Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:290

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-04-2018
Datum publicatie
04-04-2018
Zaaknummer
16/04504
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:905
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG: bewezenverklaring diefstal elektriciteitskabel toereikend gemotiveerd. Schadevergoedingsmaatregel opgelegd inclusief kosten bijwoning terechtzitting. AG geeft Hoge Raad in overweging het arrest van het hof in zoverre te vernietigen en deze kosten in mindering te brengen op de opgelegde schadevergoedingsmaatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/04504

Zitting: 3 april 2018

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 29 augustus 2016 het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 6 november 2015 bevestigd (met vervanging van hetgeen in het vonnis is opgenomen onder het kopje 'overweging ten aanzien van het bewijs') behoudens de beslissing op de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [A] V.O.F. Het hof heeft de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding, bepaald dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen, en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd van € 4952,10, subsidiair 59 dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 oktober 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. V.A. Groeneveld, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel klaagt dat dat een schadevergoedingsmaatregel is opgelegd ten aanzien van kosten die volgens de steller van het middel vallen onder proceskosten, terwijl deze kosten niet gelden als rechtstreekse schade.

3.1. Het hof heeft ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij het volgende overwogen:

"De raadsman heeft gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering tot schadevergoeding. Volgens de raadsman is onvoldoende gebleken dat [betrokkene 1] , die het voegingsformulier benadeelde partij (als enige) heeft ondertekend, bevoegd was om de vordering namens de benadeelde [A] V.O.F. in te dienen.

Het hof overweegt als volgt.

Uit bij het voegingsformulier benadeelde partij gevoegde uittreksels uit het Handelsregister Kamer van Koophandel blijkt het volgende.

[A] V.O.F. heeft als vennoten [B] en [C] B.V.

[B] is de enige bestuurder van [C] B.V. en is als zodanig alleen/zelfstandig bevoegd namens [C] B.V. op te treden. [B] zelfheeft drie bestuurders, te weten [D] B.V., [E] B.V. en [F] B.V. De drie genoemde bestuurders zijn slechts gezamenlijk bevoegd om [B] , en uiteindelijk dus ook [A] V.O.F., in rechte te vertegenwoordigen. Nu niet blijkt van een door de gezamenlijke bestuurders aan [betrokkene 1] verleende volmacht kan de benadeelde partij niet in haar vordering worden ontvangen.

Het hof ziet desondanks aanleiding verdachte ter zake van het bewezen verklaarde de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen tot een bedrag van € 4.952,10, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 oktober 2015. Verdachte is immers naar burgerlijk recht (artikel 6:166, eerste lid, BW) hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die [A] V.O.F. door het bewezen verklaarde feit is toegebracht. Niet is gebleken dat deze schade reeds is vergoed aan de benadeelde partij."

3.2. Het dictum luidt, voor zover relevant:

"Vordering van de benadeelde partij [A] v.o.f.

Verklaart de benadeelde partij [A] v.o.f. in de vordering tot schadevergoeding niet- ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [A] v.o.f., ter zake van het primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 4.952,10 (vierduizend negenhonderdtweeënvijftig euro en tien cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 59 (negenenvijftig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 16 oktober 2015 tot aan de dag der algehele voldoening."

3.3. Het hof heeft aldus de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding doch aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel de verplichting opgelegd aan de Staat een bedrag van € 4.952,10 als vergoeding voor materiële schade te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 59 dagen hechtenis. Blijkens het voegingsformulier benadeelde partij dat zich bij de stukken bevindt bestaat voornoemd bedrag uit een bedrag van € 1.277,50 als vergoeding voor "Kabels en tracer", uit een bedrag van € 2.450,- als vergoeding voor "Herstellen kabeldiefstal" en uit een bedrag van € 1.224,60 als vergoeding voor "Overige kosten" bestaande uit onder meer de volgende post:

"Aanwezigheid bij rechtszaak

1 man à € 65 per uur 5 x € 65,00 = € 325,00

Totaal te rijden KM 256 x € 0,35 = € 89,60

Schijndel – Maastricht"

3.4. Voor het bepalen van de hoogte van het bedrag van de aan de verdachte opgelegde schadevergoedingsmaatregel in de zin van art. 36f lid 1 Sr, heeft het hof kennelijk als uitgangspunt genomen de door de benadeelde partij gevorderde schade, waaronder begrepen de kosten weergegeven onder de post "Aanwezigheid bij rechtszaak", en heeft dientengevolge die kosten ook in aanmerking genomen bij de oplegging van voornoemde maatregel. Het is echter de vraag of de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt om aanwezig te zijn bij de terechtzitting kunnen worden aangemerkt als schade die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit en derhalve voor vergoeding op grond van art. 51f lid 1 Sv jo art. 36f lid 1 Sr in aanmerking komt.

3.5. De opgegeven materiële kosten die de benadeelde partij stelt te hebben gemaakt om aanwezig te zijn bij de terechtzitting, vallen blijkens het voegingsformulier uiteen in loonderving en reiskosten. Deze kosten heeft de benadeelde partij kennelijk gemaakt in het kader van de voegingsprocedure als bedoeld in art. 51a e.v. Sv en worden in het voegingsformulier dan ook niet aangemerkt als schade die rechtstreeks het gevolg is van het strafbare feit. Dergelijke kosten kunnen derhalve niet in diezelfde voegingsprocedure als schadepost worden toegewezen.1 De opgegeven kosten moeten naar mijn idee worden geschaard onder de proceskosten als bedoeld in art. 592a Sv, alwaar de mogelijkheid van kostenvergoeding ten behoeve van (onder meer) de benadeelde partij wordt geregeld indien deze actief deelneemt aan de strafprocedure. De kosten die op grond van dit artikel voor vergoeding in aanmerking kunnen komen zijn, aldus Pelser in Tekst en Commentaar Strafvordering, bijvoorbeeld kosten van bijstand en vertegenwoordiging, van eigen loonderving op de dag van de zitting, en die van het nemen van afschriften van stukken2. Ook reiskosten gemaakt door de benadeelde partij om op de terechtzitting aanwezig te zijn, kunnen in het kader van de proceskosten in aanmerking komen voor vergoeding.3

3.6. Met betrekking tot de toewijsbaarheid van een vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij en de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel heeft de Hoge Raad in de uitspraak van 11 april 2017 onder meer het volgende overwogen:

"3.4.2. Voor toewijzing van een vordering tot schadevergoeding als bedoeld in art. 51f, eerste lid, Sv komt alleen die schade in aanmerking die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit. De kosten van rechtsbijstand zijn niet als zodanige rechtstreekse schade aan te merken (vgl. HR 21 september 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1533, NJ 1999/801). Indien een benadeelde partij dergelijke proceskosten als onderdeel van de schade in de zin van art. 51f Sv vordert, dient zij in zoverre in die vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

3.4.3. Het voorgaande brengt mee dat dergelijke kosten ook niet in aanmerking kunnen worden genomen bij de oplegging van de in art. 36f, eerste lid, Sr voorziene maatregel (vgl. HR 18 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1786, NJ 2000/413).

3.4.4. Door een benadeelde partij gemaakte kosten voor rechtsbijstand zijn – anders dan door de benadeelde partij gevorderde vermogensschade als bedoeld in art. 51f Sv en art. 6:96 BW – te rekenen tot de proceskosten waaromtrent de rechter ingevolge het bepaalde in art. 592a Sv in de daar bedoelde gevallen een afzonderlijke beslissing dient te geven, die ingevolge het bepaalde in art. 361, zesde lid, Sv in het vonnis dient te worden opgenomen. Gelet op de aard van die kosten staat het de rechter in hoger beroep vrij wat de verwijzing in die kosten betreft een hoger bedrag in aanmerking te nemen dan het bedrag van de in eerste aanleg toegewezen kosten (vgl. HR 18 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1786, NJ 2000/413)."4

3.7. Deze regel is mijns inziens ook toepasbaar op onderhavige zaak. Het hof heeft bij de bepaling van de hoogte van het bedrag van de aan de verdachte opgelegde schadevergoedingsmaatregel betrokken de kosten weergegeven onder de post "Aanwezigheid bij rechtszaak", niet zijnde rechtstreekse schade. Daarmee heeft het hof miskend hetgeen hiervoor onder 3.6. is weergegeven en kan de bestreden uitspraak in zoverre niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak om redenen van doelmatigheid zelf afdoen.5

4. Het tweede middel klaagt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte de bewezenverklaarde diefstal (met braak) heeft gepleegd.

4.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 16 oktober 2015 te Kerkrade met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een stroomkabel, toebehorende aan [A] , waarbij verdachte die weg te nemen stroomkabel onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak."

4.2. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"A. De verklaring van de verdachte, ter terechtzitting afgelegd, voor zover deze inhoudt:

Op 16 oktober 2015 [...] heb ik op het bedrijfsterrein van [G] de kabel uit mijn auto gegooid. Op het terrein werd ik al klemgereden door de politie.

B. Het in de wettelijke vorm door de opsporingsambtenaar [verbalisant 1] opgemaakte proces-verbaal, als weergegeven op de pagina's 5 tot en met 7 van de doornummering, inhoudende, voor zover tot het bewijs gebezigd, de navolgende op 16 oktober 2015 ten overstaan van voornoemde opsporingsambtenaar door de aangever [betrokkene 1] namens [A] afgelegde verklaring:

Ik ben eigenaar van de firma [A] te Schijndel. Mijn bedrijf verzorgt de tijdelijke rijbaanverlichting en stroomaggregaten voor de aanleg van de buitenring binnen de regio Parkstad.

Mijn stroomkabels zijn geregistreerd middels computerapparatuur. Indien er een stroomkabel wordt doorgeknipt, dan krijgen wij via de computer een signaal. In de stroomkabel zit een meldsysteem verwerkt waardoor wij als firma kunnen traceren waar de stroomkabels zich bevinden.

Vandaag, 16 oktober 2015 omstreeks 05:00 uur kreeg mijn planner, [betrokkene 2] , een melding op zijn telefoon dat er een stroomkabel was doorgeknipt aan de provinciale weg N299 ter hoogte van hectometerpaal 11.8. Genoemde hectometerpaal valt binnen de gemeente Kerkrade.

Op het moment dat mijn planner de melding doorkreeg ben ik onmiddellijk in kennis gesteld. Wij zijn onderling contact blijven houden en bemerkte op 16 oktober 2015 tussen 06:00 uur en 06:30 uur dat de stroomkabel op een bepaalde locatie stil bleef. Genoemde locatie betrof de [b-straat] te Kerkrade. Ik ben vanochtend in de auto gestapt en naar genoemde locatie gereden. Op genoemde datum omstreeks 09:30 uur bevond ik mij aan de betreffende locatie. Ik heb mijn auto in de omgeving geparkeerd daar ik niet direct de stroomkabel zag. Ik ben vervolgens gelopen naar de locatie die het systeem aan gaf. Dit betrof de hoek [b-straat] met de Industriestraat. Ik zag daar een Peugeot 206 Cabrio staan die onder de modder zat. Daar de personenauto onder de modder zat en onze stroomkabels zich in zandachtig gebied bevinden rees bij mij het vermoeden dat de stroomkabel zich in betreffende personenauto moest bevinden. Ik heb van genoemde personenauto het kenteken genoteerd. Het kenteken betreft: [AA-00-BB] . Vervolgens zie ik twee personen richting de genoemde personenauto lopen. Ik zag dat genoemde personen in de personenauto stapte. Ik heb vervolgens met [betrokkene 2] gebeld om te verifiëren of het systeem op zijn telefoon weer actief werd en dus de stroomkabel zou gaan bewegen. Tot mijn verbazing bleek dat zo te zijn.

Ik heb de politie vervolgens het telefoonnummer van [betrokkene 2] doorgegeven om contact te kunnen houden aangaande waar de personen in combinatie met de personenauto en stroomkabel zich zouden bevinden. Uiteindelijk heeft een politiepatrouille genoemde personenauto aangetroffen aan de [a-straat 1] te Landgraaf. Uit onderzoek door de politie bleek dat mijn stroomkabel zich in de personenauto bevond.

C. Het in de wettelijke vorm door de opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3] opgemaakte proces-verbaal, als weergegeven op de pagina's 13 en 14 van de doornummering, inhoudende, voor zover tot het bewijs gebezigd, het navolgende relaas:

Op 16 oktober 2015, omstreeks 10:40 uur, reden wij het bedrijfsterrein op van metaalverwerkingsbedrijf [G] , [a-straat 1] te Landgraaf. Wij, verbalisanten, zagen een Peugeot 206 CC voorzien van het Nederlandse kenteken [AA-00-BB] op het bedrijfsterrein staan. Wij, verbalisanten, zagen dat er twee personen in het voertuig zaten en dat het voertuig reed in onze richting. Ik, [verbalisant 2] , heb als bestuurder van het dienstvoertuig de dienstauto voor de Peugeot stilgezet zodat het voertuig niet verder kon rijden. Wij, verbalisanten, zagen dat de bestuurder van de Peugeot zijn voertuig stopte. Wij, verbalisanten, zagen twee mannen in het voertuig zitten en verzochten deze uit het voertuig te stappen. Na het uitstappen van de mannen kregen wij, verbalisanten, via de portofoon van het Operationeel Centrum de informatie dat mogelijk in de auto van de verdachten een rode stekker moest liggen met de gps zender.

In het voertuig zagen wij met modder besmeurde handschoenen op de achterbank liggen. Ook zaten overal moddersporen op de lak van het voertuig alsmede de binnenbekleding.

Ik, [verbalisant 3] , opende de achterklep van de Peugeot. Ik, [verbalisant 3] , zag een rode kabelstekker liggen met afgeknipte draden. Ook zag ik, [verbalisant 3] , een betonschaar liggen.

Wij, verbalisanten, hebben beide verdachten aangehouden.

Terwijl wij de verdachten hebben overgedragen aan de collegae van Heerlen die de overbrenging van de verdachten verzorgden, liet de eigenaar van het metaalverwerkingsbedrijf ons de kabel zien die de verdachten hebben ingeleverd bijhem. Deze kabel is in een metalen bak gedeponeerd door de verdachte.

D. Het in de wettelijke vorm dóór de opsporingsambtenaar [verbalisant 3] opgemaakte proces-verbaal, als weergegeven op de pagina's 20 en 21 van de doornummering, inhoudende, voor zover tot het bewijs gebezigd, de navolgende op 16 oktober 2015 ten overstaan van voornoemde opsporingsambtenaar door de getuige [betrokkene 3] afgelegde verklaring:

Ik ben eigenaar van het bedrijf [G] gelegen aan de [a-straat 1] te Landgraaf. Heden 16 oktober 2015 omstreeks 10:40 uur bevond ik me op het inleverpunt van het bedrijf. Daar verschenen bij mij twee personen welke reden in een personenauto merk Peugeot. Ik zag dat de bestuurder van de auto uitstapte en de kofferbak van de auto opende. Ik zag dat deze bestuurder een rol stroomkabel uit de kofferbak van de auto nam en deze stroomkabel op de weegschaal van het inzamelpunt gooide.

Ik zag dat de weegschaal 36 kilo aangaf. Ik verwees de mannen naar de voorzijde van het bedrijf om aldaar af te rekenen. Ik zag dat beide mannen weer in de auto stapten en wegreden richting voorzijde van het bedrijf. Ik zag vervolgens dat de politie de mannen in de auto op ons bedrijfsterrein lieten stoppen.

E. Het in de wettelijke vorm door de opsporingsambtenaar [verbalisant 4] opgemaakte proces-verbaal, als weergegeven op de pagina's 32 tot en met 35 van de doornummering, inhoudende, voor zover tot het bewijs gebezigd, de navolgende op 16 oktober 2015 ten overstaan van voornoemde opsporingsambtenaar door de medeverdachte [medeverdachte] afgelegde verklaring:

V = vraag van verbalisant aan verdachte

A = antwoord van de verdachte

Vandaag ben ik omstreeks 08:00 - 08:15 uur wakker geworden. Rond 09:00 uur kwam ik bij mijn buurjongen. Ik wou hem iets vragen. Even later vroeg hij mij of ik met hem mee wilde gaan naar de ijzerhandel, waar wij uiteindelijk zijn aangehouden. Ik denk dat dit rond 09:30 uur was. Hij moest iets met een gasfles bij de ijzerhandel doen. Of een nieuwe halen. Met die kabels wist ik niet. Toen wij daar aankwamen, zag ik dat hij de kabels uit de auto haalde.

Van tevoren had ik dat niet gezien en wist ik dat ook niet.

V: Hoe heet die buurjongen?

A: [verdachte] .

V: In wat voor een auto reden jullie?

A: Een Peugeot, dacht ik. Zilver. Een kleintje. Het type weet ik niet precies. 206 dacht ik."

4.3. Met vervanging van hetgeen de rechtbank heeft opgenomen onder "overweging ten aanzien van het bewijs" heeft het hof voorts het volgende overwogen:

"Met de raadsman is het hof van oordeel dat de enkele omstandigheid dat de verdachte zich gedurende de politieverhoren en ter gelegenheid van de behandeling van de vordering bewaring op zijn zwijgrecht heeft beroepen, en eerst ter terechtzitting een uitgebreide inhoudelijke verklaring heeft afgelegd over de feiten, niet redengevend kan en mag zijn voor de inhoudelijke beoordeling van de bewijsmiddelen en (meer in het bijzonder) in het kader van de vraag of deze overtuigend genoeg zijn voor een bewezenverklaring. Het zwijgrecht is een fundamenteel recht van een verdachte, verankerd in onder andere art. 29 Sv. Aan dit recht zou op onaanvaardbare wijze tekort worden gedaan indien de rechter bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de uiteindelijk afgelegde verklaring doorslaggevende waarde toekent aan de omstandigheid dat de verdachte zijn verklaring eerst ter zitting en niet reeds in een eerder stadium van het onderzoek heeft afgelegd.

De politierechter heeft in het kader van de beoordeling van de geloofwaardigheid van de verklaring van de verdachte het navolgende overwogen: ’’Weliswaar heeft verdachte het recht om zijn eigen processtrategie te bepalen en daarmee zelf te bepalen of en zo ja, wat hij wanneer zegt, maar de situatie kan zich voordoen dat de verdachte een strategie kiest, die afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn verklaring. Die situatie doet zich hier voor. De politierechter vermag namelijk niet in te zien waarom verdachte eerst op zitting zijn verhaal heeft willen doen. Een verhaal dat in de ogen van de politierechter, ware dit waar geweest, toch altijd hetzelfde zou zijn geweest.”

Door aldus te overwegen heeft de politierechter het zwaarwegende belang van het zwijgrecht miskend. Naar het oordeel van het hof kunnen er immers verschillende redenen zijn voor een verdachte om zijn verklaring nog niet tijdens het politieverhoor te openbaren. Bijvoorbeeld, zoals de verdachte in dit geval heeft verklaard, omdat hem dit door meerdere advocaten uitdrukkelijk was geadviseerd. Het is het hof ambtshalve bekend dat een dergelijk advies in de strafrechtpraktijk, zeker in de beginfase van het onderzoek, geenszins ongewoon is.

Het hof overweegt daarbij nog dat de politierechter, door de verdachte in feite tegen te werpen dat hij dit advies heeft opgevolgd, onvoldoende oog heeft gehad voor de kwetsbare positie waarin een verdachte zich vanaf het moment van aanhouding in een strafzaak bevindt en de rol die de advocaat daarbij inneemt.

Het hof komt vervolgens toe aan zijn eigen beoordeling van de verklaring van de verdachte zulks in samenhang met de andere in het dossier aanwezige bewijsmiddelen en komt tot de conclusie dat deze verklaring als ongeloofwaardig terzijde moet worden geschoven. Doorslaggevend daarbij is de omstandigheid dat verdachte een weinig consistente verklaring over het gebeuren heeft afgelegd. Zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep wijkt op essentiële punten af van de verklaring die hij blijkens het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg tegenover de politierechter heeft afgelegd. Bij de politierechter heeft de verdachte immers verklaard dat medeverdachte [medeverdachte] in de ochtend van 16 oktober 2015 bij hem aan de deur kwam met de vraag of hij de auto nog een keer mocht lenen, waarop verdachte besloot zelf te rijden. Hij verklaart aldaar: ‘Daar aangekomen vroeg hij (het hof begrijpt [medeverdachte] ) aan mij om de kabel in de achterbak van de auto te gooien. Hij zei tegen mij dat hij die kabel van een vriend had gekregen en dat hij die moest terugbrengen’. Verdachte verklaart tevens: ‘Daarna heb ik op het bedrijfsterrein van [G] de kabel uit mijn auto gegooid’. Ter zitting in hoger beroep heeft verdachte echter verklaard dat hij de ontvreemde kabel op geen enkel moment in zijn handen heeft gehad. De kabel lag reeds in de auto toen hij daar die ochtend in plaats nam en het zou de medeverdachte zijn geweest die de kabel op het terrein van [G] uit de auto zou hebben getild.

De verklaring die verdachte, geconfronteerd met deze tegenstrijdigheid, in hoger beroep heeft afgelegd inhoudende dat hij bij de politierechter doelde op een andere kabel dan de ontvreemde stroomkabel acht het hof volstrekt ongeloofwaardig. Ook overigens acht het hof de verklaring van verdachte ongeloofwaardig nu hij ter zitting in hoger beroep heeft verklaard dat medeverdachte [medeverdachte] de kabel bij [G] uit de auto zou hebben getild, terwijl uit de verklaring van [betrokkene 3] , de eigenaar van [G] volgt dat het de bestuurder, zijnde verdachte, is geweest die de ontvreemde kabel uit de auto heeft gepakt en deze op de weegschaal van het inzamelpunt heeft gegooid.

Op basis van de bewijsmiddelen gaat het hof er van uit dat de Peugeot die verdachte in gebruik had en waarin hij enkele uren na de diefstal op het terrein van [G] is aangehouden, is gebruikt bij het plegen van de diefstal van de stroomkabel. Aangezien blijkens de met een in de gestolen stroomkabel aangebrachte GPS- voorziening gegenereerde gegevens volgt dat de stroomkabel na de diefstal is verplaatst en ongeveer een uur later (rond 6:00 in de ochtend) tot stilstand komt in de directe nabijheid van de woning van verdachte en dat deze stroomkabel vanaf 9:30 uur weer in beweging komt, terwijl tevens wordt vastgesteld dat verdachte omstreeks dat tijdstip in de Peugeot stapt waarna de kabel bij [G] door verdachte uit de Peugeot wordt gepakt en wordt ingeleverd, is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de diefstal door verdachte is gepleegd."

4.4. Aan de orde is kort gezegd het bewijs van diefstal bij het voorhanden hebben van een goed wat van diefstal afkomstig is. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt mijns inziens dat ingeval de verdachte in het bezit van gestolen goederen wordt aangetroffen het bewijs van diefstal soms niet al teveel extra moeilijkheden oplevert.

4.5. Met betrekking tot deze problematiek bij bezit van voorwerpen afkomstig van diefstal heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 11 april 20176 – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – het volgende overwogen:

"Bij de beantwoording van de vraag of iemand zich heeft schuldig gemaakt aan het plegen van diefstal kan aan het enkele voorhanden hebben van een gestolen voorwerp niet zonder meer de conclusie worden verbonden dat de betrokkene dat voorwerp ook heeft gestolen. Voor de beoordeling van de betekenis die aan dat voorhanden hebben moet worden gehecht, zijn de feiten en omstandigheden van het geval van belang (vgl. HR 19 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2880, NJ 2010/475). Bij die beoordeling kan een rol spelen of de betrokkene een aannemelijke verklaring heeft gegeven voor dat voorhanden hebben. De omstandigheid dat hij weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden ter zake van het voorhanden hebben van het voorwerp, kan op zichzelf - mede gelet op het bepaalde in art. 29, eerste lid, Sv - niet tot het bewijs bijdragen. Dat brengt echter niet mee dat de rechter in zijn overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal niet zou mogen betrekken dat de verdachte voor zo’n omstandigheid als het voorhanden hebben van het voorwerp - welke omstandigheid op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend kan zijn voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit - geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven (vgl. HR 3 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0733, NJ 1997/584)."

4.6. In de aan dit arrest voorafgaande conclusie7 heb ik reeds in een aan de middelen voorafgaande beschouwing uiteengezet dat uit de jurisprudentie van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat twee factoren in belangrijke mate bijdragen aan het bewijs van diefstal, ingeval de verdachte wordt aangetroffen met gestolen goederen. Dit zijn i) een kort tijdsverloop na de diefstal en ii) het ontbreken van een (aannemelijke) verklaring voor het aantreffen van het gestolen goed. Bij de tweede factor speelt de procesopstelling van de verdachte veelal een doorslaggevende rol. Als uit de omstandigheden van het geval zich niet een aannemelijke verklaring voor het bezit van een gestolen goed aandringt, dan is het de verdachte die daarover nadere opheldering zal moeten verschaffen. Aan het ontbreken van een dergelijke verklaring kunnen dus bewijsrechtelijke gevolgen worden verbonden.

4.7. Het middel richt zich erop dat de vaststelling van het hof dat de auto van de verdachte is gebruikt bij het plegen van de diefstal niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid en dat daarom de verdachte niet kan worden aangewezen als degene die de diefstal heeft gepleegd. Ten hoogste zou heling kunnen worden aangetoond. Het middel miskent daarbij dat niet enkel op basis van die vaststelling het hof heeft geconcludeerd dat de verdachte de diefstal heeft gepleegd maar dat de bewijsconstructie als geheel hieraan ten grondslag ligt.

4.8. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat na de diefstal van de stroomkabel omstreeks 5:00 uur deze stroomkabel met behulp van gegevens van een hieraan aangebrachte GPS-voorziening is gevolgd totdat deze rond 6:00-6:30 uur tot stilstand is gekomen in de directe nabijheid van de woning van de verdachte aan de [b-straat] te Kerkrade. Op deze locatie werd omstreeks 9:30 uur door aangever [betrokkene 1] aangetroffen de met modder besmeurde Peugeot 206 met kenteken [AA-00-BB] van de verdachte. De aangever zag vervolgens twee mannen in de auto Peugeot stappen en hiermee wegrijden waarna tevens het GPS-signaal weer actief werd. De auto is gevolgd en uiteindelijk is de verdachte omstreeks 10:40 uur aangehouden op het bedrijfsterrein van het metaalverwerkingsbedrijf [G] nadat hij de gestolen stroomkabel heeft ingeleverd bij dit bedrijf. In de auto van de verdachte werd de afgeknipte kabelstekker en een betonschaar aangetroffen.

4.9. Uit deze zich opvolgende gebeurtenissen heeft het hof kunnen afleiden dat de verdachte kort, enkele uren, na de diefstal van de stroomkabel, deze stroomkabel voorhanden heeft gehad. Een aannemelijke verklaring van de verdachte voor het voorhanden hebben van deze stroomkabel heeft het hof niet aanwezig geacht, nu het de verklaring van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde heeft geschoven waarbij doorslaggevend is geweest "de omstandigheid dat verdachte een weinig consistente verklaring over het gebeuren heeft afgelegd". Aldus heeft het hof ten laste van de verdachte het daderschap van de diefstal (met braak) kunnen afleiden uit de gebezigde bewijsmiddelen.

4.10. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

6. Deze conclusie strekt ertoe de bestreden uitspraak te vernietigen, maar uitsluitend ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel die ten behoeve van de benadeelde partij [A] v.o.f. is opgelegd, te dien aanzien tot zodanige op art. 440 Sv berustende beslissing als de Hoge Raad gepast voorkomt en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie WvSv, A.L. Melai/M.S. Groenhuijsen e.a., artikel 592a Sv, aant. 3.

2 Zie T&C Strafvordering, commentaar bij art. 592a Sv, aantekening 3c.

3 Zie HR 2 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE2642, en de daaraan voorafgaande conclusie van advocaat-generaal Jörg waarbij voor een redelijke uitleg van art. 592a Sv aansluiting wordt gezocht bij het civiele recht; en WvSv, A.L. Melai/M.S. Groenhuijsen e.a., artikel 592a Sv, aant. 7, 7.1 en 7.2.

4 HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:653, NJ 2017/366, m.nt. Reijntjes.

5 In de zaak HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:653, NJ 2017/366 is door de AG het standpunt ingenomen dat de HR zelf de zaak kon afdoen, maar anders dan die conclusie besliste de HR tot vernietiging en terugwijzing. Ik neem aan dat dit het geval was omdat, anders dan de conclusie luidde, de HR ook de beslissing op de vordering van de benadeelde partij vernietigde. Hier betreft het alleen de schadevergoedingsmaatregel en die kan de HR zelf verminderen, vgl. HR 16 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:890.

6 HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:644, NJ 2017/277, m.nt. T. Kooijmans.

7 ECLI:NL:PHR:2017:240.