Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:280

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
27-03-2018
Datum publicatie
04-04-2018
Zaaknummer
16/06309
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:836
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG over medeplegen van doodslag. Onderlinge rolverdeling. Samenhang met 16/06307.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/06309

Zitting: 27 maart 2018

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Bij arrest van 7 december 2016 heeft het gerechtshof Amsterdam de verdachte wegens 1 primair “medeplegen van doodslag” en 4 “oplichting, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het hof de benadeelde partijen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen tot schadevergoeding en de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 3] toegewezen tot een bedrag van € 482,93. Tevens heeft het hof aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

  2. Deze zaak hangt samen met de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte] (16/06307), waarin ik vandaag eveneens concludeer.

  3. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. V.C. van der Velde, advocaat te Almere, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld. Namens de benadeelde partij [betrokkene 1] heeft mr. G. Spong, advocaat Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

  4. Ik neem de vrijheid de middelen die namens de verdachte zijn voorgesteld in een andere volgorde te bespreken. De middelen 1, 3 en 4 zien op het onder 1 primair bewezen verklaarde en zal ik eerst bespreken. Daarna komt het tweede middel aan bod, dat ziet op het onder 4 bewezen verklaarde.

  5. Het derde namens de verdachte voorgestelde middel bevat de klacht dat het hof de verzoeken tot het uitvoeren van een nieuwe reconstructie ten onrechte heeft afgewezen, althans dat de afwijzingen onbegrijpelijk zijn, dan wel ontoereikend zijn gemotiveerd.

  6. Uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 13 en 27 januari 2016 blijkt dat de raadsman van de verdachte een verzoek heeft gedaan tot het uitvoeren van een nieuwe reconstructie. In de aan het desbetreffende proces-verbaal gehechte pleitnota van 13 januari 2016 is het verzoek als volgt toegelicht:

“20. De advocaat-generaal ziet de noodzaak van een hernieuwde reconstructie niet nu deze geen garantie geeft voor representativiteit nu dat afhankelijk is van de lichtgesteldheid / weersgesteldheid op die datum. Gelijke omstandigheden zijn niet te plannen. Aan een reconstructie zitten beperkingen die niet kunnen worden weggenomen door opnieuw een reconstructie te laten doen volgens de advocaat-generaal.

21. Wij kunnen ons deels wel vinden in hetgeen door de advocaat-generaal wordt betoogd. Gelijke omstandigheden zijn niet te plannen. Met de conclusie zijn we het - uiteraard - niet eens.

22. Kenmerkend - en opvallend - voor deze discussie is dat iedereen die niet bij de reconstructie is geweest deze als (deels) niet representatief aanmerkt, maar de betrokkenen in deze zaak die wél aanwezig zijn geweest bij de reconstructie deze als ‘zeer waardevol ’ (citaat Rechtbank) aanmerkt.

23. ‘Zeer waardevol’-, dat was oordeel van de zittingscombinatie in 2011 en 2012. Hoewel deze reconstructie niet op 13 juni heeft plaatsgevonden is getracht de lichtgesteldheid zoveel mogelijk te benaderen. Dit sluit natuurlijk aan op hetgeen gesteld door de advocaat-generaal: Gelijke omstandigheden kunnen nooit worden gecreëerd, ondanks beperkingen kan en is een reconstructie dus wel degelijk van belang en noodzakelijk.

24. De zittingscombinatie vond deze reconstructie zelfs zo waardevol dat zij de gedurfde beslissing nam om de voorlopige hechtenis op te heffen wegens het ontbreken van ernstige bezwaren. Met name de waarde van hetgeen de getuigen wel en niet konden zien, wel en niet konden horen etc. is als zeer groot aangemerkt en dan met name de hoeveelheid wat men niet kon zien.

25. De zittingscombinatie heeft desondanks in haar vonnis de conclusie gebezigd dat de reconstructie niet volledig representatief is - ook zij waren er niet bij - en doet vervolgens precies wat de eerdere zittingscombinatie niet heeft gedaan door middel van die reconstructie: ze zijn gaan invullen wat de getuigen hebben gezien, getuige de woorden ‘verklaard kan worden ’ in de passage van de appelschriftuur.

26. Nu een reconstructie aantoonbaar waardevol is voor een rechtens te nemen beslissing stelt de verdediging zich op het standpunt dat aan het noodzakelijkheidscriterium voldaan is en dit verzoek - samen met het verzoek om de getuigen [betrokkene 4] en [betrokkene 5] te horen - voor toewijzing vatbaar is.”

7. Het hof heeft het verzoek tijdens het onderzoek ter terechtzitting op 27 januari 2016 afgewezen en heeft daartoe het volgende overwogen:

“Het hof wijst af het verzoek tot het houden van een nieuwe reconstructie, nu het hof dit niet noodzakelijk acht. Het hof overweegt hieromtrent dat de ervaring leert dat met de uitvoering van een reconstructie meerdere uren zijn gemoeid. Zo zullen bijvoorbeeld getuigen afzonderlijk hun waarnemingen moeten doen. Reeds hierom is het onmogelijk om een reconstructie te laten plaatsvinden onder precies dezelfde omstandigheden als waarvan destijds (op 13 juni 2011 omstreeks 22.30 en 23.00 uur) sprake was. Het hof laat dan nog daar dat de variabelen die op de waarneming zoals het weer, bewolking en omgevingslicht in een reconstructie niet zijn te beïnvloeden.”

8. Zoals blijkt uit de aan het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 4, 8 en 9 november 2016 gehechte pleitnotities, heeft de raadsman van de verdachte aldaar het verzoek om wederom een reconstructie te doen plaatsvinden in voorwaardelijke zin herhaald.1 Hij heeft daartoe aangevoerd dat de rechtbank veel waarde heeft gehecht aan de eerdere reconstructie en dat de verdediging daaruit afleidt dat de reconstructie zeer waardevol is bij de beoordeling wat getuigen wel en niet hebben kunnen zien. Het is volgens de verdediging in het belang van de waarheidsvinding dat de omstandigheden van 13 juni zoveel mogelijk worden benaderd en dat de verdediging zelf ter plekke gaat om de waarnemingen te beoordelen.

9. Het hof heeft het verzoek bij arrest afgewezen en heeft daartoe het volgende overwogen:

“Voorwaardelijk verzoek

De verdediging heeft bij pleidooi het voorwaardelijk verzoek gedaan tot het uitvoeren van een nieuwe reconstructie. Het pleidooi houdt op dit punt het volgende in:

120. Wij verzoeken Uw Hof dan ook in beginsel uit te gaan van de conclusies zoals door de Rechtbank in 2012 getrokken nadat de reconstructie heeft plaatsgevonden. Nieuw bewijsmateriaal wat deze conclusies weerspreekt is immers niet aan het dossier toegevoegd.

121. Indien u deze bevindingen van de hand wijst dan doet de verdediging het voorwaardelijke verzoek om een nieuwe reconstructie. (...)

De ‘conclusies van de rechtbank in 2012’, waar de verdediging op doelt, zijn verwoord in een aan het proces-verbaal van de terechtzitting van 29 maart 2012 gehechte ‘bijlage 3’.

De rechtbank overweegt hierin als volgt:

19. Welke conclusies trekt de rechtbank? De doodsoorzaak van [slachtoffer] is niet komen vast te staan. De verdachten stellen dat [slachtoffer] leefde toen hij in het water terecht kwam. Deze lezing wordt niet betwist door de getuigen en evenmin door het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut. [verdachte] had met [slachtoffer] fysiek contact terwijl deze deels in het water aanwezig was. Er kan niet blijken dat [verdachte] [slachtoffer] in het water heeft gegooid of geworpen. Kortom: het staat niet vast dat zij beiden of dat één van hen opzettelijke [slachtoffer] van het leven hebben beroofd. De voorlopige hechtenis moet dan ook voor hen beiden worden opgeheven.

Voor zover de rechtbank in deze overwegingen onder woorden heeft gebracht dat op grond van de bewijsmiddelen niet vaststaat dat [slachtoffer] door beiden of één van hen opzettelijk van het leven is beroofd, acht het hof deze vaststelling onjuist. In zoverre is de voorwaarde waaronder door de verdediging het verzoek om een nieuwe reconstructie is gedaan, vervuld.

Bij de beoordeling van het verzoek neemt het hof het volgende in aanmerking.

Naar aanleiding van een ter terechtzitting in hoger beroep van 13 januari 2016 gedaan verzoek van de verdediging om een nieuwe reconstructie te doen uitvoeren heeft het hof ter terechtzitting van 27 januari 2016 als volgt beslist:

Het hof wijst af het verzoek tot het houden van een nieuwe reconstructie, nu het hof dit niet noodzakelijk acht. Het hof overweegt hieromtrent dat de ervaring leert dat met de uitvoering van een reconstructie meerdere uren zijn gemoeid. Zo zullen bijvoorbeeld getuigen afzonderlijk hun waarnemingen moeten doen. Reeds hierom is het onmogelijk om een reconstructie te laten plaatsvinden onder precies dezelfde omstandigheden als waarvan destijds (op 13 juni 2011 omstreeks 22.30 en 23.00 uur) sprake was. Het hof laat dan nog daar dat de variabelen die op de waarneming (lees: van invloed zijn) zoals het weer, bewolking en omgevingslicht in een reconstructie niet zijn te beïnvloeden.

Hetgeen door de verdediging thans ten grondslag is gelegd aan het verzoek tot het doen uitvoeren van een nieuwe reconstructie geeft het hof geen aanleiding om terug te komen op hetgeen hieromtrent reeds op 27 januari 2016 is beslist. Het hof wijst het verzoek af.”

10. De tijdens het onderzoek ter terechtzitting gedane verzoeken tot het doen van een nieuwe reconstructie zijn verzoeken als bedoeld in art. 328 Sv, in verbinding met art. 331, eerste lid, Sv en art. 415, eerste lid, Sv, om gebruik te maken van een in art. 316 Sv omschreven bevoegdheid. Maatstaf voor de beoordeling van een dergelijk verzoek is het noodzakelijkheidscriterium. Het noodzakelijkheidscriterium houdt verband met de taak en de verantwoordelijkheid van de strafrechter voor de volledigheid van het onderzoek van de zaak. Een dergelijk verzoek kan worden afgewezen op de grond dat de rechter zich door het verhandelde ter terechtzitting voldoende ingelicht acht en hem dus de noodzakelijkheid van het gevraagde onderzoek niet is gebleken.2

11. Het hof heeft de verzoeken afgewezen en geoordeeld dat het een nieuwe reconstructie niet noodzakelijk acht. Het hof heeft in dat verband overwogen dat met het uitvoeren van een reconstructie veel tijd is gemoeid en dat het reeds hierom onmogelijk is om een reconstructie te laten plaatsvinden onder precies dezelfde omstandigheden als waarvan op 13 juni omstreeks 22:30 uur en 23:00 uur sprake was. Voorts neemt het hof in aanmerking dat de variabelen die op de waarneming van invloed zijn zoals het weer, bewolking en omgevingslicht in een reconstructie niet zijn te beïnvloeden. Gelet hierop, acht ik het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk, terwijl het toereikend is gemotiveerd.3 Daarbij wijs ik er op dat in deze overwegingen als het oordeel van het hof besloten ligt dat het zich door het verhandelde ter terechtzitting voldoende ingelicht acht. Ook dat oordeel is, in het licht van de door het hof in aanmerking genomen feiten en omstandigheden, niet onbegrijpelijk.

12. Het middel faalt.

13. Het eerste namens de verdachte voorgestelde middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde onvoldoende met redenen is omkleed.

14. Ten laste van de verdachte heeft het hof onder 1 primair bewezen verklaard dat:

“zij op 13 juni 2011 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, door toen en daar opzettelijk zodanig geweld of kracht op de hals van [slachtoffer] uit te oefenen dat de cricoïd in zijn hals is gebroken en/of door [slachtoffer] (vervolgens) in het water van de Weespertrekvaart te laten glijden, ten gevolge van welke handeling(en) [slachtoffer] is overleden;”

15. De bewijsconstructie is ingericht volgens de zogeheten Promis-werkwijze. Het bestreden arrest houdt ten aanzien van het bewijs van het onder 1 primair ten laste gelegde het volgende in4:

“Overwegingen en oordeel van het hof ten aanzien van feit 1

Op 17 juni 2011 is het stoffelijk overschot van - naar later bleek - [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] als ook [slachtoffer] ) drijvend in de Weespertrekvaart, langs de Provincialeweg te Diemen ter hoogte van het adres [adres] in Diemen, aangetroffen.

Aan [verdachte] is primair ten laste gelegd dat zij [slachtoffer] , al dan niet samen met een ander of anderen, al dan niet met voorbedachten rade, van het leven heeft beroofd door opzettelijk geweld op zijn lichaam uit te oefenen en hem (vervolgens) in het water te brengen. [verdachte] ontkent dit. Wel heeft zij erkend dat zij, samen met [medeverdachte] , op de avond van 13 juni 2011 met [slachtoffer] naar de Weespertrekvaart in Diemen is gereden en hem daar in het water heeft achtergelaten.

Het hof zal hieronder achtereenvolgens aan de orde stellen welke letsels bij [slachtoffer] zijn aangetroffen, wat de deskundigen zeggen over de mogelijke doodsoorzaak, welke bevindingen de politie heeft gedaan, wat getuigen hebben verklaard en welke ‘technische’ gegevens zich in het dossier bevinden. Daarna zal het hof een oordeel geven omtrent de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuigen [betrokkene 5] en [betrokkene 4] en komen tot een tussenconclusie. Vervolgens zal het hof de verklaringen van de verdachte en de medeverdachte aan de orde stellen, daaraan een beschouwing wijden en tenslotte komen tot een eindconclusie omtrent het bewijs en de bewezenverklaring.

Sectiebevindingen

Letsels en postmortale periode

De lijkschouwer van de gemeente Amsterdam Amstelland en Zaanstreek Waterland heeft op 17 juni 2011 aangegeven dat de overledene (het hof begrijpt: [slachtoffer] ) om 12.40 uur uit het kanaal bij de Provinciale weg te Diemen was gehaald, dat het lijk was gekleed en geen schoenen droeg en dat de bevindingen bij onderzoek kunnen passen bij een overlijdensdatum van 2-5 dagen geleden.

Dr. B. Kubat heeft sectie op het lichaam van [slachtoffer] verricht. Zij heeft diverse letsels geconstateerd, te weten bloeduitstortingen in de halsspieren, rondom het kraakbeen (bij/rondom het cricoïd), rond het tongbeen, in de mondbodem en in het puntje van de tong; breuk van het cricoïd (een kraakbeenring onder het strottenhoofd), breuken van de zesde rib links en zevende rib rechts, beiden zijwaarts, met kleine, omgevende bloeduitstortingen. Deze letsels zijn bij leven ontstaan. De bevindingen met betrekking tot de huid passen bij een langer verblijf in het water of in een vochtige omgeving. De bevindingen met betrekking tot de postmortale veranderingen en de huid passen bij een postmortale periode van meerdere dagen.

Voornoemd pathologisch aanvullende rapport van dr. B. Kubat van 23 augustus 2011 en door haar opgestelde aanvullende briefrapporten houden in dat er twee potentiële doodsoorzaken zijn, die elk op zich dan wel in combinatie het intreden van de dood kunnen verklaren, te weten:

- verwikkelingen van bij leven ingewerkt uitwendig mechanisch geweld op de hals, hetgeen botsend (zoals een hevige slag, val, stoot) samendrukkend (zoals verwurging) of een combinatie van deze, verdrinking.

- Een voorkeur of mate van waarschijnlijkheid met betrekking tot de twee bovengenoemde mogelijke doodsoorzaken is op basis van de sectiebevindingen niet aan te geven.

Het ongedateerde rapport intreden van de dood van dr. F.R.W. Van de Goot, houdt omtrent de doodsoorzaak in dat het intreden van de dood verklaarbaar is op grond van samendrukkend mechanisch geweld op de halsregio en de verwikkelingen daarvan. De bevindingen sluiten een ruime periode tussen het oplopen van (een deel) van de letsels en het uiteindelijk intreden van de dood niet uit. Dr. Van de Goot acht het veel waarschijnlijker de huidige sectiebevindingen aan te treffen bij een scenario van reeds overleden te water raken dan wanneer het slachtoffer ten tijde van te water raken nog zou hebben geleefd (en, zo begrijpt het hof uit het rapport, zou zijn verdronken).

Ter terechtzitting in eerste aanleg op 24 maart 2016 zijn beide deskundigen gehoord. Dr. Kubat heeft toen verklaard dat het niet mogelijk is om met zekerheid aan te tonen of de breuk van het cricoïd voor of na het overlijden is ontstaan, maar dat zij het iets waarschijnlijker acht dat deze breuk en de bloeduitstortingen aan de hals tegelijkertijd zijn ontstaan dan op verschillende momenten. Zij tekende daarbij aan dat voor het breken van het cricoïd grote krachten nodig zijn en dat dit letsel vooral vaak wordt gezien bij slaan of schoppen tegen de hals. Ook voor het breken van de ribben is behoorlijke kracht nodig geweest. Het letsel aan de hals is op zichzelf niet dodelijk, althans hoeft dit niet te zijn, maar kan dit zijn als er langere tijd dan kortdurend druk op de hals wordt uitgeoefend. Ook kan het zijn dat het direct aanzuigen van verse lucht vanuit de longen wordt belet.

Dr. Van de Goot heeft verklaard dat de bloedingen in de hals aantoonbaar bij leven zijn ontstaan, omdat daar een ontstekingsreactie na impact waar te nemen is. Dit wondbeeld past bij een letsel dat ongeveer een uur voor het overlijden is ontstaan.

Dr. Kubat heeft verklaard dat zij dit met dr. Van de Goot eens is, waarbij zij neigde naar een nog iets kortere periode en een uur als bovengrens wilde aanhouden.

Dr. Kubat heeft voorts nog verklaard dat op grond van het letsel geen persoon is uit te sluiten als toebrenger van dit letsel, maar evenmin is uit te sluiten dat het letsel is ontstaan door vallen. Zij heeft er daarbij wel op gewezen dat het letsel aan de ribben zich aan twee zijden bevond, hetgeen betekent dat het slachtoffer twee keer gevallen moet zijn. Geconfronteerd met de vraag of de ribbreuken kunnen zijn ontstaan door een val van de achterbank van een auto, antwoordde zij dat dit mogelijk is als het slachtoffer gevallen zou zijn op iets hards dat daar lag, maar dat hij in dat geval twee keer gevallen zou moeten zijn, naar links en naar rechts.

Dr. Van de Goot heeft voorts verklaard dat de mate van beschadiging van de huid wat mager is voor slaan met een voorwerp of vallen. Dr. Kubat heeft hierover nog opgemerkt dat er mogelijkheden van vallen op de hals zijn die niet veel huidletsel opleveren, bijvoorbeeld op een metalen buis of een zachte structuur.

Toxicologisch onderzoek

Uit toxicologisch onderzoek bleek voorts van de aanwezigheid van ethanol in het bloed van [slachtoffer] . Dr. M. Verschraagen heeft geconcludeerd dat de hoge ethanolconcentratie in het lichaam een bijdrage geleverd kan hebben aan het overlijden door verdovende effecten. Het overlijden kan daaruit niet worden geconcludeerd. In hoger beroep heeft deze deskundige in antwoord op vragen van de verdediging nader gerapporteerd. In dat rapport heeft hij gesteld dat het promillage alcohol in het bloed ten tijde van het overlijden wordt geschat op ongeveer 2,9 tot 3,2 mg/ml. Voorts houdt dit rapport in dat de mate van gewenning aan alcohol van invloed is op de waarschijnlijkheid van overlijden bij de gevonden hoeveelheid ethanol. Ook wordt gesteld dat bij de gevonden hoeveelheid bij een gemiddeld persoon verminderde reactiesnelheid, waggelende gang en mogelijk effecten op de ademhaling kunnen optreden. Bij gewende (chronische) gebruikers zijn hogere ethanolconcentraties nodig om dezelfde effecten te bereiken.

Bevindingen van de politie en verklaringen van getuigen

Kort nadat [slachtoffer] was gevonden, is nader onderzoek gedaan naar een 112-melding op 13 juni 2011 omstreeks 24.00 uur van een verdachte situatie in de directe omgeving van de plaats waar het lichaam later is aangetroffen. De melding was afkomstig van [betrokkene 5] en hield in dat hij die avond rond 23.00 uur met een vriend vanaf hun zeilboot “iets heel raars” had gezien. [betrokkene 5] beschreef dat er een auto stond, dat daar twee mensen bij waren onder wie een (naar hun inschatting) Aziatische vrouw en dat het leek of er iets of iemand aan de kade hing dat een zetje kreeg en daardoor te water raakte. [betrokkene 5] en zijn vriend hoorden nog wat gespartel, maar zagen toen ze ter plaatse waren alleen nog twee schoenen drijven.

Op 22 juni 2011 is [betrokkene 5] als getuige gehoord. Hij heeft toen verklaard dat hij met [betrokkene 4] was gaan varen. Op de terugweg zag hij in een parkeerhaven aan de Provincialeweg een auto met de neus in de richting Diemen staan. Vlak voor die auto stond een man. Ongeveer 25 meter verderop was een vrouw in de bosjes bij de beschoeiing bezig. Daar hing iets half in het water. Hij hoorde de man en de vrouw met elkaar praten. Hij zag vervolgens dat de vrouw het object verder het water in duwde. Hij hoorde hierop een plons en een zucht/kreun. De plons hield een paar seconden aan, waardoor het leek dat het object spartelde. Zowel de man als de vrouw stapten vervolgens in en reden weg. [betrokkene 5] had geen goed gevoel van het hele voorval. Hij is naar de plek toe gevaren. Daar heeft hij niets meer van het object gezien, hij zag wel twee schoenen drijven.

Op 12 juli 2011 is [betrokkene 4] als getuige gehoord. Hij heeft de verklaring van [betrokkene 5] in grote lijnen bevestigd. Hij heeft verklaard dat ook hij een auto in een parkeerhaven zag staan met de neus in de richting van Diemen. Zijn aandacht werd getrokken door het geluid van een gesprek dat een vermoedelijk Aziatisch vrouw met luide stem voerde met een man die verderop bij de auto stond. De man was blank en niet jong en fit. Toen hij beter keek leek het of de vrouw wat vast had. Het leek alsof ze op de kade zat en iets vasthield, wat vrij groot was en half in het water hing. Zij sprak zodanig dat het leek of zij in paniek was of twijfelde. Kort daarna zag hij dat zij dat wat ze vasthield het water in duwde. Hij hoorde een plons en zag dat het object van haar los kwam. Hij zag het object drijven en vervolgens snel onder water verdwijnen. Hij zag dat drijvende object nog toen zij naar de plek voeren, waar zij de plons hadden gehoord, maar toen zij daar aankwamen zagen zij dat object niet meer. Wel zag hij twee schoenen drijven. Hij heeft de man en de vrouw zien wegrijden. Hij zag de auto vervolgens nog een keer stoppen. Hij zag de man uitstappen, hij zag de man kijken naar de plek bij het water en vervolgens weer instappen en wegrijden. De getuigen [betrokkene 4] en [betrokkene 5] zijn daarna nog vaker gehoord. Zij hebben bij die gelegenheden hun verklaringen telkens (in grote lijnen) bevestigd.

Op 13 september 2011 is [betrokkene 6] , de dochter van [verdachte] , als getuige gehoord. Zij heeft verklaard dat haar moeder haar zoontje [betrokkene 7] in de vroege avond van 13 juni 2013 bij haar heeft afgezet om [slachtoffer] samen met [medeverdachte] (het hof begrijpt: [medeverdachte] ) een lift naar Amsterdam te geven. [slachtoffer] is toen even uit de auto gestapt, hij heeft naar haar gezwaaid en tegen haar gezegd dat ze goed op het kind moest passen, waarna hij weer in de auto is gaan zitten. Hij was vriendelijk. Er is haar niets bijzonders aan [slachtoffer] opgevallen.

‘Technische’ gegevens

In het dossier bevinden zich historische verkeersgegevens van de telefoons van [slachtoffer] en van [verdachte] , gegevens die zijn uitgelezen uit de tomtom van [medeverdachte] (die zich die avond in zijn auto bevond) en gegevens van camera’s langs de weg. Aan de hand daarvan kan worden vastgesteld waar die toestellen en de auto van [medeverdachte] zich op diverse momenten op 13 juni 2011 hebben bevonden.

Om 11.55 uur peilde de telefoon van [slachtoffer] uit in de omgeving van het NS-station in Diemen. Om 17.08 peilde de telefoon van [slachtoffer] uit in de omgeving van de woning van [verdachte] . Om 18.26 uur bevond de telefoon van [verdachte] zich in de omgeving van de woning van [medeverdachte] .

Om 18.43 uur peilde de telefoon van [verdachte] uit bij de snelweg bij Almere-Stad en tussen ongeveer 18.50 uur en 19.00 uur in Muiderberg. In Muiderberg is om 19.03 uur de Tomtom in de auto van [medeverdachte] aangezet. Die verplaatste zich naar de woning van [medeverdachte] , kwam daar aan om 19.20 uur en bleef daar ongeveer 2 minuten. Vervolgens verplaatste die Tomtom zich naar een parkeerplaats voor het gezondheidscentrum in Almere, waar hij weer is uitgezet. Om 20.22 uur peilde de telefoon van [verdachte] weer uit op de Hogering te Almere en begaf zich vervolgens weer in de richting van Amsterdam. Om 20.51 uur werd het kenteken van [medeverdachte] waargenomen door een camera op de Loosdrechtdreef in Amsterdam, in de directe omgeving van de Gaasperplas. Uit registraties van diverse apparaten en camera’s blijkt dat de auto van [medeverdachte] , de tomtom en de telefoon van [verdachte] zich tot 22.30 uur voortdurend in de omgeving Gaasperplas/Gaasp/Weespertrekvaart hebben bevonden. Voorts blijkt daaruit dat de telefoon van [verdachte] omstreeks 23.27 uur bij de Weesperweg in de nabijheid van Muiden uitpeilde, waarna [verdachte] en [medeverdachte] omstreeks 0.00 uur in elkaars aanwezigheid zijn geregistreerd in het tankstation BP aan de rijksweg Al.

De verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte]

[verdachte] en [medeverdachte] hebben beiden bevestigd dat zij in de avond van 13 juni 2011 langdurig met [slachtoffer] hebben rondgereden en dat zij hem die avond rond 23.00 uur in de Weespertrekvaart hebben achtergelaten. Het hof acht hun verklaringen in zoverre, gelet op de bevestiging daarvoor in het overige bewijs, betrouwbaar en zal deze bezigen voor het bewijs.

De betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuigen [betrokkene 5] en [betrokkene 4]

De verdediging heeft gesteld dat de verklaringen van [betrokkene 5] en [betrokkene 4] niet betrouwbaar zijn, omdat zij in het donker niet hebben kunnen zien of [verdachte] datgene wat zij vasthield of dat haar vasthield, duwde of juist (tevergeefs) uit het water probeerde te trekken, noch of [slachtoffer] (zo hij degene was die in het water lag) al dan niet heeft gezwommen.

Het hof acht de verklaringen van [betrokkene 5] en [betrokkene 4] echter betrouwbaar. Het hof merkt daaromtrent ten eerste op dat [betrokkene 5] en [betrokkene 4] toevallige passanten waren die geen enkele bemoeienis hadden met [verdachte] en/of [medeverdachte] of hetgeen aan de waterkant gaande was. Er bestaat geen reden te twijfelen aan hun oprechtheid. Voorts staat vast dat zij hun waarnemingen hebben gedaan in de avondschemering, net voor het invallen van de duisternis. Uit het feit dat hun waarnemingen omtrent de personen die zij zagen (een Aziatisch uitziende vrouw en een oudere man) en wat er aan het water gebeurde (iets of iemand raakte te water) juist zijn gebleken, leidt het hof af dat sprake was van voldoende licht om dit te kunnen zien. Overigens hebben zowel [verdachte] als [medeverdachte] ook zelf verklaard dat zij een boot op het water hebben gezien met daarop twee mannen: een in het midden van de boot en een voorin. Voorts stelt het hof vast dat de verklaringen van [betrokkene 5] en [betrokkene 4] consistent zijn, nu [betrokkene 5] en [betrokkene 4] in de kern steeds bij hun eerste verklaringen zijn gebleven en beider verklaringen ook op essentiële onderdelen overeenkomen. Die verklaringen houden in dat zij, hoewel zij niet precies konden zien wat er aan de waterkant gebeurde, hebben waargenomen dat er een groot object te water ging, dat kort daarna verdween en dat dit mogelijk een lichaam betrof. Dat is voor [betrokkene 5] ook aanleiding geweest die avond na zijn thuiskomst de politie te bellen. Weliswaar heeft [betrokkene 4] zich bij de rechter-commissaris op gerichte vragen daaromtrent voorzichtiger uitgelaten over de vraag of [verdachte] het grote object vasthield, of dat dat andersom was, maar [betrokkene 4] heeft ook daar verklaard dat hij heeft gezien dat het object na het te water raken even bleef drijven en vervolgens zonk. De onderlinge verschillen tussen de verklaringen van [betrokkene 5] en [betrokkene 4] laten zich naar het oordeel van het hof verklaren door de ervaringsregel dat waarnemingen van verschillende personen nu eenmaal altijd enigszins van elkaar kunnen verschillen. Wat wordt waargenomen is afhankelijk van waarop de aandacht is gericht.

Tussenconclusies

Het hof trekt uit hetgeen hiervoor is weergegeven de volgende conclusies.

Moment van overlijden

Gelet op de verklaringen van [betrokkene 5] en [betrokkene 4] , mede inhoudende dat zij na het verdwijnen van het object in het water twee schoenen zagen drijven, waarvan zij er één uit het water hebben gehaald, de plaats van aantreffen van het lichaam van [slachtoffer] , overigens zonder schoenen, en de bevindingen ten aanzien van het postmortale interval gaat het hof ervan uit dat de [betrokkene 5] en [betrokkene 4] het moment van het te water raken en onder water gaan van [slachtoffer] hebben waargenomen. Het hof gaat er op grond van dezelfde bewijsmiddelen van uit dat [slachtoffer] in ieder geval niet later kan zijn overleden dan enkele minuten na dit moment, derhalve om ongeveer 23.00 uur. Zo hij toen nog leefde, moet hij immers op dat moment verdronken zijn.

Het hof acht het redelijkerwijs uitgesloten dat [slachtoffer] nadien nog levend boven water is gekomen, het water heeft verlaten en op een later moment in dezelfde omgeving weer te water is geraakt en overleden. Niets in het dossier wijst op een dergelijke gang van zaken, die ook overigens buitengewoon onwaarschijnlijk te achten is. Het hof merkt daarbij nog op dat de verklaringen van enkele andere getuigen die menen [slachtoffer] na 13 juni 2011 nog te hebben gezien of gesproken niet stellig zijn ten aanzien van het moment waarop die ontmoetingen en gesprekken hebben plaatsgevonden. Het hof gaat er dan ook van uit dat zij zich hebben vergist.

Moment van het ontstaan van het halsletsel

Gelet op de verklaringen van de deskundigen dat het halsletsel ongeveer één uur of iets korter voor het overlijden moet zijn ontstaan, gaat het hof er voorts van uit dat het halsletsel niet later is ontstaan dan om ongeveer 22.00 uur. Dit brengt met zich dat het letsel niet kan zijn ontstaan rond het moment dat [slachtoffer] te water raakte, zoals bijvoorbeeld door een val op de walkant van de Weespertrekvaart. Het hof wijst deze suggestie van de verdediging dan ook van de hand.

Gelet op de verklaring van de getuige [betrokkene 6] , dat zij [slachtoffer] in levende lijve heeft gezien en geen bijzonderheden aan hem heeft waargenomen, gaat het hof er voorts van uit dat dit letsel niet eerder is ontstaan dan nadat het zoontje van [verdachte] bij [betrokkene 6] is afgezet, derhalve om ongeveer 18.30 uur.

Hoewel voornoemd halsletsel op zichzelf niet dodelijk hoefde te zijn, acht het hof het uitgesloten dat [slachtoffer] zich met dat letsel nog zou hebben gedragen zoals [betrokkene 6] heeft verklaard.

Moment van het ontstaan van het letsel aan de ribben

Gelet op de verklaring van de getuige [betrokkene 6] gaat het hof ervan uit dat in de (late) middag van 13 juni 2011 de ribben van [slachtoffer] nog niet gebroken waren. Het komt het hof als uiterst onwaarschijnlijk voor dat dergelijk pijnlijk letsel onopgemerkt zou blijven, ook als [slachtoffer] dronken was. Ook overigens ontbreekt in het dossier enige aanwijzing voor een dergelijk letsel van eerdere datum. Het hof leidt daaruit af dat ook het letsel aan de beide ribben in de avond, in elk geval na 18.30 uur, van 13 juni 2011 is ontstaan.

Invloed van alcohol

In het dossier bevinden zich vele verklaringen waaruit kan worden afgeleid dat [slachtoffer] in de laatste periode van zijn leven gewend was aan het dagelijks consumeren van veel alcohol. Gelet op de verklaring van dr. Verschraagen gaat het hof er daarom van uit dat de in zijn bloed aangetroffen alcohol minder effect op hem heeft gehad dan op de gemiddelde mens. Dat zijn overlijden rechtstreeks aan het alcoholgebruik te wijten is geweest acht het hof daarom uitgesloten.

Conclusie ten aanzien van de doodsoorzaak

Het hof deelt de conclusie van de deskundigen dat het halsletsel, of verwikkelingen ten gevolge daarvan, dan wel verdrinking, of een combinatie van beide tot de dood van [slachtoffer] heeft of hebben geleid en maakt deze conclusie tot de zijne.

De voorlopige conclusie ten aanzien van het ontstaan van het letsel en de betrokkenheid daarbij van [verdachte] en [medeverdachte]

Dr. Kubat heeft verklaard dat het bij [slachtoffer] geconstateerde halsletsel vaak wordt gezien bij schoppen en/of slaan tegen de hals. Er is dan een krachtige lokale inwerking van geweld op de hals.

Voor de ribben geldt dat de zesde rib links en de zevende rib rechts beiden zijwaarts waren gebroken. Dit wijst op behoorlijke kracht. Er is dus zowel links als rechts een inwerking van geweld geweest.

Het hof concludeert daaruit dat sprake is van drie forse geweldsinwerkingen op drie verschillende plaatsen op het lichaam. Het hof is van oordeel dat dit alles erop duidt dat de bij [slachtoffer] aangetroffen letsels niet het gevolg zijn van een val, maar opzettelijk zijn toegebracht.

Uit voornoemde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat [verdachte] en [medeverdachte] rond 18.30 uur met [slachtoffer] zijn gaan rijden, dat hem op dat moment nog niets mankeerde, dat zij urenlang hebben rondgereden en dat [slachtoffer] om ongeveer 23.00 uur in het water is geraakt. Gezien de verklaringen van [betrokkene 5] en [betrokkene 4] gaat het hof ervan uit dat [slachtoffer] op het moment dat hij te water raakte reeds was overleden, dan wel dat hij toen (vrijwel) buiten bewustzijn was. Als dat laatste het geval was, moet [slachtoffer] toen en daar zijn verdronken. Het hof verwijst naar zijn overwegingen daaromtrent onder het kopje ‘moment van overlijden’.

Dit betekent dat de bij [slachtoffer] aangetroffen verwondingen zijn toegebracht in de periode die hij met [verdachte] en [medeverdachte] heeft doorgebracht, dat zij hem aan het eind van hun rit naar de waterkant hebben gebracht, dat [verdachte] hem uiteindelijk in (schijnbaar) levenloze toestand in het water heeft laten zakken en dat zij hem daar in het water hebben achtergelaten.

Het hof is van oordeel dat gelet op dit alles sprake is van omstandigheden die de verdachte in hoge mate belasten en die redengevend zijn voor het bewijs dat hij het slachtoffer, samen met de medeverdachte, om het leven heeft gebracht, tenzij hij voor die omstandigheden een aannemelijke verklaring biedt waaruit een andere toedracht naar voren komt.

De verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte]

De verklaring van [verdachte]

heeft zich als verdachte tijdens alle verhoren bij de politie op haar zwijgrecht beroepen. Zij heeft als verdachte pas verklaard ter terechtzitting in eerste aanleg op 22 november 2011 en later op 24 maart 2015. Ook ter terechtzitting in hoger beroep op 4 november 2016 heeft zij een verklaring afgelegd. Haar verklaring in hoger beroep - die in grote lijnen overeenkomt met haar verklaringen in eerste aanleg - houdt het volgende in.

[slachtoffer] is op 13 juni 2011 onverwacht bij mij langs gekomen. Hij is mijn ex-zwager. Toen hij die middag bij mij kwam, had hij niks. Hij was dronken, dat wel. Hij heeft met mijn zoon [betrokkene 7] gespeeld. Op een gegeven moment wilde [slachtoffer] naar Amsterdam, omdat hij daar een afspraak had. Ik heb [medeverdachte] gebeld om [slachtoffer] weg te brengen en [medeverdachte] vond dat prima. [slachtoffer] , [betrokkene 7] en ik hebben buiten op [medeverdachte] gewacht. We zijn, nadat [medeverdachte] ons heeft opgepikt, eerst naar mijn dochter (het hof begrijpt: [betrokkene 6] ) gereden om [betrokkene 7] af te zetten. Ik ben met [medeverdachte] en [slachtoffer] meegereden. Daarna zijn we naar de woning van [medeverdachte] gereden, omdat hij zijn autopapieren was vergeten. We zijn toen alle drie de woning van [medeverdachte] binnengegaan. Er was verder niemand in de woning aanwezig. Daarna zijn we met weer z’n drieën in de auto gestapt en naar Amsterdam gereden. We zijn nog een tweede keer bij de woning van [medeverdachte] geweest. [slachtoffer] was zijn telefoon bij [medeverdachte] vergeten. We zijn ook toen alle drie in de woning van [medeverdachte] geweest. Ook toen was er niemand anders in de woning. Wij zijn vervolgens weer naar Amsterdam gereden. Ik heb tijdens de autorit geen andere mensen in of bij de auto gezien. We hebben de hele tijd met z’n drieën in de auto gezeten. [slachtoffer] zat achterin. [slachtoffer] heeft aan het begin alleen gezegd dat hij in Amsterdam moest zijn. Op een gegeven moment heeft hij gezegd dat hij een afspraak had in de buurt van de Gaasperplas. Dat heeft hij tegen [medeverdachte] gezegd. [slachtoffer] gaf aanwijzingen aan [medeverdachte] . [slachtoffer] wist het kennelijk ook niet precies, vandaar dat we steeds heen en weer bleven rijden. We zijn daar aan de Weespertrekvaart gestopt. [medeverdachte] en ik hebben [slachtoffer] samen uit de auto geholpen. [slachtoffer] was helemaal scheef gezakt. Hij kon zelf niet meer overeind komen. Toen hij eenmaal uit de auto was, was alles weer goed. Hij liep zelf naar een boom om te plassen. Hij liep normaal. [medeverdachte] is ook gaan plassen. Ik ben toen een sigaret gaan roken. Opeens hoorde ik iets in het water vallen. Daarna riep [slachtoffer] om hulp. Hij hield zich vast aan de zijkant van het water aan een soort balk. Ik stond niet ver bij hem vandaan. Ik ben naar hem toegegaan. Ik ben op een knie gaan zitten en heb mijn hand naar hem uitgestoken. Ook heb ik [medeverdachte] geroepen. [medeverdachte] kwam direct aanrennen. Ik had de hand van [slachtoffer] vast. [medeverdachte] heeft mijn hand losgemaakt van de hand van [slachtoffer] . Toen heb ik [slachtoffer] losgelaten. Ik was bang dat ik in het water zou vallen. Toen ik [slachtoffer] losliet, gleed hij het water in. Ik dacht dat hij kon zwemmen. Ik dacht dat hij wel boven zou komen. [medeverdachte] zei: “Kom we gaan”. [medeverdachte] zei dat de mensen op de boot hem wel zouden helpen.

De verklaringen van [medeverdachte]

heeft bij de politie en bij de rechter-commissaris verklaringen afgelegd die voor wat betreft het ophalen en rondrijden in grote lijn gelijk zijn aan die van [verdachte] . Er is echter op onderdelen ook sprake van aanzienlijke verschillen tussen hun verklaringen. [medeverdachte] heeft in het bijzonder het volgende verklaard.

[verdachte] heeft hem gevraagd [slachtoffer] naar Amsterdam te brengen en is zelf meegereden. Nadat zij eerst het zoontje van [verdachte] bij haar dochter hebben afgezet, zijn zij gaan rijden zoals uit de technische gegevens in het dossier blijkt. Ze zijn eerst langs het huis van [medeverdachte] gereden, omdat hij zijn autopapieren was vergeten en later nog een keer, omdat volgens [verdachte] iemand geld zou komen brengen voor [medeverdachte] .

Toen na enige tijd bleek dat die persoon niet kwam opdagen, zei [verdachte] dat ze weer konden gaan rijden. [verdachte] vertelde [medeverdachte] hoe hij moest rijden, niet [slachtoffer] . [slachtoffer] had een afspraak bij het hotel bij de Gaasperplas. [verdachte] is onderweg bij [slachtoffer] op de achterbank gaan zitten. Een tijdje later wilde zij weer voorin komen zitten. Net daarna viel [slachtoffer] met een plof van de achterbank, dat was op de A9.

Het was een redelijke klap. [medeverdachte] hoorde een soort gorgel en een bonk. [medeverdachte] heeft tegen [slachtoffer] gezegd dat hij rechtop moest gaan zitten. [medeverdachte] hoorde toen allerlei rare geluiden. [medeverdachte] is gestopt en heeft het achterportier geopend. [slachtoffer] lag toen op de bodem tussen de voorstoelen en de achterbank, met zijn benen omhoog tegen het portier dat [medeverdachte] opende. [slachtoffer] schopte naar [medeverdachte] . [medeverdachte] heeft de deur toen weer dichtgedaan en is verder gereden. Later gaf [slachtoffer] aan dat hij moest plassen. [medeverdachte] heeft de auto geparkeerd en heeft [slachtoffer] uit de auto geholpen. [slachtoffer] liep eerst moeilijk en leunde op [medeverdachte] , later liep hij zelf. [slachtoffer] liep naar wat bomen. [medeverdachte] keek verder niet naar hem, omdat hij aan de andere kant van de weg ging plassen. Toen hoorde hij [verdachte] ineens om hulp roepen. Zij riep dat [slachtoffer] haar het water in trok. [medeverdachte] is er, nadat hij klaar was met plassen, heengerend. Hij zag [verdachte] plat op haar buik liggen. [slachtoffer] had haar been vast en probeerde haar uit alle macht in het water te trekken. [medeverdachte] heeft de vingers van [slachtoffer] losgemaakt van het been van [verdachte] en heeft [slachtoffer] zijn hand aangeboden. In plaats van zijn hand aan te nemen spetterde [slachtoffer] water naar hem en zwom weg. [medeverdachte] heeft hem nog geroepen. [slachtoffer] zwom naar de boot die aan de overkant van het water lag. De mensen op de boot hebben een stok uitgestoken. [medeverdachte] heeft gezien dat [slachtoffer] die stok vastpakte. [medeverdachte] dacht daarom dat [slachtoffer] veilig was. Toen zijn ze weggegaan. Hij herinnerde zich ook dat [slachtoffer] zijn schoenen heeft uitgetrokken en zelf in het water heeft gegooid. [medeverdachte] heeft ook verklaard dat hij door [verdachte] en haar zoons onder druk is gezet om te verklaren dat ze richting Amsterdam zijn gereden, via welke route ze zijn gereden en dat [slachtoffer] is uitgestapt bij een parkeerterrein of een camping bij de Gaasperplas.

De aannemelijkheid van de verklaring van [medeverdachte]

Het hof stelt vast dat de verklaring van [medeverdachte] niet te rijmen is met de verklaringen van [betrokkene 5] en [betrokkene 4] . Het hof acht het op grond van die verklaringen uitgesloten dat [slachtoffer] op het moment van te water raken nog bij vol bewustzijn was, in de richting van de boot is gezwommen en dat hem vanaf de boot een stok is toegestoken, zoals [medeverdachte] heeft verklaard. Voor het overige wekt de verklaring van [medeverdachte] slechts bevreemding. Met name blijft onduidelijk waarom urenlang met [slachtoffer] is rondgereden en hoe [slachtoffer] het letsel heeft opgelopen.

Voor zover de verdediging heeft betoogd dat [slachtoffer] het letsel heeft opgelopen door één of meer ongelukkige valpartijen, merkt het hof op dat het hof het, als gezegd, uitgesloten acht dat het letsel kan zijn ontstaan door valpartijen aan de waterkant.

De verklaring van [medeverdachte] biedt geen aanknopingspunten voor valpartijen op andere momenten die avond. Hoogstens blijkt uit zijn verklaringen van een val van [slachtoffer] van de achterbank van de auto. Het hof acht het evenwel uitgesloten dat bij één val van een dergelijke geringe hoogte in een zeer beperkte ruimte zowel de bloedingen in de hals, als de breuken aan beide zijden van de ribben kunnen zijn ontstaan.

Eindconclusie

Het hof stelt vast dat de verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte] op essentiële onderdelen van elkaar verschillen. In het bijzonder doelt het hof op de verklaring van [medeverdachte] dat [slachtoffer] in de auto van de achterbank zou zijn gevallen, kort nadat [verdachte] bij hem achterin had gezeten, welke verklaring [verdachte] heeft betwist. Ook wijst het hof op de verschillen in hun verklaringen over wat er aan de waterkant is gebeurd. Voorts constateert het hof dat voor beide verklaringen geldt dat deze niet te rijmen zijn met de verklaringen van [betrokkene 5] en [betrokkene 4] . Het hof acht het op grond van die verklaringen uitgesloten dat [slachtoffer] op het moment van te water raken nog bij vol bewustzijn was en om hulp riep, zoals [verdachte] heeft verklaard. Tevens acht het hof het uitgesloten dat [slachtoffer] in de richting van de boot is gezwommen en dat hem vanaf de boot een stok is toegestoken, zoals [medeverdachte] heeft verklaard. Voor het overige wekken de verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte] slechts bevreemding. Met name blijft onduidelijk waarom urenlang met [slachtoffer] is rondgereden en hoe zijn letsels zijn ontstaan.

De verklaring van [verdachte] biedt voorts geen enkel aanknopingspunt dat [slachtoffer] letsel zou hebben opgelopen, doordat hij onderweg een of meerdere keren is gevallen. Die verklaring biedt wel een aanknopingspunt voor een val op het moment van het te water raken van [slachtoffer] , maar het hof acht het, als gezegd, uitgesloten dat het letsel pas op dat moment kan zijn ontstaan. De verklaring van [medeverdachte] biedt wel een aanknopingspunt voor een val van de achterbank van de auto, maar het hof acht het uitgesloten dat bij één val van een dergelijke geringe hoogte in een zeer beperkte ruimte zowel de bloedingen in de hals, als de breuken van de ribben aan zowel de linker- als de rechterzijde kunnen zijn ontstaan.

Eindconclusie

Gelet op al het voorgaande is het hof van oordeel dat [verdachte] geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor de feiten en omstandigheden die uit de bewijsmiddelen naar voren komen. Aldus komt het hof tot de conclusie dat zij voor de hiervoor bedoelde feiten en omstandigheden geen redelijke verklaring heeft gegeven die de redengevendheid van die feiten en omstandigheden voor het bewijs ontzenuwt. Het hof acht dan ook bewezen dat de verdachte zich, samen met de medeverdachte, heeft schuldig gemaakt aan doodslag op [slachtoffer] .”

16. In geval van een bewezenverklaring is het aan de rechter die over de feiten oordeelt om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat hem uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Deze beslissing inzake die selectie en waardering, die – behoudens bijzondere gevallen – geen motivering behoeft, kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden.5

17. In de toelichting op het middel voert de steller van het middel aan dat het hof van allerlei waarschijnlijkheidsscenario’s en premissen uitgaat om tot de door het hof gewenste slotconclusie te komen. De conclusie dat sprake is van een misdrijf en (kennelijk) niet van een noodlottig ongeval is volgens de steller van het middel onbegrijpelijk. Hij wijst in dit verband op hetgeen door de verdediging is aangevoerd over de betrouwbaarheid van de getuigen [betrokkene 5] en [betrokkene 4] , het alcoholpromillage in het bloed van [slachtoffer] en de door de verdediging naar voren gebrachte en door het hof terzijde geschoven alternatieve scenario’s, zonder dat het hof heeft vastgesteld dat de door de verdachte geschetste alternatieve scenario’s niet mogelijk zouden zijn. Het middel faalt. Daartoe wijs ik op het volgende.

18. Het hof is uitvoerig ingegaan op de feitelijke toedracht. Daartoe heeft het hof onder meer de uitkomsten van het onderzoek van verschillende deskundigen naar de doodsoorzaak van [slachtoffer] aan het bewijs ten grondslag gelegd. Het hof heeft overwogen dat dr. Kubat verschillende letsels (waaronder bloeduitstortingen, gebroken ribben en een breuk van het cricoïd, een kraakbeenring onder het strottenhoofd) heeft geconstateerd die bij leven zijn ontstaan en dat er twee potentiële doodsoorzaken zijn, te weten – kort gezegd – toegebracht geweld aan de hals en verdrinking. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat dr. Kubat het waarschijnlijker acht dat de breuk heeft plaatsgevonden voorafgaand aan het overlijden. Voorts heeft het hof erop gewezen dat Kubat heeft verklaard dat voor het breken van de ribben en de cricoïd grote krachten nodig zijn en dat dit laatste letsel vooral vaak wordt gezien bij slaan of schoppen tegen de hals. Tevens heeft het hof verwezen naar het rapport van dr. Van der Goot, waaruit volgt dat de doodsoorzaak verklaarbaar is op grond van samendrukkend mechanisch geweld op de halsregio. De bloedingen in de hals zijn volgens dr. Van de Goot aantoonbaar bij leven ontstaan. In de toelichting op het middel wordt niet uiteengezet dat en waarom de vaststelling van het hof dat het halsletsel, of verwikkelingen ten gevolge daarvan, dan wel verdrinking, of een combinatie van beide tot de dood van [slachtoffer] heeft/hebben geleid onbegrijpelijk zou zijn.

19. Het hof heeft vervolgens – in cassatie onbestreden – vastgesteld dat de verdachte, de medeverdachte en [slachtoffer] gedurende een groot deel van de avond op 13 juni 2011 gedrieën hebben doorgebracht, terwijl er voor de betrokkenheid van een derde geen enkel aanknopingspunt in het dossier te vinden is. De dochter van de medeverdachte heeft verklaard in de vroege avond niets bijzonders te hebben gemerkt aan [slachtoffer] . Het hof heeft daarnaast in aanmerking genomen dat de getuigen [betrokkene 5] en [betrokkene 4] rond 23.00 uur op 13 juni 2011 vanaf hun boot hebben gezien dat er een auto bij het water stond met twee mensen erbij (een Aziatische vrouw en een oudere man) en dat het leek alsof er iets of iemand aan de kade hing dat/die een zetje kreeg en daardoor te water raakte, dat zij nog wat gespartel hoorden maar niemand of niets meer zagen bovenkomen en dat zij, toen zij ter plaatse kwamen, alleen nog twee schoenen zagen drijven. Het hof heeft deze verklaringen als betrouwbaar beoordeeld. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat de getuigen toevallige passanten waren en er geen reden bestaat te twijfelen aan hun oprechtheid, zij hun waarnemingen hebben gedaan net voor het invallen van de duisternis en voldoende licht hadden om te kunnen zien wat zij hebben waargenomen en hun verklaringen consistent zijn en op essentiële onderdelen overeenkomen. Uit technische gegevens heeft het hof afgeleid dat de auto van de medeverdachte, de tomtom en de telefoon van de verdachte zich tot 22.30 uur voortdurend in de omgeving Gaasperplas/Gaasp/Weespertrekvaart hebben bevonden. Ten slotte heeft het hof in aanmerking genomen dat de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor de haar belastende feiten en omstandigheden die uit de bewijsmiddelen naar voren komen.

20. Gelet op deze feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is het onder 1 bewezen verklaarde voldoende met redenen omkleed. Voor zover het middel berust op de opvatting dat het hof slechts tot een bewezenverklaring had kunnen komen indien het vaststelt dat alternatieve scenario’s niet mogelijk zouden zijn, faalt het, omdat deze opvatting geen steun vindt in het recht.

21. Het middel faalt.

22. Het vierde namens de verdachte voorgestelde middel bevat de klacht dat het onder 1 primair bewezen verklaarde medeplegen onvoldoende met redenen is omkleed.

23. Het hof heeft – naast de uitvoerige overwegingen die hiervoor onder 15 zijn opgenomen - de volgende overweging gewijd aan het ten laste gelegde medeplegen:

“Het hof overweegt omtrent het medeplegen nog het volgende.

Het hof stelt voorop dat om als medepleger te kunnen worden aangemerkt sprake moet zijn geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen ter verwezenlijking van een gezamenlijk crimineel doel. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Een gezamenlijke uitvoering van het strafbare feit leidt in beginsel tot de kwalificatie ‘medeplegen’.

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is niet duidelijk geworden op welk moment het letsel aan [slachtoffer] is toegebracht, door wie en op welke wijze hem het letsel feitelijk is toegebracht, op welk moment [slachtoffer] is overleden, noch of [slachtoffer] aan het letsel is overleden of dat hij is verdronken. Wel staat vast dat genoemd letsel is toegebracht tussen ongeveer 18.30 uur en 22.00 uur en dat [medeverdachte] en [verdachte] in die periode voortdurend met [slachtoffer] onderweg waren. Geen van hen heeft verklaard dat sprake is geweest van een ontmoeting met enig ander. Voor betrokkenheid van derden biedt het dossier ook overigens geen enkel aanknopingspunt. Dit leidt het hof tot de conclusie dat het letsel, dat het gevolg is geweest van meerdere geweldsimpacten, feitelijk is toegebracht door [verdachte] , door [medeverdachte] of door hen beiden tezamen. Hoewel niet kan worden vastgesteld wat hierbij de onderlinge taakverdeling is geweest, staat vast dat beiden aanwezig waren op de plaats waar en het moment waarop het letsel aan [slachtoffer] werd toegebracht en daarvan wetenschap hebben gehad.

Ook staat vast dat [slachtoffer] maximaal één uur na het toebrengen van dat letsel is overleden. Of dat nu is geschied onderweg naar de Weespertrekvaart of kort na het moment waarop [slachtoffer] in het water is beland, is daarbij niet van belang. Van belang is dat [medeverdachte] en [verdachte] steeds, zoals ook uitdrukkelijk door [medeverdachte] is verklaard, samen zijn gebleven en hebben samengewerkt, ook nadat het letsel aan [slachtoffer] is toegebracht. Zij zijn immers na het toebrengen van het letsel met hem (verder) gereden en hebben hem of zijn dode lichaam naar de Weespertrekvaart gebracht. Daar heeft [verdachte] hem of zijn dode lichaam, terwijl [slachtoffer] zich (half) in het water bevond, losgelaten. [verdachte] en [medeverdachte] hebben hem daar vervolgens in het water achtergelaten en zijn weggereden. Geen van hen beiden heeft zich op enig moment van de situatie gedistantieerd, terwijl daar wel gelegenheid voor is geweest. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat [verdachte] en [medeverdachte] vanaf 18.30 uur tot aan de dood van [slachtoffer] nauw en bewust met elkaar hebben samengewerkt, welke samenwerking was gericht op het doden van [slachtoffer] .

Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat het handelen van [verdachte] en [medeverdachte] die avond gericht is geweest op de dood van [slachtoffer] . Het hof acht, ook als [verdachte] het letsel niet zelf heeft toegebracht en ook als [slachtoffer] reeds was overleden op het moment dat [verdachte] hem in het water liet zakken, bewezen dat zij zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van doodslag op [slachtoffer] .”

24. Voor het bewijs van medeplegen is een bewuste en nauwe samenwerking vereist.6 Dit criterium veronderstelt dat de verdachte opzet had op de samenwerking en op het grondfeit.7 De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Als van medeplegen sprake is, kan de verdachte ook in strafrechtelijke zin aansprakelijk worden gehouden voor uitvoeringshandelingen die (uitsluitend) door de medeverdachte zijn verricht. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grotere rol in de voorbereiding. Indien het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan en het helpen bij de vlucht, rust op de rechter de taak om in het geval hij toch tot een bewezenverklaring van medeplegen komt, dat in het kader van de bewijsvoering nauwkeurig te motiveren. Daarbij kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

25. In de onderhavige zaak doet zich de situatie voor waarin het hof de precieze rolverdeling tussen de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] bij de handelingen die tot de dood van [slachtoffer] hebben geleid niet heeft kunnen vaststellen.8 Wel heeft het hof vastgesteld dat de verdachte degene is geweest [slachtoffer] in (schijnbaar) levenloze toestand in het water heeft laten zakken. Als hij toen nog in leven is geweest, moet [slachtoffer] toen en daar zijn verdronken. In dat geval is het de verdachte geweest die de uitvoeringshandeling die heeft geleid tot de dood van [slachtoffer] heeft verricht. Voor het andere geval, te weten dat [slachtoffer] op dat moment al was overleden ten gevolge van het uitgeoefende geweld, heeft het hof de precieze rolverdeling tussen de verdachte en haar medeverdachte [medeverdachte] niet kunnen vaststellen.

26. De enkele omstandigheid dat de precieze rolverdeling niet is vastgesteld, hoeft aan een bewezenverklaring van medeplegen niet in de weg te staan. In dit verband valt te wijzen op HR 12 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS2769, NJ 2005/577. In deze zaak hadden de verdachte en zijn medeverdachte onaangekondigd een bezoek gebracht aan het slachtoffer, dat toen nog in leven was. Gedurende dit bezoek was de verdachte steeds in de nabijheid van zijn medeverdachte geweest. Zij waren samen weer weggegaan. Op het moment dat de verdachte en zijn medeverdachte de woning verlieten, was het slachtoffer reeds 'uitgeschakeld', terwijl er geen enkele aanwijzing bestond dat daarna nog een ander in de woning van het slachtoffer was geweest. De volgende ochtend bleek dat het slachtoffer om het leven was gebracht door verwurging, waarbij een zogenoemde spin met kracht om de nek van het slachtoffer was vastgetrokken en waarbij DNA-celmateriaal van de medeverdachte op die spin was achtergebleven. De verdachte had nadien een brief geschreven waarin hij erkende dat hij en de medeverdachte als enigen wisten wat er was gebeurd. De Hoge Raad overwoog dat het hof hieruit kennelijk en niet onbegrijpelijk had afgeleid dat de verdachte in elk geval bij de verwurging van het slachtoffer aanwezig was geweest en dat hij zijn medeverdachte daarvan niet heeft weerhouden, noch zich op enigerlei andere wijze van het handelen van de medeverdachte had gedistantieerd hoewel daartoe de gelegenheid had bestaan gezien de tijd die met die dodingshandeling gemoeid moet zijn geweest. De Hoge Raad achtte de bewezenverklaring, die was toegesneden op het medeplegen van doodslag, voldoende met redenen omkleed.9

27. In een andere zaak had het hof medeplegen van moord bewezen verklaard. De verdachte was de moeder van een meisje dat in verband met eerwraak om het leven werd gebracht. Het hof had in aanmerking genomen dat de verdachte zich vanaf het moment dat zij op de hoogte raakte van de voorgenomen doding van haar dochter niet heeft gedistantieerd van de gedragingen van de andere dader(s) en in aanmerking genomen dat zij is meegereden in de auto waarin het slachtoffer werd meegevoerd naar de woning waar de moord werd voltrokken en waarvan zij de sleutel bezat. Dat oordeel achtte de Hoge Raad in het licht van de gebezigde bewijsmiddelen niet onbegrijpelijk.10

28. In geval de precieze taakverdeling niet kan worden vastgesteld, kan in het kader van de bewijsvoering onder omstandigheden betekenis worden toegekend aan de procesopstelling van de verdachte. De omstandigheden van het geval kunnen zodanig belastend zijn en in die zin op een bewuste en nauwe samenwerking duiden, dat het uitblijven van een aannemelijk verklaring van de verdachte van belang is voor de beantwoording van de vraag of het ten laste gelegde medeplegen kan worden bewezen.11 Dat geldt ook voor een situatie als de onderhavige, waarin het hof in de – grotendeels als onaannemelijk aangemerkte - verklaringen van de verdachte geen contra-indicaties voor het aannemen van medeplegen heeft aangetroffen.12

29. Het oordeel van het hof dat de vastgestelde feiten en omstandigheden vragen om een verklaring van de verdachte en het daarin besloten liggende oordeel dat het achterwege blijven van een aannemelijke verklaring in de overwegingen over het gebezigde bewijsmateriaal en de beoordeling van de bewuste en nauwe samenwerking mag worden betrokken, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daarbij moet worden bedacht dat het hof heeft vastgesteld dat de verdachte urenlang met de medeverdachte [medeverdachte] en [slachtoffer] heeft rondgereden, terwijl de verdachte daarvoor geen aannemelijke verklaring heeft gegeven. Het hof heeft voorts vastgesteld dat de aan [slachtoffer] toegebrachte verwondingen zijn toegebracht in de periode die zij met [medeverdachte] en de verdachte heeft doorgebracht, dat beiden daarbij aanwezig zijn geweest en daarvan wetenschap hebben gehad. Het hof heeft vastgesteld dat sprake is geweest van drie forse, opzettelijk toegebrachte geweldsinwerkingen op drie verschillende plaatsen van het lichaam van [slachtoffer] en die zijn toegebracht in de tijd die hij met de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] heeft doorgebracht. Het hof heeft niet kunnen vaststellen wie het letsel heeft toegebracht. Uit de bewijsvoering volgt dat er in dat verband drie mogelijkheden zijn: het letsel is toegebracht door de verdachte, door de medeverdachte [medeverdachte] of door hen beiden tezamen. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] [slachtoffer] aan het einde van hun rit naar de waterkant hebben gebracht en dat de verdachte [slachtoffer] uiteindelijk in (schijnbaar) levenloze toestand in het water heeft laten zakken en dat de verdachte en de medeverdachte [slachtoffer] daar in het water hebben achtergelaten. Het hof heeft voorts vastgesteld “dat het halsletsel, of verwikkelingen ten gevolge daarvan, dan wel verdrinking, of een combinatie van beide tot de dood van [slachtoffer] heeft of hebben geleid”. Het wekt geen verwondering dat het hof de door hem vastgestelde omstandigheden als in hoge mate belastend voor de verdachte heeft aangemerkt en daarin steun heeft gevonden voor het oordeel dat de levensberoving plaatsvond in het kader van een bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] . Het hof heeft gemotiveerd en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de verklaring van de verdachte voor deze belastende omstandigheden onaannemelijk is. Daarmee heeft de verdachte deze omstandigheid als een toelaatbaar sluitstuk in de bewijsconstructie betrokken.

30. Ook overigens meen ik dat het bewezen verklaarde medeplegen voldoende met redenen is omkleed. Het hof heeft vastgesteld dat het letsel is toegebracht in het tijdvak waarin de verdachte en de medeverdachte voortdurend met [slachtoffer] onderweg waren en dat geen van beiden heeft verklaard dat sprake is geweest van een ontmoeting met enig ander, terwijl het dossier ook overigens geen aanknopingspunt biedt voor de betrokkenheid van een derde. Het hof heeft daarop geoordeeld dat vaststaat dat beiden aanwezig waren op de plaats waar en het moment waarop het letsel aan [slachtoffer] werd toegebracht en daarvan wetenschap hebben gehad. Tevens staat vast dat [slachtoffer] ongeveer één uur na het toebrengen van het letsel is overleden. Van belang is volgens het hof dat de verdachte en de medeverdachte, zoals door de verdachte is verklaard, steeds samen zijn gebleven en hebben samengewerkt, ook nadat het letsel aan [slachtoffer] is toegebracht. Zij zijn immers met hem (verder) gereden en hebben hem of zijn dode lichaam naar de Weespertrekvaart gebracht, waar de verdachte [slachtoffer] in het water heeft losgelaten. Daaruit heeft het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk afgeleid dat de verdachte haar rol is blijven vervullen, waarmee zij haar betrokkenheid bij de gezamenlijke onderneming heeft bevestigd.13 De verdachte en de medeverdachte hebben [slachtoffer] vervolgens in het water achtergelaten en zijn weggereden. Geen van beiden heeft zich op enig moment van de situatie gedistantieerd.

31. Gelet op de hiervoor weergegeven door het hof in aanmerking genomen feiten en omstandigheden, heeft het hof kunnen oordelen dat de verdachte en de medeverdachte zo bewust en nauw hebben samengewerkt dat sprake is van het medeplegen van de bewezen verklaarde doodslag. Daarbij heeft het hof kennelijk groot gewicht toegekend aan de gezamenlijkheid van het optreden van de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] gedurende een groot aantal uren, terwijl die gezamenlijkheid ook steun vindt in de verklaringen van de getuigen [betrokkene 5] en [betrokkene 4] ten aanzien van het te water laten van [slachtoffer] .14 Het hof heeft in het kader van de beoordeling of sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking de lange duur van de samenwerking kunnen betrekken. In de overwegingen van het hof ligt besloten dat het de intensiteit van de samenwerking en de aanwezigheid van de verdachte op alle belangrijke momenten en het zich daarbij niet terugtrekken op daartoe geëigende tijdstippen in aanmerking heeft genomen. Daarbij is van belang dat de verdachte en [medeverdachte] gedurende die urenlange tocht steeds samen zijn gebleven, ook nadat het letsel was toegebracht en ook toen en nadat de verdachte [slachtoffer] in het water heeft laten zakken. Daarbij neem ik voorts in aanmerking dat het hof de lezingen van de feiten door de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] als onaannemelijk terzijde heeft geschoven en het hof ook overigens geen contra-indicaties voor het bestaan van medeplegen heeft vastgesteld.15 Dat de precieze rolverdeling ten aanzien van de jegens [slachtoffer] verrichte geweldshandelingen in het midden is gebleven, doet daaraan niet af. Ik wijs er in dat verband nog op dat voor het aannemen van medeplegen niet is vereist dat de verdachte zelf geweldshandelingen heeft verricht,16 terwijl ten aanzien van de verdachte in ieder geval door het hof is vastgesteld dat zij [slachtoffer] in het water heeft laten glijden.

32. Ook het opzet op de samenwerking en het (voorwaardelijk) opzet op de dood kan uit de bewijsvoering worden afgeleid. Ik wijs nogmaals op de hiervoor onder 6 weergegeven overwegingen van het hof, waaruit volgt dat sprake is geweest van drie forse, opzettelijk toegebrachte geweldsinwerkingen op drie verschillende plaatsen van het lichaam van [slachtoffer] en die zijn toegebracht in de tijd die hij met de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] heeft doorgebracht. Uit de overwegingen van het hof volgt dat de geweldsinwerkingen in elk geval in aanwezigheid en met wetenschap van de verdachte hebben plaatsgevonden zonder dat zij zich ervan heeft gedistantieerd, dat de verdachte en de medeverdachte in de richting van de waterkant zijn gegaan en de verdachte [slachtoffer] in het water heeft laten zakken. Daarna hebben de verdachte en haar medeverdachte [medeverdachte] [slachtoffer] in het water aan zijn lot overgelaten en zijn zij samen weggereden. In het licht van het bovenstaande, is de bewezenverklaring ten aanzien van het medeplegen voldoende met redenen omkleed.

33. Het middel faalt.

34. Het tweede namens de verdachte voorgestelde middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring van het onder 4 ten laste gelegde onvoldoende met redenen is omkleed, omdat de bewezenverklaring met name zou steunen op de stemherkenning van de verdachte en die stemherkenning niet op wetenschappelijke wijze heeft plaatsgehad.

35. Ten laste van de verdachte heeft het hof onder 4 bewezen verklaard dat:

“zij op tijdstippen in de periode van 30 mei 2011 tot en met 31 juli 2011 in Nederland, telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam, [A] heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen, hebbende zij, verdachte, toen en daar telkens met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk

- [A] opgebeld en zich voorgesteld als [B] en

- zich voordoende als [B] meermalen aan [A] om geldbedragen gevraagd ten behoeve van die advocaat en

- daarbij telkens gezegd dat [A] die geldbedragen niet aan haar, [B] , kon geven maar dat hij het geld aan [C] zijnde zij, verdachte, moest geven, waardoor voornoemde [A] telkens werd bewogen tot bovenomschreven afgiften.”

36. Het hof heeft het bewijs van het onder 4 ten laste gelegde doen steunen op de bewijsmiddelen zoals vermeld in de aanvulling op het verkorte vonnis van de rechtbank. Die aanvulling luidt ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde als volgt:

“Een proces-verbaal van aangifte met nummer 2011154052 van 21 september 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren T-315 en T- 316, doorgenummerde pag. 9509-9512.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [A] , zakelijk weergegeven:

Ik wil aangifte doen van oplichting gepleegd door een goede vriendin van mij genaamd [C] . Haar achternaam is [C] . Deze oplichting heeft plaatsgevonden in de periode van oktober 2010 tot eind juli 2011. [C] heeft zich als iemand anders voorgedaan en mij door allerlei leugens veel geld afhandig gemaakt.

In de maand oktober 2010 is de oplichting begonnen. [C] vertelde mij namelijk dat ze een vriendin had die op zoek was naar een man. Die vriendin zou [D] heten. Ik werd door [D] opgebeld en we spraken af elkaar te ontmoeten, maar vlak voor de ontmoeting belde ze de afspraak af. Daarna hebben we alleen nog maar telefonisch contact met elkaar gehad. Ik heb [D] dus nooit ontmoet.

Een paar weken nadat ze de ontmoeting had afgezegd, belde [D] weer op. Ze wilde met mij naar een hotel in België. Zij zou het regelen en ik moest een gedeelte vooruit betalen voor het hotel. Dat heb ik gedaan. Om onduidelijke redenen kon ik haar dat geld niet zelf geven. Ik moest het aan [C] geven en [C] zou het aan [D] geven. Daarna belde ze me steeds vaker om geld te vragen: voor een nieuwe televisie, nieuwe banden voor haar auto, ringen. Ik geloofde haar in al deze dingen en heb haar dus steeds betaald. Telkens met tussenkomst van [C] . Ik denk dat ik wel tien keer geld heb gegeven aan [C] . In totaal heb ik ongeveer 5000 euro aan [C] gegeven voor [D] .

Via een datingsite ben ik in contact gekomen met [E] , een Italiaanse vrouw uit Utrecht. In totaal ben ik voor een bedrag van meer dan 7.500 euro afgeperst door haar.

[D] vertelde mij dat ze voor een advocaat werkte en dat ze voor mij wilde proberen mijn geld bij die Italiaanse terug te halen. Ik moest dan wel eerst geld voor de advocaat betalen. De advocaat zou proberen een bedrag van 13.000 euro voor mij terug te krijgen. Dat was het bedrag van de afpersing en ook een beetje psychisch letsel daarbij en ook dat ik onder bedreiging was afgeperst. In het begin moest ik die advocaat 1000 euro betalen. Ook dit geld moest ik aan [C] geven en [C] zou dit dan weer aan [D] geven. Nadat ik het eerste bedrag betaald had, belde ze steeds weer dat er geld bij moest. In totaal heb ik een bedrag van 3000 euro via [C] aan [D] gegeven.

Eind mei werd ik gebeld door [D] . Ze vertelde me dat het rond was en alles in orde zou komen. Ze zou het allemaal komen brengen. Maar die avond werd ik gebeld door [C] . [C] vertelde me dat ze net door de advocaat van [D] was gebeld en dat die vertelde dat [D] een auto-ongeluk had gehad en nu in coma in het ziekenhuis lag.

Een week later werd ik gebeld door [B] . Zij stelde zich voor als de secretaresse van de advocaat en zei dat ze mijn zaak had overgenomen van [D] . Die [B] zei dat bijna alles geregeld was en dat ze mijn zaak zo snel mogelijk wilden afsluiten, maar dat ze nog wat geld misten. Geld dat [D] waarschijnlijk bij zich had toen zij die aanrijding kreeg en waar ze nu niet bij konden. Ik moest nog meer geld betalen, begin juni 2011 heb ik toen nog een aantal bedragen van rond de 600 euro betaald aan [C] , die het op de parkeerplaats aan [B] zou geven. In totaal heb ik een bedrag van 2000 euro via [C] aan [B] afgegeven.

Eind juli werd ik gebeld door [B] . Zij vertelde dat alles in orde zou komen. Een paar uur later belde ze mij op en vertelde ze dat ze overvallen was door drie jongens en dat ze al het geld kwijt was. Ik heb nooit meer wat van haar gehoord.

Onder valse voorwendselen heb ik het geld bestemd voor zowel [D] als [B] , aan [C] af moeten geven, die zich over de telefoon als hen voordeed. In totaal heb ik een bedrag van zeker 10.000 euro aan [C] afgegeven.

Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2011154052 van 16 augustus 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar T309, doorgenummerde pag. 5141-5144 (bijlagen tapgesprekken 5145-5167).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op 1 juli 2011 is een machtiging afgegeven voor een technische actie op telefoonnummer [001] , zijnde in gebruik bij verdachte [verdachte] . Tevens is een machtiging afgegeven voor een technische actie op telefoonnummer [002] , zijnde de huislijn van [A] . Gedurende het onderzoek is [A] herhaaldelijk gebeld op zijn huislijn door een vrouw genaamd [B] . Deze gesprekken gaan over geldbedragen die [A] aan [B] moet betalen, waarbij hem een groot gelbedrag retour in het vooruitzicht is gesteld. [B] belt hierbij telkens met de huislijn van [C] .

Op basis van stemherkenning is geconstateerd dat het in werkelijkheid [C] is die zich voordoet als [B] . Als [A] vervolgens, direct na het gesprek met [B] , naar de huislijn van [C] belt, wordt door [C] gesproken alsof [B] een bestaand persoon is die bij haar het geld op komt halen.

Onderstaand zijn alle genoemde telefoongesprekken tussen [B] en [A] enerzijds en tussen [A] en [C] anderzijds.

- Op 18 juli 2011 omstreeks 11.08 uur wordt [A] op zijn eigen huislijn gebeld door [B] (stemherkenning [C] ) vanaf de vaste huislijn van [verdachte] .

- Op 18 juli 2011 omstreeks 11.10 uur belt [A] met zijn eigen huislijn naar de vaste huislijn van [C] .

- Op 21 juli 2011 omstreeks 01.55 uur wordt [A] gebeld door [B] (stemherkenning [C] ) vanaf de vaste huislijn van [verdachte] .

- Op 21 juli 2011 omstreeks 02.09 uur wordt [A] gebeld door [C] van haar vaste huislijn.

- Op 21 juli 2011 omstreeks 14.07 uur wordt [A] op zijn eigen huislijn gebeld door [B] , vanaf de vaste huislijn van [verdachte] .

[C] zegt dat er iemand op haar huisnummer heeft gebeld. [A] zegt dat hij niet gebeld heeft. [C] zegt dat het misschien [D] was, niet [D] maar [B] . [C] zegt dat ze misschien geld hebben.

- Op 22 juli 2011 omstreeks 10.40 uur wordt [A] gebeld door [B] (stemherkenning [C] ), vanaf haar vaste huislijn.

- Op 22 juli 2011 omstreeks 10.44 uur wordt [A] op zijn eigen huislijn gebeld door [C] , vanaf haar vaste huislijn.

- Op 16 augustus 2011 omstreeks 17.25 uur belt [C] via haar vaste huislijn naar [betrokkene 8] , de broer van het slachtoffer [slachtoffer] .

De telefoon van [betrokkene 8] wordt opgenomen door een vrouw genaamd [F] . [C] is te horen die met verdraaide stem “met [B] ” zegt.

Tapgesprek 21 juli 2011, pag. 5153:

Opmerking verbalisant: Voordat er wordt opgenomen zegt [C] (met verdraaide stem): Goeiemorgen.

Tapgesprek 21 juli 2011, p. 5157:

Opmerking verbalisant: Ik herken in dit gesprek de stem van [C] . Voordat de telefoon overgaat hoor ik [C] het woord “Goedenavond” uitspreken. Ik verbalisant acht het niet uitgesloten dat [C] voor aanvang van het gesprek aan het “oefenen” is. Tevens ontkom ik niet aan de indruk dat [C] in het onderstaande gesprek haar stem verdraaid.

Tapgesprek 22 juli 2011, p. 5161:

Opmerking verbalisant: ook in dit gesprek maakt [C] zich bekend als [B] . Voordat [A] opneemt is [C] kennelijk aan het oefenen. Ik verbalisant hoor [C] zeggen: “Goede morgen....goede morgen”.

Een proces-verbaal van stemherkenning met nummer 2011154052 van 23 maart 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar T-317, niet doorgenummerd.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Ik, verbalisant, verklaar in aanvulling op het op 16 augustus 2011 door verbalisant T-309 opgemaakte proces-verbaal voorzien van dossierpagina’s 5141 tot en met 5167 het volgende:

Door mij zijn meerdere telefoongesprekken, waarnaar verbalisant T-309 verwijst in het proces-verbaal van 16 augustus 2011, afgeluisterd en uitgewerkt. In de door mij afgeluisterde en uitgewerkte telefoongesprekken voert een vrouw gesprekken die zichzelf [B] noemt. Ik, verbalisant, herkende de stem van deze [B] als die van [verdachte] .

Een geschrift, te weten een uitdraai van het BKR van 26 juli 2011 van [A] , doorgenummerde pag. 9514.

Uit dit geschrift blijkt dat [A] twee kredieten heeft afgesloten op 1 april 2011 van 4.600,- euro en van ruim 2.400,- euro.

Een geschrift, te weten een overzicht van bankgegevens van [verdachte] en [A] , uit de periode van 4 januari 2011 tot en met 8 juli 2011, doorgenummerde pag. 9515.

Uit dit geschrift blijkt dat [A] in de ten laste gelegde periode regelmatig geldbedragen van enkele honderden euro’s van zijn rekeningen heeft opgenomen en dat [verdachte] in diezelfde periode vergelijkbare geldbedragen op haar rekening heeft gestort.”

37. Het hof heeft daaraan de volgende geschriften als bewijsmiddelen toegevoegd:

“3. Een rekeningafschrift 31 mei 2011 van een rekening van [A] met rekeningnummer [003] (dossierpagina 9137), waaruit blijkt dat op 30 mei 2011 € 500,00 is opgenomen.

4. Een rekeningafschrift 30 juni 2011 van een rekening van [A] (dossierpagina 9144), waaruit blijkt dat op 23 juni 2011 € 650,00 is opgenomen, op 20 juni 2011 € 150,00 en 7 juni 2011 € 430,00.

5. Een rekeningafschrift 2 juni 2011 van een rekening van [A] met rekeningnummer [004] (dossierpagina 9180), waaruit blijkt dat op 31 mei 2011 € 350,00 is opgenomen.”

38. Het hof heeft over het onder 4 ten laste gelegde voorts het volgende overwogen:

“De verdediging heeft ten aanzien van feit 4 - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. De bewezenverklaring voor dit feit stoelt in belangrijke mate op de stemherkenning van [verdachte] door een verbalisant. Voor een betrouwbare stemherkenning is nodig dat deze wordt verricht door iemand die ter zake deskundig is. Nu daarvan bij de desbetreffende verbalisant niet blijkt, is de stemherkenning onbetrouwbaar. De enkele omstandigheid dat van het thuisnummer van [verdachte] is gebeld, is onvoldoende om te spreken van een betrouwbare stemherkenning. Bovendien is de aangifte door [A] ingegeven door hetgeen de verbalisanten hem hebben verteld, te weten dat [verdachte] zich voordoet als [B] , door welke informatie [A] overtuigd is geraakt van het ten laste gelegde. Ook van dit feit dient [verdachte] derhalve te worden vrijgesproken.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer moet worden verworpen en dat bewezen kan worden dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de als feit 4 ten laste gelegde oplichting van [A] .

Het hof overweegt met betrekking tot de bewijswaarde van het proces-verbaal, waarin is gerelateerd dat op basis van stemherkenning is vastgesteld dat de verdachte zich in telefoongesprekken tegenover [A] voordeed als [B] , als volgt:

Zoals ook door de verdediging is erkend, volgt noch uit de wet noch uit jurisprudentie dat voor het herkennen van een stem een bijzondere kennis of kunde is vereist. Het hof is voorts van oordeel dat geen reden bestaat aan de onderhavige stemherkenning te twijfelen. Nog daargelaten dat door [verdachte] niet is weersproken dat zij telefoongesprekken met [A] heeft gevoerd, vindt de stemherkenning steun in het gegeven dat deze gesprekken uitsluitend met de huistelefoon ( [001] ) van [verdachte] zijn gevoerd. Nu ook overigens geen omstandigheden zijn aangevoerd dan wel anderszins gebleken die tot het oordeel moeten leiden dat de stemherkenning als onbetrouwbaar moet worden aangemerkt, zal het hof het proces-verbaal van verbalisant T 309 van 16 augustus 2011 bezigen tot het bewijs.

Voor zover de verdediging nog heeft betoogd dat de aangifte van [A] is ingegeven door hetgeen verbalisanten hem omtrent de verdachte hebben verteld, leidt dit niet tot een ander oordeel, reeds omdat de aangifte steun vindt in de overigens te bezigen bewijsmiddelen.

Het verweer wordt dan ook op alle onderdelen verworpen.

Evenals de rechtbank acht het hof het onder 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Het hof acht - anders dan de rechtbank - alleen bewezen de door ‘ [B] ’ gepleegde oplichting, omdat de aangifte van [A] voor deze oplichting steun vindt in andere bewijsmiddelen. Dit brengt mee dat bewezen wordt verklaard oplichting in de periode van 30 mei 2011 tot en met 31 juli 2011.”

39. Het oordeel van het hof dat het proces-verbaal van de verbalisant inzake de stemherkenning van de verdachte als betrouwbaar moet worden aangemerkt is, in het licht van de door het hof in dit verband in aanmerking genomen omstandigheden, niet onbegrijpelijk. Voor zover het middel berust op de opvatting dat dat een stemherkenning “die niet op enige wetenschappelijke wijze heeft plaatsgehad” niet “zelfstandig tot overtuigend bewijs” kan leiden, faalt het, omdat deze opvatting geen steun vindt in het recht, terwijl de bewijsconstructie ook overigens voldoet aan de strafvorderlijke bewijsminimumregels. De verbalisant heeft kennelijk tot uitdrukking gebracht dat de stem die hij beluisterde overeenkwam met de hem bekende stem van de verdachte. Aldus verstaan behelst de inhoud van het proces-verbaal niets wat niet berust op eigen waarneming en ondervinding.17

40. Het middel faalt.

41. Het namens de benadeelde partij [betrokkene 1] voorgestelde middel behelst de klacht dat het hof de benadeelde partij [betrokkene 1] in haar vordering tot vergoeding van immateriële schade van € 10.000,- op ontoereikende gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard.

42. Uit het voegingsformulier van de benadeelde partij [betrokkene 1] volgt dat zij een vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 10.000,- heeft gevorderd. Uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 4, 8 en 23 november 2016 blijkt dat de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1] als volgt is toegelicht:

“De vordering van [betrokkene 1] , de moeder van het slachtoffer, ziet op vergoeding van affectieschade. Ik sluit me aan bij hetgeen mr. Van Eijsden zojuist naar voren heeft gebracht. Ook ik realiseer me dat de ruimte voor het hof beperkt is. Evenals mr. Van Eijsden vraag ik u toch de ruimte te nemen die er is. Mocht het hof menen dat er geen ruimte voor toewijzing is, dan verzoek ik het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, zodat we de vordering bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.”

43. Het hof heeft de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering en heeft in dat verband het volgende overwogen:

“De benadeelde partijen

Vooropgesteld wordt dat de wet nabestaanden slechts een beperkt recht geeft op vergoeding van de materiële en de immateriële schade. Voor vergoeding van de materiële schade komen alleen de in artikel 6:108, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) genoemde schadeposten in aanmerking, te weten vergoeding van kosten voor levensonderhoud waarin de overledene voorzag en vergoeding van redelijke kosten van lijkbezorging. Voor vergoeding van immateriële schade is alleen plaats indien:

- vastgesteld kan worden dat de verdachte het oogmerk had om de nabestaanden leed en verdriet toe te brengen, zoals bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, sub a BW of

- er sprake is van shockschade, zoals bedoeld in 6:106, eerste lid, sub b BW. Hiervan is slechts sprake bij geestelijk letsel in de zin van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, dat is ontstaan door het waarnemen van de gebeurtenis waardoor het slachtoffers is overleden of de directe confrontatie met de ernstige gevolgen daarvan.

Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1]

De benadeelde partij, moeder van het slachtoffer, heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag € 10.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 juni 2011. De benadeelde partij is bij vonnis niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. Zij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Naar het oordeel van het hof behoeft het geen enkel betoog dat het onder 1 bewezen verklaarde handelen van de verdachte leed en verdriet heeft toegebracht aan de benadeelde partij. Op grond van de stukken in het dossier kan echter niet blijken dat het handelen van de verdachte daarop - het toebrengen van leed en verdriet aan de benadeelde partij - was gericht. Aanknopingspunten voor shockschade zijn er evenmin. De benadeelde partij kan daarom niet worden ontvangen in de vordering en kan deze slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.”

44. Van shockschade is sprake wanneer bij iemand door het waarnemen van het ongeval of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen hiervan, een hevige emotionele schok wpordt teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit, hetgeen zich met name zal kunnen voordoen indien iemand tot wie de aldus getroffene in een nauwe affectieve relatie staat bij het ongeval is gedood of verwond. Hierdoor ontstane schade komt slechts op grond van het bepaalde in art. 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, BW voor vergoeding in aanmerking indien het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.18

45. Het oordeel van het hof dat er geen aanknopingspunten zijn voor shockschade geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, terwijl het toereikend is gemotiveerd. Uit de stukken van het geding, in het bijzonder het voegingsformulier en de bijbehorende stukken van de benadeelde partij [betrokkene 1] , blijkt immers niet dat bij haar sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, zodat het hof zulks evenmin in rechte kon vaststellen.19

46. De klacht dat het hof heeft miskend dat er geen grond bestaat voor vergoeding van immateriële schade op grond van art. 6:106, eerste lid, onder a, BW faalt eveneens. Het hof heeft vastgesteld dat uit de stukken in het dossier niet kan blijken dat het handelen van de verdachte op het toebrengen van leed en verdriet aan de benadeelde partij was gericht. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, terwijl het toereikend is gemotiveerd. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat art. 6:106, eerste lid, onder a, BW in beeld komt als de aangesprokene zich ten doel heeft gesteld aan een ander immaterieel nadeel toe te brengen. Als voorbeeld wordt gegeven de dader die onder invloed van emoties, opgewekt door het verbreken van een relatie, zijn (gewezen) partner tracht te treffen door het vernielen van een zaak waaraan voor deze partner affectiewaarde is verbonden.20 Langemeijer wijst erop dat van vergoeding van immateriële schade op grond van art. 6:106, eerste lid, onder a, BW slechts in een uitzonderlijk geval sprake is en noemt in dit verband een zaak waarin een vader zijn kind doodde met het oogmerk hierdoor aan de moeder van het kind geestelijk letsel toe te brengen.21 Gelet op het voorafgaande lijkt mij voor vergoeding van immateriële schade op deze grond niet voldoende te zijn dat, zoals de steller van het middel naar voren brengt, in zijn algemeenheid geldt dat “wie de zoon van een moeder doodt, noodzakelijkheidsbewustzijn [heeft] op het teweegbrengen van leed en verdriet bij diens moeder”.

47. Het middel faalt.

48. De namens de verdachte voorgestelde middelen falen. Het eerste, tweede en derde middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Ook het namens de benadeelde partij [betrokkene 1] voorgestelde middel faalt en leent zich voor afdoening met toepassing van art. 81, eerste lid, RO.

49. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

50. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Pleitnota, p. 121.

2 Zie in dit verband bijv. HR 18 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3302, rov. 3.3.

3 Vgl. in dit verband – ten aanzien van het verzoek tot het doen van nader persoonlijkheidsonderzoek – onderdeel 20 van de conclusie van mijn ambtgenoot Aben voor HR 12 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:632 (HR: art. 81 RO) en – ten aanzien van het verzoek tot het horen van een deskundige – onderdeel 21 van mijn conclusie voor HR 24 maart 2015, nr. 13/03530 (niet gepubliceerd).

4 Met weglating van voetnoten.

5 Vgl. onder meer HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma. Zie ook het arrest van de Hoge Raad in de ‘Zes van Breda’: HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3189, rov. 3.

6 Zie ten aanzien van gevallen waarin medeplegen niet bestaat in een gezamenlijke uitvoering in het bijzonder HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3637, NJ 2015/391 m.nt. Mevis, rov. 3 en HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390 m.nt. Mevis, rov. 3. Zie voorts HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718, NJ 2015/395 m.nt. Mevis, rov. 3.2, HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716, rov. 3.2 en HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:713, rov. 3.2. Vgl. voorts HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1323, NJ 2016/412, rov. 3, HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1321, NJ 2016/420, rov. 3 en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1315, NJ 2016/413, rov. 3. Zie nader J. de Hullu, Materieel strafrecht, zesde druk, Deventer: Kluwer 2015, p. 453-467.

7 Vgl. De Hullu 2015, p. 463-467 en onderdeel 4.7 van de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge voor HR 8 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:882.

8 Anders dan bijvoorbeeld in HR 8 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:382.

9 In HR 26 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1348 was de rolverdeling bij de levensberoving van het slachtoffer evenmin duidelijk geworden. De middelen gingen op dit aspect evenwel niet in.

10 HR 14 oktober 2003, NJ 2005/183.

11 Zie in dit verband de onderdelen 10 t/m 12 van mijn conclusie voor HR 26 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2485.

12 HR 28 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:3022.

13 Zie in dit verband de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge voorafgaand aan HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1964, NJ 2014/514.

14 Vgl. in dit verband ook HR 12 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS2769, NJ 2005/577 m.nt. Mevis en HR 21 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2957 (HR: art. 81.1 RO).

15 HR 28 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:3022.

16 HR 15 april 1986, NJ 1986/740.

17 Vgl. HR 12 december 1989, NJ 1990/408.

18 HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2201, NJ 2017/88 m.nt. Lindenbergh en HR 4 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2241, NJ 2017/89 m.nt. Lindenbergh. Zie ook HR 22 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5356, NJ 2002/240 m.nt. Vranken.

19 Zie voor voorbeelden waarin wel in rechte kon worden vastgesteld dat sprake was van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2201, NJ 2017/88 m.nt. Lindenbergh, rov. 3.5 en HR 4 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2241, NJ 2017/89 m.nt. Lindenbergh, rov. 3.4.

20 C.J. van Zeben en J.W. du Pon (red.), Parlementaire geschiedenis van het Nieuwe Burgerlijk Wetboek. Boek 6. Algemeen gedeelte van het verbintenissenrecht, Deventer: Kluwer 1981, p. 378 en 380.

21 F.F. Langemeijer, Het slachtoffer in het strafproces, Deventer: Kluwer 2010, p. 156-157 onder verwijzing naar HR 26 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2775, NJ 2002/216 m.nt. Vranken. In de uitspraak valt te lezen dat de man bij de politie had verklaard dat hij “het gevoel [had] dat hij naar C. en B. [zijn zoon] kon fluiten. Ik wilde hun nu het gevoel geven dat ze naar B. konden fluiten”.