Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:299

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
16-02-2018
Datum publicatie
06-04-2018
Zaaknummer
18/00237
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:532, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Cassatieprocesrecht. Art. 30c lid 1 Rv; art. 407 lid 3 Rv. Niet-ontvankelijkheid. Procesinleiding niet ingediend langs elektronische weg. Geen advocaat bij de Hoge Raad aangewezen in procesinleiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 18/00237

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Zitting: 16 februari 2018

Conclusie art. 80a RO inzake:

[eiseres]

tegen

Estée Lauder B.V.

1. Bij brief met bijlagen van 22 november 2017, die op 22 november 2017 is ontvangen door de griffie van de Hoge Raad, heeft [eiseres] (hierna: [eiseres]) te kennen gegeven middels een bijgevoegd “cassatierekest” cassatieberoep in te stellen tegen het tussen partijen gewezen arrest van 22 augustus 2017 van het gerechtshof Amsterdam, waarin het hof het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 2 februari 2016 heeft bekrachtigd. In genoemd vonnis heeft de kantonrechter de vorderingen van [eiseres] - samengevat weergegeven: (i) een verklaring voor recht dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst door Estée Lauder B.V. kennelijk onredelijk is (ii) Estée Lauder te veroordelen tot betaling van € 80.000,- bruto ter zake het gegeven kennelijk onredelijk ontslag en (iii) een verklaring voor recht dat Estée Lauder op grond van art. 7:658 BW aansprakelijk is voor de door [eiseres] geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat - afgewezen.

2. De onderhavige zaak betreft een vorderingszaak. In het “cassatierekest” (lees: cassatieberoep) is, zoals art. 407 lid 3 Rv op straffe van nietigheid voorschrijft, geen advocaat bij de Hoge Raad aangewezen die [eiseres] in het geding in cassatie zal vertegenwoordigen.

Het cassatieberoep is eveneens niet op de in art. 30c lid 1 Rv in verbinding met art. 3.1.4.1 van het per 1 maart 2017 geldende Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden voorgeschreven wijze aangebracht, te weten door indiening van de procesinleiding in het webportaal van de Hoge Raad

Beide verzuimen hangen met elkaar samen: slechts een in de procesinleiding aan te wijzen advocaat bij de Hoge Raad kan langs elektronische weg een procesinleiding bij de Hoge Raad indienen.

3. Bij brief van 23 november 2017 heeft een medewerker dossierbehandeling van de Hoge Raad de ontvangst van het “cassatierekest” met bijlagen bevestigd. In deze brief is [eiseres] daarnaast bericht dat haar “verzoek tot cassatie” niet is ingediend op de wijze zoals voorgeschreven in art. 407 Rv, te weten door indiening van de procesinleiding in het portaal van de Hoge Raad onder aanwijzing van een advocaat bij de Hoge Raad en voorts dat beide gebreken kunnen worden hersteld doordat dezelfde procesinleiding alsnog binnen twee weken na binnenkomst van het cassatierekest op de griffie door een advocaat bij de Hoge Raad via het webportaal van de Hoge Raad wordt ingediend (art. 30c lid 6 Rv). [eiseres] is er in de brief tot slot op gewezen dat als de gebreken niet op de hiervoor genoemde wijze worden hersteld, zij een gerede kans loopt om door de Hoge Raad niet-ontvankelijk te worden verklaard en dat zij bij het voortzetten van het cassatieberoep griffierecht is verschuldigd.

4. [eiseres] heeft bij brief van 5 december 2017, ingekomen ter griffie van de Hoge Raad op 5 december 2017, de Hoge Raad bericht dringend een aanvullende termijn nodig te hebben om aan het gestelde in de brief van 23 november 2017 te voldoen. [eiseres] heeft daartoe gesteld dat de termijn te kort is omdat zij nog geen cassatieadvocaat heeft gevonden die bereid is om op basis van een toevoeging het nodige voor haar te doen.

5. Een medewerker dossierbehandeling van de Hoge Raad heeft [eiseres] bij brief van 6 december 2017 namens de rolraadsheer van de Hoge Raad bericht dat geen verder uitstel wordt verleend voor herstel van het verzuim nu de termijn van twee weken voor herstel van het verzuim een advocaat bij de Hoge Raad te stellen op vaste rechtspraak berust en de termijn niet wordt verlengd op de grond dat een procespartij niet is geslaagd in het tijdige herstel van het verzuim. Daarnaast is [eiseres] er in de brief aan herinnerd dat zij bij het voortzetten van het cassatieberoep griffierecht verschuldigd is.

6. Bij brief van 27 december 2017 heeft een medewerker dossierbehandeling van de Hoge Raad [eiseres] verzocht de griffie van de Hoge Raad uiterlijk op vrijdag 12 januari 2018 te berichten of zij haar cassatieberoep voortzet of intrekt. Daarbij is vermeld dat bij geen bericht of bij het voortzetten van het cassatieberoep de griffie € 783,- aan griffierecht in rekening zal moeten brengen en dat het cassatieberoep dan zal worden voorgelegd aan het Parket bij de Hoge Raad voor het nemen van een conclusie.

7. Bij brief van 12 januari 2018 heeft [eiseres] meegedeeld dat zij haar cassatieberoep wenst voort te zetten en heeft zij de Hoge Raad via de rolraadsheer verzocht om haar verzoek om nader uitstel te verlenen te heroverwegen en alsnog in te willigen, waarbij rekening wordt gehouden met de door haar in haar brief genoemde “specifieke feiten en omstandigheden”. Deze komen er - kort gezegd - op neer dat (i) art. 30c lid 6 Rv een “kan”-bepaling is en voorts een “te bepalen termijn” en geen precieze termijn bepaalt; (ii) in het (nieuwe) toepasselijke Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden niets is bepaald over een verzoek om nader uitstel voor het herstellen van een verzuim binnen een termijn als hier in geding, en de kwestie (bijgevolg) valt onder het begrip “Onvoorziene gevallen” van art. 3.1.2 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden; (iii) onduidelijk is of de vaste rechtspraak waarnaar is verwezen (mede) op het nieuwe recht en Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden is gebaseerd en/of nader ontwikkeld; volgens [eiseres] moet op basis van het arrest van de Hoge Raad van 13 oktober 2017 (ECLI:NL:HR:2017:2628) worden geconcludeerd dat een redelijke uitleg van art. 30c lid 6 Rv meebrengt dat de Hoge Raad met het oog op de goede procesorde [eiseres] ten tweede male een kans kan geven om het verzuim in de onderhavige procesinleiding te herstellen en volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 8 april 2016 (ECLI:NL:HR:2016:606) dat de Hoge Raad een nadere termijn voor herstel van het verzuim dient te geven.

8. De gerechtssecretaris van de Hoge Raad heeft [eiseres] bij brief van 17 januari 2018 bericht dat haar brief van 8 januari 20181 in goede orde is ontvangen en meegedeeld dat de rolraadsheer in haar schrijven geen aanleiding ziet om op de afwijzing van haar verzoek tot uitstel van de termijn voor herstel van het verzuim, zoals verwoord in de brief van 6 december 2017, terug te komen. Verder is meegedeeld dat haar zaak zal worden doorgestuurd aan het Parket bij de Hoge Raad voor de te nemen conclusie en dat zij binnenkort een nota van de griffie ontvangt voor het betalen van het griffierecht.

9. Uit het voorgaande blijkt dat [eiseres] niet binnen de in de brief van 23 november 2017 genoemde termijn gebruik heeft gemaakt van de geboden mogelijkheid tot herstel van het verzuim, zoals verwoord in de brief van 6 december 2017, te weten dat haar procesinleiding niet voldoet aan het vereiste van art. 407 lid 3 Rv omdat zij daarin geen advocaat bij de Hoge Raad heeft aangewezen. [eiseres] is derhalve niet-ontvankelijk in haar cassatieberoep2.

10. De door [eiseres] in haar brief van 12 januari 2018 genoemde argumenten leiden niet tot een ander oordeel. De door [eiseres] naar voren gebrachte “feiten en omstandigheden” hebben alle betrekking op het verzuim om de procesinleiding in te dienen in het webportaal van de Hoge Raad (art. 30c lid 1 Rv in verbinding met art. 3.1.4.1 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden).

Art. 30c lid 6 Rv biedt een mogelijkheid voor herstel van dit verzuim. Op grond van dit artikel stelt een rechter indien niet is voldaan aan de verplichtingen die voortvloeien uit de wet3 of de algemene maatregel van bestuur als bedoeld in art. 30f Rv4, de desbetreffende partij in de gelegenheid dit verzuim te herstellen binnen een door hem te bepalen termijn. Maakt die partij geen gebruik van die gelegenheid dan kan zij in de vordering of het verzoek niet-ontvankelijk worden verklaard, zo volgt uit art. 30c lid 6 Rv.

11. Art. 30c lid 6 Rv heeft geen betrekking op herstel van het verzuim een advocaat bij de Hoge Raad aan te wijzen en evenmin op verlenging van de geboden termijn voor herstel van dit verzuim.

Dat er niets is bepaald in het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden over een verzoek om nader uitstel voor het herstellen van een verzuim binnen een termijn als hier in geding, doet - gelet op de vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat een termijn van twee weken wordt geboden voor herstel van het verzuim een advocaat bij de Hoge Raad aan te wijzen5 - niet terzake.

12. Ook de arresten van de Hoge Raad waarnaar [eiseres] verwijst, hebben geen betekenis voor de onderhavige kwestie.

Het arrest van 13 oktober 2017 ziet op de situatie waarin de Hoge Raad eisers tot cassatie een termijn heeft gegeven om een procesinleiding te herstellen die niet voldeed aan een aantal in art. 30a lid 3 Rv op straffe van nietigheid in acht te nemen voorschriften, en de gebreken vervolgens tijdig werden hersteld door middel van een aanvullende procesinleiding. Eisers tot cassatie hebben vervolgens een tweede exploot met een tweede oproepingsbericht en de daarbij behorende oorspronkelijke procesinleiding en aanvullende procesinleiding tijdig overeenkomstig art. 112 lid 1 Rv aan verweerder doen betekenen. Dit tweede exploot was echter uitgebracht op een datum gelegen na de uiterste verschijndatum vermeld in de eerste procesinleiding, zonder dat in het tweede exploot en in de herstelde procesinleiding een nieuwe uiterste verschijndatum was vermeld.

In die situatie kwam de Hoge Raad - in het kader van de beoordeling van het verzoek om verstek te verlenen tegen de niet verschenen verweerder - tot het oordeel dat het niet vermelden van een nieuwe uiterste verschijndatum weliswaar niet met nietigheid wordt bedreigd door art. 120 lid 1 Rv, maar dat de eisen van goede procesorde evenwel meebrengen dat eiser in een geval als het onderhavige aan verweerder een nieuwe uiterste verschijndatum dient aan te zeggen. De Hoge Raad gaf om die reden aan eiser gelegenheid binnen twee weken na de datum van het arrest een oproepingsexploot uit te doen brengen waarin aan verweerder een nieuwe uiterste datum voor verschijning werd aangezegd.

13. In het onderhavige geval had [eiseres] conform vaste jurisprudentie een termijn (van twee weken) om er voor te zorgen dat haar verzoek tot cassatie zou worden ingediend op de wijze zoals voorgeschreven in art. 407 Rv, te weten door indiening van de procesinleiding in het portaal van de Hoge Raad onder aanwijzing van een advocaat bij de Hoge Raad. Van het niet-vermelden van een nieuwe uiterste verschijndatum bij het doen betekenen van een herstelde procesinleiding aan verweerder ná een in een oorspronkelijke procesinleiding aangezegde uiterste verschijndatum, is hier geen sprake.

14. Ook het arrest van de Hoge Raad van 8 april 2016 heeft geen betekenis voor de onderhavige procedure, nu dat arrest gaat over de vraag of het gerechtshof Amsterdam akte niet-dienen mocht verlenen van een memorie van grieven op basis van het per 1 januari 2013 bij dat hof geldende pilotreglement. Dat is een wezenlijk andere kwestie dan hier aan de orde, nl. het niet tijdig op juiste wijze instellen van het rechtsmiddel cassatie. Ik zie dan ook niet in dat hetgeen de Hoge Raad in dat arrest heeft overwogen over de handelwijze van het hof, ertoe zou moeten/kunnen leiden dat de Hoge Raad in de onderhavige procedure [eiseres] nader uitstel zou moeten verlenen van de in de brief van 23 november 2017 vermelde hersteltermijn. In de brief van 12 januari 2018 wordt ook niet nader toegelicht waarom dit wel uit dit arrest zou kunnen worden afgeleid.

15. De conclusie strekt derhalve tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiseres] in haar cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Bedoeld moet zijn de brief van [eiseres] van 12 januari 2018.

2 Vgl. laatstelijk HR 29 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2525, NJ 2017/373 m.nt. A.I.M. van Mierlo.

3 Met de woorden “indien niet is voldaan aan de verplichtingen die voortvloeien uit de wet” wordt, zo leid ik af uit de parlementaire geschiedenis, enkel bedoeld het niet voldoen aan de op grond van art. 30c lid 1 Rv bestaande verplichting een procesinleiding via digitale weg in te dienen. Zie TK 2014-2015, 34 059, nr. 7, p. 8 (Nota van wijziging), waarin staat: “In art. 30c, zesde lid, dat gaat over het verzuim doordat een procesinleiding ten onrechte op papier in plaats van digitaal is ingediend, is in het wetsvoorstel sprake van een herstel van dat verzuim door eiser of verzoeker. Echter, ingevolge het eerste lid van dat artikel, moet ook verweerder in beginsel digitaal procederen en dus moet ook hij in de gelegenheid worden gesteld een verzuim op dit terrein te herstellen. Daarom dient ook in het zesde lid gesproken te worden van <<desbetreffende partij>>”. Ook art. 30c lid 8 Rv duidt erop dat art. 30c lid 6 Rv enkel ziet op het verzuim een procesinleiding via digitale weg in te dienen. Zie tevens de noot van A.I.M. van Mierlo (onder 6) bij HR 29 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2525, NJ 2017/373.

4 Art. 30f Rv bepaalt dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels kunnen worden gesteld over het elektronisch verkeer met de rechter, het digitale systeem voor gegevensverwerking en de verschoonbaarheid van termijnoverschrijdingen wegens verstoringen van het digitale systeem voor gegevensverwerking van de gerechten of van de toegang van dit systeem.

5 Zie bijv. HR 9 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2827, RvdW 2017/14, HR 16 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2878, RvdW 2017/26 en HR 29 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2525, NJ 2017/373 m.nt. A.I.M. van Mierlo.