Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:273

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
06-02-2018
Datum publicatie
03-04-2018
Zaaknummer
17/00263
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:489
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Medeplegen woningoverval. Falende middelen over gebruik voor bewijs van verklaring getuige die verdediging niet heeft kunnen ondervragen, niet ambtshalve horen van personen als getuige en afwijking uos m.b.t. betrokkenheid verdachte bij overval. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 16/05323, 16/05509, 16/05534 en 17/01703.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/00263

Mr. A.J. Machielse

Zitting: 6 februari 2018 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[verdachte] 1

1. Het gerechtshof Amsterdam heeft verdachte op 26 oktober 2016 voor 1 primair: diefstal, voorafgegaan van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar. Voorts heeft het hof vorderingen van benadeelde partijen toegewezen en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd zoals nader in het arrest omschreven.

2. Mr. G.W.B. Meijers, advocaat te Amsterdam, heeft cassatie ingesteld. Mr. P.H.L.M. Souren, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden houdende drie middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel klaagt dat het hof de belastende verklaring van getuige [getuige] , het enige bewijsmiddel waaruit rechtstreekse betrokkenheid van verdachte bij het bewezenverklaarde zou kunnen blijken, voor het bewijs heeft gebezigd zonder dat de verdediging de gelegenheid heeft gehad deze getuige te ondervragen en eveneens zonder dat er sprake is van compensatie voor dit gebrek.

3.2. Het hof heeft bewezenverklaard dat:

"hij op 18 februari 2014 te Amstelveen, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

- een aantal foto's en

- een familieboek en

- een mobiele telefoon (Samsung Galaxy Note II) en

- een bankpas van ING en

- een kentekenbewijs deel II behorende bij een Suzuki Splash en

- een of meer paspoorten op naam gesteld van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en

- een hoeveelheid sieraden en

- een schoudertas en

- geldkistjes met daarin gulden munten en

- een Orde van Oranje Nassau op naam van [betrokkene 2] en

- een consoleklok in boulle-stijl en

- een schilderij van Matthijs Schoevaerdts (Spaans landschap met kerk) en

- schilderijen van Frans van Severdonck (Dieren in landschappen) en

- een schilderij van Arnold Marc Gorter (Bebost landschap) en

- een schilderij van Isaac Israels (Bois de Boulogne) en

- een schilderij van L. Barberini (Zuid-Europese marktscène) en

- een schilderij van J. Bosboom (Kerkinterieur met figuren) en

- een beeld van gekleurd glas (gemaakt door [betrokkene 3] ) en

- een collectie judaica zilver (ter waarde van 150.000 euro) en

- een cameoglazen vaasje van Emile Galle en

- een Hollandse geelkoperen Chanoeka lamp en

- een schildpad parelmoer en een zilveren besnijdenisdoos en

- een zilveren filigrein bruidskistje en

- een rococo bronzen Menora en

- een stel zilveren tafelkandelaars (middelhoog model) en

- zilveren bekertjes en schaaltjes en

- een collectie van 11 grote stuks zilveren speelgoed en

- een collectie van 26 kleine stuks zilveren speelgoed en

- grote zilveren sauskommen (met elk twee oren) en

- antieke zilveren breipenhouders en

- een zilveren lepeldoos (met oud-Hollands reliëfdecor) en

- een zilveren antiek gegraveerde Chanoeka reiskandelaar en

- een 3-delig achtkantig peper- en zout-mosterdstelletje met blauwglazen binnenbakjes en

- een zilveren Hollands pepermuntdoosje en

- een Hollands Empire kristallen mosterdpot en

- zilveren speelgoed (te weten een kruiwagentje van G. Haspel te Antwerpen) en

- zilveren vaasvormige tafelstrooiers en

- een zilveren baluster tafelstrooier (met greep) en

- een zilveren gecontourneerd ovalen bonbonschaaltje en

- een zilveren achtkantige trommel (neo barokstijl met reliëfdecor van figuren) en

- een zilveren schuitvormig dienblad (Louis XVI stijl) en

- een zilveren bonbonmandje (Louis XVI stijl) en

- zilveren tafelkandelaars en

- zilveren gecontourneerde baluster tafelkandelaars en

- 7 zilveren en pleet bekers (enkele met Hebreeuwse teksten) en

- zilveren tafelkandelaars (laag model) en

- een 5-delig Rouaan aardewerk polychroom kaststel en

- een personenauto (Suzuki Splash [AA-00-BB] ),

toebehorende aan [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] , welke diefstal werd voorafgegaan van geweld en bedreiging met geweld tegen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en bedreiging met geweld hierin bestonden dat een of meer van zijn mededaders [betrokkene 1]

- van achteren bij haar nek hebben beetgepakt en

- een arm om haar nek hebben gelegd en

- een hand op haar mond hebben gedrukt en

- haar de woning in hebben gesleurd en

- de trap op hebben gesleurd en

- hebben gezegd dat ze op haar knieën moest gaan zitten en "werk nou maar mee, anders doen we je man wat aan" en

- haar polsen en enkels en bovenlichaam met tape hebben vastgebonden en

- hebben gevraagd of ze een kluis had en

- op haar knieën naar de kluis hebben getrokken en

- hebben gezegd dat als het niet lukte met de code ze haar man verrot zouden slaan en [betrokkene 2]

- hebben vastgepakt en

- zijn polsen en enkels met tape hebben vastgebonden en

- een sprei over zijn hoofd hebben gedaan en

- hebben gezegd: "doe jij nou maar rustig anders doen wij jouw vrouw wat aan".

3.3. Het hof heeft in zijn verkort arrest ruime aandacht besteed aan de bewijsconstructie en zijn redenering opgetekend in uitgebreide bewijsoverwegingen. Ik kom daarop terug maar bespreek eerst de gebezigde bewijsmiddelen. De eerste 10 bewijsmiddelen betreffen verklaringen van de slachtoffers en overzichten van de voorwerpen die gestolen zijn. Een gedeelte van de buit is blijkens bewijsmiddel 7 en 8 terug gevonden bij een zus van medeverdachte [medeverdachte 3] . Bewijsmiddel 10 bevat een verklaring van [medeverdachte 3] over wat medeverdachte [medeverdachte 1] hem vertelde. [medeverdachte 3] zegt onder meer:

“ [medeverdachte 1] kreeg iets te horen dat er ergens wat te halen viel. Dat zou dan een klus zijn in Amstelveen. Volgens mij krijgt [medeverdachte 1] die info van een persoon die hij kent.

[medeverdachte 1] gaat bij iemand op bezoek in de bajes. [medeverdachte 1] vertelde mij dat hij er al een tijd mee bezig was.

Het kon maar op één manier. [medeverdachte 1] vertelde mij dat er waardevolle spullen waren, dat het zou zijn in de buurt van Amstelveen. Het betrof een huis met weinig buren en het huis zou groot zijn. [medeverdachte 1] vertelde dat het ging om sieraden en zilverwerk. (...) De derde persoon kende de mensen die zijn overvallen. De derde persoon en de slachtoffers stonden heel dicht bij elkaar qua relatie. (...) [medeverdachte 1] kreeg vervolgens van die derde persoon te horen dat het nu echt moest gaan gebeuren. De strekking was dat we niet lang meer konden wachten met de overval. De derde persoon wist waar de slachtoffers zich mee bezig hielden. Hij kende enigszins de dagelijkse bezigheden van de slachtoffers. (...) Vervolgens kwam de derde persoon met een koper, volgens [medeverdachte 1] . Die had een breder netwerk maar dan moest er sprake zijn van geduld.”

Bewijsmiddel 11 is een verklaring van verdachte ter terechtzitting van het hof op 29 september 2016 afgelegd, luidende:

"In 2012 zat ik gedetineerd in de Demersluis te Amsterdam (het hof begrijpt: De Bijlmerbajes). Mijn vrouw (het hof begrijpt: [betrokkene 3] ) pleegde zelfmoord. Mijn schoonzus heeft een dag na haar overlijden alle kostbaarheden uit ons huis gehaald. Toen mijn dochter ging trouwen, wilde ik haar de ring van mijn vrouw schenken. De schoonfamilie ontkende dat zij de ring in hun bezit hadden. De schoonfamilie heeft er ook voor gezorgd dat ik niet bij de begrafenis aanwezig mocht zijn. Ik ben heel slecht behandeld door hen. Ik was woedend. [medeverdachte 1] en ik hadden in die tijd hetzelfde luchtmoment. Wij raakten met elkaar aan de praat en werden vrienden. Ik heb hem mijn verhaal verteld. Wij hebben er in detentie over gefilosofeerd de spullen die van mij waren terug te halen bij mijn schoonouders. Tijdens zijn bezoeken aan mij in de PI in Almere, toen hij vrij was, kwam het weer ter sprake."

Bewijsmiddel 13 bevat de verklaring van [medeverdachte 1] waarin hij zegt dat hij in 2013 de intentie had om in te breken bij de familie [van betrokkene 1] , maar dat hij tot de conclusie kwam dat inbreken vanwege de goede beveiliging onmogelijk was. [medeverdachte 1] had een hooglopend financieel conflict met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] die nog geld van hem tegoed hadden. [medeverdachte 1] heeft in een aantal gesprekken gezinspeeld op het te gelde maken van de gestolen schilderijen.

Bewijsmiddel 17 bevat een verklaring die [getuige] tegen de politie heeft afgelegd. Deze verklaring heeft de volgende inhoud:

" [verdachte] gaf na enige tijd toe dat de bejaarde mensen bij wie de overval was gepleegd zijn schoonouders betroffen. Gaandeweg ging [verdachte] mij - beetje bij beetje - meer vertellen over de overval. Hij vertelde dat de overval op zijn initiatief was gepleegd. Hij vertelde dat er veel van hem gejat werd. Zijn schoonouders zouden na de zelfmoord van zijn vrouw [betrokkene 3] veel meer spullen hebben gekregen dan hij. Hij zag daarom geen andere optie meer dan deze overval. [verdachte] vertelde mij ook dat hij eigenlijk wilde dat het een inbraak zou worden, maar dat dat niet kon, zodat het maar een overval moest worden. [verdachte] vertelde mij ook dat er een Utrechtse jongen betrokken is bij de overval. Het gaat om een blanke jongen die vaker bij hem op bezoek komt in de PI Almere en met wie [verdachte] vast heeft gezeten in de Bijlmer (het hof begrijpt: [medeverdachte 1] )."

In een afgeluisterd telefoongesprek tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] (bewijsmiddel 18) refereert [medeverdachte 1] aan het voorstel van verdachte, waarover verdachte zelf ook in bewijsmiddel 12 spreekt, inhoudende dat [medeverdachte 1] spullen van verdachte mag ophalen en verkopen en 50% van de opbrengst mag houden om zijn schuldeisers iets aan te kunnen bieden. [medeverdachte 1] heeft het ook over de aflossing van zijn schulden binnen korte tijd door de verkoop van spullen:

“Die spullen komen op internet en ik ga het ook aanbieden aan een soort veilinghuis. Het adres krijg ik van hem als ik op bezoek ben, maar in principe is het de bedoeling om het op internet te zetten weet je (...) Weet je, voor de rest, meer kan ik niet doen jongen Ik heb mezelf verlaagd weet je, ik ben daar naartoe gegaan, ik heb met die man gesproken, hij geeft me deze optie want hij vond het ook wel kut, hij vond het ook wel erg weet je, omdat die zich ook moet indenken dat de dingen die hij zeg maar tegen mij heeft gezegd dat dat niet helemaal zo was snap je, dus hij lost het voor zijn geval op deze manier op. Dat vind ik heel netjes van zijn kant vandaan. Het is niet zo van ja, ik kan nu niets doen en de ballen, begrijp je, dus die man helpt mij. Het wordt nu in gang gezet, eindelijk. Hij moet, die mensen moeten ook begrijpen dat hij binnen zit weet je dat je met maar een twee drie stel op sprong dingen kan regelen en afspreken, begrijp je? (...) Ja. maar ja...bij hun begrijpen toch ook dat iemand...weet je wat het is, dit is eigenlijk al te veel wat ik nu ga zeggen, maar je moet ook begrijpen met als iemand in detentie zit, ja, dat die gewoon niets voor je kan betekenen.”

Bewijsmiddel 24 geeft de inhoud van een gesprek weer dat verdachte en [medeverdachte 1] hebben gevoerd toen [medeverdachte 1] op 24 mei 2014 verdachte in de penitentiaire inrichting bezocht:

“Z: Trouwens, als je (...) een beetje antiekrommel heb dan heb ik daar mogelijk een goede koper voor ..ntv.. uitgeleverd aan Italië maar ... daar is die gewoon king of the bill. Hij heeft referenties die we kunnen controleren... ntv.. voor antiek en dat soort dingen heeft ie altijd wel interesse in.

K. Ik had laatste nog een paar ... ntv ... schilderijen... ntv... meegenomen weet je.

Z: Ja, die jongen gaat binnen nu, hij staat op het punt om over te leveren aan Italië en dat kan morgen zijn maar dat kan ook over zes weken zijn. Maar je kan hem in Italië ..ntv.. ehh dan is het ehh binnen een paar dagen is het geregeld.

(...)

Z: Ja, dus ik ben wel voor je bezig... alleen het is allemaal lastig.

K: Ja, logisch.

(...)

(p. 1170:1)

Z: Hij zegt... stukken variëren van duizend euro tot een miljoen kan ie verkopen... binnen vierentwintig uur.... (ntv).... hebben we van een paar duizend euro, maar toch weet je (...) en echt ik heb zijn referenties nagetrokken

(....)

Z. Ja nou goed, het is allemaal niet top of the bill maar hij betaalt wat het waard is... minus een bonus voor hemzelf.

K: Dat is logisch

Z: Ja toch. Dus laten we zeggen als iets duizend euro waard is dan krijg je er zevenhonderdvijftig euro voor.”

Op 24 mei 2014 stuurt [medeverdachte 1] een sms naar [medeverdachte 2] (bewijsmiddel 25) waarin hij schrijft dat "de hogere hand" er mee bezig is en dat alles goed komt.

In bewijsmiddel 26 klaagt [medeverdachte 1] tegenover [betrokkene 4] over het gedrag van anderen die het geld bij [medeverdachte 1] willen komen halen klaarblijkelijk omdat er te weinig geld in de kluis lag. [medeverdachte 1] zegt dan dat hij de tipgever niet is, maar alleen namens de tipgever spreekt.

In een ander heimelijk opgenomen in een auto gevoerd gesprek (bewijsmiddel 27) zegt [medeverdachte 1] tegen Arbeider:

“K: (...) Helemaal omdat die [verdachte] ook heb zegt over ehh, hij heeft een paar dingen tegen mij gezegd snap je wat ik bedoel? (...) En hij heeft gezegd over zeven weken ..ntv.. Italiaanse maffia weet ik veel wat, die koopt die schilderijen, het glaswerk, kunst, alles. Hij zegt als het duizend euro waard is, krijgje zes meier zegt ie... snap je ..ntv.. schilderijen (...)

K: Nee, natuurlijk niet. Daarom zeg ik ook als die schilderijen verkocht, krijgen hun ook gewoon netjes hun geld, dan is het gewoon klaar en dan ben ik ook van hun af ..ntv.. met iedereen een schone lei.”

Op 27 mei 2014 komt de overval ter sprake in het tv-programma Opsporing Verzocht (bewijsmiddel 28). Ruim een uur daarna voert [medeverdachte 1] weer een gesprek met [betrokkene 4] . [medeverdachte 1] zegt daarin:

"ntv.. het enigste wat ik kan doen .ntv.. Schilderijen aangeboden. Een goeie vriend van me.. ..ntv.. zijn schoonouders ..ntv.. Spullen aan hun overhandigen.. ..ntv.... Dan komen hun toch aan de deur ..ntv.."

[medeverdachte 1] heeft het over een straf van minimaal zes jaar voor zo'n overval. Verder laat [medeverdachte 1] in dat gesprek blijken dat hij zint op een oplossing waarmee hij ook in één keer van zijn schuldeisers af is. Zij kunnen de schilderijen niet kwijt, maar [medeverdachte 1] wel.

Bewijsmiddel 29 houdt ook weer een afgeluisterd gesprek in waaraan [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [betrokkene 4] deelnemen. Zij spreken over de noodzaak zich gedeisd te houden en over wat hen te doen staat. Zij zijn bezorgd over de aandacht voor de zaak. [medeverdachte 1] zegt:

"Het komt allemaal door die kankerflikkers, begrijp je dat gestress, dat gebel aan de telefoon, dat gepraat, dat geouwehoer, en geuitleg jongen. Voor het zelfde geld zit ik al een hele tijd onder die tap. Je weet zelf dat ik met die [verdachte] in contact sta."

En in bewijsmiddel 30, weer een afgeluisterd gesprek gevoerd tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] , zegt [medeverdachte 1] :

" ..ntv.. ik wou zeggen, hoe heet het weet je . .ntv.. gewoon minimaal ..ntv.. geld ..ntv.. je weet zelf natuurlijk ..ntv.. weet je ..ntv.. die verhalen van [verdachte] wat ie tegen mij heeft gezegd ..ntv.. geld komen halen, daarop acteren. En hij had ook tegen mij gezegd er moet minimaal een rug of dertig minimaal..ntv.. geld dat hij altijd in huis had. Dat is gewoon vast. Dat zei die tegen mij. Dus je gaat al van dertig ruggen uit'. Nou, dan ga je van tachtig ruggen aan sieraden uit. Dat is dan alleen al zogenaamde ringen, zestig, zeventig ruggen waard moet zijn. Nou goed ntv die ntv schilderijen zijn van later orde., ntv.. een paar maanden gaan duren, maar omdat het allemaal tegen heb gezeten en niet loopt, je hebt met derde en vierde partijen te maken, dat alles snel snel snel moet. Dan., in principe ..ntv.. ook al sta je er zelf wel achter en hou je in je achterhoofd vannehh...dat hij ook had voorgegeven vannehh... weet je waarschijnlijk kopen ze het wel terug zulk mensen zijn het wel ..ntv.. emotionele waarde. Weet je, met die gedachte was dat een drijfveer. Op die drijfveer ga je verder. (...) Dus dat maakt niet uit, weet je. (...) ...ntv...hij heeft tegen mij gezegd, [verdachte] , binnen zeven tot acht weken komt iemand hier vanuit Italië vandaan. Die man neemt alles... ntv.. bij wijze van spreken een rug waard is betaalt ie...ntv.. weet je? Als wat het waard is daar ..ntv. (...) Even rustig... eigenlijk in principe inderdaad. ..ntv.. in principe de enige persoon ..ntv.. simpel is het. En dat ik in contact sta met die [verdachte] . Telefoon ..ntv.. hier en daar toch afgetapt. Kijk, telefoon wordt sowieso nooit gesproken, maar ja, je zit wel onder een vergrootglas, begrijp je wat ik bedoel? Dus als ze bij iemand uit zouden kunnen komen.”

In bewijsmiddel 32 is een heimelijk afgeluisterd gesprek dat [medeverdachte 1] voert met een onbekende weergegeven. [medeverdachte 1] maakt zich grote zorgen want [betrokkene 4] is aangehouden naar aanleiding van een uitzending van Opsporing Verzocht. [medeverdachte 1] wijst erop dat hij ook in contact staat met die andere, die grote man die vastzit.

3.4. In zijn arrest heeft het hof bewijsoverwegingen opgenomen waarin het hof refereert aan de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen en daaraan een uitleg geeft. Het hof overweegt daaraan voorafgaand::

"Voor het vaststellen van de rol van de verdachte - en die van de medeverdachten - in relatie tot de woningoverval op 18 februari 2014 is het volgende van belang.

In het dossier bevinden zich afgeluisterde telefoongesprekken, OVC-gesprekken opgenomen in de auto van [medeverdachte 1] en OVC-gesprekken opgenomen tijdens bezoekmomenten van [medeverdachte 1] bij de verdachte in de gevangenis Het hof kent aan deze gesprekken een grote bewijswaarde toe. Deze gesprekken vinden steun in meerdere verklaringen. Alle gesprekken, verklaringen en onderzoeksbevindingen die bijdragen aan de conclusie van het hof dat de verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] bij de overval betrokken zijn geweest, zijn opgenomen in de bewijsmiddelen die als bijlage bij dit arrest zijn gevoegd of als zodanig benoemd in deze bewijsoverweging."

De inhoud van de afgeluisterde telefoongesprekken en conversatie tussen betrokkenen leveren volgens het hof een belangrijke aanwijzing op voor de betrokkenheid van verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] bij de overval. Volgens het hof kan er van uit worden gegaan dat [medeverdachte 1] in die gesprekken de waarheid heeft verteld. Met verschillende gesprekspartners, met wie [medeverdachte 1] geen conflict had, heeft hij gesproken over verdachte. [medeverdachte 1] ging ervan uit dat hij in de autogesprekken kon voeren zonder te worden afgeluisterd en daarom vrijuit kan spreken. Aanvankelijk kende hij evenmin terughoudendheid in de telefoongesprekken.

3.5. Onder het hoofd "De rol van de verdachte" is het hof nagegaan of de sterke aanwijzing voor de betrokkenheid van verdachte bij de overval steun vond en heeft in dat verband het volgende overwogen:

"Het hof vindt die bevestiging ten eerste in de verklaring van [medeverdachte 3] van 18 juni 2014. Deze houdt in dat [medeverdachte 1] hem benaderde voor een klus in Amstelveen. Het zou daarbij moeten gaan om een overval omdat inbreken met mogelijk was gebleken. Volgens [medeverdachte 3] vertelde [medeverdachte 1] hem dat hij informatie kreeg van een derde persoon die op de hoogte was van de dagelijkse bezigheden van de slachtoffers en die dicht bij de slachtoffers stond wat betreft de relatie. Deze persoon heeft - zo verklaarde [medeverdachte 3] – er op een gegeven moment bij [medeverdachte 1] op aangedrongen dat de overval nu echt moest gaan plaatsvinden [medeverdachte 1] had contact met deze persoon. [medeverdachte 3] zegt bij deze persoon nooit op bezoek te zijn geweest "anders had ik wel op de bezoekerslijst gestaan”; het hof begrijpt hieruit dat de derde persoon gedetineerd zat. In combinatie met de overige uitspraken over de derde persoon, concludeert het hof dat met deze persoon de verdachte wordt bedoeld.

Het hof vindt voorts bevestiging van de betrokkenheid van de verdachte bij de overval in de verklaring van [getuige] , een ex-medegedetineerde van de verdachte. [getuige] heeft op 5 juni 2014 aan de politie verklaard dat verdachte hem in de penitentiaire inrichting heeft verteld dat de woningoverval op zijn initiatief was gepleegd.

Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van deze verklaring hecht het hof waarde aan het feit dat [getuige] niets met de onderhavige zaak te maken heeft en geen kenbaar eigen belang of ander motief heeft voor hef afleggen van deze voor de verdachte belastende verklaring. Voorts kent het hof gewicht toe aan het feit dat hij zijn verklaring aflegde voordat er in het onderzoek aanhoudingen waren verricht. [getuige] kan dus geen enkele kennis van het dossier hebben gehad op het moment dat hij zijn verklaring aflegde.

Evenmin is gebleken dat hij contacten had met andere betrokkenen in deze zaak dan de verdachte. Zijn verklaring bevat details die later in het onderzoek zijn bevestigd. [getuige] verklaarde bijvoorbeeld dat de verdachte hem vertelde dat zijn schoonouders na de zelfmoord van zijn vrouw [betrokkene 3] meer spullen hadden gekregen dan hij, dat hij eigenlijk wilde dat het een inbraak zou worden maar dat dit niet kon zodat het maar een overval moest worden en dat een Utrechtse jongen, die hem opzocht in de PI Almere en met wie hij in het verleden gedetineerd heeft gezeten in de Bijlmer, betrokken was bij de overval.

Dit komt geheel overeen met de verklaring van [medeverdachte 3] , met de afgeluisterde gesprekken zoals hierboven weergegeven en op onderdelen met wat [medeverdachte 1] en de verdachte zelf hebben verklaard. [medeverdachte 1] is een ‘Utrechtse jongen’. Het hof acht de verklaring van [getuige] voldoende betrouwbaar om voor het bewijs te gebruiken. Dat de verklaring van [getuige] op een aantal onderdelen geen bevestiging vindt in het dossier maakt dit oordeel niet anders.

Dat de verdediging niet in de gelegenheid is geweest [getuige] (effectief) te ondervragen staat aan het gebruik van diens belastende verklaring voor het bewijs overigens niet in de weg, nu die verklaring zoals hiervoor is overwogen voldoende verankering vindt in de verklaring van [medeverdachte 3] en in de overige gebezigde bewijsmiddelen en niet van doorslaggevend belang is voor het oordeel van het hof dat tot bewezenverklaring kan worden gekomen.

Het hof gaat er op grond van al het voorgaande en op grond van de bewijsmiddelen van uit dat de verdachte de initiatiefnemer van de overval is geweest, dat hij de plannen voor de overval samen met [medeverdachte 1] heeft gemaakt, en daarbij belangrijke informatie over de woning, de buit en de bewoners met hem heeft gedeeld. De verdachte heeft op enig moment [medeverdachte 1] erop gewezen dat de overval daadwerkelijk moest gaan plaatsvinden en dat daarmee niet langer gewacht kon worden. De verdachte heeft zich blijkens de inhoud van de OVC-gesprekken nadien actief bemoeid met het vinden van een koper voor de gestolen (kunst)voorwerpen en [medeverdachte 1] geholpen met het oplossen van een financieel conflict met de uitvoerders van de overval door het voor [medeverdachte 1] mogelijk te maken geld te verdienen aan de verkoop van zijn, verdachtes’, spullen.

Het hof komt tot de conclusie dat ten aanzien van de verdachte bewezen is de hem ten laste gelegde woningoverval gepleegd door twee of meer verenigde personen. Hoewel hij zelf geen van de uitvoeringshandelingen heeft verricht, heeft hij daarbij een intellectuele en materiële rol van zodanig gewicht gespeeld, dat zijn rol (veel) groter is dan die van een medeplichtige. Hij heeft met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] deel uitgemaakt van een doelgerichte dadergroep. Dat hij daarbij gedetineerd was doet daaraan niet af. Het hof merkt de verdachte dan ook aan als mededader van de overval.

De gevoerde verweren van de verdediging worden verworpen."

3.6. Op 6 februari 2015 is [getuige] als getuige bij de rechter-commissaris verschenen. Hij weigerde vragen van de verdediging te beantwoorden omdat zijn vriendin in Polen werd bedreigd, vermoedelijk vanwege de verklaring die hij bij de politie had afgelegd. Ook in hoger beroep is geprobeerd [getuige] te bereiken. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 29 september 2016 houdt dienaangaande het volgende in:

"Na beraad in raadkamer deelt de voorzitter als overwegingen en beslissing van het hof het volgende mede:

(...)

De dagvaarding van de getuige [getuige] is aan de griffier uitgereikt omdat van de getuige geen adresgegevens bekend zijn. De getuige is voor alle zittingsdagen opgeroepen, maar is tot nu toe zonder bericht weggebleven. Volgens informatie van SKDB is de getuige sinds 6 februari 2014 niet meer woonachtig in Nederland en vertrokken naar een onbekende bestemming. [getuige] heeft de Poolse nationaliteit en heeft bij de politie verklaard dat hij na zijn detentie terug wilde naar Polen. De raadsheer-commissaris heeft door middel van een rechtshulpverzoek aan Polen getracht het huidige verblijfsadres van [getuige] in Polen te achterhalen. Op 13 september 2016 heeft het kabinet raadsheer-commissaris het bericht uit Polen ontvangen dat de getuige onvindbaar is. Het hof acht het bij die stand van zaken onaannemelijk dat de getuige binnen aanvaardbare termijn alsnog ter terechtzitting zal verschijnen. Het hof ziet daarom bij het niet verschijnen van de getuige op één van de komende zittingsdagen af van de hernieuwde oproeping van de getuige."

3.7. Op 4 juli 2017 heeft de Hoge Raad een aantal arresten gewezen over één aspect van een eerlijk proces, te weten het recht om getuigen te doen oproepen en te ondervragen, en de consequenties die de onmogelijkheid dat recht uit te oefenen kan hebben voor het gebruik van een eerder door die getuige afgelegde verklaring. Daartoe heeft de Hoge Raad zich gebogen over de uitleg van de uitspraak van het EHRM in de zaak Schatschaschwili tegen Duitsland.2 In een van die arresten overwoog de Hoge Raad:

"3.2.1. Een door enig persoon in verband met een strafzaak afgelegde en de verdachte belastende of ontlastende verklaring, zoals die onder meer kan zijn vervat in een ambtsedig proces-verbaal, wordt ingevolge de autonome betekenis welke toekomt aan de term 'witnesses/témoins' in art. 6, derde lid aanhef en onder d, EVRM, in het perspectief van het EVRM aangemerkt als verklaring van een getuige als aldaar bedoeld. Op grond van die verdragsbepaling heeft de verdediging aanspraak op een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om getuigen in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen. De omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van die mogelijkheid, staat niet eraan in de weg dat een door een getuige afgelegde verklaring voor het bewijs wordt gebezigd, mits is voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, in het bijzonder doordat de bewezenverklaring niet in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd dan wel - indien de bewezenverklaring wel in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd - het ontbreken van een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om de desbetreffende getuige te ondervragen in voldoende mate wordt gecompenseerd.

3.2.2. Voor de beantwoording van de vraag of de bewezenverklaring in beslissende mate steunt op de verklaring van - kort gezegd - een, ondanks het nodige initiatief daartoe, niet door de verdediging ondervraagde getuige, is van belang in hoeverre die verklaring steun vindt in andere bewijsmiddelen. Het benodigde steunbewijs moet betrekking hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die de verdachte betwist. Of dat steunbewijs aanwezig is, wordt mede bepaald door het gewicht van de verklaring van deze getuige in het licht van de bewijsvoering als geheel.

3.2.3. Voor de in cassatie aan te leggen toets of de bewijsvoering voldoet aan het hiervoor overwogene, kan van belang zijn of de feitenrechter zijn oordeel hieromtrent nader heeft gemotiveerd. In het algemeen geldt dat voor de beoordeling van de vraag of het benodigde steunbewijs aanwezig is, niet kan worden volstaan met een op de betrouwbaarheid van de verklaring van de desbetreffende getuige toegesneden overweging." 3

3.8. In deze zaak verwierp de Hoge Raad het cassatieberoep omdat het oordeel van het hof dat de betrokkenheid van verdachte in voldoende mate steun vond in andere bewijsmiddelen geen blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk was, waarbij de Hoge Raad in het bijzonder wees op de telecomgegevens met betrekking tot het telefoonnummer van verdachte, inhoudende dat verdachte in de uren voorafgaand aan de overval meermalen telefonisch contact heeft gehad met het telefoonnummer van een medeverdachte en dat zij ook kort voor de overval met die medeverdachte contact heeft gezocht, welke medeverdachte zich op dat moment in de onmiddellijke omgeving van het adres van aangever bevond.

3.9. In de onderhavige zaak heeft het hof zeer uitvoerig de bewijsbeslissing verantwoord en uitgelegd hoe het hof op het voorhanden bewijsmateriaal de bewezenverklaring heeft gebouwd. De verklaring van [getuige] maakt deel uit van de bewijsconstructie en heeft het voordeel dat zij duidelijk, coherent en compact is. Het hof heeft niet onbegrijpelijk geoordeeld dat deze verklaring voldoende steun vindt in meerdere andere bronnen die het hof in zijn arrest heeft aangewezen. Reeds op basis van die andere bronnen, hoofdzakelijk bestaande in afgeluisterde telefoongesprekken en OVC-gesprekken kan de betrokkenheid van verdachte al overtuigend worden aangenomen.

Het middel faalt.

4.1. Het tweede middel klaagt dat het hof in strijd met de rechtspraak van het EHRM heeft nagelaten ambtshalve [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 4] als getuige te horen. De steller van het middel verwijst in dit verband naar de uitspraken van het EHRM in de zaak Manoli vs. Moldavië.4

4.2. Ik stel voorop dat doorgaans de rechtspraak van het EHRM zich concentreert op de vraag of in het voorgelegde geval de voorschriften van het EHRM en daarbij behorende protocollen zijn nageleefd, bij welke toetsing juist de omstandigheden van het voorgelegde geval zwaar wegen. Dat geldt ook voor de zaak Manoli.

Politieman Manoli werd beschuldigd van mishandeling van twee gearresteerde verdachten, gepleegd tezamen met een andere politieambtenaar. Omdat beide gearresteerden enkel wezen op de andere politieambtenaar verviel de aanklacht tegen Manoli. Maar deze aanklacht werd korte tijd nadien weer gereanimeerd. Getuigen verklaarden dat beide beweerde slachtoffers zich verzetten tegen arrestatie, waarop de politiemensen geweld gebruikten om hen te kunnen aanhouden en meenemen. Beide gearresteerden waren onder invloed. Op het politiebureau zou tegen de aangehouden verdachten weer geweld zijn gebruikt. De verdenking tegen Manoli kwam op losse schroeven te staan toen een van de gearresteerden ter terechtzitting in eerste aanleg eerst verklaarde dat Manoli ook geweld had gebruikt en vervolgens zei dat Manoli geen geweld had gebruikt (§ 10). De rechtbank oordeelde dat het geweld dat gebruikt was bij de arrestatie gerechtvaardigd was en dat het geweld op het politiebureau enkel door de andere politieman was gepleegd. Manoli werd vrijgesproken (§ 11). Het OM ging in appel. Het hof veroordeelde Manoli wel, zonder verdachten, slachtoffers of getuigen te horen. Het Hof baseerde zich op het eerste deel van de verklaring van eerste aanleg van een van de slachtoffers, waarin was opgenomen dat op het politiebureau ook Manoli geweld had gebruikt. Het hof zweeg over de daarna gevolgde verklaring, inhoudende dat Manoli juist geen geweld had gebruikt (§ 12). In cassatie klaagde Manoli over schending van het eerste lid van artikel 6 EVRM. De cassatierechter verwierp het beroep, kort gezegd omdat de verdediging te weinig weerwerk tegen de verklaring van het slachtoffer had geleverd (§ 14).

Het EHRM wijst erop dat het Moldavische Wetboek van strafvordering voorschrijft dat de appelprocedure de algemene regels voor het onderzoek in eerste instantie volgt. Het hoogste gerechtshof van Moldavië heeft bovendien beslist dat, gelet op artikel 6 EVRM, de appelrechter na een vrijspraak in eerste aanleg geen veroordeling kan uitspreken zonder de beschuldigde te hebben gehoord of zonder het bewijs zelf te hebben beoordeeld. Volgens Manoli had de appelrechter zelf verdachte, de slachtoffers en getuigen moeten horen voor dat gerecht kon toekomen aan de vernietiging van de vrijspraak. Het EHRM stelde vast dat de appelrechter die een zaak moet beoordelen wat betreft de feitelijke en juridische vraagpunten, en de kwestie van schuld of onschuld moet beslissen het bewijs direct zal moeten toetsen (§ 26). De verdenking tegen Manoli was enkel gebaseerd op de verklaring die de gearresteerde verdachte in eerste aanleg heeft afgelegd. Daarvoor bestond er geen enkele verdenking (§ 28). De verklaringen van de gearresteerden van eerste aanleg waren niet consistent. De appelrechter onderzocht niet zelf opnieuw de gebeurtenissen, hoorde verdachten en getuigen niet opnieuw, maar baseerde zich enkel en alleen op de verklaring van één van de gearresteerden in eerste aanleg afgelegd. De appelrechter legde geen verantwoording af voor deze keuze (§ 30). De werkwijze van de appelrechter ging in tegen de bepalingen van het Wetboek van strafvordering en de aanwijzing van het hoogste gerechtshof. Gelet op wat voor Manoli op het spel stond en de vragen die de appelrechter moest beantwoorden na de vrijspraak in eerste aanleg was een behandeling in hoger beroep zonder een eigen toetsing door de appelrechter niet in overeenstemming te brengen met de eisen van een eerlijk proces (§ 32). Dan overweegt het EHRM:

"The Court considers that those who have responsibility for deciding on the guilt or innocence of an accused ought, in principle, to be able to hear the victims, the accused and the witnesses in person and assess their trustworthiness (see, a contrario, Kashlev v. Estonia, no. 22574/08, §§ 48-50, 26 April 2016). The assessment of trustworthiness is a complex task which cannot usually be achieved merely by reading a record of their words, even more so when only some of the words are taken into consideration. Of course, there are cases where it is impossible to hear someone in person at the trial because, for example, he or she has died, or in order to protect the right of a witness not to incriminate himself or herself (see Craxi v. Italy (no. 1), no. 34896/97, § 86, 5 December 2002, and Dan v. Moldova, no. 8999/07, § 33, 5 July 2011). However, that was not the case here."

Artikel 6 EVRM was hier geschonden.

4.3. Een andere uitspraak van het EHRM die in dit verband het bespreken waard is, is het arrest inzake Lorefice vs. Italië.5 Lorefice zou hebben voorgewend dat een door hemzelf veroorzaakte explosie met schade aan het huis van een ander was veroorzaakt door een maffia achtige organisatie en dat hij de eigenaar van de woning kon vrijwaren voor verder ongerief als deze via hem aan deze organisatie een groot geldbedrag zou betalen. De rechter van eerste aanleg sprak verdachte vrij. De verklaringen van de getuigen à charge, van wie er één door de rechter zelf was gehoord, waren volgens de rechter ongeloofwaardig en stonden helemaal op zichzelf. In hoger beroep werd verdachte toch veroordeeld. Het oordeel van het hof van beroep stond lijnrecht tegenover dat van het gerecht van eerste aanleg op het punt van de geloofwaardigheid van de getuigen. In cassatie klaagde verdachte dat het hof van beroep zonder de getuigen zelf te horen een compleet andere waardering van hun verklaringen hanteerde dan de rechter van eerste aanleg. Het cassatieberoep werd verworpen. Het EHRM wees erop dat het hof van beroep tot een andere waardering kwam van de verklaringen van de belastende getuigen zonder deze getuigen zelf te hebben gehoord (§ 42). Om een eerlijk proces te waarborgen had het hof van beroep dat volgens het EHRM wel moeten doen (§ 43). Het EHRM herhaalde zijn overwegingen uit de zaak Manoli, zoals hiervoor aangehaald.

4.4. De verschillen tussen de zaak die thans in cassatie dient en deze beide zaken waarin het EHRM een schending van artikel 6 EVRM aannam springen in het oog. In beide gevallen was verdachte in eerste aanleg vrijgesproken en in hoger beroep veroordeeld. In beide gevallen verschilden de waarderingen van de rechter van eerste aanleg en die van hoger beroep over de betrouwbaarheid van cruciale getuigen hemelsbreed van elkaar. In beide gevallen had het hof van beroep niet de moeite genomen om deze getuigen zelf aan de tand te voelen maar had het volstaan met kennisneming van bestaande verklaringen.

In de onderhavige zaak is verdachte niet in eerste aanleg van de gehele tenlastelegging vrijgesproken. De verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zijn niet direct bezwarend voor verdachte. Wel de verklaringen van [betrokkene 4] , voor zover deze weergeeft wat hij uit de mond van [medeverdachte 1] heeft vernomen. Deze [medeverdachte 1] is in hoger beroep in de zaak tegen verdachte ter terechtzitting van het hof van 29 september 2016 als getuige gehoord. De getuige [betrokkene 4] is de dag daarop als getuige gehoord.

De klacht dat het hof heeft verzuimd om ambtshalve [betrokkene 4] als getuige te horen mist in zoverre feitelijke grondslag dat deze getuige wel degelijk is gehoord. Met betrekking tot de aangevers [betrokkene 1] en [betrokkene 2] mag van de steller van de schriftuur verlangd worden dat hij beargumenteert waarom de zaak Maldoni in deze zaak van belang is, nu deze aangevers niets verklaard hebben over de betrokkenheid van verdachte bij de overval.

4.5. Ik wijs er tenslotte op dat de Hoge Raad naar aanleiding van het inwerkingtreden van de Wet stroomlijnen hoger beroep6 een eerder ingenomen standpunt over het ambtshalve oproepen van getuigen heeft gewijzigd:

"3.5. In de omstandigheid dat in verband met de Wet stroomlijnen hoger beroep een strafzaak - in daarvoor in aanmerking komende gevallen - in hoger beroep niet in volle omvang ter terechtzitting behandeld behoeft te worden, ziet de Hoge Raad thans aanleiding zijn eerdere rechtspraak, zoals hiervoor onder 3.2 weergegeven, wat betreft de appelfase te nuanceren. Met een 'voortbouwend appel' valt immers niet goed te verenigen dat de rechter in hoger beroep steeds ambtshalve ter terechtzitting in hoger beroep als getuige moet oproepen de persoon wiens in het opsporingsonderzoek afgelegde belastende verklaring welke tijdens een verhoor door de rechter-commissaris of tijdens de terechtzitting in eerste aanleg is ingetrokken, het enige bewijsmiddel is waaruit de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde feit rechtstreeks kan volgen. Het ligt bij een voortbouwend appel in de rede dat het aan de procespartijen en de appelrechter wordt overgelaten te beoordelen of een zorgvuldige totstandkoming van het rechterlijk bewijsoordeel eist dat die persoon op de terechtzitting als getuige wordt gehoord." 7

In dat licht bezien ligt het evenmin erg voor de hand om verplichtingen voor de appelrechter om ambtshalve getuigen op te doen roepen in het leven te roepen buiten de gevallen waartoe het EVRM daartoe verplicht.

Het middel faalt.

5.1. Het derde middel klaagt dat het hof is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging zonder in het bijzonder de redenen te hebben gegeven voor die afwijking. Dit standpunt kwam erop neer dat de amateuristische wijze waarop de overval werd uitgevoerd, waarbij de overvallers nauwelijks kennis bleken te hebben van de inrichting van de woning van de slachtoffers en van de plaats waar de kluis zich bevond, de inhoud van de brief die bij de slachtoffers is bezorgd en die duidelijk wees op betrokkenheid van verdachte, juist indicaties vormen voor de onschuld van verdachte. Als verdachte wel betrokken zou zijn geweest bij de overval zouden de overvallers door hem toch goed geïnformeerd zijn geweest over de situatie in de woning.

5.2. In de overzichtsarresten van de Hoge Raad waarin het nieuwe artikel 359 lid 2 Sv onderwerp van bespreking was heeft de Hoge Raad beslist dat de door de wet verlangde nadere motivering in dient te houden dat het naar voren gebrachte doch door de rechter niet aanvaarde standpunt in de uitspraak beargumenteerd wordt weerlegd, maar dat dit niet wegneemt dat zich het geval kan voordoen dat de uitspraak voldoende gegevens bevat, bijvoorbeeld in de gebezigde, voor de verwerping van het standpunt relevante bewijsmiddelen en/of in een aanvullende bewijsmotivering, waarin die nadere motivering besloten ligt.8 En zulks is hier het geval.

Het middel faalt.

6. De voorgestelde middelen falen en kunnen naar mijn oordeel met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging behoort te leiden.

7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De zaken 16/05534 ( [medeverdachte 1] ), 16/05323 ( [medeverdachte 2] ), 16/05509 ( [medeverdachte 3] ), 17/00263 ( [verdachte] ) en 17/01703 ( [medeverdachte 4] ) hangen samen. In al deze zaken wordt vandaag geconcludeerd.

2 EHRM 15 december 2015, nr. 9154/10.

3 HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1016. Zie ook HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1212.

4 EHRM 28 februari 2017, nr. 56875/11. Onherroepelijk op 28 mei 2017.

5 EHRM 29 juni 2017, nr. 63446/13, onherroepelijk op 29 september 2017.

6 Wet van 5 oktober 2006, Stb. 2006, 470.

7 HR 23 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:488, NJ 2014/488 m.nt. Borgers.

8 HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma.