Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:29

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
23-01-2018
Datum publicatie
25-01-2018
Zaaknummer
16/03309
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:446
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Ontoereikende motivering medeplegen valsheid in geschrift (art. 225 Sr). Vernietiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/03309

Zitting: 23 januari 2018

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 22 april 2016 door het gerechtshof Amsterdam wegens 1. “medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, en opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in art. 225 lid 1 Sr, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd”, 2. “oplichting”, 3. “poging tot oplichting” en 4. “witwassen, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis. Voorts heeft het hof het in beslag genomen voorwerp verbeurd verklaard, een en ander zoals vermeld in het bestreden arrest.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel

3.1. Het middel klaagt dat het medeplegen wat het onder 1 bewezenverklaarde feit betreft ontoereikend is gemotiveerd.

3.2. Ten laste van de verdachte heeft het hof onder 1 - voor zover van belang - bewezenverklaard dat:

“hij in de periode vanaf 1 januari 2006 tot en met 1 februari 2008 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, telkens een valse werkgeversverklaring en salarisspecificatie - zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers hebben verdachte en zijn mededader(s) telkens in strijd met de waarheid:

- in een werkgeversverklaring vermeld dat hij, verdachte, vanaf 1 oktober 2005 in loondienst was bij [A] B.V. en een bruto jaarsalaris ontving van EUR 84.000,00 en een vakantietoeslag van EUR 6.720,00 en

- in een werkgeversverklaring vermeld dat hij, verdachte, vanaf 1 januari 2007 in loondienst was als security advisor bij [B] BV en een bruto jaarsalaris ontving van EUR 78.000,00 en een vakantietoeslag van EUR 6.240,00 en

- op die salarisspecificatie vermeld dat hij, verdachte, in de maanden oktober 2005 en november 2005 en december 2005 een bruto maandsalaris ontving van EUR 7.000,00 en een netto maandsalaris van EUR 4.097,73,

zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken”

3.3. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft het hof, voor zover van belang, het volgende vastgesteld. De verdachte heeft [betrokkene 1] een mail gestuurd met als subject “werkgeversverklaaring” en met daarin de mededeling dat hij een inkomen nodig heeft van € 75.000 per jaar, een loonstrook en een werkgeversverklaring en dat voor de rest alles klaar is voor de aanvraag van de tweede hypotheek. [betrokkene 2] heeft [betrokkene 3] een mail gestuurd met daarin de vraag om, op verzoek van [betrokkene 1] , voor hem een pro forma loonstrook aan te maken op naam van de verdachte als werknemer voor het bedrijf [B] B.V., bruto jaarloon € 75.000 (excl. vak. geld) en tevens een “blanco werkgeversverklaring” aan te maken, nu een en ander nodig is voor een hypotheekaanvraag. Bij de gebezigde bewijsmiddelen bevindt zich voorts een proces-verbaal van politie, voor zover van belang inhoudende:

“Opmerkelijk is het dat bij alle stukken die overlegd zijn een aantal (rechts)personen steeds terugkeren als werkgever, administratiekantoor en referentie. Gedurende de aanvraag in 2006 heeft [verdachte] een eigen bedrijf genaamd [C] , daarnaast zegt hij een dienstverband te hebben lopen bij [A] B.V. De documenten hieromtrent zijn allen opgemaakt door administratiekantoor [D] .

[C] betreft een beveiligings- en recherchebedrijf. Bij [A] B.V. zou [verdachte] een dienstverband hebben als securitymedewerker. De werkgeversverklaring is ondertekend door [betrokkene 4] en referent is [betrokkene 1] . Het dienstverband van [verdachte] is echter niet daadwerkelijk aangetoond anders dan door de door [verdachte] zelf verstrekte papieren.

Gedurende de tweede aanvraag in 2008 wordt er tevens een nieuwe werkgeversverklaring aangeleverd welke was ondertekend door [betrokkene 4] op 22-02-2008, referent is [betrokkene 1] . [verdachte] zou sinds 01-01- 2007 werkzaam zijn als security advisor voor het bedrijf [B] B. V. [a-straat 1] te Zwolle. Uit de handelshistorie van het KvK blijkt dat zowel [betrokkene 1] als [betrokkene 4] bestuurder zijn geweest van [B] B.V. Het dienstverband van [verdachte] is echter ook hier niet daadwerkelijk aangetoond anders dan door de verstrekte papieren.”

3.4. Het bestreden arrest bevat, voor zover van belang, de volgende bewijsoverweging:

“Ten aanzien van het medeplegen van het valselijk opmaken van de geschriften overweegt het hof nog het volgende. Uit de bewijsmiddelen volgt niet dat verdachte deze documenten zelf valselijk heeft opgemaakt, maar wel dat hij daar belang bij heeft gehad (de verkrijging van een hypothecaire lening) en dat hij, in geval van [B] , op eigen initiatief om een loonstrook en een werkgeversverklaring heeft verzocht en in ieder geval de werkgeversverklaring heeft gekregen. Het hof acht het aannemelijk dat de gang van zaken rondom het gestelde dienstverband met [A] B.V. op eenzelfde wijze is tot stand is gekomen en wordt hierin gesterkt doordat bij de totstandkoming van beide werkgevers- verklaringen dezelfde personen betrokken zijn geweest. Hiermee is verdachtes rol bij de totstandkoming van het valselijk opmaken van de documenten zo essentieel geweest dat er, ook zonder dat hij een feitelijke uitvoeringshandeling bij het fabriceren van de geschriften heeft verricht, sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de persoon die de documenten valselijk heeft opgemaakt.”

3.5. Met zijn hiervoor onder 4.4 weergegeven oordeel heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat de verdachte als initiator van de door zijn mededaders feitelijk uitgevoerde bewezenverklaarde gedragingen heeft gefungeerd. Dat de verdachte heeft verzocht om een valse loonstrook en werkgeversverklaring kan, in ieder geval wat betreft de fictieve werkgever [B] B.V., uit de bewijsmiddelen volgen. Maar daarmee is de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de verdachte nog niet gegeven. Daarbij moet voor ogen worden gehouden dat dit ‘verzoek’ niet in de sleutel van het functioneel daderschap (of het daaraan verwante leerstuk van de strafbaarheid van de opdrachtgever in de sfeer van een rechtspersoon in de zin van art. 51 Sr) is geplaatst maar in die van het medeplegen.1 Dat maakt wel verschil, want voor het medeplegen geldt, bij het ontbreken van een rechtstreekse participatie, in de vorm van uitvoeringshandelingen van het delict zelf, de tamelijk zware eis dat de bijdrage van die medepleger wel van voldoende gewicht is geweest, aldus de Hoge Raad in zijn overzichtsarrest over medeplegen en medeplichtigheid: “Zeker in dergelijke, in zekere zin afwijkende of bijzondere, situaties dient in de bewijsvoering aandacht te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest.”2 Dat het hof verdachtes bijdrage kennelijk van voldoende gewicht heeft geacht (“een essentiële rol”, aldus het hof) om van nauwe en bewuste samenwerking te kunnen spreken door te overwegen a) dat de verdachte belang had bij het valselijk opmaken van de documenten en b) dat de verdachte - in geval van [B] B.V. - op eigen initiatief om een loonstrook en een werkgeversverklaring heeft verzocht, acht ik in het licht van het voorgaande niet begrijpelijk.3 Het medeplegen is dan ook – reeds voor zover de valsheid in geschrift betrekking heeft op [B] B.V. - ontoereikend gemotiveerd.

3.6. Het middel is terecht voorgesteld.

4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft het onder 1 bewezenverklaarde feit en de strafoplegging, tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Verwarrend genoeg heeft het hof het in zijn strafmotivering over “doen plegen”: “De verdachte heeft valse werkgeversverklaringen, valse loonstrookjes en een vals declaratieformulier, voor een deel in samenwerking met anderen doen opmaken”.

2 HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, rov. 3.2.3.

3 Een goed voorbeeld van een zaak waarin de door de verdachte gegeven opdracht(en) rechtstreeks waren betrokken op de uitvoering biedt HR 24 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:60, waar de verdachte aan de medepleger telefonisch aanwijzingen gaf om met diens auto een politieauto te ‘botsen’. In HR 9 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:16 was de opdracht gericht op het - op ondeskundige wijze - aanleggen van een elektriciteitsinstallatie voor een hennepkwekerij.