Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:288

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-04-2018
Datum publicatie
04-04-2018
Zaaknummer
16/03587
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:790
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG over o.m. niet vertalen door de tolk van een gedeelte van de verklaring van de verdachte. Art. 275 lid 2 Sv en EHRM, Kamasinski tegen Oostenrijk. De AG geeft de Hoge Raad in overweging de middelen met toepassing van art. 81 RO ongegrond te verklaren en het cassatieberoep te verwerpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/03587

Zitting: 3 april 2018

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zitting houdende te Zwolle, heeft bij arrest van 1 juni 2016, met vernietiging van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 28 april 2011, de verdachte ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde “feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. G. Meijers, advocaat te Amsterdam, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

3 Het eerste middel

3.1.

Het middel klaagt over verzuim van vormen waarvan niet-naleving nietigheid met zich meebrengt, omdat het proces-verbaal van de zitting niet de verklaring van de verdachte of een verkorte opgave daarvan bevat en de tolk op de zitting niet ten volle in staat was de verklaring van de verdachte te vertalen.

3.2.

Blijkens de toelichting op het middel klaagt het middel als eerste dat door deze tekortkoming in het proces-verbaal in cassatie niet meer is te controleren of rekwirant op de zitting een verweer heeft gevoerd waarop het hof bepaaldelijk had moeten beslissen. Daarom dient volgens de steller van het middel nietigheid van de op het proces-verbaal gebaseerde uitspraak te volgen.

3.3.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van houdt – voor zover van belang voor de beoordeling van het middel – het volgende in:

“De verdachte beheerst de Nederlandse taal niet of onvoldoende. Daarom vindt het onderzoek plaats met bijstand van mevrouw S.D.H.M. Uitterwaal, zijnde een in het register als bedoeld in artikel 2 van de Wet beëdigde tolken en vertalers ingeschreven tolk in de Engelse taal. Hetgeen ter terechtzitting is gesproken of voorgelezen is door de tolk vertaald.”
(….)
De verdachte, ter terechtzitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de voorzitter te zijn genaamd:

(…)
Als raadsman van verdachte is mede ter terechtzitting aanwezig mr. J.S. Spijkerman, advocaat te 's-Gravenhage.
(…)
De advocaat-generaal voert het woord voor zijn requisitoir, leest de vordering voor en legt die aan het hof over.
(…)
Na een korte onderbreking voor beraad voert de raadsman het woord tot verdediging overeenkomstig zijn pleitnota, welke aan het hof is overgelegd en aan dit proces-verbaal is gehecht.

Ter aanvulling op de pleitnota merkt de raadsman het volgende op:

Ik handhaaf het verzoek tot het voorwaardelijk horen van de getuigen.

Daarnaast doe ik het voorwaardelijke verzoek om de behandeling van de zaak aan te houden tot na de uitspraak in de fiscale zaak.

Na een korte onderbreking voor beraad geeft de voorzitter aan dat het hof nog enige vragen heeft aan de verdachte en diens raadsman.

De jongste raadsheer vraagt mr. Spijkerman:

Punt 75 van uw pleitnota, daar staat in het begin van de vierde regel het woord: 'omdat'. Waar baseert u dat 'omdat' op?

De voorzitter vult aan:

Waar het eigenlijk om gaat is dat de verdediging stelt dat er een 'participation' is en dat we op die manier naar de zaak moeten kijken. De vraag die bij het hof leeft is waar dat uit moet volgen. Op basis waarvan wordt die stelling ingenomen?

De verdachte verklaart hierop:

Ik was toen geen partij en ik moet het doen moet wat ik heb gelezen. Het Zweedse Handelsbolag kent veel verschillende vormen van deelneming.

De raadsman vult aan:

Het punt is. in de koopovereenkomst wordt melding gemaakt van 'shares in the Company', dat kan je lezen als vennoten maar kun je ook lezen als participatie. Onze stelling is dat hier participatie bedoeld is, omdat je ziet dat de overeenkomst helemaal is ingericht als zijnde een participant. Je kunt 'shares' in het Nederlands vertalen als: 'aandelen', maar je kunt het ook vertalen als participatie. Dat blijkt ook uit de Wistrand-memo die achter mijn pleitnota zit.

De jongste raadsheer:

Samengevat: het is gebaseerd op de koopakte!

De raadsman:

Dat is juist. En op de uitleg van Wistrand.

De oudste raadsheer vraagt de raadsman:

Moet het niet zo opgevat worden dat de bewoording zoals hier staan zowel 'partnership' als 'shareholder' kunnen inhouden?

De raadsman antwoordt:

Ja.

De oudste raadsheer:
Uw bevestiging doet mij vermoeden dat uw bewoordingen verder gaan. U zegt met zoveel woorden: het was geen vennootschap maar een participatie en niet meer dan dat.

De raadsman:

Ja. Dat is onze stelling die gebaseerd is op de koopovereenkomst en de uitleg van Wistrand.

De jongste raadsheer merkt naar aanleiding van paragraaf 91 van de pleitnota op:

U haalt daar het negende punt van het vonnis van de rechtbank Amsterdam aan. Ik begrijp niet goed, wat u hier nu precies bedoelt. U zegt dat [betrokkene 1] zich niet met het onroerend goed wilde bemoeien en geen beheersrecht wilde hebben. Vrij vertaald: ‘Het interesseert mij eigenlijk helemaal niet'. Maar men betaalt wel rente over de koopsom. Hoe moet ik dat rijmen met de jaarrekening waar ik geen huurinkomsten zie? Welke baten stonden er tegenover de koopsom en de rentelasten?

De jongste raadsheer toont de verdachte en de raadsman een jaarrekening van [betrokkene 1] en vraagt de verdachte welke baten er zijn tegenover lasten van de koopsom en de rentelasten?

De voorzitter vat de vertaling van de tolk samen, welke samenvatting weer is vertaald door de tolk en wordt bevestigd door verdachte als juist:
Er zijn diverse vormen binnen het Zweedse vennootschapsrecht. Er is in het onderhavige geval sprake van een transparante vennootschap waarbij de winst en verlies in de vorm van een soort dividend wordt uitgekeerd.

Elke Zweedse vennootschap heeft zijn eigen registratienummer en betaalt geen inkomstenbelasting, maar wel overdrachtsbelasting en BTW. De daaruit resulterende netto-opbrengst wordt ten behoeve van de belasting geregistreerd bij de moedermaatschappij.

De jongste raadsheer houdt de verdachte voor:

Als er sprake is van fiscale transparantie, dan is het ook zo dat alle baten van de Handelsbolag fiscaal toegerekend dienen te worden aan [betrokkene 1] .

De verdachte reageert:

De Handelsbolag maakt zelf een jaarrekening op en alleen de netto opbrengst wordt daarin vermeld.

De jongste raadsheer:

Ik kan daar alleen de voorlopige conclusie aan verbinden dat dat in strijd is met de fiscale transparantie.

De raadsman merkt op:

We hebben ook gezegd dat [betrokkene 2] een aantal verantwoordelijkheden had waaronder er voor zorgen dat de jaarrekening juist was. Dat zou de reden kunnen zijn dat het niet in de jaarrekening staat. Het is een terecht punt dat de jongste raadsheer aansnijdt. We hebben bepleit dat [betrokkene 2] allerlei verplichtingen had en die niet heeft uitgevoerd. Het klopt dat [betrokkene 1] wel rente heeft betaald.

De verdachte merkt op:

Ik zit nog met de laatste vraag. Ik begrijp nog niet goed waar u naar zoekt.

Ik weet alles van fiscale transparantie en het Zweedse Handelsbolag is daar wel degelijk een voorbeeld van.

De jongste raadsheer merkt op:

Ik bestrijd ook niet dat er sprake is van fiscale transparantie in mijn vraagstelling. Ik zeg alleen dat het mij opvalt dat in de jaarrekening rentelasten over de voorlopige koopsom zijn opgenomen voor de aanschaf van een verhuurd winkelcentrum. Maar binnen die transparantie zie ik geen huurinkomsten, geen exploitatielasten of inkomen, ik zie niets.

De verdachte reageert:

Dit is het verschil tussen de Nederlandse manier waarop een balans wordt opgesteld en de Zweedse manier. Bij een onroerend goed in Nederland wordt dit geregistreerd in het kadaster en een overeenkomst opgesteld over de bedrijfsvoering.

De jongste raadsheer merkt op:

Ik heb het over de exploitatie in een Nederlandse jaarrekening en een Nederlandse aangifte vennootschapsbelasting.

De verdachte reageert:
De exploitatiekosten in Nederland worden percentueel verdeeld over de eigenaren als opgenomen in het kadaster.

De verdachte verklaart vervolgens uitvoerig in het Engels over het Zweedse Handelsbolag zonder dat dit door de tolk wordt vertaald. De tolk geeft aan dat dit technische verhaal voor haar onbegrijpelijk is en daarom niet door haar vertaald kan worden. Het hof heeft wel kennis genomen van de verklaring van verdachte in de Engelse taal.

De tolk vertaalt vervolgens alleen verdachtes laatste woorden en merkt op:

Alle kosten van een gebouw blijven in Zweden binnen de vennootschap. Op de sheets heeft hij gezien dat er rentelasten en uitgaven op stonden. Ik weet niet meer hoe verdachte het precies heeft gezegd, maar hij heeft wel gezegd dat hij de balans zelf niet heeft gemaakt. Ook het residu waar hij eerder over sprak zou in die kosten zitten.


De advocaat-generaal voert het woord voor repliek en merkt daartoe op:

(…)
De raadsman voert het woord voor dupliek en merkt op:
(…)
Aan verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken. Verdachte verklaart hierbij:
(…)

3.4.

In de toelichting op het middel wordt verwezen naar de aan het proces-verbaal van de zitting gehechte pleitnota, waaruit blijkt dat de raadsman het hof heeft verzocht rekening te houden met de werkafspraken tussen hem en de verdachte, op basis waarvan zowel hijzelf als de verdachte verweren zouden voeren. Voorts heeft hij in dat kader verzocht al hetgeen door beiden zou worden opgemerkt ter zitting te doen opnemen in het proces-verbaal van de zitting. De betreffende pleitnota houden dienaangaande het volgende in:

“3. Cliënt en ik hebben voor de zitting van vandaag werkafspraken gemaakt. Ik zal namens cliënt de eerder genoemde verweren voeren, waarna cliënt zelf nog enige verweren zal voeren. Uiteraard wordt verzocht al hetgeen ikzelf maar ook cliënt opmerkt vandaag te doen opnemen in het proces-verbaal van deze zitting.”

3.5.

Vooropgesteld kan worden dat het proces-verbaal heeft te gelden als kenbron van hetgeen als verweer is aangevoerd ter terechtzitting.1 Op grond van art. 326 lid 1 Sv is het aan de griffier om in het proces-verbaal van de terechtzitting verslag te leggen van de in acht te nemen vormen en al hetgeen met betrekking tot de zaak ter terechtzitting voorvalt. Op basis van artikel 326 lid 4 Sv kan door de verdachte of - met toepassing van art. 331 lid 1 Sv - zijn raadsman worden verzocht tot opname van een aantekening aangaande een bepaalde omstandigheid, verklaring of opgave. Een zodanig verzoek kan ook worden geëffectueerd via een ter zitting overgelegde pleitnota, die kan worden geïnsereerd in het proces-verbaal.2 Daarnaast kan ingevolge art. 326 lid 2 Sv, als het gaat om verklaringen van de verdachte, getuigen of deskundigen, worden verzocht om woordelijke weergave daarvan in het proces-verbaal. In andere gevallen volstaat een weergave van de zakelijke inhoud van dergelijke verklaringen.

3.6.

Het geschetste stelsel wordt naar ik meen niet anders indien het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden met bijstand van een tolk. Ook dan geldt, dat als door de verdediging zeker gesteld wil zijn dat enig gegeven, verweer of inhoud van een verklaring niet ontsnapt aan kennisneming daarvan door de (latere) rechter, de verdachte en zijn raadsman een actieve rol hebben te spelen. Het is verder evident dat de in deze ingenomen procesopstelling uiteindelijk in cassatie een doorslaggevende rol speelt: blijkt van enig verweer niet uit het proces-verbaal van de terechtzitting in feitelijke aanleg dan is dat in beginsel3 fataal. Dat betekent dat de klacht in het middel, dat door het achterwege blijven van een volledige vertaling van hetgeen de verdachte heeft verklaard niet meer valt te controleren of enig verweer is gevoerd en dat daarom het onderzoek nietig geacht moet worden, in zijn algemeenheid al niet kan slagen. Daarbij merk ik op - en dan meer in concreto naar aanleiding van de uit het hierboven geciteerde proces-verbaal blijkende gang van zaken – dat er geen enkele aanwijzing is dat de verdachte nu juist in het qua vertaling gemankeerde gedeelte van zijn verklaring enig verweer wilde voeren. In de geciteerde fase van het onderzoek op de terechtzitting werden juist vragen aan hem gesteld door het hof. Voorts is aan zowel de raadsman als de verdachte zelf nogmaals de gelegenheid gegeven om het woord te voeren. Dat maakt dat de op zich al hypothetische stelling in het middel dat door de verdachte wellicht verweren gevoerd zijn die van belang zouden kunnen zijn voor de zaak ook bij nader inzien volstrekt in de lucht blijft hangen. Deze klacht faalt derhalve.

3.7.

Ten tweede klaagt het middel blijkens de toelichting over schending van art. 275 juncto 415 Sv en art. 6 lid 3 sub e EVRM, omdat de tolk niet ten volle in staat was tot vertaling van de verklaring van de verdachte. Blijkens de toelichting zou dit hebben geleid tot schending van het recht op een eerlijk proces zoals bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM, omdat het hof heeft nagelaten de verdachte te vragen zijn verhaal te herhalen in een vertaalbare versie, dan wel het onderzoek te terechtzitting aan te houden, teneinde een meer in het vennootschapsrecht geverseerde tolk op te roepen.

3.8.

Vooropgesteld zij dat het (Nederlandse) Wetboek van Strafvordering niet als te sanctioneren regel kent dat al hetgeen op de terechtzitting geschiedt letterlijk wordt vertaald. Art. 275 lid 2 Sv bepaalt slechts dat ingeval bijstand van een tolk nodig is, ten bezware van de verdachte geen acht wordt geslagen op hetgeen ter terechtzitting is gesproken of voorgelezen, waarvan vertolking voor hem is uitgebleven. De eis van vertaling is zodoende gerelateerd aan een specifiek belang van de verdachte: voorkomen moet worden dat ten nadele van de verdachte – bijvoorbeeld voor het bewijs – gebruik gemaakt wordt van op de terechtzitting besproken gegevens waartegen hij zich niet kon verdedigen, omdat vertaling achterwege is gebleven.4 Schending van deze bepaling is in lijn met het ‘relatieve’ karakter van deze regel niet (meer) bedreigd met nietigheid.5 Nu is daarmee niet alles gezegd; in beginsel is de taak van de tolk ruimer dan slechts het vertalen van ‘bezwarende’ gegevens. De taak van de tolk bestaat er niet alleen in zorg te dragen voor het begrip van de verdachte van al het verhandelde ter zitting, maar andersom ook voor het zich verstaanbaar maken van de verdachte voor de overige procesdeelnemers.6 Dat dit alles zo goed mogelijk moet verlopen volgt voorts uit de kwaliteitseisen die het Nederlandse recht inmiddels stelt aan beëdigde tolken en vertalers, zie de gelijknamige wet.7 In het onderhavige geval was de tolk, zoals blijkt uit het proces-verbaal, een in het register ingeschreven tolk in de Engelse taal, en voldeed deze zo moet worden aangenomen aan de professionele eisen die krachtens de wet worden gesteld aan een tolk. Niettemin was de tolk niet in staat om het ‘technische’ verhaal van de verdachte in zijn geheel te vertalen, en volstond de tolk met mededeling dáárvan en met vertaling van de slotzinnen van de verdachte. Enige vorm van nietigheid van het onderzoek levert dat niet op, zo volgt uit art. 275 lid 2 Sv.

3.9.

Levert deze gang van zaken echter wel een schendig van het recht op een eerlijk proces op, zoals de steller van het middel betoogt? Verwezen wordt daarbij naar de zaak van Kamasinski tegen Oostenrijk8 maar daarin wordt als ik het goed zie niet de eis gesteld dat alles op de terechtzitting vertaald wordt. In par. 75 overweegt het EHRM over de strekking van art. 6 lid 3 onder e EVRM:

“75 . The right, stated in paragraph 3 (e) of Article 6 (art. 6-3-e), to the free assistance of an interpreter applies not only to oral statements made at the trial hearing but also to documentary material and the pre-trial proceedings. Paragraph 3 (e) (art. 6-3-e) signifies that a person "charged with a criminal offence" who cannot understand or speak the language used in court has the right to the free assistance of an interpreter for the translation or interpretation of all those documents or statements in the proceedings instituted against him which it is necessary for him to understand or to have rendered into the court’s language in order to have the benefit of a fair trial (see the Luedicke, Belkacem and Koç judgment of 28 November 1978, Series A no. 29, p. 20, § 48).

However, paragraph 3 (e) (art. 6-3-e) does not go so far as to require a written translation of all items of written evidence or official documents in the procedure. The interpretation assistance provided should be such as to enable the defendant to have knowledge of the case against him and to defend himself, notably by being able to put before the court his version of the events.

In view of the need for the right guaranteed by paragraph 3 (e) (art. 6-3-e) to be practical and effective, the obligation of the competent authorities is not limited to the appointment of an interpreter but, if they are put on notice in the particular circumstances, may also extend to a degree of subsequent control over the adequacy of the interpretation provided (see, mutatis mutandis, the Artico judgment previously cited, Series A no. 37, pp. 16 and 18, §§ 33 and 36 - quoted above at paragraph 65).

3.10.

Essentieel is, zo vertaal ik de overwegingen van het EHRM die ik voor het onderhavige geval van belang acht, dat de verdachte kennis draagt van de ‘zaak’ tegen hem en dat hij zich kan verdedigen, in het bijzonder door in staat te worden gesteld om zijn versie van de gebeurtenissen aan het gerecht voor te leggen. Dat de verdachte in onze zaak daartoe niet in de gelegenheid is geweest kan uit de gang van zaken op de terechtzitting van het hof echter geenszins worden afgeleid. Het lijkt mij dat op dit punt de procesopstelling van de verdediging – de verdachte, bijgestaan door zijn raadsman – net als bij de eerste klacht een belangrijke informatiebron is: op geen enkele moment is te kennen gegeven dat de zonder de vertaling van het héle ‘technische verhaal’ een belangrijk element in de versie van de gebeurtenissen niet naar voren kon worden gebracht. Dat aspect moet wel worden onderscheiden van hetgeen de steller van het middel in dit verband aanhaalt, namelijk dat de rechter blijkens de overwegingen van het EHRM in (onder meer) de Kamasinski-zaak een eigen verantwoordelijkheid heeft voor de kwaliteit van de vertolking op de terechtzitting. Dat die kwaliteit in de gegeven gang van zaken in zijn algemeenheid tekort zou hebben geschoten is ook een slag in de lucht lijkt mij en is in ieder geval in tegenspraak met het genoemde feit dat de tolk is ingeschreven in het speciaal met het oog op de kwaliteit in het leven geroepen register. En ook een tolk die aan alle redelijkerwijze te stellen eisen voldoet kan zich geplaatst voelen tegenover een – al dan niet moedwillig als zodanig afgestoken – ‘technisch’ verhaal waar hij geen adequate vertaling voor kan afleveren. Dat gegeven is voorts niet verdoezeld door de tolk maar zij heeft daarvan juist expliciet melding gemaakt. Daarna is in ieder geval een naar het lijkt afsluitende vertaling van de woorden van de verdachte gegeven. Tegen deze gang van zaken is noch door de verdachte noch door diens raadsman enig bezwaar gemaakt of is om een aanvulling gevraagd. Kortom, ook de klacht dat de berechting niet heeft voldaan aan de eisen van een ‘fair hearing’ gaat niet op.

3.11.

Het middel faalt.

4 Het tweede middel

4.1.

Het middel klaagt dat de afwijzing door het hof van het verzoek om [betrokkene 7] als getuige te horen op ontoereikende wijze is gemotiveerd.

4.2.

De appelschriftuur van de raadsman van de verdachte van 24 mei 2011 houdt – voor zover van belang – het volgende in:

“5. Op de voet van art. 410 lid 3 Sv verzoekt appellant bovendien voor de terechtzitting in hoger beroep de volgende getuigen op te roepen, opdat zij aldaar kunnen worden gehoord:

alle getuigen die eerder in het kabinet van de rechter-commissaris zijn gehoord, maar bij wiens verhoor hij niet zelf in persoon aanwezig mocht zijn;

- de raadsman van [verdachte] , mr. W.J. Koops;

- de officier van justitie mr. Bollen;

- de voorzitter mr. Cohen Tervaert;

- [betrokkene 3] en [betrokkene 4] .

6. De verdediging zou worden geschaad als deze verhoren niet zouden worden toegestaan. Het onderwerp waarover deze getuigen gehoord moeten worden is de totstandkoming van de strafeis, de na totstandkoming van het rechtbankdossier veranderde inzichten in de positie van [verdachte] bij de Belastingdienst, de FIOD, en het Openbaar Ministerie; en over de documenten en overeenkomsten die daartoe aanleiding hebben gegeven.

7. Voorts verzoekt appellant voor de terechtzitting in hoger beroep, opdat zij aldaar kunnen worden gehoord, de hiernavolgende belastingambtenaren als getuigen op te roepen:

- [betrokkene 5] ;

- [betrokkene 6] ;

- [betrokkene 7] en

- [betrokkene 8] .”

4.3.

De verdachte heeft ter zitting van 16 september 2013 een nadere toelichting gegeven op de bij appelschriftuur geuite verzoeken om – onder meer – een aantal medewerkers van de Belastingdienst als getuigen te horen, waaronder ook [betrokkene 7] . Het proces-verbaal van die zitting van het hof houdt dienaangaande het volgende in:

“ [betrokkene 7] . Hij was de contactpersoon tussen het Openbaar Ministerie en de Belastingdienst. Hij was aanwezig bij een vergadering, volgens mijn informatie eind mei 2004, toen de zaak [betrokkene 1] is besproken. Er kwam allerlei informatie uit Zweden. Medio juni 2004 is een brief gestuurd waarin de Zweedse autoriteiten is gevraagd om bepaalde documenten te mogen gebruiken. Ik wil [betrokkene 7] kunnen vragen of dat waar is en of het klopt dat alle regels zijn geschonden. In dat geval wijst dat op een bepaalde modus operandi van de Belastingdienst.”

4.4.

In reactie op dit verzoek heeft de advocaat-generaal ter zitting het volgende aangevoerd:

“Voor wat betreft de verzoeken tot horen van de medewerkers van de belastingdienst: ik vind de toelichting van verdachte daarop lastig.

(…)

Ten aanzien van de getuige [betrokkene 7] geldt dat hij een contactambtenaar is.

In het kader van een rechtshulpverzoek is het nu eenmaal mogelijk om eerst stukken te krijgen. Ik verzoek het hof het verzoek tot horen van deze getuige af te wijzen.”

4.5.

In het tussenarrest van de meervoudige kamer voor strafzaken d.d. 30 september 2013 heeft het hof de afwijzing van dit verzoek als volgt verwoord:

“Naar het oordeel van het hof valt op grond van hetgeen door verdachte is aangevoerd niet in te zien – en is het hof ook anderszins niet gebleken – waarover verdachte deze getuigen nog wil bevragen, waarvan de beantwoording van belang is voor enige door het hof in onderhavige zaak te nemen beslissing. Redelijkerwijs valt aan te nemen dat verdachte door het niet horen van deze getuigen niet in zijn verdediging wordt geschaad.”

4.6.

Vooropgesteld zij hetgeen de Hoge Raad op 1 juli 2014 in zijn overzichtsarrest aangaande de beoordeling van verzoeken tot het oproepen en horen van getuigen ter terechtzitting (onder meer) heeft overwogen:9

“2.76 Bij de beoordeling van de afwijzing van een verzoek tot het oproepen van getuigen gaat het in cassatie uiteindelijk om de vraag of de beslissing begrijpelijk is in het licht van - als waren het communicerende vaten - enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen. Bij de beoordeling van de begrijpelijkheid van de beslissing kan ook het procesverloop van belang zijn, zoals (i) het stadium waarin het verzoek is gedaan, in die zin dat het verzoek eerder had kunnen en redelijkerwijs ook had moeten worden gedaan, en (ii) de omstandigheid dat de bij de appelschriftuur opgegeven getuigen – al dan niet op vordering van de advocaat-generaal – (alsnog) op de voet van art. 411a of art. 420 Sv zijn gehoord door een rechter-commissaris of een raadsheer-commissaris, waardoor in de regel het belang zal zijn ontvallen aan de oproeping van die getuigen ter terechtzitting.

2.77

Met inachtneming van de uit art. 80a RO voortvloeiende terughoudendheid bij de toetsing in cassatie in gevallen waarin het belang bij vernietiging niet evident is, zal die toetsing zich daarom, meer dan vroeger het geval was, concentreren op de vraag of de beslissing van de feitenrechter ten aanzien van het al dan niet oproepen onderscheidenlijk horen van getuigen begrijpelijk is. Daarbij verdient opmerking dat die begrijpelijkheid in verband met de aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst.”

4.7.

In dit overzichtsarrest wordt het belang van de onderbouwing van het getuigenverzoek door de verdediging benadrukt.10 Het gaat er dan met name om dat de rechter daardoor in staat wordt gesteld tot toetsing van het verdedigingsbelang of de noodzaak en daarnaast om de uitleg waarom het voor de beantwoording van de vragen van art. 348 en 350 Sv relevant is om de betreffende getuige te horen.11 In het onderhavige geval is de aan het verzoek ten grondslag gelegde motivering van de verdediging zeer summier en ook nog eens weinig concreet. Gesteld wordt door de raadsman dat hij de getuige wil vragen ‘of het klopt dat alle regels zijn geschonden’. In het licht van het uitblijven van een nadere toelichting van de relevantie van de aan de verzochte getuige te stellen vragen voor de beslissingen die de het hof diende te nemen, is de afwijzing van het verzoek door het hof voldoende gemotiveerd. Het middel faalt derhalve.

5 Het derde middel

5.1.

Het middel klaagt dat de strafoplegging onvoldoende is gemotiveerd, omdat het hof heeft nagelaten te responderen op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de Belastingdienst geen nadeel heeft ondervonden van de vermeende fraude.

5.2.

Het ter terechtzitting in hoger beroep namens de verdachte gevoerde pleidooi houdt voor zover hier van belang het volgende in:

“Ook van belang is het feit dat de Belastingdienst geen nadeel heeft ondervonden van de vermeende fraude. De Belastingdienst heeft te allen tijde een invorderbare claim gehad, maar die nooit geïnd. De inspecteur die betrokken is bij deze zaak, [betrokkene 8] , heeft zelf bij brief van 6 april 2016 laten weten dat zij de vordering bewust hebben laten verjaren. [betrokkene 8] stelt dat er na 26 mei 2007 geen stuitingshandelingen zijn verricht en dat de verjaringstermijn evenmin tussentijds is geschorst (terwijl dit gemakkelijk had gekund). De aanslag is dus verjaard en er bestaat geen invorderbare aanslag meer. Een en ander volgt ook wel uit de vaststellingsovereenkomst opgesteld door de fiscus die aan [betrokkene 1] is voorgelegd in het kader van de fiscale procedure (zie bijlage 5).

(…)

Mocht u komen tot een veroordeling, dan wordt, gezien het voorgaande, verzocht cliënt een geheel voorwaardelijke straf op te leggen (conform de eis van het OM in eerste aanleg). De flagrante overschrijding van de redelijke termijn en het feit dat de feiten in strafrechtelijke zin zo goed als bejaard zijn te noemen, gecombineerd met het blanco strafblad van cliënt, maken dat een voorwaardelijke straf als stok achter de deur, een afdoende bestraffing oplevert”12

5.3.

De strafoplegging is door het hof als volgt gemotiveerd:

“De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft willens en wetens een constructie opgezet met als doel misbruik te maken van een belastingfaciliteit in Nederland. Voor dat doel heeft verdachte, daarbij gebruikmakend van anderen, in Nederland een vennootschap gezocht met een grote latente belastingschuld, die echter ook beschikte over een aanmerkelijk bedrag aan liquide middelen. Zij hebben de vennootschap voor een relatief gering bedrag gekocht en vervolgens aan de fiscus een valse koopakte gepresenteerd, waarmee de schijn werd gewekt dat was voldaan aan de voorwaarden waaronder de belastingschuld voorshands niet behoefde te worden betaald. Zij hadden toen al alle voor de (gedeeltelijke) betaling van de belastingschuld gereserveerde, in de vennootschap aanwezige liquide middelen aan de vennootschap onttrokken door middel van het hierboven omschreven kasrondje. De vennootschap biedt dan ook geen verhaal voor de belastingschuld. De schade voor de fiscus beloopt € 2.716.312 (fl. 5.985.963).

Voorts is de fraude nog geruime tijd voortgezet door aan de Belastingdienst valse opgaven te blijven doen van het bezit van de onroerende zaak en de vermeende te betalen rentelasten op de met bestaande lening van BiJ AB, steeds om de schijn te blijven wekken dat aan de genoemde voorwaarden voor uitstel van belastingheffing werd voldaan.

Door aldus te handelen heeft de verdachte ertoe bijgedragen dat de overheid te weinig inkomsten uit belastingen heeft genoten. Bovendien wordt het algemeen vertrouwen in het belastingsysteem, waarbinnen sprake zou moeten zijn van eerlijke lastenverdeling, door dergelijk handelen ernstig geschaad.

Naar het oordeel doet de door de rechtbank opgelegde straf en de door de advocaat-generaal gevorderde straf geen recht aan de ernst van het feit.

Het hof is van oordeel dat voor afdoening van de bewezenverklaarde feiten niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Daarbij is rekening gehouden met de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Een geheel voorwaardelijke straf als door de raadsman bepleit, doet naar het oordeel van het hof eveneens geen recht aan de ernst van de feiten. Het hof verwijst in dit kader ook nog naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS waaruit blijkt dat bij een fraudebedrag van een miljoen euro of meer een gevangenisstraf van minimaal 24 maanden passend en geboden is.

Ten voordele van verdachte houdt het hof rekening met het feit dat het bewezenverklaarde feit heeft plaats gevonden in de jaren 2002 tot en met 2004 en dus erg oud is.”

5.4.

In het midden kan blijven of hetgeen is aangevoerd door de verdediging bezwaarlijk anders kan worden verstaan dan als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. De opgelegde straf is door het hof immers ruimschoots gemotiveerd, waarbij het hof ook is ingegaan op de - door de raadsman betwiste - kwestie van het fiscale nadeel. Onbegrijpelijk zijn de overwegingen van het hof op dit punt vervolgens niet. Onmiskenbaar heeft het hof bij zijn overweging omtrent het fiscale nadeel een vergelijking gemaakt tussen de uitgangssituatie waarin niet een beroep op de vervangingsreserve kon worden gedaan en de door de verdachte door middel van valsheid in geschrift in het leven geroepen stand van zaken waarin ten onrechte wel een beroep op die fiscale faciliteit is gedaan. Dat de fiscus in de laatstgenoemde situatie nadeel ondervond is dacht ik niet voor betwisting vatbaar. Dat de vordering nadien verjaard zou zijn maakt dat niet anders.

5.5.

Het middel faalt.

5.6.

Alle drie de middelen falen en kunnen met de aan art. 81 RO ontleende motivering worden afgedaan.

6. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Kluwer 2015, p. 191-192.

2 Zie mijn ambtgenoot Knigge in zijn conclusie voorafgaand aan HR 9 januari 2007, ECLI:NL:HR:AY9203.

3 Zie voor de ‘uitzonderingen’ op die regel Van Dorst, Cassatie in strafzaken, p. 197-198.

4 Zie J. Silvis, aant. 12 bij art. 275 in: Melai/Groenhuijsen, Het wetboek van strafvordering (losbladig).

5 Sinds de Wet vormverzuimen, Wet van 14 september 1995, Stb. 1995, 441.

6 G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers, Deventer: Kluwer 2014, p. 702.

7 Wet van 11 oktober 2007, houdende regels inzake de beëdiging van tolken en vertalers en de kwaliteit en de integriteit van beëdigde tolken en vertalers (Wet beëdigde tolken en vertalers), Stb. 2007, 471. Voor de volledigheid noem ik nog de Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures.

8 EHRM 19 December 1989, Case of Kamasinski v. Austria (Application no. 9783/82).

9 HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2012/441 m.nt. Borgers.

10 Nog eens herhaald in HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015, waarbij de Hoge Raad tevens overwoog dat het stellen van eisen aan de motivering van het verzoek in overeenstemming is te brengen met art. 6 EVRM.

11 Zie de noot van Borgers bij het overzichtsarrest HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2012/441 en C.J.P. Scheele, ‘Het beoordelen van getuigenverzoeken’, Strafblad 2017/2, par. 1 en 5.1.

12 Punt 106 en 108 van de aan het hof overgelegde en aan het proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 13 april 2016 en 18 mei 2016 gehechte pleitnota.