaling van art. 51 (oud) Sv,1 de raadsman van de verdachte niet voor de terechtzitting in hoger beroep is opgeroepen, noch dat het hof daarnaar onderzoek heeft gedaan.

4. Uit de stukken van het geding kan het volgende worden afgeleid. Namens de verdachte is door mr. G.S.J. van Gestel op 2 oktober 2014 hoger beroep ingesteld tegen het eindvonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 27 juni 2014. Deze zaak draagt het parketnummer 10-055446-13. Aan de cassatieschriftuur is een afschrift gehecht van een faxbericht van mr. Van Gestel en van een op 2 oktober 2014 gedateerd “verzend controle rapport” van dat faxbericht – aan de authenticiteit van deze stukken behoeft naar het mij voorkomt in redelijkheid niet te worden getwijfeld. Dit faxbericht, waarin het juiste parketnummer van de zaak in eerste aanleg wordt vermeld, is gericht aan het gerechtshof Den Haag en houdt onder meer het volgende in:

“In bovenomschreven aangelegenheid heb ik op 2 oktober j.l. hoger beroep ingesteld tegen het vonnis d.d. 27 juni jl. van de politierechter Rotterdam. Cliënt is bij verstek veroordeeld en heeft bij vanochtend kennis genomen van het vonnis. Cliënt komt derhalve tijdig in beroep tegen voornoemd vonnis.

Langs deze weg bericht ik u dat ik cliënt zal bijstaan in het hoger beroep. Ik verzoek u derhalve vriendelijk alle stukken waaronder de oproep en het onderliggende dossier aan mij te doen toekomen.

Ik vertrouw erop u met het voorgaande naar behoren te hebben geïnformeerd.”

5. Ik meen dat dit faxbericht naar zijn inhoud dient te worden begrepen als een stelbrief in de zin van art. 39 Sv.2

6. Uit het verzend controle rapport van het faxbericht blijkt dat achter tijd “02/10/2014 16:58” vermeld staat en achter “result” de status “OK”. Uit dit rapport blijkt bovendien dat het bericht is verzonden naar het (fax)nummer 0703813650, hetwelk correspondeert met het nummer dat is opgegeven bovenaan de bij de schriftuur gevoegde brief en dat tevens het destijds geldende faxnummer van de strafgriffie van het gerechtshof Den Haag is.3

7. Ter terechtzitting in hoger beroep is verdachte noch een advocaat verschenen. Op grond van het voorgaande, in onderlinge samenhang beschouwd, moet het er in cassatie voor worden gehouden dat het faxbericht inhoudende de stelmededeling de strafgriffie van het gerechtshof wel heeft bereikt, maar dat dit bericht niet aanwezig was in het dossier dat het gerechtshof ter beschikking stond bij de behandeling van de onderhavige zaak in hoger beroep. Daaruit vloeit het ernstige vermoeden voort dat zich wel een advocaat heeft gesteld bij de behandeling in hoger beroep, en dat ten aanzien van de (verkrijging van de) oproeping voor de behandeling van het hoger beroep het voorschrift van art. 51 (oud) Sv niet is nageleefd.4 Dit in het belang van de verdachte gegeven voorschrift is naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad van zo grote betekenis dat, al is dit niet uitdrukkelijk in de wet bepaald, de niet-naleving ervan moet worden geacht aan een geldige behandeling van de zaak ter terechtzitting buiten tegenwoordigheid van de verdachte en diens raadsman in de weg te staan.5

8. Het middel is terecht voorgesteld.

9. Ambtshalve wijs ik erop dat na het instellen van het cassatieberoep op 24 november 2015 inmiddels meer dan twee jaren zijn verstreken. Indien de Hoge Raad mij volgt, zal de rechter naar wie de zaak wordt teruggewezen daar, ingeval deze rechter tot een strafoplegging komt, rekening mee dienen te houden.

10. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Op 1 maart 2017 is art. 51 (oud) Sv vervallen en is de inhoud van dit wetsartikel tekstueel nagenoeg onveranderd “overgenomen” in het huidige art. 48 Sv. Zie hiertoe de Wet van 17 november 2016, Stb. 2016, 476 (i.w.tr. op 1 maart 2017) en Kamerstukken II 2014/15, 34159, nr. 3 (MvT), p. 25.

2 Vgl. HR 5 september 2015, ECLI:NL:HR:2017:2250.

3 Sinds 1 maart 2016 is bij de strafgriffie van het Gerechtshof Den Haag sprake van een nieuw faxnummer.

4 Vgl. HR 10 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2653.

5 HR 11 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1293; HR 22 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2721; HR 19 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3924, NJ 2013/416, m.nt. Borgers; HR 8 maart 2011, ECLI:NL:2011:BO6743; HR 16 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1375 en HR 22 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO8811.