Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:269

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
27-03-2018
Datum publicatie
04-04-2018
Zaaknummer
16/00481
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:1064
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Profijtontneming. Conclusie AG over art. 51 (oud) Sr. Stelbrief per e-mail verstuurd naar het gerechtshof Den Haag. Samenhang met 16/00483.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/00481 P

Zitting: 27 maart 2018

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[betrokkene]

  1. Bij uitspraak van 22 januari 2016 heeft het gerechtshof Den Haag de betrokkene bij verstek met toepassing van art. 511g, tweede lid, Sv in verbinding met art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen de beslissing van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 5 juni 2015. Daarbij is het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 32.865,36 en is de betrokkene ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag.

  2. Deze zaak hangt samen met de strafzaak tegen de betrokkene (16/00483), waarin ik vandaag eveneens concludeer.

  3. Namens de betrokkene is beroep in cassatie ingesteld. Mr. E.A. Blok, advocaat te Rotterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

  4. Het middel behelst de klacht dat art. 51 (oud) Sv1 in hoger beroep is geschonden, aangezien is verzuimd de raadsvrouwe een afschrift van de oproeping in hoger beroep te verstrekken.

5. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

(i) Op de terechtzitting in eerste aanleg van 5 juni 2015 is noch de betrokkene noch een raadsman of raadsvrouwe verschenen. De politierechter heeft aan de betrokkene bij beslissing van diezelfde datum bij verstek een betalingsverplichting opgelegd ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

(i) Namens de betrokkene heeft mr. Heida op 18 juni 2015 hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de politierechter.

(ii) De oproeping van de betrokkene in hoger beroep om te verschijnen op de terechtzitting van het hof van 22 januari 2016 is op 26 november 2015 uitgereikt aan de griffier van de rechtbank Den Haag, omdat van de geadresseerde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is. Uit een tweede akte van uitreiking blijkt dat de oproeping op 17 december 2015 tevergeefs is aangeboden op het adres [a-straat 1] in Utrecht en vervolgens op 8 januari 2016 is uitgereikt aan de griffier van de rechtbank Den Haag, omdat van de geadresseerde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is. Uit een derde akte van uitreiking blijkt dat de oproeping op 24 december 2015 is uitgereikt aan een huisgenoot van de geadresseerde op het op de appelakte vermelde adres, te weten [b-straat 1] in Sliedregt.

(iii) Op de terechtzitting in hoger beroep van 22 januari 2016 is noch de betrokkene noch een raadsman of raadsvrouwe verschenen. Het hof heeft verstek verleend tegen de niet verschenen betrokkene.

(iv) Bij arrest van 22 januari 2016 heeft het hof de betrokkene op de voet van art. 511g, tweede lid, Sv in verbinding met art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep. Het hof heeft daartoe overwogen dat de betrokkene niet een schriftuur met grieven heeft ingediend tegen de beslissing van de politierechter, dat hij evenmin ter terechtzitting in hoger beroep mondeling bezwaren tegen de beslissing heeft opgegeven en dat het hof ambtshalve geen redenen ziet voor een inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep.

6. Voorts zijn aan de cassatieschriftuur de volgende stukken gehecht:

(i) Een afschrift van een e-mailbericht van 1 december 2015, gericht aan de strafgriffie van het hof Den Haag, afkomstig van mr. A. Heida. Het e-mailbericht is verzonden naar het e-mailadres rp.hof.denhaag.algemeen@om.nl. Het bericht houdt in dat mr. Heida zich als raadsvrouwe van de betrokkene stelt en dat zij verzoekt haar rechtstreeks op de hoogte te houden van de ontwikkelingen in de zaak en om toezending van een kopie van alle relevante stukken uit het dossier.

(ii) Een screenshot van de map ‘verzonden items’ in Microsoft Outlook waaruit blijkt dat het desbetreffende e-mailbericht op 1 december 2015 is verzonden.

7. Ingevolge het eerste lid van art. 39 (oud) Sv geeft de gekozen raadsman van zijn optreden als zodanig, wanneer de officier van justitie reeds in de zaak betrokken is, schriftelijk kennis aan de griffier. De zich op de voet van art. 39 (oud) Sv gesteld hebbende raadsman kan aanspraak maken op naleving van processuele voorschriften die betrekking hebben op de status van raadsman van de betrokkene, waaronder het voorschrift van art. 51, tweede volzin, (oud) Sv dat hij een afschrift ontvangt van de dagvaarding.2 De Hoge Raad legt het eerste lid van art. 39 (oud) Sv aldus uit dat het een ordemaatregel bevat en dat een schriftelijke kennisgeving geen noodzakelijke voorwaarde vormt om als raadsman te kunnen optreden. Indien uit enig in het dossier aanwezig stuk aan de rechter of de andere justitiële autoriteiten kan blijken dat de betrokkene voor de desbetreffende aanleg is voorzien van rechtsbijstand door een raadsman, behoort deze raadsman als zodanig te worden erkend.3

8. In de onderhavige zaak blijkt uit de stukken van het geding niet dat voorafgaand aan de behandeling van de zaak in hoger beroep een afschrift van de oproeping in hoger beroep aan mr. Heida dan wel aan een andere voor de betrokkene optredende raadsman of raadsvrouwe is gezonden. Op de terechtzitting in hoger beroep is noch de betrokkene noch een raadsman of raadsvrouwe verschenen. De aan de cassatieschriftuur gehechte stukken bevinden zich ook niet bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding. Aan de herkomst en de betrouwbaarheid van de desbetreffende stukken hoeft in redelijkheid niet te worden getwijfeld. Bij de cassatieschriftuur is niet een brief van de griffier van het hof overgelegd, waarin de ontvangst van de hiervoor onder 6 sub i genoemde brief is bevestigd. Een dergelijke ontvangstbevestiging bevindt zich evenmin bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding. Het moet er daarom voor worden gehouden dat de brief van mr. Heida niet aanwezig was in het dossier dat het hof ter beschikking stond bij de behandeling van de onderhavige ontnemingszaak in hoger beroep.

9. Het hiervoor onder 6 sub ii genoemde screenshot met verzendbevestiging biedt naar mijn mening voldoende grond voor het ernstige vermoeden dat het bericht van de raadsvrouwe voorafgaand aan de behandeling van de zaak in hoger beroep is verzonden en ook is ontvangen. Als de raadsvrouwe er aanspraak op kon maken dat haar e-mailbericht als een stelbrief in de zin van art. 39 (oud) Sv zou worden aangemerkt en ter kennis van het hof zou komen, zou het in de bestreden uitspraak besloten liggende, niet nader gemotiveerde oordeel van het hof dat art. 51, tweede volzin, (oud) Sv in hoger beroep is nageleefd, niet zonder meer begrijpelijk zijn.4 Mijn ambtgenoot Harteveld wijst erop dat in een dergelijk geval sprake zou zijn van een tekortschieten van justitiële instanties, aangezien het e-mailbericht niet ter bestemde plaatse is aangekomen. Dat zou niet ten nadele van de verdediging mogen komen.5

10. De door de raadsvrouwe per e-mail verstuurde stelbrief is verzonden naar rp.hof.denhaag.algemeen@om.nl. Dit lijkt het e-mailadres van het ressortsparket in Den Haag te zijn, zodat de gedachte zou kunnen postvatten dat het e-mailbericht is verzonden naar het verkeerde e-mailadres. In een dergelijk geval kan de brief in beginsel niet als stelbrief in de zin van art. 39 (oud) Sv worden aangemerkt, zodat ook geen sprake is van een schending van art. 51, tweede volzin, (oud) Sv.6 De steller van het middel wijst er evenwel op dat stelbrieven per e-mail dienen te worden verzonden aan het hierboven genoemde e-mailadres. Telefonische navraag bij de griffie van het gerechtshof Den Haag heeft uitgewezen dat advocaten inderdaad door de griffie te kennen wordt gegeven dat zij, indien zij hun stelbrief per e-mail wensen te verzenden, deze kunnen versturen naar het hierboven weergegeven e-mailadres.7 Deze omstandigheid brengt mee dat de raadsvrouwe er aanspraak op kon maken dat haar e-mailbericht als een stelbrief in de zin van art. 39 (oud) Sv zou worden aangemerkt en ter kennis van het hof zou komen.

11. Gelet op het voorafgaande, is het in de bestreden uitspraak besloten liggende, niet nader gemotiveerde oordeel van het hof dat art. 51, tweede volzin, (oud) Sv in hoger beroep is nageleefd, niet zonder meer begrijpelijk. Dit in het belang van de verdachte gegeven voorschrift is van zo grote betekenis dat, al is dit niet uitdrukkelijk in de wet bepaald, de niet-nakoming ervan moet worden geacht aan een geldige behandeling van de zaak ter terechtzitting buiten tegenwoordigheid van de verdachte en diens raadsman in de weg te staan.8

12. Het middel slaagt.

13. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Gelet op het slagen van het eerste middel, kan het tijdsverloop bij de nieuwe behandeling van de zaak door het hof aan de orde worden gesteld.9

14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Inmiddels art. 48 Sv.

2 Zie onderdeel 4.5 van de conclusie van mijn ambtgenoot Harteveld voor HR 14 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1178.

3 Zie recent nog HR 5 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2250, rov. 2.5.2, onder verwijzing naar HR 19 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD2182, NJ 2001/161, rov. 3.2.2.

4 Zie bijv. HR 11 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1293.

5 Onderdeel 4.6 van zijn conclusie voor HR 14 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1178.

6 Aldus mijn ambtgenoot Harteveld in zijn conclusie voor HR 14 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1178, onderdelen 4.8 en 4.9. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep in de desbetreffende zaak met toepassing van art. 81, eerste lid, RO.

7 Bij e-mailbericht van 26 maart 2018 is namens het Ressortsparket Den Haag / Strafsector gerechtshof bevestigd dat het e-mailadres rp.hof.denhaag.algemeen@om.nl het adres betreft waar advocaten de stelbrieven in strafzaken in hoger beroep naar kunnen sturen.

8 Vgl. onder meer HR 11 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1293, HR 22 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2721, rov. 2 en HR 19 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3924, NJ 2013/416 m.nt. Borgers.

9 Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, rov. 3.5.3.