Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:293

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-04-2018
Datum publicatie
04-04-2018
Zaaknummer
17/03205
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:778
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. De zaak hangt samen met de zaken 17/03201, 17/03629 en 17/03632. De AG stelt zich op het standpunt dat de Hoge Raad het beroep moet verwerpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/03205

Zitting: 3 april 2018 (bij vervroeging)

Mr. G. Knigge

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 22 juni 2017 door het gerechtshof Amsterdam wegens “medeplegen van gewoontewitwassen”, veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

  2. Er bestaat samenhang met de zaken 17/03201, 17/03629 en 17/03632. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Het cassatieberoep, dat zich kennelijk niet richt tegen de vrijspraak van het sub 2 tenlastegelegde, is ingesteld namens de verdachte. Mr. R.J. Baumgardt en mr. P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.

4 Bewezenverklaring en bewijsvoering

4.1.

Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:

“1.

zij in de periode van 14 februari 2010 tot en met 27 mei 2013 te Amsterdam en Huizen en Hilversum en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, een gewoonte heeft gemaakt van het plegen van witwassen, immers heeft/hebben zij en/of haar mededader:

A

(van) geldbedragen die werden aangewend ter betaling van huurkosten en woonlasten van de woning aan de [a-straat 1] te Hilversum en de woning aan de [b-straat 1] te Huizen en (van) ten behoeve van de woning aan de [a-straat 1] te Hilversum aangeschafte meubels en/of inboedel en/of huisraad en/of televisies en/of van contante geldbedragen die werden aangewend ter betaling van deze meubels en/of inboedel en/of huisraad en/of televisies en (van) een ten behoeve van de woning aan de [a-straat 1] te Hilversum aangeschaft airconditioningsysteem en/of van contante geldbedragen die werden aangewend ter betaling van de aanschaf en/of installatie en/of reparatie van dit airconditioning systeem en/of van contante geldbedragen welke zij ter compensatie van de aanschaf en/of betaling van deze voorwerpen ontving, verworven en/of overgedragen en/of omgezet en/of gebruik gemaakt en voorhanden gehad, terwijl zij en haar mededader wisten dat deze voorwerpen en/of deze contante geldbedragen onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig waren;

EN

B

(van) vakantiereizen (naar de Malediven en Dubai en Aruba en Ibiza en Barcelona en Parijs en) en/of van geldbedragen waarmee deze vakantiereizen en/of de daaraan te relateren kosten van verblijf en levensonderhoud werden betaald en/of van contante geldbedragen welke zij ter compensatie van de aanschaf en/of betaling van deze vakantiereizen ontving verworven en/of overgedragen en/of omgezet en/of gebruik gemaakt en voorhanden gehad, terwijl zij en haar mededader wisten dat deze vakantiereizen en/of deze contante geldbedragen onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig waren.”

4.2.

Deze bewezenverklaring steunt op bewijsmiddelen die in de Bijlage bij het arrest zijn opgenomen. Het bestreden arrest bevat voorts overwegingen ten aanzien van het bewijs, waarvan de volgende voor de beoordeling van de middelen van belang zijn:

“Overwegingen ten aanzien van het bewijs van feit 1

Het hof stelt voorop dat de geldbedragen, waarop de verdenkingen zien, niet in verband zijn te brengen met enig concreet gepleegd strafbaar feit. Naar inmiddels bestendige jurisprudentie kan, in een geval zoals dat zich hier voordoet, witwassen bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat - zoals door de advocaat-generaal is gerekwireerd - de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn. De toetsing door de zittingsrechter dient daarbij de volgende stappen te doorlopen.

Allereerst zal moeten worden vastgesteld of aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien zulk een geval zich voordoet mag van de verdachte worden verlangd dat zij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld of de goederen. Een dergelijke verklaring dient te voldoen aan de vereisten dat zij concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen mede een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan een tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat zij eerst in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet. Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geld. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de geldbedragen en de goederen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

De verdachte is van 2000 tot in 2005 gehuwd geweest in algehele gemeenschap van goederen. Aan de boedelscheiding heeft zij een vermogen van enkele miljoenen euro’s overgehouden. Ten tijde van de boedelscheiding was [A] in Barcelona, ook behorend tot de boedel, nog in de verkoop. Verdachtes inkomen uit onder meer kinderalimentatie en kinderbijslag bedroeg in 2009 ruim € 20.000, oplopend tot ruim € 57.000 in 2012.

Medio februari 2010 heeft de verdachte een relatie gekregen met de medeverdachte [medeverdachte 2]. De verdachte wordt er onder feit 1 van verdacht dat zij zich met hem in de periode van 15 oktober 2009 tot en met 31 mei 2013 heeft schuldig gemaakt aan - kortweg - het medeplegen van witwassen.

Bij de Belastingdienst zijn vanaf 2004 van [medeverdachte 2] geen gegevens over inkomen, vermogen of bankrekeningen bekend. Evenmin kwam hij voor in gegevens van de Kamer van Koophandel of had hij onroerende zaken op zijn naam staan. De verdachte heeft desgevraagd verklaard het idee te hebben gehad dat [medeverdachte 2] inkomen verwierf in de horlogehandel, maar dat ze niet precies weet wat [medeverdachte 2] deed.

[medeverdachte 2] is in 2003 door dit gerechtshof veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 jaren voor het met een ander plegen van een overval in 1996 op een pand van Geldnet, waarbij geld en cheques ter waarde van totaal bijna fl 1,9 miljoen zijn buitgemaakt. [medeverdachte 2] is daarnaast een ontnemingsmaatregel opgelegd van ruim € 400.000, welk bedrag [medeverdachte 2] inmiddels heeft voldaan. Ten tijde van het aangaan van de relatie met de verdachte had [medeverdachte 2] regelmatig regimair verlof, in maart 2010 gevolgd door een penitentiair programma elektronisch toezicht. Zijn VI-datum was 24 maart 2011. Nu haar relatie met [medeverdachte 2] begon rond 14 februari 2010 was de verdachte in ieder geval van de detentie van [medeverdachte 2] op de hoogte. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat zij gaandeweg op de hoogte raakte van het strafrechtelijke verleden van de verdachte, in het bijzonder de zogenoemde Geldnet-zaak, waarvoor [medeverdachte 2] in een deel van 2010 nog gedetineerd was. Die wetenschap blijkt ook uit een OVC-gesprek van 3 december 2012 (dp. 1709- 1714).

Niet staat ter discussie dat de verdachte door de jaren heen ten behoeve van [medeverdachte 2] honderdduizenden euro’s aan contante en girale betalingen heeft verricht voor onder meer huurlasten, luxe reizen en woninginrichting. Wel staat ter discussie of sprake is van witwassen door de verdachte en [medeverdachte 2], waarbij het openbaar ministerie er - in essentie - van uitgaat dat de door verdachte gedane betalingen contant zijn vergoed door [medeverdachte 2] met uit misdrijf afkomstig geld. De verdachte ontkent zich aan witwassen te hebben schuldig gemaakt, en stelt dat haar uitgaven ten behoeve van [medeverdachte 2] niet zijn vergoed en dat ze zijn gedaan omdat zij nu eenmaal over geld beschikte en zij een liefdesrelatie hadden.

Door [medeverdachte 2] met diverse personen gevoerde en opgenomen gesprekken zijn redengevend voor het bewijs dat sprake was van een witwasconstructie tussen [medeverdachte 2] en de verdachte. [medeverdachte 2] heeft over de door hem gedane uitlatingen verklaard dat het stoerdoenerij betrof tegenover zijn vrienden, die hij toch moeilijk kon verkopen dat hij werd onderhouden door een vrouw. Het hof acht deze verklaring niet aannemelijk waar het gesprekken betreft waarbij het ‘stoer doen’ niet goed invoelbaar is. Zoals in het gesprek tussen [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] op 6 december 2011, waarbij [medeverdachte 2] de vraag, of hij nog steeds gaat met [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte), bevestigend beantwoordt: ‘moet wel voor me witte geld, anders zit ik gelijk voor witwassen. Verdachtes verklaring ter zitting, dat zij een reis naar Barcelona in oktober 2011 geheel heeft betaald voor haar en [medeverdachte 2], valt niet goed te rijmen met een daags aan de reis voorafgaand gesprek van [medeverdachte 2] en [betrokkene 4] - die ook meegaat naar Barcelona - dat kennelijk gaat over door allebei mee te nemen, in Barcelona mogelijk te besteden duizenden euro’s. Tegen de medeverdachte [betrokkene 2] zegt [medeverdachte 2] over een reis in oktober 2011 naar Parijs dat hij voor een kamer daar 4 ruggen heeft betaald voor 3 dagen, en dat hij [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) het geld had gegeven.

Het totaal aan contante opnames van de bankrekeningen van de verdachte vertoont van 2009 tot 2013 een scherpe daling. Wordt door de verdachte in 2009 nog ruim € 99.000 contant opgenomen, in 2013 is dat maar € 1.000. Het totaal aan contante opnames bedraagt vanaf 2010 totaal € 71.221,99. Bij doorzoekingen in de woning van de verdachte en de stacaravan in Loosdrecht zijn, naast contant geld, facturen en kassabonnen aangetroffen, die contante betalingen betreffen. Het bedrag dat de verdachte vanaf februari 2010 contant zou hebben moeten opnemen om de betalingen te voldoen waarop de facturen en kassabonnen betrekking hebben, naast onder meer het leefgeld dat de verdachte maandelijks contant aan haar moeder gaf, beloopt € 257.637,86. Het verschil tussen de uitgaven met contant geld en de contante opnames bedraagt derhalve € 186.415,87.

Tussenconclusie

- De verdachte krijgt in februari 2010 een relatie met [medeverdachte 2], die aan het eind loopt van een langdurige straf voor een overval, en die geen aantoonbaar inkomen of vermogen heeft, geen bankrekeningen heeft en aan wie een ontnemingsmaatregel is opgelegd van ruim vier ton euro;

- Uit gesprekken die [medeverdachte 2] met anderen voert, valt af te leiden dat hij (grote) uitgaven doet en de verdachte betrekt bij witwassen;

- Tijdens haar relatie met [medeverdachte 2] geeft de verdachte ruim € 186.000 meer contant uit dan ze opneemt.

De vastgestelde feiten en omstandigheden leiden tot het ernstige vermoeden dat de in de tenlastelegging opgesomde huurkosten, woonlasten, huisraad en vakantiereizen met uit misdrijf afkomstig geld zijn gefinancierd, hetgeen witwassen zou opleveren.

Gelet op dit vermoeden mag van de verdachte worden verlangd dat zij een verklaring geeft voor de (legale) herkomst van genoemde goederen, althans het geld waarmee die werden betaald, welke verklaring concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk moet zijn.

De verdachte heeft in dit kader ter zitting haar in eerste aanleg gegeven verklaring herhaald, inhoudende dat voornoemd verschil tussen haar contante uitgaven en contante opnames van ruim € 186.000 valt te verklaren doordat zij uit de verkoop van [A] een contant bedrag van ongeveer € 200.000 heeft ontvangen. Dit bedrag zou zij in delen, via een derde, van haar financiële zaakwaarnemer [betrokkene 3], managing partner bij [B] in Barcelona, hebben ontvangen.

De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat uit het proces-verbaal van bevindingen verkoop [A] van 29 augustus 2016 van de verbalisant Rechercheur 115, dat is opgemaakt naar aanleiding van een onderzoek naar de mogelijkheid dat na de verkoop van de [A] contant geld is uitbetaald aan [betrokkene 5] en de verdachte, volgt dat de opbrengst van verkoop van de [A] enkel bancair naar de verdachte is overgemaakt en dat niet gebleken is van contante betalingen in dat verband.

Het hof stelt vast dat deze verklaring concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Het openbaar ministerie heeft vervolgens nader onderzoek laten verrichten, dat is uitgemond in het proces-verbaal van financieel rechercheur 115 van 29 augustus 2016. Daarnaast heeft ook de raadsheer-commissaris een verklaring van [betrokkene 3] afgenomen en heeft het hof ter zitting [betrokkene 5], ex-echtgenoot van de verdachte, als getuige gehoord.

Uit een memorandum van 27 november 2008 van [betrokkene 3] komt naar voren dat de verkoopopbrengst uit [A] voor de verdachte was samengesteld uit een zestal posten, te weten:

No.

Opbrengst sinds aanstelling [B]

Bedrag

1

Aflossing lening ipv crediteuren na aanstelling [B]

286.397 euro

2

Restant lening

160.000 euro

3

Aandelenkapitaal

131.503 euro

4

Kwijtschelding schuld

53.434 euro

5

Extra bedrag

8.497 euro

6

Bedrag koopsom aangewend voor afkoop risico's

100.000 euro

Totaal

739.831 euro

Van deze posten diende feitelijk nog aan de verdachte een bedrag van € 300.000 te worden betaald, te weten de som van de posten 2, 3 en 5. Uit de stukken blijkt dat de verdachte in driejaarlijkse termijnen tussen januari 2009 en januari 2011 giraal een bedrag van totaal € 290.000 - € 300.000 minus kosten - heeft ontvangen.

[betrokkene 5] heeft ter zitting van het hof als getuige onder meer verklaard er geen weet van te hebben dat uit de verkoop van de [A] voor hem of de verdachte grote bedragen contant - van bijvoorbeeld een ton euro - ter beschikking zouden zijn gekomen en dat de [A] in totaal meer heeft gekost dan opgeleverd.

Het hof stelt vast dat de stelling van de verdachte, dat zij uit de verkoop van [A] een contant bedrag van € 200.000 heeft ontvangen, in de voorgaande bevindingen geen bevestiging vindt.

De verdediging heeft nog gewezen op correspondentie tussen [betrokkene 3] en de verdachte, waar onder emailberichten, waaruit de verdediging afleidt dat er op onregelmatige basis betalingen uit de verkoop van [A] aan de verdachte zijn gedaan, ‘deels per bank en deels contant’ en dat dit een bedrag van ruim € 200.000 zou betreffen.

Over eventuele contante betalingen is [betrokkene 3] ten overstaan van de raadsheer-commissaris gehoord. Hij heeft verklaard zich te kunnen herinneren dat sprake is geweest van twee contante betalingen in het kader van deze verkoop, beide keren een bedrag van € 50.000. Eén betaling kan [betrokkene 3] zich goed herinneren: bij een Spaanse bank werd [betrokkene 3] € 50.000 contant overhandigd, waarvan hij € 10.000 aan een kennis van de verdachte meegaf. Ervan uitgaande dat een dergelijke betaling op post 1 zou moeten slaan - hetgeen [betrokkene 3] overigens ook verklaart - zal [betrokkene 3] zich hebben vergist toen hij eerder tijdens dit verhoor over de vergoeding van die post verklaarde dat de verdachte dat bedrag heeft ontvangen op het moment dat [betrokkene 3] het memorandum heeft opgesteld, in 2008.

Ook indien er van wordt uitgegaan dat [betrokkene 3] zich heeft vergist en inderdaad uit post 1 nog een contant bedrag van € 100.000 is vrijgekomen, kan nog niet worden vastgesteld dat de verdachte over die contante € 100.000 heeft kunnen beschikken. Immers heeft [betrokkene 3] in een latere email aan de advocaat-generaal laten weten dat hij op dit door hem begin 2009 en/of begin 2010 ontvangen bedrag van € 100.000 diverse verrekeningen heeft toegepast, te weten ruim € 15.000 aan kosten kinderoppas en totaal € 60.000 aan salaris voor de advocaat van de verdachte en [betrokkene 3] zelf, zodat voor de verdachte nog maar€ 25.000 resteerde. [betrokkene 3] schrijft in de email dat hij dat bedrag eind 2010 en in de loop van 2011 aan de verdachte heeft overhandigd. Het hof ziet geen reden om aan deze mededeling van [betrokkene 3] te twijfelen, ook nu zijn verklaring, dat hij na voornoemde betaling bij de bank € 40.000 achterhield, past bij het later overgaan tot verrekening. De stelling van de verdediging dat [betrokkene 3] gaandeweg over lagere, aan [verdachte] uitgekeerde, contante bedragen is gaan verklaren om zogenaamde ‘Spaanse gewoonten’ te verhullen, vindt onvoldoende steun in het dossier. Ook hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht over een ‘zomerbetaling’ die - zo begrijpt het hof de verdediging - de koper van [A], [betrokkene 6], zou doen, leidt tot geen ander oordeel, nu daaruit niet kan worden afgeleid welk bedrag het betreft, of die betaling wel is gedaan en daarnaast niet kan worden uitgesloten dat het hier één of beide voornoemde contante uitkeringen van € 50.000 heeft betroffen.

Ook heeft de verdediging gesteld dat het niet kan zijn dat de [A] per saldo maar met een winst van € 8.500 (het hof begrijpt: post 5 op voornoemde memo) zou zijn verkocht, nu het een club betrof op een ‘absolute A-locatie’, geheel verbouwd en goed lopend, met een verkoop voor de crisis uit. Het hof overweegt dat daar tegenover staat dat zowel de verdachte (bij de politie op 27 mei 2013, persoonsdossier p. 23) als [betrokkene 5] (ter terechtzitting in hoger beroep) hebben verklaard dat per saldo de [A] meer heeft gekost dan opgeleverd.

Gelet op het voorgaande acht het hof niet aannemelijk geworden dat de verdachte in de ten laste gelegde periode uit de verkoop van de [A] kon beschikken over een bedrag van € 200.000 contant of een bedrag dat zelfs maar in de buurt daarvan komt.

Conclusie

Dit alles brengt het hof tot het oordeel dat de verklaring van de verdachte onvoldoende tegenwicht heeft geboden aan bovenvermeld vermoeden van witwassen. Met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de verdachte het verschil tussen haar contante uitgaven en haar contante opnames in de periode 2010 tot en met 2013 heeft gefinancierd uit middelen met een legale herkomst, en dat derhalve een criminele herkomst daarvan als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Het hof acht bewezen dat de verdachte dit witwassen opzettelijk heeft gepleegd. Ze heeft grote geldbedragen van [medeverdachte 2] aangenomen zonder zich te bekommeren over de wijze waarop [medeverdachte 2] aan dit geld gekomen was. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft zij verklaard dat zij dacht dat [medeverdachte 2] van de handel in horloges leefde, maar niet wist wat hij precies deed. De verdachte wist dat [medeverdachte 2] een strafrechtelijk verleden had, alle moeite deed om op papier niet traceerbaar te zijn door bijvoorbeeld haar het huurcontract te laten ondertekenen voor het appartement in Hilversum dat hij ging bewonen, en niet zelf de reizen of de hotels te boeken, alsook haar met contante (grote) geldbedragen betaalde, daar waar bancaire overmakingen wellicht voor de hand hadden gelegen. Zij had zij zich voorafgaand aan het van hem aannemen van grote geldbedragen er van moeten vergewissen dat dit geld een legale afkomst had, hetgeen zij ten onrechte heeft nagelaten. Zij heeft daarmee minst genomen de aanmerkelijke kans aanvaard dat [medeverdachte 2]’ geld van misdrijf afkomstig was. Dat zij zich van de aanmerkelijke kans ook bewust is geweest, maakt het hof op uit het feit dat zij over de herkomst van het geld niet de waarheid heeft gesproken. Het hof acht ook bewezen dat de verdachte een gewoonte heeft gemaakt van het witwassen, gelet op de duur en omvang daarvan.”

5 Het eerste middel

5.1.

Het middel klaagt dat het bewezenverklaarde ontoereikend is gemotiveerd.

5.2.

Het middel bevat ten eerste de deelklacht dat het hof kennelijk ervan uitgaat dat de contante geldbedragen die de verdachte van [medeverdachte 2] zou hebben ontvangen, afkomstig zijn van de overval waarvoor [medeverdachte 2] in 2003 is veroordeeld, hetgeen onbegrijpelijk is aangezien die geldbedragen niet van de overval afkomstig kunnen zijn nu het hof vaststelt dat [medeverdachte 2] de hem ter zake van die overval opgelegde ontnemingsmaatregel heeft betaald.

5.3.

Van de aan het hof toegeschreven veronderstelling blijkt niet uit ’s hofs hierboven weergegeven bewijsoverweging en volgt evenmin uit de bewijsmiddelen die het hof ten aanzien van het bewezenverklaarde heeft gebezigd. Uit welk strafbaar feit de in de bewezenverklaring bedoelde geldbedragen afkomstig zijn, heeft het hof juist niet vastgesteld. Wel heeft het – niet onbegrijpelijk – geoordeeld dat de verdachte geldbedragen van [medeverdachte 2] heeft aangenomen waarvan, gezien hetgeen bekend is over onder meer het inkomen en het vermogen van die [medeverdachte 2], het ernstige vermoeden bestaat dat zij uit misdrijf afkomstig zijn.

5.4.

Voorts klaagt het middel over het oordeel van het hof dat de verdachte ‘wist’ dat de in de bewezenverklaring bedoelde voorwerpen (middellijk of onmiddellijk) uit enig misdrijf afkomstig waren. Daartoe wordt allereerst aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat, zoals het hof overwoog, de verdachte “wist dat [medeverdachte 2] (…) alle moeite deed om op papier niet traceerbaar te zijn”. Die klacht berust op een onjuiste lezing van de desbetreffende overweging. Gezien de voorbeelden die het hof in deze overweging geeft van hetgeen de verdachte ten behoeve van [medeverdachte 2] verrichtte, gaat het kennelijk om een conclusie die het hof uit deze verrichtingen heeft getrokken. Die conclusie is niet onbegrijpelijk, nu deze verrichtingen moeilijk een ander doel kunnen hebben gehad dan te voorkomen dat het daarmee gemoeide geld tot [medeverdachte 2] te herleiden was.

5.5.

Het middel klaagt voorts over de vaststelling van het hof dat de verdachte “over de herkomst van het geld niet de waarheid heeft gesproken”. Het hof zou hebben nagelaten de bewijsmiddelen aan te duiden waaruit de leugenachtigheid van de bedoelde verklaring blijkt. Die klacht faalt. In zijn overwegingen heeft het hof vastgesteld dat de verdachte heeft ontkend dat zij van [medeverdachte 2] vergoedingen heeft ontvangen voor de betalingen die zij ten behoeve van hem heeft verricht, terwijl uit de bewijsvoering van het hof blijkt dat zij die vergoedingen wel heeft ontvangen. Dat het hof de ontkennende verklaring van de verdachte niet onder de bewijsmiddelen heeft opgenomen, doet aan de deugdelijkheid van de bewijsvoering geen afbreuk, nu het hof onmiskenbaar heeft gedoeld op de – ook in de toelichting op het middel weergegeven – ontkennende verklaring die de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep aflegde.

5.6.

Het middel klaagt ten slotte over de overweging van het hof dat de verdachte “zich voorafgaand aan het van [[medeverdachte 2]] aannemen van grote geldbedragen er van [had] moeten vergewissen dat dit geld een legale afkomst had, hetgeen zij ten onrechte heeft nagelaten”. Deze overweging zou duiden op schuld, niet op (voorwaardelijk) opzet. Ook deze klacht faalt. Het gaat hier onmiskenbaar niet om het eindoordeel van het hof, maar om een tussenstap in de redenering dat de verdachte “minst genomen” de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het geld van misdrijf afkomstig was. Aan zijn oordeel dat de verdachte de bedoelde aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard, heeft het hof mede ten grondslag kunnen leggen dat de verdachte zich niet van de (legale) herkomst van het geld heeft vergewist in een situatie waarin de noodzaak (en de plicht) om zich daarvan wel te vergewissen, zich opdrong. Daarbij zij erop gewezen dat het hof in aanmerking heeft genomen dat de verdachte bekend was met het strafrechtelijke verleden van [medeverdachte 2], dat de verdachte wist dat [medeverdachte 2] alle moeite deed om, wat zijn uitgaven betreft, niet traceerbaar te zijn door bijvoorbeeld de verdachte te gebruiken voor het verrichten van betalingen en het aangaan van een huurcontract voor zijn woning en dat de verdachte, door te verklaren dat de uitgaven haar eigen geld betroffen, niet de waarheid heeft gesproken over de herkomst van het geld.

5.7.

Het middel faalt.

6 Het tweede middel

6.1.

Het middel komt op tegen de motivering van de aan de verdachte opgelegde straf.

6.2.

In het bijzonder bevat het middel de klacht dat de motivering van het hof, met name zijn overweging dat (tevens) is gelet op de persoon van de verdachte, ontoereikend is in het licht van hetgeen de verdediging omtrent de persoonlijke omstandigheden van de verdachte heeft aangevoerd.

6.3.

Laat ik voorop stellen dat het middel niet betoogt dat het aangevoerde – dat in de toelichting op het middel is weergegeven en dat uitmondt in het verzoek “oog te hebben voor het recht en de persoon van de cliënte” – een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt oplevert dat tot nadere motivering noopte. Ik meen dat inderdaad niet van een dergelijk standpunt kan worden gesproken. In aanmerking genomen dat het hof tot uitdrukking heeft gebracht dat het, alles afwegende, in het bijzonder heeft gelet op de ernst van het feit, voldoet de strafmotivering van het hof, gelet op de vrijheid die de feitenrechter bij de straftoemeting toekomt, aan de daaraan te stellen eisen.

6.4.

Het middel faalt.

7. Alle middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

8. Gronden waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, zijn door mij niet aangetroffen.

9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG