Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:298

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-04-2018
Datum publicatie
06-04-2018
Zaaknummer
17/05738
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG: geen beklag o.g.v. art. 552a Sv mogelijk tegen een bevel van de rechter-commissaris tot uitlevering van voorwerpen. De AG stelt zich op het standpunt dat de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk moet verklaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/05738 Bv

Zitting: 3 april 2018

Mr. P.C. Vegter

Conclusie inzake:

[klager]

  1. De rechtbank Den Haag heeft bij beschikking van 14 november 2017 klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn beklag tegen een bevel tot uitlevering van voorwerpen.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens klager en mr. C.N.M. Dekker en mr. P.H.L.M. Souren, beiden advocaat te Amsterdam, hebben een middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel houdt in dat de rechtbank klager ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het beroep, nu de rechtbank heeft miskend dat een beslissing op grond van artikel 105 Sv door de rechter-commissaris de uitleg toelaat dat de voorwerpen al wel in beslag zijn genomen en dat daarom een klaagschrift ex artikel 552a Sv tot de mogelijkheden behoort.

  4. Klager is geheimhouder. Klager is aangemerkt als verdachte in twee onderzoeken. Kort gezegd wordt hij in het eerste onderzoek verdacht van witwassen (onderzoek arrondissement Den Haag) en in het tweede onderzoek van beïnvloeding van getuigen (onderzoek in arrondissement Zeeland-West-Brabant). In twee arrondissementen zijn stukken in beslag genomen.

  5. Van nader bepaalde stukken die in het onderzoek in Zeeland-West-Brabant in beslag zijn genomen heeft de plaatselijke rechter-commissaris de teruggave aan klager gelast bij beschikking van 13 september 2017. Het openbaar ministerie heeft in het kader van het tweede onderzoek kennelijk belang bij onderzoek van die stukken. Het openbaar ministerie heeft de rechter-commissaris in Den Haag verzocht (kennelijk teneinde te voorkomen dat de stukken daadwerkelijk worden teruggegeven aan klager) zijn collega rechter-commissaris te bevelen die stukken uit te leveren aan hem, rechter-commissaris te Den Haag. De rechter-commissaris in de rechtbank Den Haag heeft op 20 september 2017 overeenkomstig beslist en bevolen dat de rechter-commissaris in de rechtbank Zeeland-West-Brabant de stukken uit te leveren. Ik herhaal dat het dus om stukken gaat waarvan die rechter-commissaris Zeeland-West Brabant een week eerder de teruggave heeft gelast aan klager. Tegen het op artikel 105 Sv gebaseerde bevel tot uitlevering van de Haagse rechter-commissaris aan zijn collega in Zeeland-West-Brabant is het bij de rechtbank Den Haag op 3 oktober 2017 ingediende klaagschrift gericht.

  6. De rechtbank Den Haag heeft op 14 november 2017 geoordeeld dat tegen een beslissing van de rechter-commissaris als bedoeld in artikel 105 Sv geen rechtsmiddel open staat. Dat betekent volgens de rechtbank dat klager niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn beklag. Voorts heeft de rechtbank nog overwogen: “Als de rechter-commissaris na uitlevering van de verzochte voorwerpen volgens de procedure van artikel 98 Sv beslist dat inbeslagneming van (een deel van) de voorwerpen is toegestaan, kan klager daar tegen een klaagschrift indienen op grond van artikel 552a Sv.”

  7. Ik voeg nog toe dat de rechter-commissaris ook reeds in zijn beslissing van 20 september 2017 klager erop gewezen dat als de uitlevering van voorwerpen een feit is, hij inbeslagneming toestaat en stukken zou willen overdragen aan het openbaar ministerie (nadat de rechter-commissaris de stukken heeft ontvangen en in verband met het geheimhouders aspect per item en na het horen van een vertegenwoordiger van de Orde van advocaten te Amsterdam en het horen van de verdachte en zijn raadslieden) tegen dié beslissing wel een rechtsmiddel kan worden aangewend.1

8. Een bevel tot uitlevering van een voorwerp op grond van artikel 105 Sv gaat logisch vooraf aan de daadwerkelijke inbeslagneming zelf en het voortduren daarvan.2 Het bevel faciliteert het daadwerkelijke beslag en strekt ertoe toepassing van dwangmiddelen als een doorzoeking te voorkomen. 3 De rechter-commissaris zal de termijn en wijze van uitlevering bij het bevel bepalen. Die nadere voorzieningen strekken er vooral toe de latere inbeslagneming ook daadwerkelijk te kunnen realiseren. De termijn die voor de uitlevering wordt gesteld zal veelal (zeer) kort zijn.

9. Dat tegen een beslissing ex artikel 105 Sv geen rechtsmiddel openstaat is juist nu de opsomming van artikel 552a Sv limitatief is.4 Het was kennelijk en bepaald niet onbegrijpelijk de wetgever te veel van het goede om eerst beklag open te stellen tegen het bevel tot uitlevering en vervolgens tegen de doorgaans kort na de uitlevering daadwerkelijke inbeslagneming zelf. Anders dan de steller van het middel zie ik niet in dat de rechter-commissaris Den Haag reeds door het bevel tot uitlevering in beslag heeft genomen, omdat hij de voorwerpen ‘onder zich is gaan houden’ als bedoeld in artikel 134, eerste lid, Sv. Hooguit kan worden gezegd dat de rechter-commissaris Zeeland-West-Brabant na zijn beslissing tot teruggave de voorwerpen onder zich is gaan houden ten behoeve van strafvordering te weten in het belang van de rechthebbende.5 De constructie die de steller van het middel voorstaat te weten dat de rechter-commissaris Zeeland-West-Brabant na het tot hem gerichte bevel uitlevering de voorwerpen is gaan houden (in de zin van artikel 134 Sv) voor de rechter-commissaris Den Haag komt mij gekunsteld voor. Ik zie evenmin in dat ervan moet worden uitgegaan, zoals in de toelichting op het middel naar voren wordt gebracht, dat de rechter-commissaris Zeeland-West-Brabant de voorwerpen reeds op 13 september 2017 heeft teruggegeven op de voet van artikel 134, derde lid, Sv. De bestreden beslissing van de rechtbank Den Haag biedt geen feitelijke grondslag voor de stelling dat in casu sprake is van teruggave door het verrichten van de in verband met de beëindiging van het beslag vereiste formaliteiten.

10. Terzijde merk ik op dat gelet op het doel van een bevel tot uitlevering het enigszins curieus is dit te gebruiken voor een bevel gericht tot een rechter-commissaris. Het bevel strekt er, zoals reeds opgemerkt, toe de inbeslagneming te faciliteren en naar aan te nemen is, zal daaraan als de voorwerpen zich onder een rechter-commissaris bevinden doorgaans geen behoefte zijn. Het doel van een bevel uitlevering is nota bene om degene tot wie het bevel is gericht te dwingen tot afgifte en om een doorzoeking te voorkomen. De rechter-commissaris te Den Haag had kunnen beslissen de voorwerpen met toepassing van art. 104 Sv (opnieuw) in beslag te nemen en had de uitvoering daarvan kunnen overlaten aan de politie na enig overleg met zijn collega in het arrondissement Zeeland-West-Brabant. Een bevel uitlevering lijkt mij hier een onnodige complicatie. Ook deze benadering wijst bepaald niet in de richting dat tegen het bevel uitlevering in een geval als het onderhavige beklag mogelijk moet zijn.

11. Nu tegen het bevel tot uitlevering geen beklag openstaat, heeft de rechtbank op goede grond beslist dat het beklag niet-ontvankelijk is. De wet kent geen gewoon rechtsmiddel tegen de beslissing van de rechtbank op een beklag tegen een bevel uitlevering van voorwerpen zodat de slotsom moet zijn dat tegen de beslissing van de rechtbank geen beroep in cassatie openstaat.

12. Deze conclusie strekt ertoe dat de klager niet-ontvankelijk wordt verklaard in het ingestelde beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 In mijn conclusies van respectievelijk 13 februari 2018 waarin de Hoge Raad op 13 maart 2018 uitspraak heeft gedaan (rolnummer 17/04905 Bv, ECLI:NL:HR:2018:338) en 20 maart 2018 (rolnummer 17/05577 Bv) ging het om een fictieve beslissing van beide rechtbanken om binnen een termijn van 30 dagen te beslissen op artikel 552a Sv klaagschriften.

2 Zie voor de fasering bijvoorbeeld Melai/Groenhuijsen, Het Wetboek van Strafvordering, aantek. 8 bij art. 552a Sv (bijgewerkt tot 18 juni 2008).

3 Zie F. Vellinga-Schootstra, Inbeslagneming en huiszoeking, Alphen aan den Rijn 1982, p. 87 e.v. en R.M. Vennix, a.w., p. 128 e.v. Vgl. ook Melai/Groenhuijsen, aantek. 2 bij art. 105 Sv (bijgewerkt tot 1 november 1979).

4 Aldus ook R.M. Vennix, Boef en beslag, Nijmegen 1998, p. 278.

5 Zie voor onder zich houden Melai/Groenhuijsen, aantek. 1 bij art. 134 Sv (bijgewerkt tot 1 september 1997): “Onder een strafvorderlijk beslag is hier begrepen zowel een beslag in het belang van strafvordering als in het belang van de rechthebbende; het betreft in beide gevallen een beslag dat uit hoofde van een strafvorderlijke regeling is gelegd. Wanneer een voorwerp ten behoeve van een rechthebbende wordt bewaard of door deze (en ten behoeve van hem) wordt bewaard, is het beslag niet langer in het belang van strafvordering), maar in het belang van de rechthebbende (vergelijk art. 116, eerste lid, aant. 10 op §4 en aant. 11 op art. 116). Art. 134, eerste lid bleef echter bij de Wet van 12 april 1995, Stb. 1995, 254, ongewijzigd. Daarom staat er nog steeds: 'of gaan houden van dat voorwerp ten behoeve van de strafvordering'. Ten behoeve van de strafvordering lijkt ons beperkter dan uit hoofde van strafvordering en past beter bij de vroegere regeling. Het verdient dan ook aanbeveling dat de wetgever bij een volgende wijziging ook het eerste lid wijzigt door bijvoorbeeld te bepalen: 'Onder inbeslagneming wordt verstaan het onder zich nemen van dat voorwerp ten behoeve van de strafvordering. Onder beslag wordt verstaan het onder zich houden van dat voorwerp uit hoofde van de strafvordering.'”