Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:285

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
13-02-2018
Datum publicatie
03-04-2018
Zaaknummer
16/03108
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:500
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Aan cassatieschriftuur gehechte stelbrief raadsman niet bij stukken, art. 51 (oud) Sv, thans art. 48 Sv. Staat omstandigheid dat verdachte ttz. in h.b. zonder raadsman is verschenen in de weg aan schending voorschrift? Uit stukken zoals weergegeven in CAG vloeit het ernstige vermoeden voort dat t.a.v. appeldagvaarding voorschrift van art. 51 (oud) Sv, thans art. 48 Sv niet is nageleefd. Niet-nakoming ervan staat in de weg aan geldige behandeling zaak, tenzij rechter voor wie zaak is aangebracht in redelijkheid mag aannemen dat verdachte geen prijs erop heeft gesteld hetzij ttz. te verschijnen en aldaar door zijn raadsman te worden bijgestaan hetzij in zijn afwezigheid door zijn uitdrukkelijk gemachtigde raadsman het woord ter verdediging te laten voeren. In aanmerking genomen dat uit p-v tz. in h.b. kan worden afgeleid dat verdachte aldaar zonder raadsman is verschenen, dat hij dacht voor een andere zaak te zijn verschenen en kenbaar heeft gemaakt normaliter bijstand te hebben van een advocaat, kon Hof niet in redelijkheid aannemen dat verdachte op die bijstand geen prijs (meer) stelde. Volgt vernietiging en terugwijzing. CAG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/03108

Zitting: 13 februari 2018

Mr. E.J. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 31 mei 2016 door het gerechtshof Den Haag wegens “overtreding van artikel 9, zevende lid, van de Wegenverkeerswet 1994”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, waarvan één week voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

  2. Namens de verdachte heeft mr. D.J.G.J. Cornelissen, advocaat te 's-Gravenhage, één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel klaagt over schending van het ten tijde van het hoger beroep nog geldende art. 51, tweede volzin, (oud) Sv1, nu uit het dossier niet blijkt dat aan de gestelde raadsman een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep is toegezonden.

4. Namens de verdachte heeft mr. D.J.G.J. Cornelissen op 17 december 2015 hoger beroep ingesteld. Gehecht aan de cassatieschriftuur is een faxbericht van mr. Cornelissen gedateerd 21 december 2015 – aan de authenticiteit daarvan behoeft naar het mij voorkomt in redelijkheid niet te worden getwijfeld –, met als onderwerp: “stelbrief”. Daarin deelt mr. Cornelissen mede namens de verdachte hoger beroep te hebben laten instellen tegen het vonnis van de politierechter in deze zaak en ook dat hij verzoekt om toezending van een aantal specifieke stukken, waaronder “een afschrift van de hoger beroep dagvaarding”. Dit faxbericht kan naar zijn inhoud niet anders worden begrepen dan als een stelbrief in de zin van art. 39 Sv.2 Het automatisch gegenereerde verzendrapport met daarin achtereenvolgens de vermelding “Verzending OK”, “ID aansluiting HOF DH Straf” en “Resultaat OK” doet vermoeden dat het faxbericht met de stelmededeling de strafgriffie van het hof Den Haag op 21 december 2015 daadwerkelijk heeft bereikt.3 Voorts kan worden aangenomen dat geen afschrift van de dagvaarding aan mr. Cornelissen is verzonden, nu de stukken daarvan geen blijk geven. Voor een vermoeden dat hij anderszins op de hoogte was van de dag van de terechtzitting geven de stukken geen aanleiding.

5. Evenmin bevindt zich onder de stukken van het geding, althans voor zover deze in cassatie voorhanden zijn, een bericht met ontvangstbevestiging van het verzonden faxbericht. Ook aan de cassatieschriftuur is een dergelijk schrijven niet (als bijlage) gehecht. Verder expliciteert het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 31 mei 2016 niet dat het hof enig onderzoek heeft gedaan naar de vraag of was voldaan aan het voorschrift als bedoeld in art. 51 (oud) Sv.

6. Op grond van het voorgaande, in onderlinge samenhang beschouwd, moet het er in cassatie voor worden gehouden dat het faxbericht met de stelmededeling wel ter strafgriffie is ontvangen maar aldaar vervolgens in het ongerede is geraakt en dat het hof (daardoor) bij de behandeling van de zaak niet beschikte over dat faxbericht. Daaruit vloeit weer het ernstige vermoeden voort dat ten aanzien van de (verkrijging van de) appeldagvaarding het voorschrift van art. 51 Sv (oud) niet is nageleefd.4Dit in het belang van de verdachte gegeven voorschrift is volgens de Hoge Raad van zo grote betekenis dat, al is dit niet uitdrukkelijk in de wet bepaald, de niet-nakoming ervan moet worden geacht aan een geldige behandeling van de zaak ter terechtzitting buiten tegenwoordigheid van de verdachte en diens raadsman in de weg te staan.5

7. In alle zaken waarin de Hoge Raad tot deze overweging kwam en de uitspraak van het hof op die grond vernietigde, was, voor zover ik heb kunnen nagaan, op de terechtzitting in hoger beroep noch de verdachte noch een voor de verdachte optredende raadsman verschenen – de Hoge Raad lijkt op die combinatie van afwezigheid de nadruk te leggen – en was aan de verdachte verstek verleend.6

8. Daarin verschilt de onderhavige zaak juist van al die andere zaken, zodat het middel, zoals voorgesteld7, reeds om die reden niet tot cassatie kan leiden. De verdachte is hier namelijk wel aanwezig geweest bij de behandeling in hoger beroep. Niet blijkt uit de stukken van het geding dat hij (tevoren) contact heeft opgenomen met zijn raadsman (hetgeen, anders dan de steller van het middel lijkt te willen betogen, op de weg van verdachte had gelegen) en evenmin dat hij ter terechtzitting tegenover het hof een wens voor bijstand van zijn raadsman heeft uitgesproken, zelfs niet nadat de voorzitter de verdachte op dat recht had gewezen. In plaats van aanhouding van de behandeling van de zaak te vragen teneinde zich van rechtsbijstand te voorzien, verzoekt de verdachte het hof hem een taakstraf of een andersoortige straf op te leggen en, zo volgt daar mijns inziens uit, de behandeling van de zaak voort te zetten. Van strijd met een goede procesorde is, indien en voor zover de toelichting op het middel daarover ook bedoelt te klagen, geen sprake. Ik citeer uit het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof:

“De verdachte legt op vragen van de voorzitter de volgende verklaring af:

A. Het klopt dat ik mij schuldig heb gemaakt aan hetgeen aan mij ten laste is gelegd.

B. Ik meende voor het hof te moeten verschijnen voor een andere zaak dan de onderhavige. Ik weet waar de onderhavige zaak over gaat, maar normaliter heb ik ter terechtzitting bijstand van een advocaat. U deelt mij mede dat op de dagvaarding staat vermeld dat ik recht heb op bijstand van een advocaat. Op de dag van betekening van de dagvaarding voor de terechtzitting van heden zat ik nog niet in voorlopige hechtenis. Ik verzoek u aan mij een taakstraf of een ander soort straf op te leggen.”

9. Het middel faalt mitsdien.

10. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

11. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Op 1 maart 2017 is art. 51 (oud) Sv vervallen en is de inhoud van dit wetsartikel tekstueel nagenoeg onveranderd “overgenomen” in het huidige art. 48 Sv. Zie de Wet van 17 november 2016, Stb. 2016, 476 (i.w.tr. op 1 maart 2017) en Kamerstukken II 2014/15, 34159, nr. 3 (MvT), p. 25.

2 Vgl. HR 5 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2250 (rov. 2.5.3. en 2.5.4).

3 Op het faxbericht is het destijds geldende faxnummer 070-3813650 correct vermeld (sinds 1 maart 2016 is bij de genoemde strafgriffie sprake van een nieuw faxnummer).

4 Vgl. HR 10 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2653.

5 Zie: HR 11 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1293; HR 22 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2721; HR 19 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3924, NJ 2013/416, m.nt. Borgers; HR 8 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6743; HR 16 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1375 en HR 22 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO8811. Vgl. nog HR 11 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1293

6 Zie ook mijn vorige voetnoot.

7 De klacht luidt enkel dat het meergenoemde voorschrift niet is nageleefd, er wordt in de cassatieschriftuur geen stap gezet naar (strijd met) enige regel die, kort gezegd, betrekking heeft op het recht op rechtsbijstand.